Het werd namiddag, toen Eliëzer terug kwam van zijn tocht naar Rhodesia.
Veel nieuws kon hij niet mededeelen, want het belangrijkste wist tante
Martje reeds uit den mond van haar zoon, en zeker ware hij reeds eerder
thuis geweest, had hij niet een vriend der Jansens meegebracht.
Deze vriend was het meesterke, die door tante Martje werd ontvangen met
de liefde, waarmede zij haar eigen kind zou ontvangen.
Het was geen wonder, dat het meesterke het niet meer uit kon houden in
Rhodesia. De grond brandde onder zijn voeten, sinds hij wist, dat Frits
was gedeserteerd. En de boer, bij wien hij huisonderwijzer was, gaf hem
gaarne verlof, om te vertrekken, daar hij blind was voor de kostbare
parel, die verborgen lag in deze nietige schelp.
Het meesterke was dus meegekomen, om Frits te helpen, zonder een flauw
besef te hebben, _of_ en _hoe_ hij Frits Jansen zou kunnen helpen.
* * * * *
Hoe was toch alles zoo gejaagd en gehaast op dezen dag!
Frits zocht zijn vader op Waterfontein, en hij kwam te laat; het
meesterke zocht Frits en kwam evenzeer te laat.
Ver, ver weg echter klonk, dof en dreigend, de donder van het kanon, en
voor haar geestesoog zag moeder Jansen haar man en hare vijf zonen
worstelen tegen dat overmachtig geschut....
Maar hoe _stond_ het met het gevecht?
Niemand, die het wist!
Nu en dan kwam langs den heirweg een eenzame Boerenkrijger voorbij,
wuifde met het geweer en sloeg de richting in naar Krugersdorp.
Doch van Krugersdorp kwam niemand.
De zon brandde met gloeiende stralen boven Waterfontein, en toch kon
tante Martje het in huis niet uithouden. Haar hart werd geslingerd en
beefde als een riethalm, wanneer er de wind over heen gaat.
Het meesterke had rust genomen, want hij was dood op van de lange reis,
doch na eenige uren verkwikkenden slaap was hij weer opgestaan en zeide
tot moeder Jansen: »Tante Martje, ik ga met Eliëzer naar het slagveld."
»Gij?" vraagde tante Martje vol verwondering; »gij zijt te bang, om een
geweer af te schieten, en wilt gij naar het slagveld?"
»Ja," zeide hij kalm, »ik ga."
»En ik ben ook niet bevreesd," voegde hij er aan toe, »want gij weet
toch ook wel, dat de liefde de vrees buiten drijft."
»En wat wilt ge er doen?" vraagde tante Martje, den zwakken jongeling
aankijkende.
»Ik wil Frits zoeken; zien, of hij niet gekwetst is, en hem helpen, als
ik kan."
»In het gewoel van het gevecht?"
Hij knikte.
»En waarom mijnen man niet?" vraagde zij plotseling.
»Ik moet Frits zoeken," zeide hij bepaald. »Frits en niemand anders. Ik
word er toe gedrongen."
Had hij een openbaring gehad, of dreef hem dat geheimzinnig voorgevoel,
dat wij niet kunnen verklaren, en dat toch onze daden bepalen kan?
»Ga dan, en de Heere zegene u in uw edele taak," zeide tante Martje
bewogen.
De muisvale poney was gauw getuigd, en terwijl het meesterke zijn paard
besteeg, was Eliëzer gereed te voet mee te gaan.
En wanneer men mij nu vraagt, bij wien de edelsteen der liefde helderder
flonkerde: bij dien tengeren blanke met die zachte, weemoedige
uitdrukking op het gelaat, of bij dien forsch gebouwden, zwarten zoon
van Zoeloeland met die donkere, fonkelende oogen, dan moet ik het
antwoord schuldig blijven!
Het ging tegen den avond, en de zon neigde reeds diep naar het westen,
toen moeder Jansen weer op den uitkijk stond, en zij twee ruiters uit de
richting van Krugersdorp zag naderen.
Zij reden hard; hun paarden waren met zweet bedekt.
De kleinste droeg den rechterarm in een doek, en de andere had zijn
hoofd omwonden, terwijl een groote bloedvlek zichtbaar was op zijn wang.
Zij reden recht op moeder Jansen aan, doch hielden, bij haar komende,
hun paarden in.
»Wie zijn jullie?" vraagde tante Martje.
»Geblesseerden van het Boerenkommando bij Krugersdorp," zeide de
grootste, wiens hoofd omwonden was, »en wij zijn door den Kommandant op
kondschap uitgezonden, waar onze kanonnen toch blijven. Hebt ge niet wat
te drinken, Nicht--wij hebben dorst!"
»Van Krugersdorp!" riep tante Martje, en haar hart sloeg hoorbaar: »hoe
staat het met het gevecht?"
»Tot nog toe zijn de Engelschen door onze linie niet heen," zeide de
grootste.
»En ze komen er ook niet door," zeide de kleinere, terwijl hij zich op
de tanden beet van pijn, want de kogel scheen het been geraakt te
hebben.
»Twee en een half uur hebben de Engelsche kanonnen en maxims aan één
stuk op ons geschoten en de klippen bont en blauw gebeukt, waarachter
wij lagen," zeide de grootste.
»Hebt gij ook iets van de Jansens gehoord?" vraagde tante Martje met een
bevend hart.
»Van de Jansens?" zeide de grootste nadenkend. »Ik heb van een Frits
Jansen hooren spreken--alle respect voor dien jongen man!--hij heeft
zich kranig gehouden."
»'t Is mijn zoon," zeide tante Martje; »hoe is het met hem?"
»Toen ik over hem hoorde spreken, was hij nog ongekwetst. Maar 't is
een kerel, moeder Jansen, ge moogt trotsch op hem zijn. Zoodra hij op
het slagveld aankwam, heeft hij tot den Kommandant gezegd: »Dat maxim
ginds hindert ons--ik zal het tot zwijgen brengen!" En dwars door den
kogelregen is hij heengegaan, en heeft zijn woord gestand gedaan!"
Doch bij deze woorden kwam een gewaarwording op bij tante Martje, die
zij niet beschrijven kon.
Was het angst voor het doodsgevaar, dat haar zoon had getrotseerd, of
moedertrots over zijn heldenmoed?
Zij wist het niet--zij was vol vreeze en vreugde!
Intusschen naderde Frieda met twee tot aan den rand gevulde bekers.
»Brengt ge wijn?" vraagden de Boerenkrijgers.
»Voor onze helden wijn, en voor de Engelschen water," zeide Frieda, en
in lange, gulzige teugen dronken de gekwetsten de bekers leeg.
Toen dankten zij voor de genoten vriendschap, groetten het gastvrije
Waterfontein en reden snel weg.
Maar moeder Jansen staarde hen na en zeide: »Welk een dag! Welk een
nieuwjaar!"
* * * * *
Ja, welk een nieuwjaar!
Zoo'n nieuwjaar had de jeugdige Zuid-Afrikaansche Republiek nog nooit
beleefd.
De Kommandant-generaal had het volk in alle richtingen te wapen
geroepen, en met luide kreten van geestdrift was aan die oproeping
gevolg gegeven.
Geen spoor van aarzeling of weifeling was er te ontdekken.
Van alle kanten kwamen de Boeren aanzetten op hun taaie, vlugge paarden,
om Pretoria, den zetel van het gouvernement, tegen een onverhoedschen
aanval uit Johannesburg te dekken, de grenzen, waar nieuwe invallen
dreigden, te beschermen, of om naar het Zuiden te trekken, Jameson
tegemoet.
Er waren Boeren, die zich niet den tijd hadden gegund, om proviand mee
te nemen op den tocht; anderen waren bij het hooren der tijding zoo van
tafel te paard gesprongen; sommigen kwamen zonder zadel. Doch allen
hadden een geweer, kruit en lood, een vluggen klepper onder de knieën,
en een hart, dat brandde van verlangen, om den verraderlijken aanval te
wreken.
Intusschen verloor Paul Kruger geen oogenblik zijn koelbloedigheid en
vastberadenheid.
In den stal stond zijn gezadeld paard, en in den hoek van zijn
arbeidsvertrek zijn geladen geweer.
En was aan de Engelschen de overrompeling van Pretoria gelukt, en waren
zij zijn voordeur binnengestormd, om hem, den gewichtigsten man van den
staat, gevangen te nemen, hij zou zijn geweer hebben genomen, den eerste
den beste, die het dorst bestaan, aan hem de hand te leggen, hebben
neergeschoten, en door de achterdeur zijn gevlucht. En hij zou de Boeren
hebben aangevuurd in hun strijd voor vrijheid en recht, en zoo hij voor
zijn volk de overwinning niet had kunnen behalen, hij zou met dat volk
in eere zijn ondergegaan....
't Is waar, Cecil Rhodes had bij den beraamden inval in het
Transvaalsche grondgebied gerekend op de betreurenswaardige staatkundige
en kerkelijke geschillen in den boezem van het Transvaalsche volk, doch
hij had buiten den waard gerekend, want toen de inval geschiedde,
verdween alle twist en tweedracht als nevel voor den glans der
middagzon!
Het was een eenig volk geworden, een volk van broeders, en de leuze:
»Één voor allen en allen voor één!" was weer in eere hersteld.
Op het kerkplein te Pretoria ontmoetten elkander twee bejaarde Boeren
die reeds lang door onderlinge partijschappen waren verdeeld. Jameson's
inval had hen naar de wapens doen grijpen, en terwijl de grijskoppen
elkander eenige oogenblikken vorschend in de oogen hadden gestaard,
gaven zij elkander de hand, en de ééne zeide: »Wij hebben elkander in
geen drie jaar gegroet van wege de kerkelijke kwestie, maar thans zijn
wij weer één, broeder, want de onafhankelijkheid van ons land loopt
gevaar."
Men zou honderden van die voorbeelden kunnen aanhalen; ze grepen overal
plaats.
Het vuur der vaderlandsliefde verteerde allen haat en bitterheid, en
schouder aan schouder trokken de Boeren op--in het gelid--! voor
vrijheid en recht--!