HOOFDSTUK XXXI.

Jan Kloppers stond met strakken blik en zwijgend bij zijn kind.

Het kleine Kareltje was er niet beter op geworden. De ademhaling ging

snel en gejaagd, en de dokter uit het dorp had heden morgen verklaard,

dat hij de typhus had.

De kleine lag daar in zijn bedje, met koortsachtig gloeiende wangen.

Het strekte de kleine handen uit naar zijn vader en fluisterde: »Pake,

hier blijven!"

Jan Kloppers nam de kleine handen en zuchtte.

De oude Kloppers en Frits Jansen waren reeds eenige uren geleden

uitgetrokken met het kommando, doch Jan Kloppers had zich nog niet

kunnen losscheuren van zijn kind.

Zijn ziel hing aan dat kind, aan dat lieve, zachte ventje met die

eigenaardig tintelende, glanzende oogen, die men zoo dikwijls ontmoet

bij kinderen, die als teedere bloemen in hun prille jeugd door den

grooten Landman worden overgeplant in de hemelsche gaarde.

Ja, hij is hard, de oorlog, die met ruwe, onbarmhartige hand den zoon

losscheurt van het hart der moeder, den man uit de armen zijner vrouw,

den vader van de sponde van zijn doodziek kind....

De oorlog kent geen erbarmen. Hij lacht om zuchten en spot met tranen.

Hij is de Geweldige, de Verschrikkelijke, de Heraut van den dood, en met

ijzeren tred gaat hij over de schreiende menschenharten heen!

Jan Kloppers begreep zijn plicht. Hij wist, dat het Vaderland hem noodig

had. Het vraagde zijn arm, zijn kracht, en het geslacht der Kloppersen

had nooit geaarzeld, waar de Vierkleur ten strijde riep. Want krachtig

en mannelijk klopte het hart der Kloppersen voor hun volk, en door

hun aderen bruischte het heldenbloed van den waren, onverbasterden,

Afrikaanschen Boer!

Ook _thans_ zou Jan Kloppers zijn aard niet verloochenen, maar toch--hij

had ook een _vaderhart_, dat met zijn innigste vezelen hing aan zijn

kind....

Hij wilde vertrekken, hij mòest--maar hij kon het nog niet doen, want

het smeekende oog van zijn kind was op hem gericht, en die kleine

handjes hielden hem vast.

Van buiten klonk het vroolijk spel zijner andere kinderen.

Hoe dikwijls had hij met innig genot naar dat blij gejoel en getier

geluisterd, doch nu maakte het hem bedroefd.

Over alles lag thans voor zijn blik een waas van onuitsprekelijke

weemoed.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 40 / 53 题