»Vooruit!" sprak snoevend d' Engelschman[16]
Tot zijn achthonderd man,
»En wat zich tegen ons verzet,
Dat hakken w' in de pan,
Gij gaaft van moed en dapperheid
Reeds menig treffend blijk;
Grijpt nu de Vierkleur van Transvaal
En trapt ze in het slijk!"
En vroolijk riep de rooverschaar
der Compagnie: »Vooruit!
Wij slaan de Boeren uit het land,
En deelen dan de buit!"
En dreigend trekt het krijgsvolk op,
De vuisten aan het zwaard--
Te wapen, Afrikaansche Boer!
Het geldt uw huis en haard!
[16] Deze twee en de nog volgende verzen kunnen gezongen worden op de
wijze van het Transvaalsche volkslied: »Di Vierkleur van ons dierbaar
land".
Den 29sten December (1895) Zondagnacht om elf uur[17] trok Jameson,
Cecil Rhodes' rechterhand, aan het hoofd eener goed gewapende ruiterij
uit zijn kamp te Pitsani, en nog dienzelfden nacht trok hij de
westelijke grenzen der Transvaal over.
[17] »De Afrikaner-Boer en de Jameson-inval" door N. J. Hofmeijr.
Den volgenden morgen te half zes klopte een zijner ruiters den
telegrafist Meiring van Otto's-Hoop uit zijn bed, en vraagde aan
Meiring, of hij dezen morgen reeds een telegram uit Pretoria had
ontvangen.
Meiring, die de bedoeling der vraag niet begreep, verklaarde zonder
erg, dat er uit Pretoria geen telegram was gekomen, hetgeen een groote
geruststelling was voor Jameson, die vreesde, dat men in Pretoria reeds
lont had geroken.
Meiring volgde den ruiter intusschen naar buiten, en zag tot zijn
verbazing op het open veld langs de telegraaflijn gewapende vreemde
cavalerie. En terwijl hij waarnam, hoe een cavalerist boven op een
telegraafpaal was geklommen, bemerkte hij tevens, dat de telegraafdraad
op verscheidene plaatsen ter lengte van tien meter was afgekapt, terwijl
de tusschenstukken zorgvuldig waren verwijderd.
Al was Meiring nu ook uit het bed geklopt, hij was toch goed
uitgeslapen, en hij haastte zich, om den mijncommissaris van Otto's-Hoop
van den stand der zaken te onderrichten.
Nu was echter de telegraaflijn, die van Otto's-Hoop via Zeerust naar
Pretoria liep, door Jameson's troepen tusschen Otto's-Hoop en Zeerust
vernield, en een renbode bracht uit Zeerust het volgende telegram aan
Meiring (dat uit Pretoria was geseind): »Is er iets waar van troepen op
uw grenzen? Hoevelen zijn er, en waar zijn zij?"
Dit telegram was geteekend door Joubert, den kommandant-generaal, die
dus reeds verontrustende tijdingen had ontvangen.
Meiring seinde hierop onmiddellijk via Zeerust het volgende terug:
»Dringend. Uw telegram per expres van Zeerust ontvangen. Heden morgen
half zes omtrent 800 gewapende mannen Chartered Compagnie's troepen
met 8 maxims en 3 snelvurende kanonnen hier doorgetrokken voorbij
Malmaniesoog, in de richting van Johannesburg. De telegraafdraad
tusschen hier, Zeerust en Lichtenburg door hen vernield. Heb
onmiddellijk daarvan per expres kennis gezonden naar Lichtenburg alsmede
aan kommandant Botha."
In den voormiddag bereikte dit ernstig telegram den kommandant-generaal,
die zich naar de woning van Paul Kruger spoedde.
Hij vond den President in druk gesprek met eenige der invloedrijkste
ambtenaren, en er heerschte onder het gezelschap een geest van onrust,
want Charles Leonard had in zijn Manifest[18] tegen 6 Januari een groote
volksvergadering in Johannesburg aangekondigd, en de verwachting was
gewettigd, dat er dien dag een openbaar oproer in de goudstad zou
uitbreken.
[18] Zie bl. 119. [_OPMERKING BEWERKER: = voetnoot [12]_]
Nu waren onder de aanwezigen enkelen van oordeel[19], dat de Regeering
tot ernstige hervormingen moest overgaan, want al was de toon, door de
leiders, te Johannesburg aangeslagen, hoogst ongepast, er waren, meenden
zij, toch ernstige grieven.
[19] »Transvaalsche Herinneringen" door Dr. E. J. P. Jorissen.
Met aandacht luisterde de President naar hunne overwegingen, maar hij
wilde zich in de gegeven omstandigheden door muitzieke Uitlanders geen
concessies laten afpersen, en hij zette zijn stalen voorhoofd tegen het
dreigend oproer.
Midden in het gesprek kwam Piet Joubert met zijn ernstige tijdingen aan,
doch de aanwezigen schudden ongeloovig het hoofd, totdat een tweede en
derde telegram het eerste bevestigde.
Onmiddelijk seinde nu de Transvaalsche Regeering aan den waarnemenden
Staatspresident van den Oranje-Vrijstaat om hulp en bijstand, doch deze
kwam met de verrassende tijding, dat men zich in Pretoria noodeloos
ongerust maakte. Hij had namelijk van betrouwbare zijde het bericht
ontvangen, dat de troepen der Chartered Compagnie, in Bechuanaland
bijeengebracht, _om een omweg te vermijden_, door het Transvaalsche
grondgebied naar Mashonaland trokken.
Deze tijding bracht natuurlijk nieuwe verwarring, die er niet minder
op werd, toen het bericht der Oranje-Vrijstaatsche regeering van
verschillende zijden bevestiging ontving.
Doch deze opzettelijke, uit den Rhodes-hoek komende en sluw gesponnen
misleiding, waarvan zelfs de regeering van den Oranje-Vrijstaat een
oogenblik het slachtoffer was geworden, kon niet vol worden gehouden
tegen de stellige rapporten, die der Regeering op nieuw werden gebracht,
en terwijl de mare van den gewapenden inval zich bliksemsnel door de
Transvaal verspreidde, telegrafeerde de Regeering nog dienzelfden dag,
Maandag, aan kommandant Cronjé van Potchefstroom en kommandant Malan
van Rustenburg, om onverwijld met geweld de binnenrukkende troepen te
keeren.
Intusschen had de kommandant van Zeerust reeds de volgende missive
gezonden aan Jameson en zijn hoofdofficieren:
»Vernomen hebbende uit vertrouwbare bronnen, dat gij heden morgen een
gewapende macht hebt gevoerd over de grenzen der Zuid-Afrikaansche
Republiek binnen dezen staat, zoo is het, dat ik thans op order van
den kommandant-generaal der Zuid-Afrikaansche Republiek u mits dezen
sommeer, u met uw gewapende macht onmiddelijk te verwijderen en terug te
gaan over de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek, en wil ik u mits
dezen waarschuwen, u niet te verzetten tegen deze sommatie, daar dit in
strijd zal zijn met de Conventie, de lands- en internationale wetten."
Hierop werd den kommandant van Zeerust door Jameson's adjudant het
volgende antwoord overhandigd:
»Ik (Jameson) heb u mede te deelen, dat ik voornemens ben, mijne
oorspronkelijke plannen uit te voeren, die geen vijandelijk doel tegen
het volk der Transvaal beoogen. Wij zijn hier in antwoord op eene
uitnoodiging van de voornaamste inwoners van den Witwaterrand, om hen
te helpen in hun eisch om de gewone rechten van ieder inwoner van een
beschaafde staat."
Nu wisten 't de Boeren.
Paul Kruger had gezegd: »Laat de schildpad maar eerst zijn kop
uitsteken; dan zullen wij weten, wat te doen."
Dat oogenblik was thans gekomen.