HOOFDSTUK XXV.

De reis van Eliëzer naar Rhodesia was door een ongesteldheid vertraagd

geworden, doch thans aanvaardde hij den tocht.

Reinard Jansen verkeerde in de vaste overtuiging, dat het een

vergeefsche poging was, om Frits van een blaam te zuiveren, die niet te

zuiveren was, en Eliëzer begreep, dat zijn taak zwaarder was dan het

vechten tegen wilde dieren.

De oogen echter van tante Martje straalden vol hoop, moed en vertrouwen.

Hadden de laatste woorden van den schranderen baas van Vredenoord den

grond gelegd tot dit anders zoo onverklaarbaar vertrouwen?

Aan niemand dan aan haar man had tante Martje die laatste woorden

medegedeeld, doch hij had ongeloovig het hoofd geschud.

* * * * *

Paard noch wagen had de snelvoetige Zoeloe-kaffer noodig, en terwijl hij

vroeg in den morgen, bij het blinken der morgenster, zijn dagreis begon;

des middags als de zonnestralen al te fel op zijn kroeskop brandden, de

schaduw opzocht van een boom of struik, liep hij tot de duisternis viel,

zocht dan een heuvel op, waar hij een klein vuur ontstak, en strekte de

moede leden uit om te slapen.

Den eersten dag ontmoette hij een reismakker in een Matabele-kaffer,

die evenals Eliëzer naar Rhodesia trok, en zij hadden geen bizondere

ontmoetingen op hun reis dan den tweeden nacht.

Zij waren midden in het veld. Het was een donkere nacht, en zware wolken

dreven langs het zwerk.

Zijn kameraad lag reeds lang te snurken, doch Eliëzer zat nog bij het

wachtvuur neergehurkt, en staarde droomerig in de vlammen.

Plotseling werd hij uit zijn mijmeringen opgeschrikt door een lang,

aanhoudend gerommel als van verren donder. Doch er was geen onweer te

bespeuren, en geen weerlicht werd gezien.

Het geluid werd al sterker--de slapende kaffer werd er van wakker en

wreef zich verbaasd de oogen.

Maar Eliëzer sprong op, want hij zag thans een zwart monster windsnel

naderen in vuur en rook, en de oogen van het monster fonkelden als van

een reusachtig roofdier.

Eliëzer was niet bang, doch bij deze verschijning rezen hem de haren

van schrik omhoog, en hij wierp zich plat op den buik achter een

doornstruik, rillend bij de gedachte, dat het vreeselijk monster hem zou

verslinden met zijn breeden muil.

Doch de Matabele bleef staan, en toen het monster een schel gefluit liet

hooren, riep hij: »Kom maar, Eliëzer; het is het groote beest van den

witmensch[14], dat daar voorbij holt--hebt gij zijn geschreeuw niet

gehoord?"

[14] Blanke.

Eliëzer kroop nu van achter den doornstruik weg, want het zwarte monster

verdween even snel als het gekomen was, en het schel gefluit was

verstomd.

»Waarom schreeuwt dat leelijke ding zoo?" vraagde Eliëzer langzaam

bekomend van de schrik.

»Wel, het groote beest krijgt dikwijls slaag van den witmensch, en dan

schreeuwt het luid van woede," antwoordde de Matabele.

Met diep ontzag staarde Eliëzer tot zijn reisgezel op, die zooveel wist,

en hij vraagde vol belangstelling: »Hebt gij dat groote beest wel eens

van dichtbij gezien?"

»Ja," antwoordde de vreemde kaffer niet zonder trots; »ik heb de hand

wel eens op zijn buik gelegd."

»Op zijn buik!" riep Eliëzer met verbazing; »hoe durft ge 't wagen!"

Liever had de Zoeloe zijn harden kop gestoken in den opengesperden muil

van een grimmigen leeuw dan de hand te leggen op den buik van dat

razende monster.

»Waar komt het van daan?" vraagde hij, nadat beide Kaffers waren

neergehurkt bij het flikkerende vuur.

De vreemde Kaffer trok de schouders op.

»Het komt ergens van daan," zeide hij langzaam, »doch niemand weet van

waar. Zelfs de witmensch weet het niet."

Van het monster was nu geen spoor meer te ontdekken. Zelfs het gedreun

was verdwenen, en Eliëzer haalde ruim adem.

»'t Was goed, dat gij bij mij waart," zeide hij vriendelijk tot den

reismakker; »hier hebt ge een stuk tabak!"

De vreemde Kaffer nam het stuk tabak gretig aan, en knauwde het tusschen

zijn witte tanden, die als elpenbeen blonken bij het schijnsel van het

vuur.

»'t Is een afschuwelijk beest," zeide Eliëzer, wiens gedachten al maar

over dat woeste monster gingen.

»Het eet vuur!" mompelde de vreemde Kaffer, zelf huiverend.

»Vuur!" herhaalde Eliëzer vol ontzetting.

»Soms heeft het groote beest de koorts," zeide de vreemde Kaffer.

»Dat doet me plezier," meende Eliëzer in blanke oprechtheid.

»Weet je, wat de witmensch dan doet?" vraagde de Matabele.

»Hij zal het beest achterlaten," zeide Eliëzer aarzelend.

»Mis," antwoordde de vreemde Kaffer; »dan begiet hij de ingewanden van

het groote beest met vet en traan."

»'t Is een goed middel," liet de vreemde Kaffer er op volgen; »wij

Matabelen doen het ook."

De beide Kaffers strekten zich nu uit bij het krimpende vuur, om te

slapen, doch wijd uit de verte kwam opnieuw een plotseling, schel

gefluit.

»Hij schreeuwt weer!" riep Eliëzer verschrikt.

»Natuurlijk," zeide de vreemde Kaffer, »hij krijgt weer slaag!"

»Kunnen we hier geen kwaad?" vraagde Eliëzer vol bezorgdheid.

»Neen," antwoordde zijn reisgezel, »hij gaat altijd recht vooruit."

»Maar kan hij nooit een hoek omslaan?"

»Neen nooit," zeide de vreemde Kaffer, geruststellend, »evenmin als een

dol geworden os," en hij wierp zich slaapdronken op de andere zijde.

Maar Eliëzer kon niet slapen.

Hij zag nog altijd dien vreeselijken, vurigen salamander met dat lange,

veelledige lichaam, en toen hij eindelijk in slaap viel, vervolgde hem

het monster met zijn rossig fonkelende oogen tot in zijn droomen.

* * * * *

Eliëzer was niet zoo voorspoedig in het vinden van zijn jongen baas als

het meesterke.

Het had hem heel wat moeite gekost om de garnizoensplaats van Rhodes'

ruiterij te ontdekken, en toen hij aan de kazerne navraag deed naar

Frits Jansen, staarde men den Kaffer aan met verwonderde oogen, want de

ruiters waren uitgetrokken, en niemand der achtergeblevenen kon bescheid

geven.

Doch Eliëzer was niet voor één gat te vangen, en daar hij het adres wist

van den Boer, bij wien het meesterke huisonderwijzer was, lag het voor

de hand, dat zijn eerste werk zou zijn, dien Boer op te zoeken.

Maar in de eenzame vlakten van Rhodesia verdoolde Eliëzer, en na een

lange zwerftocht keerde de Zoeloekaffer bedroefd en terneergebogen naar

de garnizoensplaats terug. Doch te grooter was zijn blijde verrassing,

toen hij, bij het vallen van den avond, in den boomgaard van een

boerenwoning, waar hij nachtkwartier wilde vragen, den hem welbekenden

grauwen poney zag grazen.

Hij trad de woning binnen, en de eerste dien hij zag, was het meesterke,

die met groote vreugde den trouwen knecht van Oom Reinard begroette.

»En hoe maakt het mijn jongen baas?" vraagde Eliëzer aarzelend, waarop

het meesterke antwoordde: »Ik heb hem verleden week nog gesproken, en

morgen is hij waarschijnlijk van zijn militairen tocht terug. Ik ben van

plan, om hem morgen te gaan opzoeken--'t is hier dicht in de buurt--en

gij kunt mede gaan."

Eliëzer was met dit voorstel natuurlijk zeer ingenomen, doch toen het

meesterke verklaarde: »Frits is onschuldig aan den brand," toen werd de

Zoeloe zeer bedroefd, want hij wist zeker, dat zijn jonge meester de

brandstichter was. En een vreeselijke beklemming greep hem aan bij de

gedachte, dat hij, een verachte kafferknecht, den zoon van zijn ouden

baas tot schuldbekentenis zou moeten brengen.

Op verzoek van het meesterke vond de Zoeloe een onderdak in de schuur,

en den volgenden dag ging men bij het krieken van den dag op reis. Het

meesterke bereed zijn poney, en de kaffer liep er naast.

Het was voormiddag, toen men het doel van de reis had bereikt, en

terwijl de Kaffer zich had neergevleid in de schaduw van een forschen

eikenboom, ging het meesterke naar de kazerne, om den jongen Jansen op

te zoeken.

Frits was reeds eergisteravond teruggekeerd, en hij was recht in zijn

schik, dat hij in dit vreemde land weer een bekend gelaat voor zich had.

Doch toen het meesterke mededeelde, dat Eliëzer was gekomen, betrok zijn

gelaat evenals het blauwe gewelf, als er een zware donderwolk over heen

gaat.

»Ik kan hem niet zien!" barstte hij los.

»Hij is trouw en eerlijk," zeide het meesterke met zachte stem.

»Hij is een leugenaar en lasteraar!" riep Frits vol bitterheid.

»Spreek eens met hem," waagde het meesterke te zeggen.

»'t Is niet noodig!" zeide Frits uit de hoogte.

»Wilt ge u dan niet verzoenen met uw ouders?" vraagde het meesterke.

»Ja," antwoordde de jonge Boer hartstochtelijk, »dat weet ge ook wel!"

»Wel nu," meende het meesterke, »Eliëzer komt niet uit eigen

beweging--".

»Dat is glad genoeg," zeide Frits Jansen koeltjes.

»Hij komt als bode van uw moeder," vulde het meesterke aan.

»Ook van Vader?" vraagde de jonge Boer, den spreker scherp aanziende.

Het meesterke sloeg de oogen neer.

»Ik weet het niet," zeide hij langzaam, »maar uw vader heeft het toch in

elk geval goedgekeurd; anders was Eliëzer niet gekomen."

Frits Jansen keek het meesterke even aan. Hij had toch niet vermoed, dat

het meesterke in die zaken nog zooveel gezond verstand bezat.

»Ik begin al verstandig te redeneeren--vindt ge niet?" vraagde het

meesterke met een glimlach.

Frits moest er toch zelf om lachen.

»Gij zijt een aardig meesterke," zeide hij vriendelijk, hem op de smalle

schouders kloppend.

Doch zijn gelaat hernam eensklaps weer zijn ernstige plooi, toen hij

vraagde: »Blijft de Kaffer bij zijn beweren?"

»Ja," zeide het meesterke vol vreeze.

Er volgde een lange en ernstige pauze.

»Ga mee," smeekte het meesterke, en hij hief zijn zachte, weemoedige

oogen op tot den jongen Boer. »Ik weet, dat de oude Dirk Kloppers uw

ouders op de gedachte heeft gebracht, om Eliëzer hier heen te zenden."

»Is oom Dirk op Waterfontein geweest?" vraagde Frits vol spanning.

Het meesterke knikte bevestigend.

»En gelooft hij aan mijn schuld?" vraagde hij bijna fluisterend.

Het meesterke had reeds zooveel van Eliëzer gehoord, dat hij gerust neen

durfde antwoorden.

»Maar waarom moet ik dat verachtelijk schepsel toch spreken?" vraagde

Frits; »voelt ge dan niet, dat het voor mij een pijniging is?"

»Het is de eenige manier, om het vreeselijk misverstand uit den weg te

ruimen," zeide het meesterke.

Er was niets aan te doen; het zwakke meesterke won het dezen keer van

den krachtigen Boer, en al was het met lood in de schoenen, Frits Jansen

ging toch mee. Doch toen hij den eikenboom naderde en Eliëzer zag, bleef

hij staan.

»Ik kan niet," zeide hij, »ik kan niet," en hij wilde terugkeeren.

Doch Eliëzer had eveneens zijn jongen meester herkend en snelde naar hem

toe.

Hij naderde Frits Jansen tot op vijf passen; toen knielde hij neer, en

hief de zwarte armen smeekend omhoog.

De jonge Boer echter keerde het gelaat af en staarde naar den anderen

kant, van waar een ossenwagen hotsend naderde.

»Baas," smeekte de Zoeloe, »Baassie!"

»Zie hem aan!" smeekte het meesterke.

»Waarom?" vraagde Frits op ruwen toon.

»Omdat er in het allervolmaakste gebed staat: »Vergeef ons onze

schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren!""

»Ook leugenachtige Kaffers, die ons ongelukkig hebben gemaakt?" vraagde

Frits.

»Ja, ook die Kaffers," zeide het meesterke, en hij keek den jongen Boer

aan met zijn vriendelijke, weemoedige oogen.

Langzaam, maar met innerlijken afkeer wendde Frits het gelaat naar den

Kaffer. Toen hij echter het breede, diepe lidteeken zag, dat over den

geheelen linkerarm van den Zoeloe liep, begon de strakke, strenge plooi

in zijn gelaat allengs te ontspannen.

Want dat lidteeken sprak in zijn stomme taal een roerende geschiedenis,

en Frits Jansen kende die geschiedenis.

Op nieuw keek hij den Kaffer aan, doch Eliëzer greep de handen van zijn

meester en kuste ze.

»Om dat lidteeken," zeide Frits Jansen langzaam, op zijn linkerarm

wijzend, »om dat lidteeken wil ik luisteren naar hetgeen je te zeggen

hebt."

»Hoe lang is het geleden?" liet hij er op volgen.

Hij bedoelde den tijd, van wanneer dat lidteeken dagteekende.

»Het was om dezen tijd van het jaar, Baas, even voor nieuwjaar, nu

dertien jaar geleden."

Frits knikte.

Ja, 't zou wel dertien jaar geleden zijn.

Hij, Frits, kon het zich nog zoo levendig voorstellen.

Hij had juist een nieuw, blauw pakje aan, waarop hij niet weinig

trotsch was. Hij was Eliëzer nageloopen, die de beesten ging tellen, en

plotseling was een hongerige tijger op hem aangevallen. Er was niemand

in de nabijheid dan Eliëzer, en Eliëzer was op zijn hulpgeschrei

onmiddelijk toegeschoten met een lang mes in de hand, om den tijger te

bevechten. Hij, Frits, zag nòg het blinken van het lemmet--den door den

scherpen tijgerklauw opengescheurden Kafferarm--en toen dien forschen

stoot, waarbij het lange mes tot aan het heft in de borst van den tijger

verdween.

Hij, Frits, was toen begonnen te huilen, want het nieuwe, blauwe pakje

was leelijk bezoedeld geworden door het bloed, dat uit Eliëzers arm

gudste, en Eliëzer was ook bedroefd geworden en had geroepen: »Och, nu

is dat mooie pakje van Fritsje heelemaal bedorven!"

Dat was nu al dertien jaar geleden--waar blijft de tijd!

* * * * *

»Gij hebt aan mijn vader verklaard," zeide Frits, »dat ik Waterfontein

heb afgestookt."

»Ja," antwoordde de Kaffer, terwijl het hart hem tegen de zwarte ribben

sloeg.

»Hoe kondt ge er toe komen, om je jongen baas zoo gruwelijk te

belasteren?"

»Ik heb slechts naar mijn overtuiging gesproken," zeide de Kaffer op

zachten toon.

»Dus jij volhardt bij je beweren, dat ik de brandstichter ben?"

De Kaffer legde de handen uitgespreid op zijn bonzend hart.

»Ja Baas," fluisterde hij.

»Gij hebt mij gezien?"

De Kaffer knikte bevestigend.

»Ik heb een vuurhoutje aangestoken?"

»Ja Baas."

»Is het niet merkwaardig?" zeide Frits tot het meesterke met nieuw

opkomende bitterheid; »ik heb den ganschen dag geen vuurhoutje in mijn

zak gehad!"

Doch zijn bitterheid verdween weer, toen hij staarde in het trouw en

eerlijk gelaat van den Zoeloe.

»Hoe laat heb ik Waterfontein afgestookt?"

»Om tien uur misschien, Baas."

»En om _vijf_ uur was ik reeds van Williams vertrokken, en om _tien_ uur

was ik zes en dertig mijlen van Waterfontein verwijderd!"

Uit de breede borst van den Kaffer kwam iets als een dof, smartelijk

gekreun--wie kon dit vreeselijk raadsel ontwarren?

»Ik zag uw witte jas, Baas--uw bruinen hoed--zelfs de hanenveer op uw

hoed kon ik onderscheiden--"

»_Wat?_" schreeuwde Frits Jansen.

Hij greep den Kaffer bij den schouder en schudde hem in

onbeschrijfelijke opwinding: »Wat--wat? Gij hebt mijn witte jas gezien,

mijn bruinen hoed, zelfs de hanenveer op mijn hoed?"

»Ja," bevestigde de Zoeloe met een vaag voorgevoel, dat het raadsel

thans op het punt stond, ontward te worden, doch tevens vol angst en

vreeze, dat hij een vreeselijken misslag had begaan.

»En als ik je dan vertel, Kaffer, dat ik op dien avond geen witte jas

aan had en geen bruinen hoed op had; als ik je dan vertel, dat ik bij de

familie Williams op Jack's aanhouden onmiddellijk de Rhodesia-uniform

heb aangetrokken, en mijn gewone kleeding bij de familie Williams

achterliet, wat zeg je dan?"

Eliëzer was bij deze onthulling zichzelve niet, doch over het bleeke

gelaat van het meesterke gleed de weerschijn eener groote vreugde.

»Nu komt alles terecht," juichte hij, »nu komt alles terecht!"

De Zoeloe echter greep een zwaren stok, omklemde de knieën van zijn

jongen meester en riep: »Sla mij, Baas, sla mij dood, maar vergeef het

mij!"

Doch Frits Jansen greep den stok en slingerde hem ver weg, en terwijl

blijdschap en diepe ontroering zich weerspiegelden op zijn edel gelaat,

riep hij: »Zoo waarachtig als ik leef, ik zal u niet slaan, want de

rechtvaardige en barmhartige God heeft voor mij dit moeilijk raadsel

opgelost! En dat gij misleid zijt geworden, is me thans geen raadsel

meer--op die manier zou ik zelf misleid zijn geworden!"

Doch een vreeselijke verdenking vatte post in zijn ziel.

»Als het waar is...." zeide hij tot zich zelve, »als het waar is...."

Peinzend staarde hij naar de verte.

»Weet ge soms, wanneer Jack Williams is vertrokken naar Rhodesia: _voor_

of _na_ den brand?"

»_Na_ den brand," antwoordde Eliëzer op stelligen toon, »want ik heb hem

den volgenden morgen nog gezien."

De jonge Boer zeide niets, maar hij dacht er over na, dat de brief aan

zijn ouders, meegegeven met Jack, zijn bestemming evenmin had bereikt

als de brief van zijn moeder aan hem, en terwijl Jack beweerde, _voor_

den brand vertrokken te zijn, had Eliëzer hem _na_ den brand nog in de

buurt gezien.

»Komt beiden mee," zeide Frits Jansen kortaf.

Het drietal begaf zich naar de kazerne.

»Frits, houd je kalm!" waarschuwde het meesterke.

»Laat dat maar aan mij over," zeide Frits bedaard.

Bij de poort der kazerne stonden Jack en eenige andere vrijwilligers

zich--kinderachtig genoeg!--onledig te houden met zeepbellen te maken.

»Kijk, hoe Jack's hand begint te beven," zeide Dick.

»Je vergist je," zeide Jack, en hield de pijp omhoog.

Inderdaad was zijn hand weer vast.

Ons drietal was nu de groep genaderd, en Frits Jansen zeide, zich

tot Jack Williams wendend, op bedaarden, langzamen toon, terwijl een

grenzenlooze verachting uit zijn stem en gebaren sprak: »Ik beschuldig

je, Jack Williams, dat gij het huis van mijn ouders met moedwil hebt

afgestookt, en dat gij, om op mij de verdenking te brengen, mijn kleeren

aantrokt, toen gij de afschuwelijke daad volbracht. Ik geef je de

getuigenis, Jack Williams, dat gij het satansch sluw hebt overlegd, en

ik verklaar je tevens--in het bijzijn van al wie het hooren wil--voor

een eerloozen schurk!"

En met deze woorden keerde Frits Jansen zich om, en het drietal verliet

het kazerneplein.

Dick echter zeide tot Jack: »Kerel, je ziet er uit, alsof je een

beroerte zult krijgen!"

En John riep, aan Jack den rug toekeerend en verachtelijk tegen den

grond spuwend: »'t Is ook geen wonder!"

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 34 / 53 题