Midden in den nacht boog een eenzaam ruiter de lange oprijlaan in van
eene Transvaalsche boerenhofstede.
Het wakkere paard liet den kop moede hangen, en de ruiter was nauwelijks
in staat zich in den zadel te houden. Hij had een vreeselijken rit
achter den rug, en slechts zijn ijzeren wil had hem overeind gehouden.
Luide weerklonk het geblaf der waakhonden op het erf, toen de ruiter uit
het zaâl stapte, en op de ramen kloppend, riep: »Doe open!"
Het duurde eenige oogenblikken, alvorens een welbekende stem van binnen
antwoordde: »Wie is daar?"
»Goed volk," zeide de ruiter,--»Frits Jansen!"
»Frits Jansen!" herhaalde de stem van binnen met groote verbazing,
»wacht, ik zal je opendoen!"
De ruiter kon nu zien, dat er licht werd aangestoken, en eenige
oogenblikken later werd de huisdeur geopend.
»Kom binnen, Neef!" zeide de welbekende stem, »en wees welkom!"
Frits Jansen trad nu binnen.
De oude hangklok stond op half twee.
»Waar kom je van daan, Frits?"
»Van Rhodesia."
»En waarom niet naar Waterfontein gegaan?"
»Omdat met die reis anderhalve dag meer gemoeid zou zijn, Oom, en de
zaak, die mij drijft, is te gewichtig. Het lot der Transvaal hangt
misschien van een paar uren af."
De grijsaard ging vlak voor den ruiter staan, keek hem aan met scherpen
blik en zeide: »Ik meende, dat gij een Rhodes-man waart."
»Geweest," antwoordde Frits Jansen, die zich letterlijk liet neervallen
op een stoel.
»Gij zijt doodmoe," zeide de grijsaard vriendelijk.
»Ik kan niet meer, Oom," antwoordde Frits, en de oude Dirk Kloppers
haastte zich, om den moeden en hongerigen ruiter te verkwikken met spijs
en drank.
»En waar is Tante Anneke?" vraagde Frits Jansen thans.
»Zij is overleden," zeide de grijsaard met een weemoedigen klank in zijn
stem.
»Ik heb er niets van gehoord," hernam de jonge Boer met een smartelijke
verrassing.
»Veertien dagen geleden is zij heengegaan naar haar eeuwig huis."
»'t Is voor u een zware slag," zeide Frits vol deelneming.
»Ik kom het niet te boven," steunde de oude man.
»Doch wat is uw boodschap?" liet hij er op volgen, toen Frits zijn
maaltijd had geëindigd.
De jonge ruiter was wonderlijk opgefrischt, en verhaalde nu de reden,
die hem had bewogen, om te deserteeren.
Doch hij was nog niet uitgesproken, toen het sluimerende vuur weer begon
te ontbranden, dat God had gelegd in het hart van den grijzen
Voortrekker.
Het scheen, alsof de oude man plotseling was geëlectriseerd. Die van
smart en rouw gebogen gestalte begon weer te rijzen; in de oude,
uitgebluschte oogen schitterde het vuur der vaderlandsliefde, en de
stalen veerkracht van weleer blonk van dat verweerd en verrimpeld
gelaat.
Onwillekeurig zocht zijn oog het Henri-Martini-geweer, daar boven de
deur, dat in zijn hand zoo'n vreeselijk wapen was geweest, nu vijftien
jaar geleden, in de gevechten van Bronkhorstspruit, Langnek en Amajuba.
»Ik heb het altijd wel vermoed," zeide hij meer tot zichzelve dan tot
Frits Jansen,--»altijd! Op een schandelijk verraad moest het ten slotte
wel uitdraaien. En Johannesburg, de Mammonsberg, spant samen met de
troepen der Chartered Compagnie, die aan den leiband van Cecil Rhodes
loopt, om in naam der vrijheid--de staatkundige vrijheid der Boeren te
vermoorden!"
»Maar zij hebben ons nog niet," riep hij dreigend, »neen, waarlijk
niet!"
Er volgde een korte pauze.
»Ik moet op staanden voet naar onzen kommandant," ging hij voort, »en
rapport overbrengen."
»Mag ik mee gaan, Oom?"
»Niets liever--maar zijt ge niet te moe?"
»Neen," zeide Frits op beslisten toon.
De grijsaard ging nu naar buiten, naar de Kafferhutten achter op het erf
en wekte een paar Kafferknechten.
»Zadelt mijn schimmel en den bles," beval hij op dien krachtigen, korten
toon, die hem eigen was in groote en beslissende oogenblikken--»snel!"
Nu keerde hij weer naar binnen.
»De kommandant woont in het dorp; binnen een uur kunnen wij er zijn,
maar laten wij even bij mijn zoon Jan, die bij een ziek kind zit te
waken, de tijding brengen."
Zoo gingen ze dan te samen het erf over naar de woning van Jan Kloppers.
Door een zijraam zag men een licht branden; ook was de huisdeur niet
gesloten.
Behoedzaam traden zij binnen, doch Jan Kloppers had hen reeds gehoord.
Hij kwam hen tegemoet, en op den vragenden blik van zijn vader zeide hij
met een bezorgd gelaat: »De kleine Karel is van nacht niet beter."
Hij bracht de binnentredenden in de kamer bij het ledikantje.
Geertrui zat er naast met beschreide oogen, en hield de brandende heete
handjes van het kleine ventje omklemd.
Het kind had een harde koorts, en onrustig dwaalden die blauwe kijkers
rond.
De grijsaard deelde het ernstige bericht mede, dat Frits had gebracht,
en zwijgend hoorde Jan het aan.
Hij zuchtte.
Hij dacht aan zijn zwak, ziek kind, en keek den ouden Voortrekker aan.
»Dat beteekent oorlog," zeide hij.
»Of wij smoren hem in den eersten slag," antwoordde de wijze grijsaard.
Geertrui stond op, en verkwikte het dorstige kind met een teug water.
En van het ziekbed van haar lieveling vlogen haar gedachten naar
het slagveld, en voor haar opgeschrikte verbeelding zag zij haar man
bloedend, stervend neergestrekt door het onbarmhartige Engelsche kanon,
smachtend naar één teug water. En zij dacht aan Cecil Rhodes, die koning
was in het land van bedrog, en haar hart was vol droefheid en
bitterheid.
Doch de paarden waren nu voor gebracht, en Dirk Kloppers en Frits Jansen
zich naar buiten begevend, sprongen in het zaâl.
»Waar is mijn paard?" vraagde Frits ongerust.
»Ik heb het goed bezorgd," zeide de grijsaard, »we zullen het wat rust
geven."
Het was een stille liefelijke zomernacht, en niets werd gehoord dan de
snelle hoefslag van de paarden en de slaperige kreet van een
opgeschrikten vogel.
»Oom," zeide Frits, nadat ze zwijgend, ieder in zijn eigen gedachten
verdiept, een groot eind hadden afgelegd, »ik dank u wel hartelijk, dat
gij voor mij te Waterfontein zoo'n hartig woord hebt gesproken."
»Ik hield je voor onschuldig aan den brand."
»En ik was het ook, doch den schijn had ik tegen."
»Is het raadsel opgelost, Frits? Heeft Jack dien nacht uw pak aangehad?"
Vol verwondering staarde de jonge man in het gelaat van den schranderen
grijsaard.
»Hoe komt gij op die gedachten, Oom?"
»Ik kon het mij niet anders verklaren, en ik heb uw moeder bij het
afscheid nemen mijn vermoeden medegedeeld."
Frits Jansen deelde nu de toedracht mede, en de grijsaard luisterde met
opmerkzaamheid. Doch toen de jonge Boer aan het einde was van zijn
verhaal, fronste de oude Voortrekker even zijn wenkbrauwen en zeide:
»Dat is wel een bewijs, dat _gij_ onschuldig zijt, doch _geen_ bewijs,
dat Jack Williams de dader is. Gij gist en vermoedt het, en ik vermoed
het ook, doch gissingen en vermoedens zijn geen bewijzen. En zoo lang
de dader niet bekent, of derden geen getuigenis kunnen afleggen, dat
_gij_ onschuldig zijt, gaat ge voor de wereld, voor de buitenwacht, niet
vrijuit."
»Zoo ver heb ik nog niet eens gedacht," zeide Frits, terwijl er een
groote teleurstelling lag in zijn stem.
»Toch weet ik een anderen weg," meende de voorzichtige grijsaard.
»Jack Williams zal nooit bekennen, Oom!"
De oude man haalde de schouders op.
»Ge kent hem niet," zeide Frits.
»Ik denk ook niet, dat hij het vrijwillig zal doen," antwoordde de
grijsaard.
»En wie kan er hem toe dwingen?" zuchtte Frits met een hart vol
vreeze,--»niemand!"
»Niemand?" vraagde de grijsaard op een bizonderen toon.
»Neen, niemand, Oom!"
»_God_ kan er hem toe dwingen!" zeide de grijsaard vol ernst.
* * * * *
Zij waren nu den driesprong genaderd en sloegen links. Duidelijk was het
kerkje te zien met den slanken toren, omringd door de huizen van het
dorp.
Zij hadden hard doorgereden, en midden in het dorp hielden de dampende
paarden stil voor een stevig steenen gebouw.
Hier woonde de kommandant.
De ruiters sprongen uit het zaâl, bonden de paarden vast aan den
lindeboom vóór het huis, en de oude Kloppers schelde aan: snel en hard.
Na eenig wachten kwam een Kafferbediende voor.
»Wij moeten onmiddellijk den kommandant spreken," zeide de grijsaard.
»Ge doet me verschrikken; ik dacht dat het dorp in brand stond,"
antwoordde de Kaffer met een wrevelige uitdrukking in zijn slaperig
gezicht.
»Zul je den kommandant onmiddellijk wekken?" riep de Voortrekker.
»Wie ben je?" vraagde het onwillige schepsel.
»De oude baas Kloppers van Vredenoord," zeide de grijsaard met kracht,
»en als je nu niet _onmiddellijk_ den kommandant wekt, dan ligt de zweep
voor je klaar."
Dat hielp dan toch. De Kaffer strompelde de gang door, en na een paar
minuten verscheen, met de lantaarn in de hand, een rijzig, zwaargebouwd
man van middelbaren leeftijd.
Dirk Kloppers was een zijner bizondere vrienden, die bij hem in hooge
achting stond, en hij haastte zich, om de beide ruiters in de voorkamer
te laten.
Hij bood hun stoelen en zette de lantaarn midden op tafel.
»Doe _jij_ het woord!" zeide de Voortrekker.
Frits Jansen voldeed aan de opdracht en deed zijn verhaal.
Staande hoorde de kommandant hem aan. Nu en dan streek hij zijn zwarten
baard met zijn groote handen, of trommelde met de vingers nadenkend op
de tafel.
Doch geen woord ontsnapte zijn lippen--zelfs geen kreet van verbazing.
De jongeling was nu aan het einde van zijn rapport en zweeg.
Luide weerklonk het eerste hanengekraai door den stillen nacht, en zijn
zware hand op den schouder van den jongeling leggend, zeide de
kommandant: »Hoe heet ge jonge man?"
»Frits Jansen."
»Een zoon van Reinard Jansen?"
»Ja, kommandant."
»Ik ken hem; hij is een wakker man, wiens hart warm klopt voor zijn
volk. En gij Frits Jansen, hebt den dank verdiend van ons vaderland, en
te gelegener tijd hoop ik er mededeeling van te doen aan de Regeering."
De kommandant zweeg eenige oogenblikken en ging toen voort: »Ik zal
onmiddellijk de noodklok laten kleppen, het volk te wapen roepen en een
snellen ruiter afzenden naar het naastbijgelegen telegraafkantoor, om
den voorgenomen aanslag aan de Regeering te Pretoria mede te deelen. En
nu, mijne vrienden, moeten wij scheiden, want er ligt een berg van werk
voor mij, en nog van daag rukken wij op naar het oorlogsveld, dat wij
waarschijnlijk te zoeken hebben tusschen Johannesburg en de westelijke
grenzen."
De grijsaard en Frits Jansen waren opgestaan, en de kommandant staarde
den ouden Voortrekker in de oogen.
»Gaat gij mee?" vraagde hij, »gij zijt boven de jaren--"
»Doch wat vraag ik!" liet hij er onmiddellijk op volgen; »waar het
vaderland zijn zonen noodig heeft, daar ontbreken de Kloppers' niet!"
»Neen, waarlijk niet," zeide de grijsaard met klem; »nòg haalt mijn
kogel den roofvogel uit de wolken!"
»Dus wij trekken op onder de oude leuze: Voor vrijheid en recht!" riep
de kommandant, terwijl zijn heldenoog vol welgevallen rustte op den
grijsaard en den jongeling daar voor hem.
»Ja, voor vrijheid en recht!" riep Frits Jansen in uitbarstende
geestdrift, »voor vrijheid en recht--hoera!"
Met een krachtigen handdruk scheidden de vrienden, en onze twee ruiters
hadden nog niet den driesprong bereikt, toen reeds het noodgelui der
klok, het volk te wapen roepend, met snelle, driftige slagen weerklonk.