God behoede Land en Volk."

* * * * *

Op dienzelfden Maandag, 6 Januari, waarop het onderhoud met Sir Hercules

Robinson had plaats gehad, begon des namiddags om vier uur eene andere

beraadslaging, die eene der aangrijpendste momenten uit die dagen

genoemd mag worden.

De Regeering was na rijp beraad tot het merkwaardig besluit gekomen, om

Jameson en zijn soldaten aan de Engelsche regeering ter bestraffing over

te leveren, en nu kwam het er op aan, de kommandanten, die als de tolken

van het volk beschouwd konden worden, voor dit plan te winnen.

Met verwonderlijke welsprekendheid ontwikkelde Paul Kruger de redenen,

die de Regeering hadden geleid tot dit besluit, doch met strakke en

stalen gezichten staarden de wakkere voormannen des volks hem aan. En

hoe krachtiger hij aandrong, des te heftiger en hartstochtelijker werd

het verzet.

»Er moet een afschrikwekkend voorbeeld worden gesteld,[23]" riepen

zij, »en Jameson met zijn hoofdofficieren zijn aan het zwaard der

gerechtigheid vervallen!"

[23] Volgens den correspondent der »Sunday Special", Londen.

Vele uren lang kon men het schouwspel waarnemen, hoe een krachtig man

kampte en worstelde, om onwilligen over te halen. Zes, zeven maal

rees Paul Kruger op en bezwoer in bewoordingen van steeds klimmende

aandoening »zijne broeders, zijne vrienden," toch op het doorzicht der

Regeering te vertrouwen.

De beraadslaging liep uit op een heftige woordenwisseling, en den

volgenden morgen te vier uur was het lot van Jameson nog niet beslist.

Kruger was zichzelven bijna niet meer meester. Hij dreigde, hij

_smeekte_--alles te vergeefs!

De kommandanten stonden daar als de vertegenwoordigers van het volk, en

het Afrikaansche bloed, dat van toorn en verontwaardiging over den even

schandelijken als schaamteloozen inval aan 't koken was geraakt, eischte

zijn rechtvaardige offers.

Toen stond Piet Joubert op, de Kommandant-generaal, die den President

steunde.

»Vrienden," zeide hij, »veronderstelt, ik heb een hoeve, en de honden

van mijn buurman komen en plagen en dooden mijn schapen. Zal ik die

honden nu dooden? Of zal ik ze niet liever vangen, ze terugbrengen aan

den eigenaar en tot hem zeggen: »Hier zijn uwe honden; straf ze en

vergoed mij de schade, die ze hebben aangericht?""

Niemand antwoordde, en na een oogenblik pauze vervolgde Joubert: »Wij

hebben de honden gevangen. Zou het nu niet het verstandigste zijn, hen

aan de Engelsche regeering terug te zenden, om hen te doen straffen,

schadevergoeding te eischen?"

De gelijkenis pakte; men kon het zien op de gebaarde gezichten der

kommandanten.

Twee afgevaardigden der zusterrepubliek Oranje-Vrijstaat sloten zich in

een treffende rede, die in ademlooze stilte werd aangehoord, bij het

voorstel van Paul Kruger aan, en eindelijk--eindelijk kenterde het

getij.

Schalk Burger stond op en zeide: »Broeders, ik ben het nog niet eens

met het voorstel der Regeering, doch ik begrijp, dat wij moeten buigen

voor de grootere wijsheid van onzen President. Ik acht het onzen plicht,

ons overtuigd te houden, dat hij grooter doorzicht en kennis heeft in

politieke zaken dan wij. Daarom stel ik u voor, met algemeene stemmen

het besluit te nemen om de Jameson-kwestie te laten in handen van den

President en den Uitvoerenden Raad, en hun beslissing te verdedigen bij

het volk."

De kommandanten legden zich bij dit voorstel neer, en Paul Kruger had

gezegevierd.

Doch de Engelsche Jingo's waren al weer niet tevreden. Zij waren van

meening, dat Paul Kruger's edelmoedigheid ten slotte niets anders was

dan een doortrapt slimme streek, om de hoogst moeielijke taak van het

straffen der Engelsche regeering op den hals te schuiven.

Wij willen daarop slechts dit antwoorden, dat de daad van Paul Kruger

evenzeer het uitvloeisel was van Christelijke edelmoedigheid als van

hooge staatsmanswijsheid, en door Jameson met zijn gezellen aan de

Engelsche regeering ter bestraffing over te leveren, heeft hij zich het

hart van het beschaafde Europa stormenderhand veroverd.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 50 / 53 题