Het was reeds dag, de eerste dag van het nieuwe jaar, toen de
ruiterstoet den weg naderde, dien Jameson vermoedelijk zou passeeren op
zijn tocht naar Johannesburg.
Frits Jansen, die zich bij het kommando had aangesloten, reikhalsde,
alvorens hij in den oorlog ging, naar een verzoening met zijn vader,
en daar de afstand, die hem van Waterfontein scheidde, thans niet groot
meer was, vraagde hij aan den Kommandant voor eenige uren verlof, om te
Waterfontein afscheid te nemen.
Na hetgeen Frits Jansen voor het vaderland had gedaan, kon de Kommandant
dit verzoek niet weigeren, en den teugel wendend, reed de jonge Boer nu
zijwaarts af naar de ouderlijke woning. Nauwlijks een uur later kreeg
hij reeds het nieuwgebouwde huis in 't gezicht.
Hoe klopte zijn hart, toen hij in de verte de hooge boomen zag en de
breede, lange oprijlaan!
Hij zag de beesten en schapen van zijn vader grazen tegen de heuvelen
aan, en hij kon zelfs sommige ossen, zooals Rooiland, Bontberg en
Witvoet, onderscheiden.
De Kaffers in het veld moesten hem echter hebben herkend, want met de
hand boven de oogen naar den vreemden ruiter starende, maakten zij
gebaren vol verwondering.
Waarom verwonderen zij zich toch?
Ach, de verwondering van deze schepsels was wel een bewijs dat de klove
diep was, die hem scheidde van zijn vader.
Doch was zijn vader nog thuis? Of had hij van den inval al gehoord, en
was hij reeds vertrokken naar het oorlogsveld?
Juist kwam een Kaffer hem tegemoet, maar het was voor Frits Jansen een
wreede teleurstelling, van dezen te hooren, dat zijn vader reeds heden
morgen met zijn broeders, die te Waterfontein op bezoek waren,
weggereden was in den oorlog.
Tante Martje stond op het erf voor het huis, toen Sultan, dien zij
eenige brokken brood toewierp, met vroolijk geblaf en groote sprongen
wegijlde.
»Wat de hond toch hebben mag?" dacht zij en opkijkend zag zij in de
oprijlaan den ruiter naderen.
Zij herkende hem onmiddelijk, en met een juichkreet liep zij hem te
gemoet.
Hij sprong van het paard in de armen van zijn moeder.
»Frits, mijn kind, mijn lieveling!" riep ze, hem kussend; »kondt ge het
in Rhodesia niet meer uithouden? Ik dacht het wel, ik dacht het wel!"
»Maar Vader is vertrokken," zeide Frits Jansen, en de vreugde des
wederziens werd voor hem getemperd door deze groote teleurstelling.
»Vier uren geleden is uw vader vertrokken," zeide tante Martje zacht.
»En onverzoend!" klaagde Frits.
Zijn moeder wist niet, wat zij daarop zou zeggen, en was evenzeer
bedroefd.
Frits staarde naar het nieuwe huis.
»Is Eliëzer nog niet terug?" vraagde hij.
»Neen--hebt gij hem gesproken?" was de wedervraag, terwijl het oog van
tante Martje vol spanning rustte op haar kind.
Hij knikte bevestigend.
»Ik ontving verleden week een brief," hernam zij, »dien gij schreeft na
uw ontmoeting met het meesterke."
»En wat heeft Vader van mijn brief gezegd?" vraagde Frits met bewogen
stem.
Ach, waarom vraagde hij dat!
Kon zij haar zoon in dit aandoenlijk oogenblik, nu zij hem weer drukken
mocht aan het moederhart, de volle waarheid zeggen? Kon zij hem zeggen,
dat zijn vader den brief voor een grooten leugen--hield?
Neen, zij kon het evenmin doen als dat zij toornen kon op haar man, die
door een vreeselijke vergissing rotsvast geloofde aan de schuld van zijn
eigen kind.
Zij gaf geen antwoord op de vraag van Frits, doch hij begreep met smart,
dat geen antwoord ook een antwoord was.
»Frits," zeide zij eindelijk, »is de werkelijke brandstichter thans
ontdekt? Is de zaak tot klaarheid gekomen? Is het vreeselijk raadsel
opgelost?"
»Ja," antwoordde hij, »Jack Williams moet de brandstichter zijn."
»Heeft hij bekend?"
»Neen," zeide Frits op kalmen toon, »maar ik kan bewijzen, dat _ik_ het
niet heb _kunnen_ doen. Vrouw Williams weet het, dat ik mijne kleeding,
waaraan Eliëzer mij meende te herkennen, ten haren huize heb verwisseld
tegen eene militaire uniform. Zij is mijn getuige."
Het was tante Martje vreemd te moede.
Gisteravond had zij met haar man nog gesproken over Frits, doch hij had
ten slotte met strengen blik en harde stem gezegd: »Hij is de
brandstichter--noem zijn naam niet meer!"
En hier was nu Frits, en hij kon getuigen noemen!
Maar helaas, nu was alles te vergeefsch, want Reinard Jansen was reeds
ver weg, en nog van daag--_van daag!_--kon de onvermijdelijke botsing
met Jameson's troepen plaats hebben.
Onverzoend was Reinard Jansen in den oorlog getrokken, en zij wist dat
het onbarmhartige Maxim van Engeland het leven der menschen afsnijdt als
rijp gras....
Zwijgend gingen moeder en zoon naar binnen, waar de zusters hun broeder
reeds tegemoet kwamen, en op verrasten, vroolijken toon riepen: »Wees
welkom, Frits, wees welkom, en een gelukkig nieuwjaar!"
En de liefde en de hartelijkheid, waarmede moeder en zusters hem
ontvingen, verkwikten de ziel van Frits Jansen.
Frieda nam hem het geweer af, en Lucie den bandelier.
»Dat is jouw geweer toch niet?" vraagde Frieda.
»Neen," zeide Frits, »het is van Oom Kloppers. Het mijne is
achtergebleven in Rhodesia."
En nu vertelde hij op zijn eenvoudige, onopgesmukte manier de
lotgevallen zijner laatste dagen, den vreeselijken rit op leven en
dood en den ontzettenden sprong over den gapenden afgrond.
En vol aandacht en aandoening zaten de huisgenooten te luisteren, en
moeder Jansen hield de handen van haar wakkeren jongen in de hare, en
staarde hem aan met vochtige oogen.
Ach, had Reinard Jansen er bij gezeten. Hoe zou hij aan de onschuld van
zijn zoon hebben geloofd! Hoe zou zijn oog bij het verhaal der stoute
daden van zijn kind hebben geschitterd van vreugde en glorie!
Hoe zou hij zijn moedigen jongen aan het hart hebben gedrukt, en hoe zou
alle toorn en bitterheid zijn verzonken in een zee van eeuwige
vergetelheid!
* * * * *
»Zijn de Kaffers rustig?" vraagde Frits.
Hij bedoelde de honderden Kaffers, die in een naburige goudmijn werkten.
»Zij hebben gisteren het werk gestaakt," zeide tante Martje, »maar uw
vader is gisteren avond nog laat naar hun woningen geslopen, en heeft
geen onraad bespeurd."
»Als ze maar niet door de Engelschen worden opgezet," meende Frits.
»Uw vader vreesde het!"
»Blijf hier," zeide Lucie, »om ons te beschermen!" doch Frits Jansen
schudde het hoofd.
»Een overwinning op Jameson is de beste bescherming," zeide hij, »maar
die overwinning moet volkomen zijn en vernietigend!"
Hij keek naar de klok.
»Hoe lang zult ge hier vertoeven?" vraagde tante Martje, die wel
begreep, dat haar kind niet zou blijven.
»Een uur," zeide hij, maar zijn moeder smeekte: »Twee uur."
»Nu dan," meende hij met een zweem van zijn oude vroolijkheid, »we
zullen het verschil deelen: anderhalf uur."
Zoo bleef hij dan anderhalf uur, en al verliepen ze snel, het waren toch
kostelijke oogenblikken. En al had Frits Jansen zijn vader niet ontmoet,
het trouwe moederhart blonk hem tegen uit de oogen van tante Martje,
en het schonk hem troost, moed en hoop, en volle vergiffenis voor de
vreeselijke dwaling, die hem van de zijde der Boeren in de gelederen van
Rhodes' aanhangers had gedreven.
Doch toen anderhalf uur was verstreken, wilde moeder Jansen haar kind
ook niet langer houden. Wel was het hard, om haar kind, dat zij pas had
terug ontvangen, weer af te staan, blootgesteld aan de slagen van den
verderfengel, die oorlog wordt genoemd, maar zij deed voor Jan Kloppers
niet onder in plichtsgevoel en vaderlandsliefde, en al was haar toestand
zoo geheel anders dan die van Lena Marling, Lena's woord kwam ook over
haar lippen: »De Heere zal het voorzien!"
En zoo nam zij afscheid van haar zoon, doch op dit oogenblik kwam de
oude, knagende pijn bij Frits Jansen weer boven.
Onverzoend met zijn vader!--het stond weer met vlammende letteren voor
zijn oogen.
Een verworpeling was hij! een ellendeling! een gevloekte! want hij had
geheuld met de vijanden zijns volks!
Raadde de blonde Frieda zijn gedachten?
Zij nam zijn gelaat tusschen haar handen en zeide vol deernis: »Neen,
broeder, zoo laten wij u niet gaan!"
Zij zette zich voor het orgel, en als een bede naar boven rees uit den
mond van moeder en zusters het aandoenlijk psalmlied:
»De Heer zal u steeds gadeslaan.
Opdat Hij in gevaar
Uw ziel voor ramp bewaar!
De Heer, 't zij g' in of uit moogt gaan,
En waar g' u heen moogt spoeden.
Zal eeuwig u behoeden!"
Doch Frits Jansen hief zijne stem op en weende.
* * * * *
De jonge ruiter zat in het zaâl, en reikte moeder en zusters voor den
laatsten keer de hand ten afscheid.
Een schaar duiven streek neer op het dak, en wijd, wijd uit de verte
kwam een doffe slag als het rommelen van den donder.
Verwonderd keek tante Martje naar de lucht en zeide: »Hoe vreemd! Het
begint te onweeren, en ik zie geen onweerswolken!"
Er volgde nog een slag en nog één, harder dan zoo even, en deze slagen
schenen bij Frits een even plotselinge als wonderbare verandering te
veroorzaken.
Zijn wangen begonnen te gloeien, en zijn oogen stonden star in de
richting, van waar de slagen kwamen.
»Begrijpt gij het, Frits?" vraagde tante Martje.
»Ja," zeide hij met luide stem, »ik begrijp het. Dat is niet de donder
van het onweer, Moeder, maar de donder van het Engelsche geschut. Het
kanon van Engeland roept mij, en--dood of levend!--ik zal den blaam
uitwisschen, die door mij op den smetteloozen naam der Jansens is
gebracht!"
Het was een aangrijpend tooneel: die krachtige jongeling in den vollen
bloei zijner jaren, op den vurigen, trappelenden, koolzwarten hengst,
gereed om zijn leven te geven voor de vrijheid van zijn volk, en naast
hem die bedroefde moeder en die schreiende zuster!
Nog hield Frits Jansen zijn paard in, en een plotselinge ontroering
gleed over zijn edel gelaat.
»Hebt gij mij nog iets te verzoeken?" vraagde tante Martje.
Hij boog zich voor over en fluisterend kwam het over zijn lippen:
»Moeder, moederke, bid voor mij!"
Toen zette hij zich vast in het zadel, drukte de sporen in de zijden van
zijn vurig ros, wuifde met de hand en snel vloog hij als een pijl uit
den boog, den oorlog tegemoet en den donder van den slag....
Doch tante Martje zocht haar kamerke op, want haar hart was vol. En
evenals Hanna hare ziel uitgoot in den tempel voor God, stortte moeder
Jansen haar hart met al zijn angst en vreeze uit voor den Heere.