Het was een koude nacht, en een zware mist hing over het veld. Maar
Frits Jansen voelde de koude niet, en de taak, die hij op zich had
genomen, joeg het bloed sneller door zijn aderen. De mist werd echter
zoo dicht, dat hij op geen vijf pas afstands kon zien, en soms twijfelde
hij, of hij wel den rechten koers had ingeslagen. Maar hij reed bedaard
door, want groot was de afstand, die hij had af te leggen, en hij wilde
de beste krachten van zijn paard sparen voor het laatst.
Soms hield hij den vurigen hengst in, sprong uit het zaâl, en legde het
oor te luisteren op den grond. Doch geen verdacht geluid werd gehoord,
en de wetenschap, dat geen vervolgers in de nabijheid waren, gaf hem een
gevoel van veiligheid en onbezorgdheid.
Hij had nu al verscheidene uren gereden, en de morgen daagde. De grijze
sluier van den nevel begon dunner te worden, en de schreeuw van een
ontwakenden vogel klonk over het veld.
Hij wendde het gelaat om, en over de heuvels brak een straal van goud en
purper door den nevel heen. Doch hij zag nog iets anders, namelijk een
troep ruiters, die snel van de rechterzijde naderden.
Het was Frits Jansen duidelijk, dat hij door den zwaren mist een
geduchten omweg, een halven cirkel had gemaakt, doch deze ontdekking, al
was zij niet aangenaam, deed zijn hart niet sneller kloppen, want hij
had wel voor heeter vuren gestaan.
Hij wendde den teugel, en had thans de vervolgers achter zich. Bedaard
reed hij door in een gewonen draf en de stand der in volle glorie
oprijzende Afrikaansche zon wees hem de richting, die hij te nemen had.
Hij was er zeker van, dat de weg, dien hij thans nam midden door het
open veld met zijn lang, verschrompeld gras recht op de grenzen aanliep,
doch het verwonderde hem wel, dat de ruiters zich als een waaier achter
hem uitspreidden.
»Wat willen ze toch?" mompelde hij: »willen ze me werkelijk omsingelen?
Cesar, 't is een beleediging voor jou!"
Hij klopte den hengst op den blanken hals en lachte. Van schrik of angst
was bij den jongen Boer ook nu nog geen sprake, maar hij reed toch een
beetje sneller door.
De vervolgers bestonden uit een aantal bereden Kaffers en cavaleristen,
welke laatste zich zoo snel in het zaâl hadden geworpen, dat hun buksen
waren achtergebleven. Slechts de zware revolver stak in den leeren koker
van het zadel. Maar de Kaffers waren gewapend met lange
lansen.
De troep werd gekommandeerd door luitenant Harreson, die zijn nieuwkoop
bereed, een mooien, bruinen klepper, en wel nieuwsgierig was, of zijn
paard het niet zou kunnen winnen van Jansen's hengst. Deze vervolging
beschouwde hij dan ook als een soort sport, doch Jack Williams, die
naast hem reed, dacht er anders over, en volgde met zijn oogen den
vluchteling in een spanning, die onbeschrijfelijk was.
Een kreet van woeste vreugde had hij geslaakt, toen hij, bij het
optrekken van den mist op een heuvel gekomen, den deserteur had ontdekt,
en _hij_ was de man geweest, die aan luitenant Harreson den raad had
gegeven, om de ruiterij in den vorm van een hoefijzer uit te spreiden.
Frits Jansen had gemeend, dat aan deze manoeuvre een omsingeling ten
doel lag, doch Jack Williams wist al te goed, dat de vlugste renner van
Rhodesia op dit oogenblik door Jansen werd bereden, en Frits vergiste
zich volkomen in zijn veronderstelling.
Neen, de bedoeling der manoeuvre was een geheel andere.
De uiteinden van het hoefijzer bestonden uit de snelste ruiters,
die, door een krachtige inspanning, op één hoogte gekomen met den
vluchteling, op zijn rechter- en linkerzijde doch op aanmerkelijken
afstand, evenwijdig met den deserteur over de vlakte renden.
Frits Jansen's eenige zorg was nu, dat hij in het juiste midden bleef
tusschen de twee uiteinden van het hoefijzer, en er was in zijn hart
geen zweem van angst of vrees, te meer, daar zijn scherpe blik bij den
ganschen troep niet één geweer had ontdekt.
Doch als een bloedhond volgde Jack het spoor van den vluchteling,
en beter dan Frits Jansen met het terrein bekend, wist hij, dat het
hoefijzer den deserteur onvermijdelijk naar een diepe, gapende rotskloof
dreef, die hem òf terug zou doen deinzen en overleveren in de handen
zijner vervolgers, òf waagde hij den sprong over den afgrond, zijn dood
zou zijn.
Plotseling hield Jack zijn met zweet bedekten klepper in, en een bijna
duivelsche vreugde gleed over zijn gezicht.
»Kijk," riep hij hoonend, »nu begint hij 't in de gaten te krijgen. Hij
houdt zijn paard in... hij wendt den teugel... neen man, je kunt er niet
door... hij begrijpt het ook... Zou hij den sprong wagen?... Hij durft
niet... hij is verloren..."
Frits Jansen had inderdaad, op een verhooging gekomen van het volgende
terrein, de vreeselijke kloof ontdekt, die zijn weg versperde, de
laatste bloeddrup was uit zijn gezicht geweken, en de sterke Boerenzoon,
die nog nooit had gebeefd, beefde thans.
Was het te verwonderen, dat hij, huiverend voor den doodelijken sprong,
den teugel wendde? Was hij niet in den bloei van zijn jaren, vol
levenskracht, en hing hij niet met elken vezel van zijn bestaan aan het
leven?
Met somberen blik nam hij den omtrek op, doch hij begreep, dat het voor
hem, den ongewapende, onmogelijk was, door den keten van ruiters heen te
komen, die hem al meer naderde.
Hij had het gevoel van een vogel, die door het slagnet is gevangen, en
die zich te vergeefs de vleugels zal stuk slaan tegen de wreede,
verraderlijke mazen.
Hij kon zich gevangen geven, en hij behoefde voor zijn leven niet
bang te zijn, want hij was gedeserteerd in vredestijd, doch hing van
den vreeselijken sprong over den afgrond niet misschien het lot van
zijn vaderland af? En al zou de poging, om zijn vaderland te redden,
mislukken--viel hij dan niet als een ware zoon zijns volks, en verzoende
hij niet door zijn dood den vreeselijken misslag van zijn leven, toen
hij trouw zwoer aan de vlag van Cecil Rhodes?
Hij streed een harden, vreeselijken tweestrijd, doch de strijd was kort.
Beter te pletter gevallen met zijn paard op de scherpe klippen van den
afgrond in de poging, zijn vaderland te redden, dan lafhartig zich
overgegeven aan de vijanden zijns volks!
En de handen vouwend, barstte de noodkreet uit zijn ziel: »God mijner
vaderen, gedenk mijner naar Uwe groote barmhartigheid...."
* * * * *
Vastberaden wendt Frits Jansen nu den kop van het paard in de richting
der kloof, en liefkoozend gaat zijn hand over den koninklijken hals van
zijn edel ros.
Hij buigt zich voorover, en fluistert Cesar vleiend in de ooren: »Dezen
keer zult ge je koningssprong doen, Cesar! De vijanden loeren op je
jongen meester, Cesar, maar gij zult het niet dulden, dat zij hem
krijgen, en gij zult hem over den afgrond dragen als op de vleugelen
van den arend! We moeten er over, Cesar--we _moeten_, hoor je!"
En al heeft Cesar de woorden niet verstaan, den zoeten, vleienden toon
heeft hij wél verstaan, en zijn vurig oog ziet reeds den afgrond.
Hij spitst de ooren, trappelt ongeduldig en hinnikt luid.
En nu drukt Frits Jansen den hengst de sporen in de flanken--het edele
ros werpt den prachtigen kop omhoog, en slaat de slanken pooten uit....
Ja, dat is het paard, waarvan in het boek van Job is gezongen!
Zijn hals is bekleed met den donder, en de pracht van zijn gesnuif is
een verschrikking!
Het graaft in den grond met zijn hoeven, en is vroolijk in zijn kracht!
In de verte schittert de speer van een ruiter, doch het belacht de
vreeze en wordt niet ontsteld!
Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en in het volle
geklank der bazuin zegt het: Heah! en riekt den krijg van verre! den
donder der vorsten en het gejuich!
Frits Jansen echter richt zich hoog op de stijgbeugels--hij heeft
de oogen wijd open--hij ziet den dood flikkeren op de speerspiets
der Kafferruiters--hij ziet den dood grijnzen in de diepte van den
afgrond--en zijn hart staat stil, en zal eerst opnieuw gaan kloppen, als
het paard, in een majestueuzen, koninklijken sprong over de rotskloof
henensuizend, de hoeven dreunend laat nedervallen op den harden
kleigrond aan den reddenden overkant.
* * * * *
Vol verbazing en ingehouden bewondering hebben Rhodes' ruiters dien
sprong op leven en dood gezien, maar Jack Williams brult: »Vooruit! Er
over!" waarop luitenant Harreson, die niet van zins is, om zijn ruiters
voor een deserteur den nek te laten breken, droogjes antwoordt: »Doe jij
't hun voor!"
Jack meet met zijn oogen de wijdte der kloof, doch ze is hem blijkbaar
te groot.
Hij grijpt naar zijn revolver.
»Wat wil je?" vraagt de luitenant.
»Den deserteur neerschieten!"
»Waarom?"
[Illustratie: De sprong over de rotskloof.]
»Hij weet alles luitenant. Die zwarte neger van zijn vader heeft hem het
geheele plan verteld. Schud nu niet van neen, want ik weet het uit de
beste bron. Hij rijdt spoorslags naar de Transvaal, en zal zich haasten,
om aan de Boerenregeering het geheim te berichten."
Harreson trekt de schouders op.
»Laat het hem doen," zegt hij luchthartig, »wat geeft het? De Boeren
kunnen den dans toch niet meer ontspringen. Overigens is die zwarte
hengst van Frits Jansen meer waard dan de heele negerij, die Rhodesia
heet."
Doch Jack Williams hoort die laatste woorden niet eens.
»Waar een paard over kan, daar kan ook een kogel over," schreeuwt hij,
en den zwaren revolver opheffend, jaagt hij den vluchteling zes kogels
achterna. Doch de kans om te treffen, is bij dien afstand voor den
revolver zeer gering, en onschadelijk snorren de kogels den deserteur
voorbij.
Frits Jansen echter keert zich om op zijn paard, heft beide handen
juichend omhoog, en roept met luidklinkende stem; »Voor vrijheid en
recht--hoera!" en snel zijn ros en ruiter achter de eerste heuvelrij
verdwenen.