HOOFDSTUK XXXII.

Wat jaagt daar langs den heuvelrand

In 't nachtelijk duister voort?

De hoefslag van het snuivend paard

Wordt wijd en zijd gehoord!

In dichte drommen komen zij,

Snel als de wervel, aan;

De blanke loop der lange buks

Blinkt in het licht der maan!

En sneller jaagt langs berg en dal

De vlugge ruiterstoet,

De stad des oproers in de flank,

Den vijand tegemoet!

Zij rijden tot de morgenster

Verbleekt aan 's hemels trans;

Zij rijden tot de dag hen groet

In morgen-zonneglans!

't Is nacht.

Helder flonkeren de sterren aan den diepblauwen, Afrikaanschen hemel, en

de maan, die boven de verre heuvelen uitkomt, hult het eindelooze veld

in een waas van witzilveren licht.

Hoe stil het is--hoe vredig!

Alles slaapt; alles rust.

De boomen, hier en daar als eenzame schildwachten verspreid, werpen hun

breede, donkere schaduw, en nauwlijks bewegen zij hun bladeren, alsof

ze bezorgd zijn, om het vogelke te storen, dat in het kunstig nestje,

tusschen hun takken, rust en slaapt.

En aan hun voet kabbelt de kleine beek, en droomt de blanke veldbloem,

en de engel des vredes schrijdt met zachten tred en uitgespreide

vleugels over het aardrijk heen.

Maar hoort ge daar niets?

't Was de nachtwind maar, die in het struikgewas ritselt.

Neen, 't is toch de nachtwind niet.

Het geruisch komt uit de verte, en het klinkt anders dan het geritsel

van den wind in het gebladerte.

Het ruischt als het breken der golf tegen het zeestrand bij het opkomen

van den vloed.

Leg uw oor op den grond; dan kunt ge beter luisteren!

Het geluid komt al nader; nu dreunt het als het doffe getrappel van vele

paardenhoeven in het lange Tamboeki-gras.

Zie, nu kan uw oog, bij het stralend licht der maan, de schaduw reeds

onderscheppen, de reusachtige schaduw, die het geluid veroorzaakt.

Zij nadert snel--vol geheimzinnigheid--als op vleugelen gedragen!

Ge onderscheidt reeds de golvende manen, de blinkende geweerloopen, de

strakke, ernstige gezichten!

Zie, daar is ze, de schaduw! De vlakte dreunt en bonst onder den

hoefslag van vlugge paarden!

Op zij, onvoorzichtige! Maak ruimte--of die vreeselijke schaduw gaat

over u heen! Want zij buigt noch ter rechter noch ter linker zijde--zij

gaat recht uit--onweerstaanbaar als de bergstroom, die van de hoogten

nederdondert....

Zie, daar is ze, de schaduw!

De troep is dicht aaneengesloten; de koppen der luid briesende paarden

raken elkander.

Ontbloot uw hoofd, want wat u daar voorbij dreunt, is de trouwe, sterke

Wacht, die het vaderland verdedigt in het uur van 't gevaar--het volk in

de wapens!

En die daar, voor aan de spits, met dat ijzeren gelaat, is de

bevelvoerder, en naast hem, op dien witten schimmel, met dat bliksemend

oog, rijdt een grijze Voortrekker!

En in het midden van den troep wappert, in de gespierde vuist van een

krachtigen ruiter, de oude Boerenvlag!

En hare banen ruischen in den nachtwind, en ruischen en bruischen het

lied van vrijheid en recht.

* * * * *

Reeds is de ruiterstoet voorbij.

Als een vluchtige, geheimzinnige schaduw, zooals hij kwam, verdwijnt

hij: de vlakten over, zonder ophouden, zonder rust. Hij glijdt de

heuvelen op en de heuvelen af, langs kloven en afgronden, de rivieren

door!

Niets, dat die schaduw keert.

En snel gaat zij als de jachthond, die den reebok vervolgt, als de

wervelwind, die over de daken giert, als de zeilende wolk in het

onmetelijk luchtruim....

Nu ziet ge niets meer dan een stip, en de stip lost zich op in de

opstijgende dampen, en alles is voorbij.

Ge hoort niets meer dan het gekabbel van het beekje en het ruischen van

den nachtwind in het loover der struiken--het visioen is voorbij.

Maar 't was geen visioen.

De man met dat ijzeren gelaat was de Kommandant, en die grijsaard op den

witten schimmel de oude Kloppers, en zijn zoon Jan hield den vlaggestok

omklemd met zijn sterke vuist.

»Van de snelheid onzer paardenhoeven hangt het lot af van ons volk," had

de Kommandant gezegd, en de Boeren hadden de sporen diep ingedrukt in de

zijden hunner paarden.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 42 / 53 题