HOOFDSTUK XXXV.

»Halt!" roept de dappre Kommandant:

»Stijg af! 't Geweer ter hand!

Wij strijden heden voor 't recht

Van 't dierbaar Vaderland!"

Gij vraagt: »Wie is die ruiterstoet?"

Reeds antwoordt hun geweer!

Reeds legt het wreekend Boerenlood

De trotsche Britten neer!

Wel dondert het Maxim-kanon

de Boeren tegemoet,

Doch hun geleed'ren wanklen niet,

Hij wankelt niet, hun moed!

De zon ze stijgt, de zon verdwijnt,

Nog altoos woedt 't gevecht,

Maar toen de nieuwe morgen kwam,

Toen werd de strijd beslecht!

God zelf had in der Boeren hart

Een stalen moed gewekt.

En hen in 't heetste van 't gevaar

Als met een schild gedekt!

Vernietigd was het Britsch geweld

Met al zijn wapenpraal,

En over 't veld der dooden woei

De Vierkleur van Transvaal!

Maandag 30 December 's namiddags vijf uur ontving Kommandant Cronjé,

wien wij gaarne de hulde brengen, dat hij een der wakkerste en

bekwaamste bevelvoerders is der Zuid-Afrikaansche Republiek, per

expresse bestelling uit Potchefstroom in zijn landelijke woning het

verrassende bevel, om zich onmiddellijk gereed te maken, om Jameson's

troepen te keeren.

Cronjé is een geboren strateeg, en hij vermoedde onmiddellijk, dat de

Engelschman gezocht moest worden in de richting van Krugersdorp. Hij

liet dus de burgerwacht opkommandeeren naar Ventersdorp, en vertrok

met zijn vier zonen den volgenden morgen te vijf uur naar Ventersdorp,

dat na een harden, zesurigen rit te elf uur in den voormiddag werd

bereikt. Hier waren reeds 70 gewapende Boeren verzameld, en werd de rit

onmiddellijk voortgezet, totdat men des namiddags drie uur Mooirivier

bereikte. Om zes uur 's avonds werd de tocht opnieuw aanvaard, en

terwijl den ganschen nacht werd doorgereden, bereikte Cronjé met zijn

manschappen bij het krieken van den eersten dag van het nieuwe jaar, na

twintig uren in het zadel te hebben gezeten, aan de spits van 250 Boeren

Krugersdorp.

Het was een geduchte krachtsinspanning geweest, maar de Kommandant

smaakte, nu hij den hoogsten heuvel bij het Krugersdorper

spoorweg-station beklom, om den omtrek op te nemen, ook de voldoening,

dat hij Jameson was voor geweest. En nu eerst gaf hij aan zijn

manschappen, die er wel behoefte aan hadden, verlof om af te zadelen

en uit te rusten.

Doch zelf gunde de dappere bevelvoerder zich nog geen rust. Hij

telegrafeerde naar Pretoria zijn aankomst, gaf de richting op waar

volgens de laatste rapporten Jameson moest zijn en verzocht om

artillerie.

Om negen uur van den nieuwjaarsmorgen stelde Cronjé de slagorde op, en

nam een zeer geschikte positie in op een half uur afstands ten westen

van Krugersdorp, terwijl Kommandant Malan van Rustenburg, na eene rit,

die voor dien van Cronjé niet onder deed, met 250 man, en Kommandant

Potgieter van Krugersdorp met 100 man kwamen opdagen, en aan het kleine

legertje van Cronjé een zeer welkome versterking boden. Nu kon men de

lijn der verdediging uitbreiden, en terwijl de Boeren zich in groepen

verdeelden, achter heuvels, in slooten, tusschen klipwallen stelling

namen, waren de Engelsche troepen genaderd.

Jameson waande zich van de overwinning zeker.

Zijn laatste halteplek vóór Krugersdorp was Rietspruit, bij een winkel.

De geheele voorraad eet- en drinkwaren werd opgekocht, en Jameson

zeide heel bedaard tot den winkelier, die om betaling vroeg: »Stuur je

rekening maar aan Dr. Jameson te Johannesburg. Daar zal ik morgen zijn

na eerst een paar schermutselingen met de Boeren gehad te hebben, want

ik ga den weg voor mij schoonvegen."

Vol zelfvertrouwen trokken de troepen nu op Krugersdorp los, en

terwijl Jameson de burgerij liet waarschuwen, vrouwen en kinderen te

verwijderen, want binnen een half uur zou hij het dorp bombardeeren,

opende hij 's middags te drie uur het vuur uit zijn grof geschut.

Het eerste schot was te kort; het tweede ging veel te ver, doch de derde

bom ontplofte in de gevaarlijke nabijheid van een ammunitie-wagen, waar

Boeren bezig waren, zich van patronen te voorzien, doch niemand hunner

werd gekwetst.

»Sommige huizen," schreef een ooggetuige, »waren liederlijk vol gaten

geschoten door die bom. Hier zien wij de hand van God; de kogels gaan in

de huizen, maar niet in de Boeren."

* * * * *

Frits Jansen was op het oorlogsterrein aangekomen, en wendde zich naar

een vallei, waar een stoet Boerenpaarden schuilden onder de hoede van

twee Boeren.

De scherpe knal van het geweer vermengde zich met den luiden knal van

het kanon.

»Hoe staat het?" vraagde Frits Jansen.

»De Maxims zijn gevaarlijke dingen," zeide de jongste der twee Boeren;

»onze manschappen kunnen niet dicht genoeg bij den vijand komen; wij

moesten ook kanonnen hebben."

»We zullen ze ook zonder de kanonnen wel klein krijgen," zeide

de oudste, die een wild geworden paard trachtte te bedaren. »Stil

paardje--we hebben ze zonder kanonnen wel van den Amajuba gehaald--sta

dan, bruine!"

Frits nam het geweer van den schouder, en spoedde zich naar een wal

van harde klippen, waar achter zich een groep Boeren had vastgezet. Hij

voegde zich bij hen, schoof den eersten scherpen patroon in den loop van

het geweer, en staarde vol aandacht over het slagveld.

Het was een snikheete dag, zonder wind, en grijze kruitwolken dreven

langzaam omhoog.

De Maxims waren nog in volle werking, doch plotseling verstomde het

kanonvuur, en een afdeeling cavalerie ging gevolgd door een Maxim, met

het blanke wapen los op een Boerenstelling, bezet door manschappen van

Kommandant Malan.

Nóg was het stil achter de bruine heuvelen, maar onverhoeds werden de

breedgerande Boerenhoeden zichtbaar, kleine rookwolkjes teekenden zich

boven den top der hoogten, en de korte, scherpe knal van het

Boerengeweer werd gehoord.

Ruiters waggelden op hun paarden of stortten voorover uit het zaâl;

gewonde paarden steigerden wild omhoog, en de schitterende ruiterstoet

holde, door de Boerenkogels achtervolgd, in schromelijke verwarring

terug.

Het Maximkanon werd achtergelaten, doch later door de Engelschen

teruggehaald. Een ongeduldige Boer had tot Cronjé, den Kommandant,

gezegd: »Laat ons dat Maxim pakken," en Cronjé had bedaard geantwoord:

»De springbok is reeds gekwetst; hij moet van zelf in onze handen

vallen, heb maar geduld, ouwe!"

Een nieuwe afdeeling cavalerie stormde thans voorwaarts, doch in een

andere richting, om den ijzeren gordel te breken, door een paar honderd

Boeren gespannen. Zij trokken recht af op de verschansing, waarachter

Bodenstein met zijn burgers stelling had genomen, doch deze afdeeling

werd volkomen vernietigd. Niemand keerde terug. Wat niet sneuvelde,

moest zich overgeven.

Hier was het, dat een Transvaalsche Boer, (genaamd Jakobs), door

barmhartigheid gedreven, een gewonden Engelschman laafde met water uit

zijn veldflesch, doch door dezen man werd doodgeschoten. Een andere

Boer, die het zag, joeg toen in zijn verontwaardiging den Engelschman

een kogel door het hoofd.

In begrijpelijke spanning was Frits Jansen deze tooneelen met zijn

oogen, zoover als hij het waar kon nemen, gevolgd, en met een luid hoera

bemerkte hij, dat de vijand na deze mislukte cavalerie-aanvallen was

genoodzaakt, om zijn oorspronkelijke richting op te geven en naar het

zuid-oosten af te deinzen.

Doch hij keerde de Boeren, die hem wilden achtervolgen, op door het vuur

van vier Maxims.

De Kommandant was nu in de nabijheid gekomen van den klipwal, waar Frits

Jansen zich bevond.

»Hoe jammer," zeide hij, »dat er onze kanonnen nog niet zijn; dat ééne

Maxim daar links vooral hindert ons geweldig."

Frits had die woorden gehoord, en richtte zich op van achter de klip.

»Dat Maxim zal ik het slot op den mond leggen, Kommandant," zeide hij

vastberaden.

De ervaren bevelhebber schudde het hoofd.

»'t Is haast niet te doen," zeide hij.

»Ik zal het wagen," meende Frits.

»De Maxims vegen het veld schoon als de bezem den dorschvloer," zeide de

Kommandant.

»Niet elke kogel treft," zeide Frits bedaard.

»Ik mag zoo'n jeugdig leven niet prijsgeven aan een bijna

onvermijdelijke dood," zeide de Kommandant, terwijl zijn oog vol

deelneming rustte op de frissche krachtige gestalte van den jongen

krijger.

»Ziet u die sloot?" vraagde Frits.

De Kommandant knikte bevestigend.

»En dien klipstapel daarginds?" vraagde Frits, de hand uitstrekkend.

»Ik begrijp u," zeide de Kommandant. »Door de sloot komt ge nog wel

heen, dat geloof ik ook, maar of gij de klip kunt bereiken van uit de

sloot, dat is de vraag."

»Ik zal het onderzoeken," zeide Frits.

Er lag geen zweem van grootspraak in die woorden, doch vrees evenmin.

»Nu, ge moet het zelf weten," meende de Kommandant, wien de gedachte

begon te bekooren, dat het brutale Maxim tot zwijgen zou worden

gebracht.

»Ik _zal_ het weten," zeide Frits met moedige stem, en over den

beschermenden klipwal heenspringend, dook hij weg, plat op zijn buik, in

de sloot, die als een soort loopgraaf in schuine richting naar het Maxim

liep.

Als een slang sloop hij vooruit, tot hij de klip, die hem als dekking

moest dienen, tot op vijf pas was genaderd.

Nu wachtte hij een oogenblik.

Een regen van kogels hagelde over het veld.

Ja, 't was een gevaarlijk stuk werk.

Langzaam, voorzichtig dook hij op uit de sloot, en met den sprong van

een panter wierp hij zich achter de klip.

Hij haalde ruim adem.

Geen kogel had hem getroffen; zelfs geen schram had hij opgeloopen.

Dat meende hij ten minste. Daarom verwonderde hij zich te meer, dat hij

bloed bespeurde op zijn jas.

Hij betastte zijn hoofd, zijn lichaam en stroopte zijn armen op. Een

schampschot had zijn linker voorarm geraakt.

»Een veeg van het vel," dacht hij, voorzichtig over den klipstapel

heenglurend naar dat moordwerktuig daar voor hem, dat Maxim wordt

genoemd.

O hij kende het wel; hij was met de constructie volkomen op de hoogte.

_Dat_ is de lange, bronzen loop, en _dat_ is de pantserplaat, waarachter

gedekt de artillerist zijn vreeselijk werk kan uitvoeren. Onder den

vuurmond, in de kist, liggen opgevouwen banden, waarvan elke band 300

of meer scherpe patronen opneemt. Het einde van den band wordt in een

sleuf van het kanon gebracht, en één druk op den dubbelen knop van den

drukstang is voldoende, om het vernielende vuur te openen.

Daar achter die pantserplaat voelt de artillerist zich zoo veilig als

de Boer achter zijn klipwal, maar Frits Jansen zal hem bewijzen, dat de

Transvaalsche scherpschutter den doodelijken kogel door het kleine ronde

kijkgat der pantserplaat weet heen te schieten.

Frits Jansen onderzoekt nog eens zijn Henri-Martini-geweer, meet op het

gezicht nauwkeurig den afstand--zooveel meter--en stelt het vizier.

En nu ligt hij achter de klip in hinderlaag als de jager, die loert

op het wild, en al zijn kracht schijnt zich samen te trekken in dat

speurend, flikkerend oog en in dien vinger aan den trekker van het

geweer, en nu en dan wordt een klein, nietig rookwolkje zichtbaar boven

de klip, en tuimelt een artillerist, als door den bliksem getroffen,

tegen den grond.

Vijf artilleristen liggen dood neergestrekt bij het kanon, en niemand

wil de zesde zijn.

Frits Jansen heeft zijn woord gestand gedaan: hij _heeft_ het Maxim

een slot op den mond gelegd, maar een der Engelsche officieren, die het

Maxim nadert, wendt zich met een streng gelaat tot eenige manschappen,

die plat op den buik achter den vuurmond liggen.

»Waarom vuurt ge niet?" roept hij woedend. »Merkt ge dan niet, ezels,

dat de Boeren beginnen op te dringen aan dezen kant?"

»Me dunkt, luitenant," zegt één der manschappen, »dat wij ons daggeld

van daag al zuur genoeg hebben verdiend. Daar achter dien grijzen

klipstapel zit een scherpschutter, die onze mannen wegblaast als kaf.

Reeds vijf zijn het hoekje om, en als wij het Maxim nog twintig minuten

bedienen, dan is het dozijn vol."

De officier zegt geen woord, maar neemt den omtrek nauwkeurig op. Hier

en daar verspreid, ziet hij groote klippen, die als borstwering dienst

kunnen doen.

»Ik zal onmiddellijk eenige scherpschutters laten komen," zegt de

officier, »en dan zullen wij eens zien, of het de Boer niet te heet

krijgt achter die klippen."

Geen twee minuten later is hij reeds terug met drie scherpschutters.

»Kan jullie den Boer daar achter die klip niet wegknallen?" vraagt hij.

»Dat kunststuk is niet zoo groot," meenen de scherpschutters; »we zullen

hem omtrekken, ieder achter een klip dekking nemen, en hem wegschieten

als een vogel van zijn nest."

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 45 / 53 题