HOOFDSTUK XXXVI.

Het gevecht van Krugersdorp is een aaneenschakeling geweest van bloedige

schermutselingen, die in een wijden kring hebben plaats gehad, en

terwijl Frits achter den grijzen klipwal het Maxim in bedwang hield,

waren Reinard Jansen en zijn vier andere zonen op een geheel ander

terrein van het slagveld.

Juist had baas Jansen met zijn strijdmakkers een wanhopige poging der

Engelschen, om hier door te breken, met kracht en succes weerstaan, en

daar de vijand op dit punt wel geen nieuwen aanval zou wagen, had hij

zich met een afdeeling Boeren naar eene andere plek gespoed, waar zijn

hulp misschien van noode zou kunnen zijn.

Zoo ontmoette hij een groep jonge Boeren, goed gedekt achter een aarden

verschansing en voegde zich bij hen.

Hij, Reinard Jansen, was in een opgewekte stemming. Zijn oogen straalden

van strijdlust, en de oude pijn, die knaagde aan zijn hart, scheen

begraven te worden in den kruitdamp en den kogelregen van Krugersdorp.

»Heb je ook al een roodbaatje doodgeschoten?" vraagde een heldere stem

vlak naast hem.

Reinard Jansen keek den spreker aan: een aardigen, guitigen jongen van

misschien twaalf jaar.

»Zoo kleine kerel," zeide Jansen verwonderd, »waar kom jij van daan?"

»Uit Krugersdorp," zeide de jongen op vroolijken toon; »ik behoef van

daag eens lekker niet naar school."

De Boer kreeg pleizier in den jongen.

»Leer je goed?"

»Leeren?" antwoordde de jongen, de schouders ophalend; »mijn vader zegt

dat ik er een broertje aan dood heb."

Hij haalde een stuk chocolade uit zijn zak.

»Ook een stuk, Oom? 't Is goeie, hoor! Ik heb ze zoo even dien dooden

Engelschman uit den zak gehaald. Kijk, daar ligt hij, bij die struiken!"

»Ge moet van de lijken afblijven," zeide baas Jansen op strengen,

berispenden toon.

»En de chocolade laten bederven?" vraagde de jongen in de grootste

verbazing; »'t zou toch zonde zijn! Hier, Oom, heb je ook een stuk!

Licht dat wij er dàt van hebben!"

Er kwam een heldere glimlach op Jansen's stroef gelaat.

»Jij bent een vreemde snaak," zeide hij; »waar is je geweer?"

»Hier, Oom!" zeide de jongen, een Engelschen karabijn omhoog houdend.

»Waar heb je dat gehaald?"

»Wel van dienzelfden dooden Engelschman--dat mag zeker ook niet?"

»_Dat_ mag wèl," zeide Jansen met nadruk.

»Hoe heet jij?" liet hij er op volgen.

»Pieter Kooten, Oom."

»En wat moet je worden?"

»Mijn vader is schoenmaker, Oom, en dat wil hij mij nu ook maken, maar

ik besterf het, als ik dat moet worden. Dat gaat den geheelen dag maar

zoo; Ssiet--ssiet," en hij maakte het gebaar van pikdraad trekken.

Jansen keek scherp over de verschansing heen. Hij meende, achter een

heuvel de punten van eenige Engelsche pinhelmen waar te nemen, doch die

punten verdwenen weer.

»Zoo, jongen, zoo," zeide Jansen vriendelijk, »en waar heb je eigenlijk

zin in?"

»Ik wil boer worden, Oom, boer, midden in de wildernis, en niet in zoo'n

eng gat, zoo'n schoenmakershok, worden opgesloten!"

»Ben je ook boer, Oom?" liet hij er op volgen, een nieuwsgierigen,

vorschenden blik op zijn buurman werpend.

»Ik denk het wel," zeide Jansen in de beste luim, »en je komt mij later

maar eens opzoeken, als je vader het goedkeurt, en ge vraagt dan maar

naar meester Jansen op Waterfontein, en ik zal zien, of ik dan nog niet

een flinken boer van je kan maken."

»Ten minste, als wij beiden er het levend afbrengen," liet hij er

ernstiger op volgen.

»Maar wat heeft je toch bewogen om mee te vechten?" vraagde Reinard

Jansen.

»Wel Oom," zeide de leuke jongen, »in de eerste plaats behoef ik

nu niet in het muffe schoolgebouw te zitten, en ten andere wou ik

dolgraag meehelpen, om de Engelschen op hun baatje te geven. Ge hadt

het daar straks maar eens moeten zien, Oom, toen die Engelschen op

hun brieschende paarden kwamen aanstormen! Men zou gedacht hebben,

dat er van ons geen stuk of staal was terecht gekomen maar ja wel

hoor--boem!--daar lagen ze! Ik heb nooit van mijn leven zoo'n herrie

gezien, als toen onze kogels er tusschen vlogen!"

»Maar _jij_ hebt toch niet geschoten, Piet?"

De jongen schudde het hoofd.

»Ik had dat geweer nog niet, maar ik riep maar: »Ssa!--toe

jongens!--schiet die roode rakkers dood!" en toen deden zij 't."

Baas Jansen moest er toch om lachen, zooals die jongen dat vertelde,

maar hij brak het gesprek nu af, en klom boven op de aarden verschansing

om het terrein op te nemen.

De veldkornet[21], een betrekkelijk jonge man met een innemend,

schrander uiterlijk, wien men bij den eersten oogopslag kon aanzien, dat

hij een broer was van Lena Marling, stond naast hem, met den verrekijker

in de hand.

[21] Bevelvoerende Boerenofficier.

»De Roodbaatjes laten ons hier nog al lang met rust," meende Jansen.

»Ik had ze zooeven verwacht," zeide de veldkornet, »maar zij schijnen

het niet aan te durven," en de hand uitstrekkende, beval hij met luide

stem: »Op mannen! Wij zullen onmiddellijk gindschen heuvel bezetten, om

dichter bij den vijand te komen!"

Het bevel werd stipt en snel uitgevoerd, en Jansen was met den

veldkornet een der eersten boven op den hoogen heuvel, van waar men een

uitstekend vergezicht had.

»Ginds staat een Maxim," riep Reinard Jansen.

»En het geeft geen vuur!" liet hij er in verbazing op volgen.

»Ik heb het reeds opgemerkt," zeide de veldkornet, terwijl hij den

verrekijker van de oogen nam en aan Jansen overreikte.

De Boer nam het instrument en staarde aandachtig naar het zwijgende

Maxim. Vervolgens onderzocht hij, den verrekijker langzaam wendende, den

omtrek.

Op een grijzen klipheuvel bleef de verrekijker wat langer gericht.

»Ge ziet die grijze klip zeker?" meende de veldkornet; »ik heb ze ook

opgemerkt. Daar zit één der onzen, die dat leelijke beest in bedwang

houdt."

Hij bedoelt met het leelijke beest het Maxim.

Jansen echter zeide geen woord.

»'t Is een voorgeschoven post der onzen--een kloek en kranig stuk,"

zeide de veldkornet. »'t Is ongehoord, om met één man een Maximkanon te

muilbanden!"

Doch waarom begint de kijker te schudden in de handen van baas Jansen?

Waarom beefde die hand, die zoo even, in de bloedige worsteling, geen

beven had gekend? Waarom week de laatste bloeddrup uit zijn gelaat?

»Wordt ge niet wel?" vraagde de veldkornet bezorgd, meteen de zonen van

Jansen roepend, die achter den heuvel stonden.

Doch Reinard Jansen riep met heftig bewogen stem: »Ginds, achter de

klip, ligt mijn kind, en hij houdt geheel alleen een Maxim in toom!"

Hij sprong op; hij stormde de helling af en zocht zijn paard.

»Vader," riep Zeger, »wat wilt ge?"

»Wat ik wil?" antwoordde hij. »Wat ik wil? Begrijpt ge dan niet, dat

Engeland zijn scherpschutters op mijn Frits zal afzenden, en hem een

kogel zal jagen door het moedige hart? Ik wil hem redden; redden wil ik

hem--of met hem sterven!"

Zeger wenkte zijn broeders.

Hij behoefde geen woord te zeggen; zij begrepen hem. En zonder twijfel!

zij zouden hun vader volgen tot in den muil van den leeuw....

In groote sprongen ijlde de oude Jansen zijn kinderen vooruit, om zijn

paard te zoeken, dat met een stoet andere paarden in een vallei dicht

bij een plas troebel water, gedeeltelijk gekluisterd en onder behoorlijk

opzicht, liep te grazen.

Was de stugge, harde Jansen, die niets vergeten kon, vergeten, dat zijn

zoon een brandstichter was? Vergeten, dat hij met Cecil Rhodes, den

vijand zijns volks, had geheuld?

Neen, hij was het niet vergeten, doch als bij ingeving begreep hij, dat

Frits zijn vreeselijke dwaling thans wilde goed maken met zijn bloed en

zijn leven, en al had Frits _tien_ Waterfonteins in vlammen doen opgaan,

de oude Jansen zou het hem thans vergeven hebben!

Waar waren nu zijn toorn en bitterheid? Ze waren verdwenen als een

mistwolk voor de morgenzon; ze waren verteerd als een ijle vlasdraad in

de hitte van het vuur, en geen hijgend hert, der jacht ontkomen, kon

sterker schreeuwen naar de frissche waterbronnen, dan _zijne_ ziel

schreeuwde naar verzoening met zijn kind! En bij het kletteren van den

ijzeren hagel der Maxims, in het aangezicht des doods, wilde hij zijn

kind in de ooren fluisteren: »Frits mijn jongen--'t is alles, alles

vergeven! Gij zijt geen bastaard, maar mijn kind, mijn lieveling! Wij

zijn verzoend!"

Ja verzoend! doch de gedachte, dat hij te laat kon komen en dat zijn

kind onverzoend met zijn vader voor den eeuwigen Rechter van hemel en

aarde zou kunnen verschijnen was hem schier ondragelijk, en hij steunde

als een hert, dat de wond voelt, diep in de borst....

Hij had nu zijn paard gevonden, en terwijl hij in 't zadel sprong, deden

zijn zonen hetzelfde.

Hij keek hen even aan zonder iets te vragen.

Doch met het geweer in de hand en zwart van den kruitdamp, kwam de oude

Dirk Kloppers juist aan van den anderen kant.

Hij greep den bruinen klepper van Reinard Jansen bij den teugel en riep:

»Halt Neef, waarheen?"

»Dáár heen!" riep Reinard Jansen, met de hand wijzend, en in korte,

ongeduldige woorden deelde hij de reden mee.

Om den hoek van den heuvel verscheen thans een ordonnans van kommandant

Cronjé.

Hij had hard gereden; het schuim spatte het paard van de flanken.

»Laat los!" riep Reinard Jansen, doch de oude Voortrekker hield den

teugel nog vast van den bruinen klepper.

»Wacht nog even, om te hooren, wat de ordonnans heeft mede te deelen,"

zeide hij bedaard, en de ordonnans, zijn paard stil houdend, riep

haastig: »Mannen, ge gaat de verkeerde richting uit! Ik zal u den weg

wijzen! Allen te paard! Snel, snel! Waar is de veldkornet? De Engelschen

staan op het punt om door te breken!"

Het gelaat van Reinard Jansen werd valer dan de vale klip, waartegen

zijn bruine klepper de voorhoeven sloeg, en in het hart van den

ongelukkigen man moest de strijd worden uitgestreden tusschen

vaderliefde en burgerplicht.

Doch de wijze grijsaard van Vredenoord begreep dien strijd, en hij zeide

met diep ernstige stem: »Zult gij de heilige zaak, waarvoor uw kind zijn

leven waagt, bederven door er de Engelschen door te laten? En is God,

Die ons niet handelt naar onze zonden, niet machtig, om uw kind te

bewaren?"

Langzaam wendde Reinard Jansen den klepper, doch toen gaf hij zijn paard

de sporen, en snelde met zijn strijdmakkers naar het bedreigde punt.

En deze daad was grooter dan de daad van Jan Kloppers, toen hij zich

losscheurde van het krankbed van zijn doodziek kind, en grooter dan de

daad van moeder Jansen, toen zij haar pas terug ontvangen kind weer

afstond aan de vreeselijke kansen van den oorlog.

En met saamgeperste lippen en gefronste wenkbrauwen heeft Reinard

Jansen, gelegen achter den harden bazaltmuur, tegen welken de Engelschen

met groote dapperheid instormden, en elken keer, dat zijn breedgerande

hoed zichtbaar werd boven de borstwering, heeft zijn kogel een

Engelschman neergestrekt.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 46 / 53 题