Wat jaagt daar langs den heuvelrand
In 't nachtelijk duister voort?
De hoefslag van het snuivend paard
Wordt wijd en zijd gehoord!
In dichte drommen komen zij,
Snel als de wervel, aan;
De blanke loop der lange buks
Blinkt in het licht der maan!
En sneller jaagt langs berg en dal
De vlugge ruiterstoet,
De stad des oproers in de flank,
Den vijand tegemoet!
Zij rijden tot de morgenster
Verbleekt aan 's hemels trans;
Zij rijden tot de dag hen groet
In morgen-zonneglans!
't Is nacht.
Helder flonkeren de sterren aan den diepblauwen, Afrikaanschen hemel, en
de maan, die boven de verre heuvelen uitkomt, hult het eindelooze veld
in een waas van witzilveren licht.
Hoe stil het is--hoe vredig!
Alles slaapt; alles rust.
De boomen, hier en daar als eenzame schildwachten verspreid, werpen hun
breede, donkere schaduw, en nauwlijks bewegen zij hun bladeren, alsof
ze bezorgd zijn, om het vogelke te storen, dat in het kunstig nestje,
tusschen hun takken, rust en slaapt.
En aan hun voet kabbelt de kleine beek, en droomt de blanke veldbloem,
en de engel des vredes schrijdt met zachten tred en uitgespreide
vleugels over het aardrijk heen.
Maar hoort ge daar niets?
't Was de nachtwind maar, die in het struikgewas ritselt.
Neen, 't is toch de nachtwind niet.
Het geruisch komt uit de verte, en het klinkt anders dan het geritsel
van den wind in het gebladerte.
Het ruischt als het breken der golf tegen het zeestrand bij het opkomen
van den vloed.
Leg uw oor op den grond; dan kunt ge beter luisteren!
Het geluid komt al nader; nu dreunt het als het doffe getrappel van vele
paardenhoeven in het lange Tamboeki-gras.
Zie, nu kan uw oog, bij het stralend licht der maan, de schaduw reeds
onderscheppen, de reusachtige schaduw, die het geluid veroorzaakt.
Zij nadert snel--vol geheimzinnigheid--als op vleugelen gedragen!
Ge onderscheidt reeds de golvende manen, de blinkende geweerloopen, de
strakke, ernstige gezichten!
Zie, daar is ze, de schaduw! De vlakte dreunt en bonst onder den
hoefslag van vlugge paarden!
Op zij, onvoorzichtige! Maak ruimte--of die vreeselijke schaduw gaat
over u heen! Want zij buigt noch ter rechter noch ter linker zijde--zij
gaat recht uit--onweerstaanbaar als de bergstroom, die van de hoogten
nederdondert....
Zie, daar is ze, de schaduw!
De troep is dicht aaneengesloten; de koppen der luid briesende paarden
raken elkander.
Ontbloot uw hoofd, want wat u daar voorbij dreunt, is de trouwe, sterke
Wacht, die het vaderland verdedigt in het uur van 't gevaar--het volk in
de wapens!
En die daar, voor aan de spits, met dat ijzeren gelaat, is de
bevelvoerder, en naast hem, op dien witten schimmel, met dat bliksemend
oog, rijdt een grijze Voortrekker!
En in het midden van den troep wappert, in de gespierde vuist van een
krachtigen ruiter, de oude Boerenvlag!
En hare banen ruischen in den nachtwind, en ruischen en bruischen het
lied van vrijheid en recht.
* * * * *
Reeds is de ruiterstoet voorbij.
Als een vluchtige, geheimzinnige schaduw, zooals hij kwam, verdwijnt
hij: de vlakten over, zonder ophouden, zonder rust. Hij glijdt de
heuvelen op en de heuvelen af, langs kloven en afgronden, de rivieren
door!
Niets, dat die schaduw keert.
En snel gaat zij als de jachthond, die den reebok vervolgt, als de
wervelwind, die over de daken giert, als de zeilende wolk in het
onmetelijk luchtruim....
Nu ziet ge niets meer dan een stip, en de stip lost zich op in de
opstijgende dampen, en alles is voorbij.
Ge hoort niets meer dan het gekabbel van het beekje en het ruischen van
den nachtwind in het loover der struiken--het visioen is voorbij.
Maar 't was geen visioen.
De man met dat ijzeren gelaat was de Kommandant, en die grijsaard op den
witten schimmel de oude Kloppers, en zijn zoon Jan hield den vlaggestok
omklemd met zijn sterke vuist.
»Van de snelheid onzer paardenhoeven hangt het lot af van ons volk," had
de Kommandant gezegd, en de Boeren hadden de sporen diep ingedrukt in de
zijden hunner paarden.