De reis van Eliëzer naar Rhodesia was door een ongesteldheid vertraagd
geworden, doch thans aanvaardde hij den tocht.
Reinard Jansen verkeerde in de vaste overtuiging, dat het een
vergeefsche poging was, om Frits van een blaam te zuiveren, die niet te
zuiveren was, en Eliëzer begreep, dat zijn taak zwaarder was dan het
vechten tegen wilde dieren.
De oogen echter van tante Martje straalden vol hoop, moed en vertrouwen.
Hadden de laatste woorden van den schranderen baas van Vredenoord den
grond gelegd tot dit anders zoo onverklaarbaar vertrouwen?
Aan niemand dan aan haar man had tante Martje die laatste woorden
medegedeeld, doch hij had ongeloovig het hoofd geschud.
* * * * *
Paard noch wagen had de snelvoetige Zoeloe-kaffer noodig, en terwijl hij
vroeg in den morgen, bij het blinken der morgenster, zijn dagreis begon;
des middags als de zonnestralen al te fel op zijn kroeskop brandden, de
schaduw opzocht van een boom of struik, liep hij tot de duisternis viel,
zocht dan een heuvel op, waar hij een klein vuur ontstak, en strekte de
moede leden uit om te slapen.
Den eersten dag ontmoette hij een reismakker in een Matabele-kaffer,
die evenals Eliëzer naar Rhodesia trok, en zij hadden geen bizondere
ontmoetingen op hun reis dan den tweeden nacht.
Zij waren midden in het veld. Het was een donkere nacht, en zware wolken
dreven langs het zwerk.
Zijn kameraad lag reeds lang te snurken, doch Eliëzer zat nog bij het
wachtvuur neergehurkt, en staarde droomerig in de vlammen.
Plotseling werd hij uit zijn mijmeringen opgeschrikt door een lang,
aanhoudend gerommel als van verren donder. Doch er was geen onweer te
bespeuren, en geen weerlicht werd gezien.
Het geluid werd al sterker--de slapende kaffer werd er van wakker en
wreef zich verbaasd de oogen.
Maar Eliëzer sprong op, want hij zag thans een zwart monster windsnel
naderen in vuur en rook, en de oogen van het monster fonkelden als van
een reusachtig roofdier.
Eliëzer was niet bang, doch bij deze verschijning rezen hem de haren
van schrik omhoog, en hij wierp zich plat op den buik achter een
doornstruik, rillend bij de gedachte, dat het vreeselijk monster hem zou
verslinden met zijn breeden muil.
Doch de Matabele bleef staan, en toen het monster een schel gefluit liet
hooren, riep hij: »Kom maar, Eliëzer; het is het groote beest van den
witmensch[14], dat daar voorbij holt--hebt gij zijn geschreeuw niet
gehoord?"
[14] Blanke.
Eliëzer kroop nu van achter den doornstruik weg, want het zwarte monster
verdween even snel als het gekomen was, en het schel gefluit was
verstomd.
»Waarom schreeuwt dat leelijke ding zoo?" vraagde Eliëzer langzaam
bekomend van de schrik.
»Wel, het groote beest krijgt dikwijls slaag van den witmensch, en dan
schreeuwt het luid van woede," antwoordde de Matabele.
Met diep ontzag staarde Eliëzer tot zijn reisgezel op, die zooveel wist,
en hij vraagde vol belangstelling: »Hebt gij dat groote beest wel eens
van dichtbij gezien?"
»Ja," antwoordde de vreemde kaffer niet zonder trots; »ik heb de hand
wel eens op zijn buik gelegd."
»Op zijn buik!" riep Eliëzer met verbazing; »hoe durft ge 't wagen!"
Liever had de Zoeloe zijn harden kop gestoken in den opengesperden muil
van een grimmigen leeuw dan de hand te leggen op den buik van dat
razende monster.
»Waar komt het van daan?" vraagde hij, nadat beide Kaffers waren
neergehurkt bij het flikkerende vuur.
De vreemde Kaffer trok de schouders op.
»Het komt ergens van daan," zeide hij langzaam, »doch niemand weet van
waar. Zelfs de witmensch weet het niet."
Van het monster was nu geen spoor meer te ontdekken. Zelfs het gedreun
was verdwenen, en Eliëzer haalde ruim adem.
»'t Was goed, dat gij bij mij waart," zeide hij vriendelijk tot den
reismakker; »hier hebt ge een stuk tabak!"
De vreemde Kaffer nam het stuk tabak gretig aan, en knauwde het tusschen
zijn witte tanden, die als elpenbeen blonken bij het schijnsel van het
vuur.
»'t Is een afschuwelijk beest," zeide Eliëzer, wiens gedachten al maar
over dat woeste monster gingen.
»Het eet vuur!" mompelde de vreemde Kaffer, zelf huiverend.
»Vuur!" herhaalde Eliëzer vol ontzetting.
»Soms heeft het groote beest de koorts," zeide de vreemde Kaffer.
»Dat doet me plezier," meende Eliëzer in blanke oprechtheid.
»Weet je, wat de witmensch dan doet?" vraagde de Matabele.
»Hij zal het beest achterlaten," zeide Eliëzer aarzelend.
»Mis," antwoordde de vreemde Kaffer; »dan begiet hij de ingewanden van
het groote beest met vet en traan."
»'t Is een goed middel," liet de vreemde Kaffer er op volgen; »wij
Matabelen doen het ook."
De beide Kaffers strekten zich nu uit bij het krimpende vuur, om te
slapen, doch wijd uit de verte kwam opnieuw een plotseling, schel
gefluit.
»Hij schreeuwt weer!" riep Eliëzer verschrikt.
»Natuurlijk," zeide de vreemde Kaffer, »hij krijgt weer slaag!"
»Kunnen we hier geen kwaad?" vraagde Eliëzer vol bezorgdheid.
»Neen," antwoordde zijn reisgezel, »hij gaat altijd recht vooruit."
»Maar kan hij nooit een hoek omslaan?"
»Neen nooit," zeide de vreemde Kaffer, geruststellend, »evenmin als een
dol geworden os," en hij wierp zich slaapdronken op de andere zijde.
Maar Eliëzer kon niet slapen.
Hij zag nog altijd dien vreeselijken, vurigen salamander met dat lange,
veelledige lichaam, en toen hij eindelijk in slaap viel, vervolgde hem
het monster met zijn rossig fonkelende oogen tot in zijn droomen.
* * * * *
Eliëzer was niet zoo voorspoedig in het vinden van zijn jongen baas als
het meesterke.
Het had hem heel wat moeite gekost om de garnizoensplaats van Rhodes'
ruiterij te ontdekken, en toen hij aan de kazerne navraag deed naar
Frits Jansen, staarde men den Kaffer aan met verwonderde oogen, want de
ruiters waren uitgetrokken, en niemand der achtergeblevenen kon bescheid
geven.
Doch Eliëzer was niet voor één gat te vangen, en daar hij het adres wist
van den Boer, bij wien het meesterke huisonderwijzer was, lag het voor
de hand, dat zijn eerste werk zou zijn, dien Boer op te zoeken.
Maar in de eenzame vlakten van Rhodesia verdoolde Eliëzer, en na een
lange zwerftocht keerde de Zoeloekaffer bedroefd en terneergebogen naar
de garnizoensplaats terug. Doch te grooter was zijn blijde verrassing,
toen hij, bij het vallen van den avond, in den boomgaard van een
boerenwoning, waar hij nachtkwartier wilde vragen, den hem welbekenden
grauwen poney zag grazen.
Hij trad de woning binnen, en de eerste dien hij zag, was het meesterke,
die met groote vreugde den trouwen knecht van Oom Reinard begroette.
»En hoe maakt het mijn jongen baas?" vraagde Eliëzer aarzelend, waarop
het meesterke antwoordde: »Ik heb hem verleden week nog gesproken, en
morgen is hij waarschijnlijk van zijn militairen tocht terug. Ik ben van
plan, om hem morgen te gaan opzoeken--'t is hier dicht in de buurt--en
gij kunt mede gaan."
Eliëzer was met dit voorstel natuurlijk zeer ingenomen, doch toen het
meesterke verklaarde: »Frits is onschuldig aan den brand," toen werd de
Zoeloe zeer bedroefd, want hij wist zeker, dat zijn jonge meester de
brandstichter was. En een vreeselijke beklemming greep hem aan bij de
gedachte, dat hij, een verachte kafferknecht, den zoon van zijn ouden
baas tot schuldbekentenis zou moeten brengen.
Op verzoek van het meesterke vond de Zoeloe een onderdak in de schuur,
en den volgenden dag ging men bij het krieken van den dag op reis. Het
meesterke bereed zijn poney, en de kaffer liep er naast.
Het was voormiddag, toen men het doel van de reis had bereikt, en
terwijl de Kaffer zich had neergevleid in de schaduw van een forschen
eikenboom, ging het meesterke naar de kazerne, om den jongen Jansen op
te zoeken.
Frits was reeds eergisteravond teruggekeerd, en hij was recht in zijn
schik, dat hij in dit vreemde land weer een bekend gelaat voor zich had.
Doch toen het meesterke mededeelde, dat Eliëzer was gekomen, betrok zijn
gelaat evenals het blauwe gewelf, als er een zware donderwolk over heen
gaat.
»Ik kan hem niet zien!" barstte hij los.
»Hij is trouw en eerlijk," zeide het meesterke met zachte stem.
»Hij is een leugenaar en lasteraar!" riep Frits vol bitterheid.
»Spreek eens met hem," waagde het meesterke te zeggen.
»'t Is niet noodig!" zeide Frits uit de hoogte.
»Wilt ge u dan niet verzoenen met uw ouders?" vraagde het meesterke.
»Ja," antwoordde de jonge Boer hartstochtelijk, »dat weet ge ook wel!"
»Wel nu," meende het meesterke, »Eliëzer komt niet uit eigen
beweging--".
»Dat is glad genoeg," zeide Frits Jansen koeltjes.
»Hij komt als bode van uw moeder," vulde het meesterke aan.
»Ook van Vader?" vraagde de jonge Boer, den spreker scherp aanziende.
Het meesterke sloeg de oogen neer.
»Ik weet het niet," zeide hij langzaam, »maar uw vader heeft het toch in
elk geval goedgekeurd; anders was Eliëzer niet gekomen."
Frits Jansen keek het meesterke even aan. Hij had toch niet vermoed, dat
het meesterke in die zaken nog zooveel gezond verstand bezat.
»Ik begin al verstandig te redeneeren--vindt ge niet?" vraagde het
meesterke met een glimlach.
Frits moest er toch zelf om lachen.
»Gij zijt een aardig meesterke," zeide hij vriendelijk, hem op de smalle
schouders kloppend.
Doch zijn gelaat hernam eensklaps weer zijn ernstige plooi, toen hij
vraagde: »Blijft de Kaffer bij zijn beweren?"
»Ja," zeide het meesterke vol vreeze.
Er volgde een lange en ernstige pauze.
»Ga mee," smeekte het meesterke, en hij hief zijn zachte, weemoedige
oogen op tot den jongen Boer. »Ik weet, dat de oude Dirk Kloppers uw
ouders op de gedachte heeft gebracht, om Eliëzer hier heen te zenden."
»Is oom Dirk op Waterfontein geweest?" vraagde Frits vol spanning.
Het meesterke knikte bevestigend.
»En gelooft hij aan mijn schuld?" vraagde hij bijna fluisterend.
Het meesterke had reeds zooveel van Eliëzer gehoord, dat hij gerust neen
durfde antwoorden.
»Maar waarom moet ik dat verachtelijk schepsel toch spreken?" vraagde
Frits; »voelt ge dan niet, dat het voor mij een pijniging is?"
»Het is de eenige manier, om het vreeselijk misverstand uit den weg te
ruimen," zeide het meesterke.
Er was niets aan te doen; het zwakke meesterke won het dezen keer van
den krachtigen Boer, en al was het met lood in de schoenen, Frits Jansen
ging toch mee. Doch toen hij den eikenboom naderde en Eliëzer zag, bleef
hij staan.
»Ik kan niet," zeide hij, »ik kan niet," en hij wilde terugkeeren.
Doch Eliëzer had eveneens zijn jongen meester herkend en snelde naar hem
toe.
Hij naderde Frits Jansen tot op vijf passen; toen knielde hij neer, en
hief de zwarte armen smeekend omhoog.
De jonge Boer echter keerde het gelaat af en staarde naar den anderen
kant, van waar een ossenwagen hotsend naderde.
»Baas," smeekte de Zoeloe, »Baassie!"
»Zie hem aan!" smeekte het meesterke.
»Waarom?" vraagde Frits op ruwen toon.
»Omdat er in het allervolmaakste gebed staat: »Vergeef ons onze
schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren!""
»Ook leugenachtige Kaffers, die ons ongelukkig hebben gemaakt?" vraagde
Frits.
»Ja, ook die Kaffers," zeide het meesterke, en hij keek den jongen Boer
aan met zijn vriendelijke, weemoedige oogen.
Langzaam, maar met innerlijken afkeer wendde Frits het gelaat naar den
Kaffer. Toen hij echter het breede, diepe lidteeken zag, dat over den
geheelen linkerarm van den Zoeloe liep, begon de strakke, strenge plooi
in zijn gelaat allengs te ontspannen.
Want dat lidteeken sprak in zijn stomme taal een roerende geschiedenis,
en Frits Jansen kende die geschiedenis.
Op nieuw keek hij den Kaffer aan, doch Eliëzer greep de handen van zijn
meester en kuste ze.
»Om dat lidteeken," zeide Frits Jansen langzaam, op zijn linkerarm
wijzend, »om dat lidteeken wil ik luisteren naar hetgeen je te zeggen
hebt."
»Hoe lang is het geleden?" liet hij er op volgen.
Hij bedoelde den tijd, van wanneer dat lidteeken dagteekende.
»Het was om dezen tijd van het jaar, Baas, even voor nieuwjaar, nu
dertien jaar geleden."
Frits knikte.
Ja, 't zou wel dertien jaar geleden zijn.
Hij, Frits, kon het zich nog zoo levendig voorstellen.
Hij had juist een nieuw, blauw pakje aan, waarop hij niet weinig
trotsch was. Hij was Eliëzer nageloopen, die de beesten ging tellen, en
plotseling was een hongerige tijger op hem aangevallen. Er was niemand
in de nabijheid dan Eliëzer, en Eliëzer was op zijn hulpgeschrei
onmiddelijk toegeschoten met een lang mes in de hand, om den tijger te
bevechten. Hij, Frits, zag nòg het blinken van het lemmet--den door den
scherpen tijgerklauw opengescheurden Kafferarm--en toen dien forschen
stoot, waarbij het lange mes tot aan het heft in de borst van den tijger
verdween.
Hij, Frits, was toen begonnen te huilen, want het nieuwe, blauwe pakje
was leelijk bezoedeld geworden door het bloed, dat uit Eliëzers arm
gudste, en Eliëzer was ook bedroefd geworden en had geroepen: »Och, nu
is dat mooie pakje van Fritsje heelemaal bedorven!"
Dat was nu al dertien jaar geleden--waar blijft de tijd!
* * * * *
»Gij hebt aan mijn vader verklaard," zeide Frits, »dat ik Waterfontein
heb afgestookt."
»Ja," antwoordde de Kaffer, terwijl het hart hem tegen de zwarte ribben
sloeg.
»Hoe kondt ge er toe komen, om je jongen baas zoo gruwelijk te
belasteren?"
»Ik heb slechts naar mijn overtuiging gesproken," zeide de Kaffer op
zachten toon.
»Dus jij volhardt bij je beweren, dat ik de brandstichter ben?"
De Kaffer legde de handen uitgespreid op zijn bonzend hart.
»Ja Baas," fluisterde hij.
»Gij hebt mij gezien?"
De Kaffer knikte bevestigend.
»Ik heb een vuurhoutje aangestoken?"
»Ja Baas."
»Is het niet merkwaardig?" zeide Frits tot het meesterke met nieuw
opkomende bitterheid; »ik heb den ganschen dag geen vuurhoutje in mijn
zak gehad!"
Doch zijn bitterheid verdween weer, toen hij staarde in het trouw en
eerlijk gelaat van den Zoeloe.
»Hoe laat heb ik Waterfontein afgestookt?"
»Om tien uur misschien, Baas."
»En om _vijf_ uur was ik reeds van Williams vertrokken, en om _tien_ uur
was ik zes en dertig mijlen van Waterfontein verwijderd!"
Uit de breede borst van den Kaffer kwam iets als een dof, smartelijk
gekreun--wie kon dit vreeselijk raadsel ontwarren?
»Ik zag uw witte jas, Baas--uw bruinen hoed--zelfs de hanenveer op uw
hoed kon ik onderscheiden--"
»_Wat?_" schreeuwde Frits Jansen.
Hij greep den Kaffer bij den schouder en schudde hem in
onbeschrijfelijke opwinding: »Wat--wat? Gij hebt mijn witte jas gezien,
mijn bruinen hoed, zelfs de hanenveer op mijn hoed?"
»Ja," bevestigde de Zoeloe met een vaag voorgevoel, dat het raadsel
thans op het punt stond, ontward te worden, doch tevens vol angst en
vreeze, dat hij een vreeselijken misslag had begaan.
»En als ik je dan vertel, Kaffer, dat ik op dien avond geen witte jas
aan had en geen bruinen hoed op had; als ik je dan vertel, dat ik bij de
familie Williams op Jack's aanhouden onmiddellijk de Rhodesia-uniform
heb aangetrokken, en mijn gewone kleeding bij de familie Williams
achterliet, wat zeg je dan?"
Eliëzer was bij deze onthulling zichzelve niet, doch over het bleeke
gelaat van het meesterke gleed de weerschijn eener groote vreugde.
»Nu komt alles terecht," juichte hij, »nu komt alles terecht!"
De Zoeloe echter greep een zwaren stok, omklemde de knieën van zijn
jongen meester en riep: »Sla mij, Baas, sla mij dood, maar vergeef het
mij!"
Doch Frits Jansen greep den stok en slingerde hem ver weg, en terwijl
blijdschap en diepe ontroering zich weerspiegelden op zijn edel gelaat,
riep hij: »Zoo waarachtig als ik leef, ik zal u niet slaan, want de
rechtvaardige en barmhartige God heeft voor mij dit moeilijk raadsel
opgelost! En dat gij misleid zijt geworden, is me thans geen raadsel
meer--op die manier zou ik zelf misleid zijn geworden!"
Doch een vreeselijke verdenking vatte post in zijn ziel.
»Als het waar is...." zeide hij tot zich zelve, »als het waar is...."
Peinzend staarde hij naar de verte.
»Weet ge soms, wanneer Jack Williams is vertrokken naar Rhodesia: _voor_
of _na_ den brand?"
»_Na_ den brand," antwoordde Eliëzer op stelligen toon, »want ik heb hem
den volgenden morgen nog gezien."
De jonge Boer zeide niets, maar hij dacht er over na, dat de brief aan
zijn ouders, meegegeven met Jack, zijn bestemming evenmin had bereikt
als de brief van zijn moeder aan hem, en terwijl Jack beweerde, _voor_
den brand vertrokken te zijn, had Eliëzer hem _na_ den brand nog in de
buurt gezien.
»Komt beiden mee," zeide Frits Jansen kortaf.
Het drietal begaf zich naar de kazerne.
»Frits, houd je kalm!" waarschuwde het meesterke.
»Laat dat maar aan mij over," zeide Frits bedaard.
Bij de poort der kazerne stonden Jack en eenige andere vrijwilligers
zich--kinderachtig genoeg!--onledig te houden met zeepbellen te maken.
»Kijk, hoe Jack's hand begint te beven," zeide Dick.
»Je vergist je," zeide Jack, en hield de pijp omhoog.
Inderdaad was zijn hand weer vast.
Ons drietal was nu de groep genaderd, en Frits Jansen zeide, zich
tot Jack Williams wendend, op bedaarden, langzamen toon, terwijl een
grenzenlooze verachting uit zijn stem en gebaren sprak: »Ik beschuldig
je, Jack Williams, dat gij het huis van mijn ouders met moedwil hebt
afgestookt, en dat gij, om op mij de verdenking te brengen, mijn kleeren
aantrokt, toen gij de afschuwelijke daad volbracht. Ik geef je de
getuigenis, Jack Williams, dat gij het satansch sluw hebt overlegd, en
ik verklaar je tevens--in het bijzijn van al wie het hooren wil--voor
een eerloozen schurk!"
En met deze woorden keerde Frits Jansen zich om, en het drietal verliet
het kazerneplein.
Dick echter zeide tot Jack: »Kerel, je ziet er uit, alsof je een
beroerte zult krijgen!"
En John riep, aan Jack den rug toekeerend en verachtelijk tegen den
grond spuwend: »'t Is ook geen wonder!"