De stilte van den avond is nedergedaald op het oord waar eenige uren
geleden zoo grimmig is gevochten.
Ge kunt de sporen van den strijd nog zien bij het licht der Afrikaansche
sterren, en tusschen de door hoeven van vele paarden geknakte grashalmen
en vertrapte veldbloemen schemeren kleine, donkerroode, opgedroogde
plassen--plassen van menschenbloed.
Doch het gewoel van den strijd heeft zich verplaatst, en het geweervuur,
dat de stilte verbreekt, komt wijd uit de verte.
Twee personen betreden thans het uitgestrekte terrein van het slagveld,
en een groote hond loopt, met den neus langs den grond speurend, en in
wijde kringen wegsnellend, om telkens terug te keeren, voor hen uit.
Het zijn een blanke en een kleurling.
De kleurling wendt zich nu links, en de blanke rechts.
De blanke roept: »Sultan," en de hond volgt hem.
De blanke is ons even goed bekend als de kleurling, die zich snel
verwijderend, in de duisternis niet meer zichtbaar is.
Het meesterke, de blanke, heeft met grooten vlijt geinformeerd naar
Frits Jansen, doch niemand heeft hem meer gezien sinds hij achter den
grijzen klipstapel de bemanning van het Maxim wegschoot. De Boeren, bij
wie Frits Jansen zich had aangesloten, alvorens hij den even stouten
als vermetelen aanval op het Maxim had gewaagd, waren door de wanhopige
pogingen van Jameson, om door te breken, telkens verplicht geworden, om
van positie te veranderen, en nog op dit oogenblik stonden zij, maar op
een geheel andere plek, met den vinger aan den trekker van hun geweer.
Zij vermoedden, dat het Maxim door de Engelschen reeds lang verplaatst
was, en meenden, dat Frits Jansen het er goed had afgebracht.
Doch zij hadden er geen bewijs voor, en daar Frits Jansen bij de Boeren,
die het meesterke heeft gesproken, niet is te vinden, is zijn hart vol
zorg en kommer.
Gebukt loopt hij het terrein af, onderzoekt zorgvuldig den grond, en
kampt manmoedig tegen het innerlijke afgrijzen, dat hem aangrijpt op het
veld van dood en vernieling.
Ja, 't is vreeselijk, zoo'n slagveld bij nacht, en sterker zenuwen dan
die van het meesterke zouden er van terugdeinzen. Engelsche bommen
hebben diepe kuilen in den grond geboord, boomen ontworteld, huizen
uiteengeslagen. Hier ligt een muilezel met opengescheurden buik, ginds
een infanterist met het hoofd voorover en eenige grashalmen in zijn
verstijfde vingers, die hij in zijn doodstrijd uit den grond heeft
gescheurd. Op een vlak terrein staat een Engelsche transportwagen, en
het huiflinnen gelijkt op een zeef: zóó is het doornageld door de kogels
der Boeren. Voor den disselboom liggen een paar ossen, en daarnaast de
leidsels in de ééne en de zweep in de andere hand, een Kaffer met akelig
opengesperde oogen. Waarschijnlijk heeft hij de ossen tot een uiterste
krachtsinspanning willen aanzetten, om met den wagen uit het bereik van
de vreeselijke Boerenkogels te komen, maar de dood heeft hem en zijne
ossen overrompeld. Twintig pas verder staat een paard vredig te grazen,
en somwijlen wendt het den korten nek naar zijn rechterzijde, en gaat
met den ruigen kop snuivend over het doode lichaam van zijn ruiter,
wiens hart heden middag nog zoo krachtig en moedig heeft geklopt. Met
de linkerhand houdt de doode cavalerist nog de teugels van zijn paard
omklemd, en in de rechterhand blinkt het blanke lemmet van zijn degen.
Nu en dan doet het paard, naar voedsel zoekend, eenige stappen
voorwaarts, en sleurt zijn ruiter mede....
In een onbeschrijfelijke gemoedsstemming zet het meesterke zijn
treurigen tocht voort.
Hij hoopt Frits Jansen niet te vinden, want dan is hij waarschijnlijk
nog onder de levenden, en onder het geweervuur, dat op dit oogenblik
weer levendiger wordt, is misschien zijn schot.
Zooveel te beter, als het waar is, doch het onverklaarbaar gevoel, dat
hem naar het slagveld dreef, bindt hem ook vast aan dat veld.
Nu en dan houdt Sultan bij zijn naspeuringen stil, stoot een kort geblaf
uit en gaat weer door.
En diepernstige gedachten gaan door de ziel van het meesterke, terwijl
hij hier wandelt op dit veld der dooden, en een diepe droefheid vervult
zijn ziel.
Wat al bloed is er vergoten van af het bloed van den onschuldigen Abel,
dien Kaïn doodsloeg, tot den laatsten verslagene toe, die hier op de
velden van Krugersdorp is neergelegd! En welk een donkere, onmetelijke
zee van bloed stroomt door de geschiedenis der menschheid heen! En
als eens al de tranen waren vergaderd, die om die zee van bloed zijn
geschreid, ze zouden een oceaan vormen van bruischend wee! En als
eens al die gebroken harten waren geteld, welke die tranen hadden
gestort, hun getal zou zijn als het getal der sterren, die zoo kalm en
vriendelijk hun eeuwige banen beschrijven boven dit oord van zonde,
jammer en ellende, dat aarde heet....
Peinzend schrijdt het meesterke voort.
De nachtwind strijkt over het veld, en het geruisch in de lage struiken
ruischt hem in de ooren als een lange, bange stervenskreet....
Doch plotseling wordt hij uit zijn droeve mijmeringen gewekt door een
luid en angstig geblaf uit de verte.
Dat is Sultan's stem.
Met een bonzend hart loopt het meesterke in de richting, van waar het
geluid wordt gehoord, doch hij struikelt over een scherpen klipsteen, en
valt languit tegen den grond. Hij richt zich op, hij heeft zich gekwetst
aan de hand, maar let er niet op, en buiten adem bereikt hij de plek,
waar Sultan is.
Het trouwe dier staat, als om het te beschermen, boven een lang donker
voorwerp, in de onmiddelijke nabijheid van eene grijzen klipstapel, en
het meesterke, die van een grijzen klipstapel heeft hooren spreken,
twijfelt er niet aan, dat hij het doel van zijn tocht heeft bereikt.
Doch het hart slaat hem van vrees en ontsteltenis tot in de keel.
Hij knielt bij Frits Jansen neer.
Frits ligt achterover, met het hoofd op een kleine verhevenheid. Onder
het hoofd een plas bloed.
Het gelaat is doodelijk bleek, doch de oogen, die bij andere
gesneuvelden zoo akelig star kunnen opengesperd zijn, zijn bij hem
gesloten.
Naast hem ligt zijn geweer.
Het meesterke heeft zich spoedig hersteld, en met bewonderenswaardige
tegenwoordigheid van geest ontbloot hij de borst van den jongen Boer, en
legt zijn oor te luisteren.
In ademlooze spanning wacht hij eenige oogenblikken--een eigenaardige
trilling gaat over het gelaat van het meesterke--dan rijst hij op.
Hij heeft het zwakke kloppen van Frits Jansen's hart gehoord, en haast
had ik gezegd, dat moeder Jansen bij deze ontdekking niet blijder had
kunnen zijn dan het meesterke.
De hond kijkt den blanke aan met zijn schrandere oogen.
»Toe Sultan," zegt het meesterke, »zoek Eliëzer--gauw!"
Het verstandige dier schijnt het meesterke begrepen te hebben, en in
groote sprongen, aanhoudend luid blaffend, zoekt het den Kaffer op.
Het meesterke neemt middelerwijl zijn veldflesch, en bevochtigt de
lippen van den zwaargewonde met eenige druppels wijn.
Uit steeds grootere verte komt het geblaf van den hond.
Het wachten duurt altijd lang, bovenal wanneer men zich op een
afgrijselijk veld van dooden bevindt, bij een zwaargewonde wiens
levenslampke elk oogenblik kan worden uitgebluscht.
Van een paar minuten kan hier het leven afhangen, en hoe lang moet het
meesterke reeds wachten!
In der daad zijn het nog geen vijf minuten, maar het schijnt hem een
eeuwigheid toe. Dat doet de zorg, de angst.
Maar het meesterke slaakt thans een zucht van verlichting, want het
geblaf begint weer te naderen, en beweegt zich in de rechte richting
naar hem toe.
Hij nadert snel, en in groote sprongen bereiken de Zoeloe en Sultan de
plaats van het onheil.
»O meesterke," roept Eliëzer, »leeft hij nog?"
»Hij leeft nog," antwoordt het meesterke, »maar hij is zwaar gewond aan
het hoofd."
»Ach, dat hij herstellen mocht!" zucht de Zoeloe.
»Wij willen er om bidden," zegt het meesterke.
»Ja, dat willen wij!" zegt de zwarte zoon van Cham.
»Maar hij moet thans vervoerd worden," zegt het meesterke,--»weet ge een
woning in de nabijheid?"
»Achter de heuvelen heb ik een oude woning zien staan," antwoordt
Eliëzer; »daarheen brengen wij ons baassie."
Hij neemt het zware lichaam met de voorzichtigheid van eene moeder in
zijne sterke, gespierde armen, en het meesterke onderstut het hoofd.
Zoo zet zich de kleine stoet in beweging, met Sultan voorop.
Het is een lange tocht; de Kaffer heeft geen gevoel meer in zijn armen,
en zijn breede borst gaat zwoegend op en neer, als eindelijk de woning
is bereikt.
Ze ziet er uit doodsch en verlaten; er brandt geen licht; de oude deur
is niet gesloten, en men treedt het vertrek binnen.
Terwijl nu de Zoeloe met inspanning zijner laatste krachten den
kostbaren last in zijn armen houdt, ontsteekt het meesterke een
vuurhoutje.
Het schijnt wel, dat de bewoners heden middag voor het begin van den
strijd, zijn gevlucht. In een open haard smeult nog eenig vuur, op den
vloer liggen eenige gebroken scherven, en in den hoek van het vertrek
bevindt zich een bedstee, waaruit het bed is weggenomen. Snel spreidt
het meesterke--waar haalt hij die practische kennis toch van daan?--het
stroo eenigszins goed, en terwijl het meesterke van zijn jas een soort
hoofdpeluw maakt, legt de Zoeloe den zwaargewonde behoedzaam in de
bedstee neer.
»Als we nu maar een kaars hadden!" fluistert het meesterke, doch na
eenig zoeken vindt men in een belendende kast een eenvoudige, maar goed
gevulde olielamp: een vondst, die op dit oogenblik meer waarde heeft dan
de ontdekking eener Transvaalsche goudmijn. Ze wordt snel ontstoken, en
in het achterhuis ontdekt Eliëzer een ton frisch water.
Het meesterke staart nu weer in het doodsbleek gelaat van zijn vriend.
»Wat denkt gij er nu van?" vraagt de Zoeloe.
»Ik weet het niet," zegt het meesterke, wiens hoop van zoo even weer
veel verminderd schijnt--»zoek gauw een dokter!"
»En den ouden baas!" meent de trouwe knecht.
»Ja, dat is goed," zegt het meesterke.
* * * * *
Er waren geen twintig minuten voorbijgegaan, toen de hoefslag van een
paard werd gehoord, en eene krachtige militaire stap werd vernomen.
»De dokter," fluisterde Eliëzer, den geneesheer voorgaande.
't Was een oude, militaire arts, een Duitscher, bekwaam voor zijn taak
en van een zekere ruwe goedhartigheid.
De dokter trad binnen met rinkelende sporen, trok den overjas uit, wierp
eenige instrumenten op tafel en zeide: »Goeten Tag! Waar is de patient?
Zoo--in dat hondenkat?"
Hij onderzocht den bewustelooze zeer nauwkeurig, mompelde eenige
onverstaanbare woorden, en nam toen de oude snuifdoos uit den zak.
Het meesterke keek hem aan, alsof dood en leven van zijn afspraak
afhing.
»'t Zal wel kaan. Sterk sjampsjot aan den kop; sjedelhuid beleedigd;
bloedfat kesprongen, maor 't zal wel kaan, als keene onkunstige
fersjainingen komen. Erg bloedferlies gehad, maor prachtige, sterke
likkaamsbouw--'t zal wel kaan!"
Hij verbond de wond, nam weer een snuifje en ging voort: »Hai zal over
enkele stonden wel bai komen--vorwärts, oude nigger, dan zal ik nog
einige medicinen mit keven! Wat 'n tag! En dat hebben wi te danken aan
de Englanders, die hallonken, die kalgestroppen! Adjuus! Vorwarts
nigger, dat wi uit dit zwainenhok komen!"
Hij trok den overjas weer aan, borg de instrumenten op in den wijden
buitenzak, maakte rechtsomkeert, en verliet in militairen pas, met
rinkelende sporen, door Eliëzer gevolgd, het vertrek.