Zijn oogen dwaalden van zijn kind naar zijn vrouw, en van zijn vrouw
naar zijn kind.
Hij wilde haar troosten, maar de troost bestierf op zijn lippen.
Hoe zou hij ook troosten--was zijn hart niet verscheurd?
Doch de kleine werd iets rustiger; het sloot de oogen en sluimerde in.
Jan Kloppers stond op.
»Moet het?" zeide Geertrui met moede stem.
»Ja," zeide hij, »het _moet_--laat een Kaffer komen!"
Een der Kaffers kwam.
»Neem den Zwarte van den stal," zeide Kloppers, »en zadel hem--vlug!"
In den hoek stond een geweer met den langen, blinkenden loop: daarnaast
lag de bandelier.
Kloppers maakte zich nu snel gereed voor den krijgstocht. Geertrui hing
hem den bandelier om de schouders.
De leeftocht voor eenige dagen--een stuk gerookt vleesch, eenige harde
beschuiten, een zakje gemalen koffie en een builtje tabak--was spoedig
gereed.
De Kaffer kwam terug en zeide: »Baas, de Zwarte is kreupel; hij heeft
zich verrekt aan den rechter voorpoot."
»Neem dan den Vos," zeide Kloppers.
Zoo bracht de Kaffer den Vos, en Jan Kloppers ging naar buiten, waar
zijn kinderen speelden.
»Nu Steven, jij bent het Roodbaatje,"[20] zeide Alexander, »en ik ben
een Transvaalsche Boer, en nu willen we vechten."
[20] Engelschman.
»Ik dank je lekker," zeide Steven; »ik wil geen Roodbaatje zijn; ik wil
niet op mijn lichaam krijgen."
»Kom," meende Cornelia wijsgeerig, »je moet niet zoo flauw doen, Steven;
er moeten bij een oorlog toch twee partijen zijn--hoe kan er anders
oorlog wezen?"
Nu zagen de kinderen hun vader naderen, en hij drukte die frissche,
blozende gezichtjes aan zijn hart.
»Zult ge moeke goed gehoorzaam zijn?" vraagde hij met een week gemoed.
»Ja pa," riepen ze in koor.
»En wanneer komt ge terug?" vraagde Hendrik, doch deze onschuldige vraag
sneed hem door de ziel--was het zeker dat zij _ooit_ hun vader terug
zagen?
»En wat brengt gij ons mee uit den oorlog?" vraagde Kees.
»Voor mij een geweer van de Roodbaatjes!" riep Alexander.
»En voor mij een sabel!" riep Steven, »zoo'n mooie lange sabel, waarmee
ik tijgers en leeuwen kan doodslaan!"
»En voor mij 'n mooie pop!" riep de kleine Sien.
»De Roodbaatjes zullen u toch niet doodschieten?" vraagde Hendrik.
»God in den hemel kan het verhoeden," zeide Kloppers; »zult ge voor Pake
bidden, dat geen kogel hem treft, mijn lievelingen?"
Doch bij dit woord van hun vader kwam er een plotselinge ernst op die
vroolijke kindergezichten.
»Ja Pake, wij zullen elken morgen en elken avond onze knietjes buigen,
en onzen Heere in den hemel bidden, dat Hij u beware!"
»Doe dat, mijn lievelingen," zeide Kloppers, en hij kuste hen tot een
laatst vaarwel één voor één op den frisschen rozenmond.
Op dit oogenblik echter snelde Geertrui naar buiten en riep: »Ach Jan,
Kareltje vraagt weer naar je!"
De bedroefde vader ging naar binnen.
»Pake, hier blijven," fluisterde het kind, en zocht de hand van zijn
vader.
Kloppers zette zich weer neer bij het ledikantje en nam de hand van den
kleinen koortslijder in de zijne.
Nu was het kind weer bedaard.
Doch de plicht, de ijzeren plicht gebood.
»Geertrui!" zeide hij zacht--»het moet! het _moet_!"
Voorzichtig stond hij op, en maakte de kleine hand behoedzaam los uit de
zijne.
Zwijgend nam hij afscheid van zijn vrouw. Het hart kan zoo vol zijn, dat
er geen woord over de lippen kan.
Snel verwijderde hij zich, en hij zat reeds in het zaâl, toen hij door
de open deur weer het smeekend geroep hoorde: »Pake, hier blijven!"
Neen, ze was niet uit te spreken, de pijn, die zijn hart verscheurde!
En een namelooze bitterheid steeg op in zijn ziel, en hij richtte den
blik naar boven, en al bleven zijn lippen gesloten, in dien stommen blik
naar boven, naar de hemelen, waar de Eeuwige en Rechtvaardige troont,
lag een vreeselijke aanklacht tegen de politiek van Cecil Rhodes....