HOOFDSTUK XXVI.

Dien namiddag had Frits Jansen dienst, doch tegen den avond was hij

vrij, en keuvelend wandelde hij met zijn vriend, het meesterke, een lang

beschaduwde laan op en neder.

Het was wel een eigenaardig gezicht: die krachtige en forsch gebouwde

ruiter met dat gebruinde gelaat en dat helder flikkerende oog en naast

hem dat teere ventje met die smalle schouders, die zwakke borst, dat

bleek gelaat en die zachte, peinzende oogen.

»Hoe hebben die twee elkaar toch gevonden," dachten de voorbijgangers,

wel niet vermoedend, hoe 'n sterke band die twee harten samen bond.

Waarover zij spraken, behoef ik wel niet te zeggen. Het hart van Frits

Jansen dacht met afschuw aan Jack Williams, die zoo doortrapt gemeen

had gehandeld, doch aan den anderen kant werd zijn ziel door een groote

vreugde vervuld, want nu moest zich alles--alles ten goede wenden!

Zij waren de laan ten einde gewandeld en keerden om, toen Eliëzer met

ongewonen spoed kwam aanhollen.

»Wat _die_ weer mag hebben!" meende het meesterke, in het opgewonden

gelaat van den Zoeloe starend, doch Frits Jansen lachte en zeide: »Wat

heb je, Eliëzer? Heb je dat groote beest van den witmensch weer gezien,

waarover jij met het meesterke hebt gesproken?"

»Ge bedoelt den vuurwagen,"[15] antwoordde de Zoeloe, »doch die zal me

niet meer verschrikken. Ik heb echter iets anders ontdekt, iets heel

gewichtigs."

[15] Locomotief.

Het gelaat van den Kaffer stond, terwijl hij dit zeide, zoo strak en

ernstig, dat Frits toch meer aandacht toonde.

»Spreek op dan!"

De Kaffer ging dicht bij zijn jongen meester staan, en zeide, nadat hij

een vorschenden blik in het rond had geworpen, bijna fluisterend:

»Binnen drie dagen gaat het er op los!"

»_Wat_ gaat er op los? _Waar_ gaat het op los?" vraagde de jonge Boer,

niet vermoedend, wat de kleurling met zijn geheimzinnige woorden

bedoelde.

»Op de Transvaal gaat het los!" zeide de Zoeloe, doch Frits schudde

ongeloovig het hoofd, en het drietal wandelde langzaam door.

»Ik heb die praatjes al meer gehoord," zeide hij kalm.

»Baas, het is dezen keer meenens," zeide Eliëzer op dringenden,

overtuigenden toon.

»Wat willen ze dan toch in de Transvaal?" vraagde Frits Jansen.

»De Boerenregeering omverwerpen," zeide de Zoeloe.

Frits Jansen deed onwillekeurig een greep naar het gevest van zijn

sabel, maar zeide toen bedaard: »Vertel wat je weet!"

»Het was van middag gloeiend heet," begon Eliëzer zijn verhaal, »en

zooals ik wel meer pleeg te doen, had ik mij neergevleid in de schaduw

tusschen een paar struiken, verborgen voor den voorbijganger, die dien

weg mocht passeeren. Ik had nog maar kort gelegen tusschen die struiken,

en wilde juist opstaan, omdat de muggen mij zoo afschuwelijk beten, toen

ik twee witmenschen in druk gesprek hoorde voorbij komen.

Ik spitste mijn ooren, Baas, toen ik het woord Transvaal hoorde

uitspreken, want men moet op zijn hoede zijn in dit land van bedrog--"

Hij zeide deze laatste woorden met een zeker gewicht, dat een glimlach

bracht op het gelaat van Frits Jansen en dezen deed zeggen: »Kaffertje,

wie heeft dit land genoemd land van bedrog?"

»Mijn ouwe baas," antwoordde de Zoeloe.

»Ik dacht het wel, dat in jouw dikken kop dat idee niet was opgekomen,

maar ga voort!"

»Ze spraken over Johannesburg," vertelde de Kaffer, »en over Rhodes."

»Over Cecil Rhodes?"

»Dat heb ik niet gehoord, Baas."

»Ze willen naar Johannesburg," ging de Kaffer voort op gedempten toon;

»daar zou dan een opstand moeten uitbarsten. Maar ik begrijp dat niet,

Baas!"

»'t Is ook niet noodig," meende Frits.

»Ze spraken, dat de ruiterij van Rhodes binnen drie of vier dagen gereed

zou zijn, om over de grenzen te trekken, Johannesburg ter hulp zou komen

en Pretoria innemen."

»Dat zaakje zal hun toch nog niet meevallen," zeide Frits Jansen met een

flikkering van zijn blauwe oogen.

»Maar hoe kondt gij dat alles hooren?" vraagde hij op eenigszins

ongeloovigen toon.

»Ik sloop hen na, gedekt achter de struiken, die den weg omzoomen, Baas.

Ik kan sluipen als de slangen van Zoeloeland."

Nadenkend staarde de jonge Boer naar den grond.

Als het eens waar was!

Hij moest zekerheid hebben.

»Wacht mij hier," zeide hij, en hij wandelde naar een bijgebouw der

kazerne, waar eenige kanonnen stonden.

»Zoo Tim," zeide hij tot een militair, die aan 't poetsen was, »nog geen

avond?"

»Ik ben zoo klaar," zeide Tim.

»Ik kom je wat nieuws vertellen," riep Frits heel gewichtig; »binnen

veertien dagen trekken wij over de Transvaalsche grenzen."

»Je weet er niets van," zeide Tim, die er zich op beroemde, het

belangrijkste nieuws eerder te weten dan een ander, en inderdaad in den

regel zeer goed op de hoogte was.

»Ik weet het uit goede bron," verzekerde Frits.

»Jij hebt geen bronnen, man," zeide Tim, de schouders minachtend

ophalend, »maar _ik_ heb ze."

»Jij weet er niks van," zeide Frits tartend.

»Zoo," antwoordde Tim geprikkeld, »ik verklaar je dan, dat het er binnen

drie dagen op los gaat, misschien morgen vroeg al!"

»We zullen zien, wie gelijk heeft," antwoordde Frits onverschillig, en

verliet Tim.

Het meesterke en Eliëzer stonden vol spanning te wachten.

»Hoe is 't?" vraagde het meesterke.

»Ik denk, dat Eliëzer's inlichtingen juist zijn," zeide Frits.

»En wat wilt ge doen?"

»Hen voor zijn!" zeide Frits op bedachtzamen toon, en zich tot den

Zoeloe wendend, ging hij voort: »Ik schrijf direct een brief aan mijn

ouders. Gij licht mijn schrijven toe, en maakt hen duidelijk, hoe

gruwelijk zij en ik zijn bedrogen geworden, want het staat bij mij vast,

dat Jack Williams de brandstichter is. Ik stel je daardoor tegelijk in

de gelegenheid om je dwaling weer goed te maken."

Vol dankbaarheid over de eervolle opdracht boog Eliëzer het hoofd, en

fluisterend voegde de jonge Boer er aan toe:

»Heden nacht nog wil ik deserteeren, en aan het Transvaalsche

gouvernement de tijding brengen van de beraamde overrompeling."

»Kan de zaak nog niet een dag uitstel lijden?" vraagde het bezorgde

meesterke.

»Neen," zeide Frits Jansen vriendelijk maar beslist, »nog geen uur!"

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 35 / 53 题