De brief was geschreven, en reeds was Eliëzer, de snelvoetige Zoeloe,
met den brief op pad.
Het was nu laat in den avond.
De taptoe was al geblazen, en de cavaleristen hadden hun
kribben--ijzeren ramen, voorzien van een stroopeluw en een
stroozak--opgezocht.
Slechts een enkele drentelde, met de handen in den zak en een
pijpstompje in den mond, nog even rond op het kazerneplein, om dan
eveneens naar binnen te gaan.
Frits Jansen was een van de laatsten, die zich ter ruste begaf.....
* * * * *
In de stallen verspreidden eenige blikken lantaarnen, aan ijzerdraad,
hun sober licht.
Nu en dan hief een paard slaapdronken den kop omhoog, en rammelde met
den ijzeren halster, waarmede het was bevestigd.
Twee militaire wachten bewaakten de stallen, en de torenklok had juist
één uur geslagen, toen een kavalerist voorzichtig door de binnendeur,
die de kazerne met de stallen verbond, binnentrad.
Hij zocht zijn paard op, den koolzwarten hengst, die, den stap van zijn
meester herkennend, luid begon te hinneken.
Maar de ruiter zeide op gedempten toon: »Cesar, stil," en toen was het
paard weer bedaard.
Een der beide stalwachten begaf zich tot den ruiter.
»Wat beteekent dat, kameraad?" vraagde hij.
»Mijn paard was ziek vandaag," zeide de ruiter.
Hij sprak hierin inderdaad de waarheid, want het paard was niet goed
geweest.
»En ik kom nu eens kijken, hoe hij 't maakt."
Hij betastte den hengst.
»Ik zal er hem eens uitnemen, wacht."
»Dat mag niet sergeant," zeide de stalwacht, die Frits Jansen thans
herkende.
»Och kom," zeide de ruiter onverschillig, »wat geeft het?"
»Het consigne verbiedt het, sergeant!"
»Lariefarie," lachte Frits, terwijl hij den hengst losmaakte.
»Het dier heeft kou gevat," verzekerde hij, »ik zal het buiten even
afdraven."
»Buiten afdraven?" riep de tweede stalwacht, die thans met een norsch
gezicht naderde, »je zult het wel uit je lijf laten!"
»Doe de deur maar open," zeide Frits tamelijk brutaal.
»Wat ben je toch eigenlijk van plan?" vraagde de eerste stalwacht
wantrouwend: »wil je soms deserteeren?"
»Zie ik er uit als een deserteur?" was Jansen's onbevangen wedervraag.
Hij was blootshoofds; slechts gekleed in een boezeroen en een broek.
»Me dunkt trouwens, dat het deserteeren beter over dag gaat dan 's
nachts--vind je niet, wacht?"
De stalwacht voelde het gegronde dezer bewering.
»Toch mag het niet, sergeant," zeide hij op stelligen toon. »Voor mijn
part kunt ge 't paard in den stalgang hier wat op en neer laten loopen,
doch verder moogt ge niet."
»Trouwens het dier mankeert niets," meende de tweede stalwacht, de
eigenaar van het norsche gelaat; »'t zijn maar smoesjes, dat het wat
mankeert."
»Bekijkt het paard dan zelf," zeide Frits, »ik zal wel bijlichten."
Hij wendde zich naar de buitendeur, waar een losse lantaarn stond en
schoof, terwijl hij de lantaarn nam, de twee grendels ongemerkt weg.
Nu lichtte hij met de lantaarn.
»Kun je nu niet zien, wat het paard mankeert?" vraagde hij met een
doodonschuldig gezicht.
De twee stalwachten schudden het hoofd.
»Merk je dan niet, dat het krampen heeft?" riep hij met een minachtende
verwondering.
Frits stond bekend voor even knap als een veearts; de beide stalwachten
wisten dit ook, en om hun mindere kennis nu niet bloot te geven, vonden
zij dan toch ook, dat het dier wat kramperig was.
Frits Jansen tuigde intusschen den hengst met gebit en zadel.
»Wat ben je toch eigenlijk van plan?" vraagde de eerste stalwacht met
nieuw opgewekten argwaan.
»Dat wil ik jullie in 't geheim wel zeggen," antwoordde de jonge Boer op
jovialen toon; »ik ben echt van plan, om te deserteeren."
De stalwachten stonden bij deze vertrouwelijke mededeeling wel een
beetje verbluft te kijken, maar ze begrepen dan toch, dat het maar
gekheid was, en het norsche gelaat bulderde: »We hebben met je praatjes
niets te maken; het zaâl er af--en gauw ook!"
Doch Frits Jansen _zat_ reeds in het zaâl, en hij zeide met een
flikkering van zijn blauwe oogen: »Weet je wel, met wien je spreekt?"
»Ik weet het wel," zeide het norsche gelaat.
»Nu, onthoud het dan!" zeide de sergeant op strengen toon, terwijl hij
het »kramperige" paard op en neer liet stappen in den stalgang.
De stalwachten zeiden verder geen woord, en terwijl het norsche gelaat
zich naar het midden van den stal begaf, waar een onrustig paard zich
wilde losrukken, zette de eerste stalwacht zich neder op een bank, in de
nabijheid der buitendeur.
»Hé, Kar," riep hij plotseling, »heb jij er de grendels afgeschoven?"
»Ik?" riep het norsche gelaat--»ben je nou gek?"
»Dan begrijp ik het niet," mompelde de eerste stalwacht.
Frits Jansen was juist aan het andere einde van den stal, doch had het
tweegesprek vernomen, en hij hoorde eveneens, hoe de grendels weer
rammelend op de oude deur werden geschoven.
Hij liet het paard langzaam in de richting der buitendeur stappen.
De eerste stalwacht zat nog altijd op de bank, doch hield de buitendeur
goed in de gaten. Hij was nu vast overtuigd, dat Jansen iets bizonders
van plan was.
»Jij hebt een lange hand," zeide hij, »en hebt daar straks de grendels
van de deur geschoven."
»En _jij_ hebt een lange tong," antwoordde Frits Jansen bedaard.
»Je zet onmiddelijk het paard aan de ruif, of ik zal je er toe dwingen,"
zeide de wacht.
»Jij?" zei de jonge Boer vol minachting, »_jij_?"
Hij had het paard laten wenden, dat nu met de achterpooten vlak tegen de
buitendeur stond, en plotseling wild omhoog steigerde.
»Daar heb je 't nu al, ezelskinnebak," brulde de tweede stalwacht, het
norsche gelaat, terwijl hij met zijn kameraad naar de paarden snelde,
die door de woeste manieren van Jansen's hengst erg onrustig waren
geworden.
Doch Frits Jansen boog zich over den nek van zijn paard en fluisterde
hem in het oor: »Cesar, terug!" En nauwelijks had de hengst dit woord
gehoord en voelde hij den ruk aan de gebitsstang, of hij drong met
onweerstaanbare kracht achteruit, zoodat de oude deur uit haar hengsels
vloog.
Met een zware vloek sprong de eerste stalwacht op, en onmiddellijk werd
de cavalerie gealarmeerd.
Doch Frits Jansen was de enge stallen uit, en ruim adem halend, gaf hij
zijn paard, dwars over de prairie, de richting naar de Transvaalsche
grenzen.