HOOFDSTUK XXIX.

Midden in den nacht boog een eenzaam ruiter de lange oprijlaan in van

eene Transvaalsche boerenhofstede.

Het wakkere paard liet den kop moede hangen, en de ruiter was nauwelijks

in staat zich in den zadel te houden. Hij had een vreeselijken rit

achter den rug, en slechts zijn ijzeren wil had hem overeind gehouden.

Luide weerklonk het geblaf der waakhonden op het erf, toen de ruiter uit

het zaâl stapte, en op de ramen kloppend, riep: »Doe open!"

Het duurde eenige oogenblikken, alvorens een welbekende stem van binnen

antwoordde: »Wie is daar?"

»Goed volk," zeide de ruiter,--»Frits Jansen!"

»Frits Jansen!" herhaalde de stem van binnen met groote verbazing,

»wacht, ik zal je opendoen!"

De ruiter kon nu zien, dat er licht werd aangestoken, en eenige

oogenblikken later werd de huisdeur geopend.

»Kom binnen, Neef!" zeide de welbekende stem, »en wees welkom!"

Frits Jansen trad nu binnen.

De oude hangklok stond op half twee.

»Waar kom je van daan, Frits?"

»Van Rhodesia."

»En waarom niet naar Waterfontein gegaan?"

»Omdat met die reis anderhalve dag meer gemoeid zou zijn, Oom, en de

zaak, die mij drijft, is te gewichtig. Het lot der Transvaal hangt

misschien van een paar uren af."

De grijsaard ging vlak voor den ruiter staan, keek hem aan met scherpen

blik en zeide: »Ik meende, dat gij een Rhodes-man waart."

»Geweest," antwoordde Frits Jansen, die zich letterlijk liet neervallen

op een stoel.

»Gij zijt doodmoe," zeide de grijsaard vriendelijk.

»Ik kan niet meer, Oom," antwoordde Frits, en de oude Dirk Kloppers

haastte zich, om den moeden en hongerigen ruiter te verkwikken met spijs

en drank.

»En waar is Tante Anneke?" vraagde Frits Jansen thans.

»Zij is overleden," zeide de grijsaard met een weemoedigen klank in zijn

stem.

»Ik heb er niets van gehoord," hernam de jonge Boer met een smartelijke

verrassing.

»Veertien dagen geleden is zij heengegaan naar haar eeuwig huis."

»'t Is voor u een zware slag," zeide Frits vol deelneming.

»Ik kom het niet te boven," steunde de oude man.

»Doch wat is uw boodschap?" liet hij er op volgen, toen Frits zijn

maaltijd had geëindigd.

De jonge ruiter was wonderlijk opgefrischt, en verhaalde nu de reden,

die hem had bewogen, om te deserteeren.

Doch hij was nog niet uitgesproken, toen het sluimerende vuur weer begon

te ontbranden, dat God had gelegd in het hart van den grijzen

Voortrekker.

Het scheen, alsof de oude man plotseling was geëlectriseerd. Die van

smart en rouw gebogen gestalte begon weer te rijzen; in de oude,

uitgebluschte oogen schitterde het vuur der vaderlandsliefde, en de

stalen veerkracht van weleer blonk van dat verweerd en verrimpeld

gelaat.

Onwillekeurig zocht zijn oog het Henri-Martini-geweer, daar boven de

deur, dat in zijn hand zoo'n vreeselijk wapen was geweest, nu vijftien

jaar geleden, in de gevechten van Bronkhorstspruit, Langnek en Amajuba.

»Ik heb het altijd wel vermoed," zeide hij meer tot zichzelve dan tot

Frits Jansen,--»altijd! Op een schandelijk verraad moest het ten slotte

wel uitdraaien. En Johannesburg, de Mammonsberg, spant samen met de

troepen der Chartered Compagnie, die aan den leiband van Cecil Rhodes

loopt, om in naam der vrijheid--de staatkundige vrijheid der Boeren te

vermoorden!"

»Maar zij hebben ons nog niet," riep hij dreigend, »neen, waarlijk

niet!"

Er volgde een korte pauze.

»Ik moet op staanden voet naar onzen kommandant," ging hij voort, »en

rapport overbrengen."

»Mag ik mee gaan, Oom?"

»Niets liever--maar zijt ge niet te moe?"

»Neen," zeide Frits op beslisten toon.

De grijsaard ging nu naar buiten, naar de Kafferhutten achter op het erf

en wekte een paar Kafferknechten.

»Zadelt mijn schimmel en den bles," beval hij op dien krachtigen, korten

toon, die hem eigen was in groote en beslissende oogenblikken--»snel!"

Nu keerde hij weer naar binnen.

»De kommandant woont in het dorp; binnen een uur kunnen wij er zijn,

maar laten wij even bij mijn zoon Jan, die bij een ziek kind zit te

waken, de tijding brengen."

Zoo gingen ze dan te samen het erf over naar de woning van Jan Kloppers.

Door een zijraam zag men een licht branden; ook was de huisdeur niet

gesloten.

Behoedzaam traden zij binnen, doch Jan Kloppers had hen reeds gehoord.

Hij kwam hen tegemoet, en op den vragenden blik van zijn vader zeide hij

met een bezorgd gelaat: »De kleine Karel is van nacht niet beter."

Hij bracht de binnentredenden in de kamer bij het ledikantje.

Geertrui zat er naast met beschreide oogen, en hield de brandende heete

handjes van het kleine ventje omklemd.

Het kind had een harde koorts, en onrustig dwaalden die blauwe kijkers

rond.

De grijsaard deelde het ernstige bericht mede, dat Frits had gebracht,

en zwijgend hoorde Jan het aan.

Hij zuchtte.

Hij dacht aan zijn zwak, ziek kind, en keek den ouden Voortrekker aan.

»Dat beteekent oorlog," zeide hij.

»Of wij smoren hem in den eersten slag," antwoordde de wijze grijsaard.

Geertrui stond op, en verkwikte het dorstige kind met een teug water.

En van het ziekbed van haar lieveling vlogen haar gedachten naar

het slagveld, en voor haar opgeschrikte verbeelding zag zij haar man

bloedend, stervend neergestrekt door het onbarmhartige Engelsche kanon,

smachtend naar één teug water. En zij dacht aan Cecil Rhodes, die koning

was in het land van bedrog, en haar hart was vol droefheid en

bitterheid.

Doch de paarden waren nu voor gebracht, en Dirk Kloppers en Frits Jansen

zich naar buiten begevend, sprongen in het zaâl.

»Waar is mijn paard?" vraagde Frits ongerust.

»Ik heb het goed bezorgd," zeide de grijsaard, »we zullen het wat rust

geven."

Het was een stille liefelijke zomernacht, en niets werd gehoord dan de

snelle hoefslag van de paarden en de slaperige kreet van een

opgeschrikten vogel.

»Oom," zeide Frits, nadat ze zwijgend, ieder in zijn eigen gedachten

verdiept, een groot eind hadden afgelegd, »ik dank u wel hartelijk, dat

gij voor mij te Waterfontein zoo'n hartig woord hebt gesproken."

»Ik hield je voor onschuldig aan den brand."

»En ik was het ook, doch den schijn had ik tegen."

»Is het raadsel opgelost, Frits? Heeft Jack dien nacht uw pak aangehad?"

Vol verwondering staarde de jonge man in het gelaat van den schranderen

grijsaard.

»Hoe komt gij op die gedachten, Oom?"

»Ik kon het mij niet anders verklaren, en ik heb uw moeder bij het

afscheid nemen mijn vermoeden medegedeeld."

Frits Jansen deelde nu de toedracht mede, en de grijsaard luisterde met

opmerkzaamheid. Doch toen de jonge Boer aan het einde was van zijn

verhaal, fronste de oude Voortrekker even zijn wenkbrauwen en zeide:

»Dat is wel een bewijs, dat _gij_ onschuldig zijt, doch _geen_ bewijs,

dat Jack Williams de dader is. Gij gist en vermoedt het, en ik vermoed

het ook, doch gissingen en vermoedens zijn geen bewijzen. En zoo lang

de dader niet bekent, of derden geen getuigenis kunnen afleggen, dat

_gij_ onschuldig zijt, gaat ge voor de wereld, voor de buitenwacht, niet

vrijuit."

»Zoo ver heb ik nog niet eens gedacht," zeide Frits, terwijl er een

groote teleurstelling lag in zijn stem.

»Toch weet ik een anderen weg," meende de voorzichtige grijsaard.

»Jack Williams zal nooit bekennen, Oom!"

De oude man haalde de schouders op.

»Ge kent hem niet," zeide Frits.

»Ik denk ook niet, dat hij het vrijwillig zal doen," antwoordde de

grijsaard.

»En wie kan er hem toe dwingen?" zuchtte Frits met een hart vol

vreeze,--»niemand!"

»Niemand?" vraagde de grijsaard op een bizonderen toon.

»Neen, niemand, Oom!"

»_God_ kan er hem toe dwingen!" zeide de grijsaard vol ernst.

* * * * *

Zij waren nu den driesprong genaderd en sloegen links. Duidelijk was het

kerkje te zien met den slanken toren, omringd door de huizen van het

dorp.

Zij hadden hard doorgereden, en midden in het dorp hielden de dampende

paarden stil voor een stevig steenen gebouw.

Hier woonde de kommandant.

De ruiters sprongen uit het zaâl, bonden de paarden vast aan den

lindeboom vóór het huis, en de oude Kloppers schelde aan: snel en hard.

Na eenig wachten kwam een Kafferbediende voor.

»Wij moeten onmiddellijk den kommandant spreken," zeide de grijsaard.

»Ge doet me verschrikken; ik dacht dat het dorp in brand stond,"

antwoordde de Kaffer met een wrevelige uitdrukking in zijn slaperig

gezicht.

»Zul je den kommandant onmiddellijk wekken?" riep de Voortrekker.

»Wie ben je?" vraagde het onwillige schepsel.

»De oude baas Kloppers van Vredenoord," zeide de grijsaard met kracht,

»en als je nu niet _onmiddellijk_ den kommandant wekt, dan ligt de zweep

voor je klaar."

Dat hielp dan toch. De Kaffer strompelde de gang door, en na een paar

minuten verscheen, met de lantaarn in de hand, een rijzig, zwaargebouwd

man van middelbaren leeftijd.

Dirk Kloppers was een zijner bizondere vrienden, die bij hem in hooge

achting stond, en hij haastte zich, om de beide ruiters in de voorkamer

te laten.

Hij bood hun stoelen en zette de lantaarn midden op tafel.

»Doe _jij_ het woord!" zeide de Voortrekker.

Frits Jansen voldeed aan de opdracht en deed zijn verhaal.

Staande hoorde de kommandant hem aan. Nu en dan streek hij zijn zwarten

baard met zijn groote handen, of trommelde met de vingers nadenkend op

de tafel.

Doch geen woord ontsnapte zijn lippen--zelfs geen kreet van verbazing.

De jongeling was nu aan het einde van zijn rapport en zweeg.

Luide weerklonk het eerste hanengekraai door den stillen nacht, en zijn

zware hand op den schouder van den jongeling leggend, zeide de

kommandant: »Hoe heet ge jonge man?"

»Frits Jansen."

»Een zoon van Reinard Jansen?"

»Ja, kommandant."

»Ik ken hem; hij is een wakker man, wiens hart warm klopt voor zijn

volk. En gij Frits Jansen, hebt den dank verdiend van ons vaderland, en

te gelegener tijd hoop ik er mededeeling van te doen aan de Regeering."

De kommandant zweeg eenige oogenblikken en ging toen voort: »Ik zal

onmiddellijk de noodklok laten kleppen, het volk te wapen roepen en een

snellen ruiter afzenden naar het naastbijgelegen telegraafkantoor, om

den voorgenomen aanslag aan de Regeering te Pretoria mede te deelen. En

nu, mijne vrienden, moeten wij scheiden, want er ligt een berg van werk

voor mij, en nog van daag rukken wij op naar het oorlogsveld, dat wij

waarschijnlijk te zoeken hebben tusschen Johannesburg en de westelijke

grenzen."

De grijsaard en Frits Jansen waren opgestaan, en de kommandant staarde

den ouden Voortrekker in de oogen.

»Gaat gij mee?" vraagde hij, »gij zijt boven de jaren--"

»Doch wat vraag ik!" liet hij er onmiddellijk op volgen; »waar het

vaderland zijn zonen noodig heeft, daar ontbreken de Kloppers' niet!"

»Neen, waarlijk niet," zeide de grijsaard met klem; »nòg haalt mijn

kogel den roofvogel uit de wolken!"

»Dus wij trekken op onder de oude leuze: Voor vrijheid en recht!" riep

de kommandant, terwijl zijn heldenoog vol welgevallen rustte op den

grijsaard en den jongeling daar voor hem.

»Ja, voor vrijheid en recht!" riep Frits Jansen in uitbarstende

geestdrift, »voor vrijheid en recht--hoera!"

Met een krachtigen handdruk scheidden de vrienden, en onze twee ruiters

hadden nog niet den driesprong bereikt, toen reeds het noodgelui der

klok, het volk te wapen roepend, met snelle, driftige slagen weerklonk.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 38 / 53 题