HOOFDSTUK XXXIV.

Het werd namiddag, toen Eliëzer terug kwam van zijn tocht naar Rhodesia.

Veel nieuws kon hij niet mededeelen, want het belangrijkste wist tante

Martje reeds uit den mond van haar zoon, en zeker ware hij reeds eerder

thuis geweest, had hij niet een vriend der Jansens meegebracht.

Deze vriend was het meesterke, die door tante Martje werd ontvangen met

de liefde, waarmede zij haar eigen kind zou ontvangen.

Het was geen wonder, dat het meesterke het niet meer uit kon houden in

Rhodesia. De grond brandde onder zijn voeten, sinds hij wist, dat Frits

was gedeserteerd. En de boer, bij wien hij huisonderwijzer was, gaf hem

gaarne verlof, om te vertrekken, daar hij blind was voor de kostbare

parel, die verborgen lag in deze nietige schelp.

Het meesterke was dus meegekomen, om Frits te helpen, zonder een flauw

besef te hebben, _of_ en _hoe_ hij Frits Jansen zou kunnen helpen.

* * * * *

Hoe was toch alles zoo gejaagd en gehaast op dezen dag!

Frits zocht zijn vader op Waterfontein, en hij kwam te laat; het

meesterke zocht Frits en kwam evenzeer te laat.

Ver, ver weg echter klonk, dof en dreigend, de donder van het kanon, en

voor haar geestesoog zag moeder Jansen haar man en hare vijf zonen

worstelen tegen dat overmachtig geschut....

Maar hoe _stond_ het met het gevecht?

Niemand, die het wist!

Nu en dan kwam langs den heirweg een eenzame Boerenkrijger voorbij,

wuifde met het geweer en sloeg de richting in naar Krugersdorp.

Doch van Krugersdorp kwam niemand.

De zon brandde met gloeiende stralen boven Waterfontein, en toch kon

tante Martje het in huis niet uithouden. Haar hart werd geslingerd en

beefde als een riethalm, wanneer er de wind over heen gaat.

Het meesterke had rust genomen, want hij was dood op van de lange reis,

doch na eenige uren verkwikkenden slaap was hij weer opgestaan en zeide

tot moeder Jansen: »Tante Martje, ik ga met Eliëzer naar het slagveld."

»Gij?" vraagde tante Martje vol verwondering; »gij zijt te bang, om een

geweer af te schieten, en wilt gij naar het slagveld?"

»Ja," zeide hij kalm, »ik ga."

»En ik ben ook niet bevreesd," voegde hij er aan toe, »want gij weet

toch ook wel, dat de liefde de vrees buiten drijft."

»En wat wilt ge er doen?" vraagde tante Martje, den zwakken jongeling

aankijkende.

»Ik wil Frits zoeken; zien, of hij niet gekwetst is, en hem helpen, als

ik kan."

»In het gewoel van het gevecht?"

Hij knikte.

»En waarom mijnen man niet?" vraagde zij plotseling.

»Ik moet Frits zoeken," zeide hij bepaald. »Frits en niemand anders. Ik

word er toe gedrongen."

Had hij een openbaring gehad, of dreef hem dat geheimzinnig voorgevoel,

dat wij niet kunnen verklaren, en dat toch onze daden bepalen kan?

»Ga dan, en de Heere zegene u in uw edele taak," zeide tante Martje

bewogen.

De muisvale poney was gauw getuigd, en terwijl het meesterke zijn paard

besteeg, was Eliëzer gereed te voet mee te gaan.

En wanneer men mij nu vraagt, bij wien de edelsteen der liefde helderder

flonkerde: bij dien tengeren blanke met die zachte, weemoedige

uitdrukking op het gelaat, of bij dien forsch gebouwden, zwarten zoon

van Zoeloeland met die donkere, fonkelende oogen, dan moet ik het

antwoord schuldig blijven!

Het ging tegen den avond, en de zon neigde reeds diep naar het westen,

toen moeder Jansen weer op den uitkijk stond, en zij twee ruiters uit de

richting van Krugersdorp zag naderen.

Zij reden hard; hun paarden waren met zweet bedekt.

De kleinste droeg den rechterarm in een doek, en de andere had zijn

hoofd omwonden, terwijl een groote bloedvlek zichtbaar was op zijn wang.

Zij reden recht op moeder Jansen aan, doch hielden, bij haar komende,

hun paarden in.

»Wie zijn jullie?" vraagde tante Martje.

»Geblesseerden van het Boerenkommando bij Krugersdorp," zeide de

grootste, wiens hoofd omwonden was, »en wij zijn door den Kommandant op

kondschap uitgezonden, waar onze kanonnen toch blijven. Hebt ge niet wat

te drinken, Nicht--wij hebben dorst!"

»Van Krugersdorp!" riep tante Martje, en haar hart sloeg hoorbaar: »hoe

staat het met het gevecht?"

»Tot nog toe zijn de Engelschen door onze linie niet heen," zeide de

grootste.

»En ze komen er ook niet door," zeide de kleinere, terwijl hij zich op

de tanden beet van pijn, want de kogel scheen het been geraakt te

hebben.

»Twee en een half uur hebben de Engelsche kanonnen en maxims aan één

stuk op ons geschoten en de klippen bont en blauw gebeukt, waarachter

wij lagen," zeide de grootste.

»Hebt gij ook iets van de Jansens gehoord?" vraagde tante Martje met een

bevend hart.

»Van de Jansens?" zeide de grootste nadenkend. »Ik heb van een Frits

Jansen hooren spreken--alle respect voor dien jongen man!--hij heeft

zich kranig gehouden."

»'t Is mijn zoon," zeide tante Martje; »hoe is het met hem?"

»Toen ik over hem hoorde spreken, was hij nog ongekwetst. Maar 't is

een kerel, moeder Jansen, ge moogt trotsch op hem zijn. Zoodra hij op

het slagveld aankwam, heeft hij tot den Kommandant gezegd: »Dat maxim

ginds hindert ons--ik zal het tot zwijgen brengen!" En dwars door den

kogelregen is hij heengegaan, en heeft zijn woord gestand gedaan!"

Doch bij deze woorden kwam een gewaarwording op bij tante Martje, die

zij niet beschrijven kon.

Was het angst voor het doodsgevaar, dat haar zoon had getrotseerd, of

moedertrots over zijn heldenmoed?

Zij wist het niet--zij was vol vreeze en vreugde!

Intusschen naderde Frieda met twee tot aan den rand gevulde bekers.

»Brengt ge wijn?" vraagden de Boerenkrijgers.

»Voor onze helden wijn, en voor de Engelschen water," zeide Frieda, en

in lange, gulzige teugen dronken de gekwetsten de bekers leeg.

Toen dankten zij voor de genoten vriendschap, groetten het gastvrije

Waterfontein en reden snel weg.

Maar moeder Jansen staarde hen na en zeide: »Welk een dag! Welk een

nieuwjaar!"

* * * * *

Ja, welk een nieuwjaar!

Zoo'n nieuwjaar had de jeugdige Zuid-Afrikaansche Republiek nog nooit

beleefd.

De Kommandant-generaal had het volk in alle richtingen te wapen

geroepen, en met luide kreten van geestdrift was aan die oproeping

gevolg gegeven.

Geen spoor van aarzeling of weifeling was er te ontdekken.

Van alle kanten kwamen de Boeren aanzetten op hun taaie, vlugge paarden,

om Pretoria, den zetel van het gouvernement, tegen een onverhoedschen

aanval uit Johannesburg te dekken, de grenzen, waar nieuwe invallen

dreigden, te beschermen, of om naar het Zuiden te trekken, Jameson

tegemoet.

Er waren Boeren, die zich niet den tijd hadden gegund, om proviand mee

te nemen op den tocht; anderen waren bij het hooren der tijding zoo van

tafel te paard gesprongen; sommigen kwamen zonder zadel. Doch allen

hadden een geweer, kruit en lood, een vluggen klepper onder de knieën,

en een hart, dat brandde van verlangen, om den verraderlijken aanval te

wreken.

Intusschen verloor Paul Kruger geen oogenblik zijn koelbloedigheid en

vastberadenheid.

In den stal stond zijn gezadeld paard, en in den hoek van zijn

arbeidsvertrek zijn geladen geweer.

En was aan de Engelschen de overrompeling van Pretoria gelukt, en waren

zij zijn voordeur binnengestormd, om hem, den gewichtigsten man van den

staat, gevangen te nemen, hij zou zijn geweer hebben genomen, den eerste

den beste, die het dorst bestaan, aan hem de hand te leggen, hebben

neergeschoten, en door de achterdeur zijn gevlucht. En hij zou de Boeren

hebben aangevuurd in hun strijd voor vrijheid en recht, en zoo hij voor

zijn volk de overwinning niet had kunnen behalen, hij zou met dat volk

in eere zijn ondergegaan....

't Is waar, Cecil Rhodes had bij den beraamden inval in het

Transvaalsche grondgebied gerekend op de betreurenswaardige staatkundige

en kerkelijke geschillen in den boezem van het Transvaalsche volk, doch

hij had buiten den waard gerekend, want toen de inval geschiedde,

verdween alle twist en tweedracht als nevel voor den glans der

middagzon!

Het was een eenig volk geworden, een volk van broeders, en de leuze:

»Één voor allen en allen voor één!" was weer in eere hersteld.

Op het kerkplein te Pretoria ontmoetten elkander twee bejaarde Boeren

die reeds lang door onderlinge partijschappen waren verdeeld. Jameson's

inval had hen naar de wapens doen grijpen, en terwijl de grijskoppen

elkander eenige oogenblikken vorschend in de oogen hadden gestaard,

gaven zij elkander de hand, en de ééne zeide: »Wij hebben elkander in

geen drie jaar gegroet van wege de kerkelijke kwestie, maar thans zijn

wij weer één, broeder, want de onafhankelijkheid van ons land loopt

gevaar."

Men zou honderden van die voorbeelden kunnen aanhalen; ze grepen overal

plaats.

Het vuur der vaderlandsliefde verteerde allen haat en bitterheid, en

schouder aan schouder trokken de Boeren op--in het gelid--! voor

vrijheid en recht--!

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 44 / 53 题