»Neen, neen!" klonk het van verschillende zijden.
»Zullen wij, vrije mannen, ons laten ringelooren en tyranniseeren door
de Boeren?"
»Weg met hen!" werd er geroepen.
»Wat zijn de Boeren anders dan een troep veehoeders, wier hoogste
beschaving bestaat in een zweep, een os en een stuk spek?" ging de
voorzitter voort.
Men schaterlachte.
»Maar wij willen door deze veehoeders, die misschien wel eenige
bekwaamheid bezitten, om de Kaffers af te ranselen, niet uitgeplunderd
en uitgezogen worden. Wij zijn de vrije zonen van Oud-Engeland en willen
geen slavenjuk; wij zijn de kinderen van een volk, welks liederen
klinken en ruischen over de baren en golven van alle zeeën en oceanen,
en wij laten ons niet tyranniseeren, zoo lang het lied nog waarheid is:
»Beheersch, Brittanje, d' oceaan!
Geen Brit laat zich in boeien slaan!""
En aan een plotselinge opwelling gevolg gevend, stonden al de aanwezigen
op, ontblootten het hoofd, en luid en krachtig, met gloed en geestdrift,
weerklonk het Engelsche volkslied:
»Toen Brittenland op 't Goddelijk Woord,
Oprees uit der zeeën schoot,
Zou dit zijn wet, zijn handvest zijn.
En englen zongen dit refrein:
Beheersch, Brittanje, d' oceaan!
Geen Brit laat zich in boeien slaan!"
»En nu, mijne heeren," zeide de voorzitter van den lessenaar
terugtredend, »verwacht ik uwe voorstellen."
Charles Marling zat op heete kolen, en met verbazing had hij naar de
prikkelende, neen naar de opruiende taal van den voorzitter geluisterd.
Was _dit_ nu de goede weg om tot een bevredigende schikking te komen?
Moesten de hartstochten van het publiek _daartoe_ worden opgezweept?
Maar hij beheerschte zich en zweeg voorloopig.
»Ik stel voor," zeide een kleine man met een bezadigd en verstandig
uiterlijk, »een commissie te benoemen, die volmacht heeft om met de
regeering te onderhandelen. Dit is de manier, om langs vredelievenden
weg tot een schikking te komen."
Er was een zwak applaus; de meesten zwegen.
Een krachtig gebouwd man, met forsche gelaatstrekken en een zwarten
baard, nam thans het woord.
Hij hield de handen in den zak en zeide doodbedaard:
»Wat de vorige spreker voorstelt, is onzin. De Transvaalsche regeering
lacht om onze commissies. Ik stel voor, om met tweeduizend resolute
kerels morgen op te trekken naar Pretoria, Paul Kruger gevangen te nemen
en de Engelsche vlag te planten op het gouvernementsgebouw. De zaak is
zoo eenvoudig mogelijk. Maar wij moeten snel en flink handelen; we
moeten de regeering overrompelen!"
»Mijnheer de Voorzitter, ik wensch toch ook wel eens het woord!" riep
Marling.
»Mijnheer Marling heeft het woord," zeide de Voorzitter.
»Ik sluit mij in zooverre aan bij het voorstel van den eersten
spreker, dat ik eveneens een commissie wensch benoemd te zien, die onze
rechtmatige eischen bepleit bij de Regeering. Een oud spreekwoord zegt:
»Een goed woord vindt een goede plaats." Tegelijk echter wensch ik
nadrukkelijk protest aan te teekenen tegen de wijze, waarop onze geachte
Voorzitter gemeend heeft, de Boeren aan de kaak te moeten stellen,
en eveneens tegen de ongerechtvaardigde daad van geweld, die in het
voorstel van den tweeden spreker ligt opgesloten."
De zwartgebaarde trok minachtend de schouders op; uit de groep der
millionairs kwam gesis en geschuifel.
»Ik spreek de verwachting uit," zeide de Voorzitter, »dat de geachte
vergadering de woorden van den heer Marling niet al te euvel zal
opnemen, want hij is door de innigste banden aan de Boeren verbonden.
En 't is nog geen drie weken geleden, dat de grootvader van zijne
vrouw, een oude Transvaalsche ijzervreter, eenige dagen bij hem heeft
doorgebracht."
Het gesis en gefluit werd sterker.
»Smijt hem er uit," riep een stem uit de achterzaal.
»Mijnheer Wall is aan het woord," zeide de Voorzitter, op het magere
heerschap met den langen snor en de blauwe bril wijzend, die wij reeds
in het gezelschap van den heer Watkins hebben ontmoet.
Doch de heer Wall scheen niet gewoon, in het openbaar op te treden, en
het platform betredend, bekroop hem de vrees.
Hij schrapte de keel, wreef zijn blauwe bril en schrapte opnieuw de
keel.
»Mijne heeren," begon hij met onvaste, beverige stem, »het is mijne
meening, ik wil zeggen mijne bewering, dat wij niet moeten weifelen,
evenmin als de leeuwen--"
»Je ziet er nogal leeuwerig uit," riep de spottende stem van den langen
Amerikaan.
»--noch wankelen," voegde de heer Wall er aan toe.
Weer schrapte hij de keel en onder het kruisvuur van dertienhonderd
onbarmhartige oogen brak hem het klamme angstzweet uit.
»Wij moeten niet wankelen, mijne heeren; wij moeten
vaststaan--vast--vast als--"
»Als de muren van Jericho!" riep de inspecteur bemoedigend.
»Ja--ja als de muren van Jericho--" huilde de ongelukkige onder het
brullend gelach van het publiek.
»Mijnheer de Voorzitter," stamelde de blauwe bril, »ik dank u," en hij
stapte van het platform met den stillen wensch, dat Johannesburg op dit
oogenblik aan zijn vier hoeken tegelijk in brand mocht vliegen.
Nu stond eene kleine vent op met een vrijpostigen blik en een
borsteligen baard.
»Schoenpik, houd je bij je leest!" riep de inspecteur.
»Ik geloof, dat ik een geboren Engelschman, hier even goed mag spreken
als een Amerikaansche Yankee," zeide de eerzame schoenmaker, die niet op
zijn mondje was gevallen.
De Voorzitter knikte bevestigend.
»Boem!" zeide de lange Amerikaan.
»Ik wensch u dan te vragen, mijnheer de Voorzitter," zeide de
schoenmaker, »of wij wapens hebben, om Johannesburg te verdedigen en
Pretoria in te nemen?"
»In overvloed!" verklaarde de Voorzitter.
»Van wien komen die wapens?" riep een stem uit het midden der zaal.
»Van de Boerenregeering niet!" lachte de Voorzitter, en drie vierde
gedeelte van het publiek lachte mede.
»Zijn de wapens soms binnengesmokkeld!" vraagde diezelfde stem.
»Wilt ge 't zoo noemen--mij is 't goed," zeide de Voorzitter. »De
hoofdzaak is, dat wij ze _hebben_," liet hij er op volgen onder
krachtigen bijval.
De Voorzitter sprak de waarheid: men had de wapens.
Op sluwe manier waren zij Johannesburg binnengesmokkeld. Men had groote
kisten genomen, ze gemerkt met »Voorzichtig!" »Glas!" »Breekbare waren!"
»Droog houden!" of met soortgelijke opschriften, doch de kisten waren
gevuld met wapens. Men had de wapens zelfs binnengesmokkeld onder cokes,
in stoomketels; ja, op den bodem van tanks of oliewagens waren kisten
ammunitie met cement zoo vastgemetseld, dat men ze slechts met behulp
van bijtels kon losbreken, terwijl de geweren omwikkeld met vlas
en hennep, stijf tegen den standpijp waren bevestigd. In elf dezer
tanks of oliewagens waren een kleine 2000 geweren en 250.000 patronen
binnengesmokkeld, alles natuurlijk tegen grof geld, doch dat hinderde
niet, want de bezitters der goudmijnen waren er goed voor.
»De _wapens_ hebben wij," riep de Voorzitter met klem, »maar hebben wij
ook de _vuisten_, die ze hanteeren kunnen?"
Honderden handen gingen vol geestdrift omhoog.
»En _ik_ zal tachtig Kaffers wapenen," riep één der goudkoningen.
»En _ik_ honderd en twintig!" riep een ander.
»Wat?" riep Marling vol verontwaardiging: »Mijnheer de Voorzitter ik
verzoek het woord!"
»Gij zijt nog niet aan het woord!"
»Goed, ik zal wachten!"
Nog twee personen traden op en bepleitten de revolutie.
Na hen verkreeg Marling het woord.
»Ik herinner er de geachte vergadering aan," zeide de waardige
Voorzitter, »dat de heer Marling de schoonzoon is van een zeer
invloedrijken Boer."
»Mijnheer de Voorzitter," zeide Marling, »ik dank u beleefd voor deze
tweede herinnering, die zeer zeker is uitgesproken met de bedoeling, om
daardoor het groote offer aan te duiden, dat ik bracht, toen ik mij liet
inschrijven als lid der Engelsche Vereeniging."
De zet was raak; de onvervaarde Voorzitter voelde hem toch.
»Voorts," zeide Marling, »wensch ik deze vergadering zeer ernstig te
waarschuwen, om niet den weg op te gaan van het geweld, want hier zou
het woord van toepassing kunnen zijn: »Die het zwaard opnemen, zullen
door het zwaard vergaan!" Trouwens het is niet noodig, en ik heb reeds
den weg aangewezen, dien ik verkieselijker acht. Hij is misschien iets
langer dat het pad der revolutie, maar hij is minder vreeselijk, en ge
zult er geen bloedsporen vinden. Ook twijfel ik er niet aan, dat wij
door eendrachtig vol te houden den dam zullen breken, die ons scheidt
van het kiesrecht. Overigens druk ik er mijn verachting over uit--neen,
mijne heeren, ge behoeft zoo'n misbaar niet te maken--_mijn verachting
en mijn afschuw_, zeg ik, dat menschen, die zich vrije zonen van
Oud-Engeland noemen, het niet beneden zich achten, om kleurlingen,
Kaffers te wapenen tegen onze Regeering. En wil men dezen weg op, dan
breek ik met deze Vereeniging, en zal ik de Regeering verwittigen van
deze handelwijze,--die _hoogverraad_ is!"
Marling had de laatste woorden met klimmenden nadruk, vol edelen toorn
gesproken, en hij keek de menigte aan met moedigen blik.
Een oogenblik was het stil; toen barstten de verwenschingen en de wilde
kreten van afkeuring los.
»Slaat hem op zijn gezicht! 't Is een verrader!" brulde het fijne
publiek.
»Ja, verraders zijn hier bij de vleet!" riep hij vol bitterheid,
»verraders van het recht!"
»Als Cecil Rhodes president is der Transvaalsche Republiek," zeide een
der goudkoningen, »dan jagen wij dezen dweeper met zijn Boeren de
wildernis in!"
Nog eenmaal trachtte Marling het publiek tot bezinning te brengen.
»Het is toch om het kiesrecht te doen?" vraagde hij.
»Wij willen _baas_ zijn," riep een millionair met brutale oprechtheid,
»die dwaas meent, dat de Boeren ons met eenige concessies kunnen zoet
houden!"
»Verrader!" begon men weer te brullen, »verrader!"
Doch thans vlamde de toorn bij Marling op in volle kracht, en de woorden
welden op als het water in een heftig opbruischende fontein.
»_Gij_ zijt de verraders!" riep hij met machtige stem, »gij paradehelden
en ellendelingen, die de Kaffers gaat wapenen, omdat ge bang zijt voor
je eigen kostbare huid!
Zijt _gij_ de zonen van Oud-Engeland? Het _echte_ Engeland kent u niet
en verafschuwt u, want gij zijt geen zonen maar bastaarden! Ja, brult
maar! Het raakt mijn koude kleeren niet! Scheldt gij mij voor lafaard?
_Ik_ heb ten minste voor Engeland mijn bloed veil gehad, en hier, aan
mijn hoofd, draag ik het lidteeken van de Boerenkogel die mij vijftien
jaar geleden bij Lang-Nek heeft neergestrekt. Maar _gij_ zijt de
lafaards, want gij wilt de Kaffers voor u laten vechten, en gij zelf
zult in uw kelders wegkruipen, als de Boerenkogels beginnen te fluiten!"
Er ontstond een woest tooneel, en een groep heeren, waarschijnlijk
beneveld door het gebruik van te veel champagne, wilden den moedigen
spreker te lijf.
Maar de lange Amerikaan snelde Marling te hulp.
»Past op," riep hij tot de aangeschoten goudkoningen, »past op, want
morgen zou het in de krant staan, dat twintig beschaafde heeren als een
bende dronkelappen op één man zijn aangevallen!"
Zij kwamen werkelijk eenigszins tot bezinning.
»Zie, dat is nu eens heel verstandig heeren," ging hij voort; »wij zijn
hier immers ook niet gekomen, om elkaar af te ranselen, niet waar?"
En daarbij keek hij hen aan met zijn grauwe oogen, waaruit spot en hoon
sprak, scherp en snijdend als een vlijm....
Doch daarna wendde hij zich tot Marling, drong hem met zacht geweld naar
de buitendeur en fluisterde hem in het oor: »Ga, Marling; ge zijt te
edel voor dat met goud behangen rapaille!"
* * * * *
Marling's voorhoofd gloeide, en de ruime straten van Johannesburg waren
hem veel te eng.
Hij wandelde naar buiten. De avondwind speelde om zijn kloppende slapen
en verkwikte hem.
Dàt was het nu!
Met omgekochte Kaffers en gesmokkelde Maximkanonnen moest die
zoogenaamde worstelstrijd voor de gerechtigheid, die niets was dan een
ruwe daad van geweld, om den rijken Witwaterrand over te leveren in de
handen van Cecil Rhodes en Co., worden uitgestreden!
Hij lachte--er lag een grenzenlooze verachting in dien lach.
Die komedie! Dat gehuichel!
Ja er was in Transvaal iets dat rot was en vermolmd, doch het schuilde
minder in Pretoria dan in Johannesburg, minder bij de Regeering dan bij
de mijnbezitters, minder bij de aangeklaagden dan bij de aanklagers!
Wat raakte hun het stemrecht! Wat gaven zij om meerdere politieke
voorrechten!
De Transvaalsche Boeren moesten er onder--dat was de hoofdzaak! Hun
wettig eigendom moest hen ontweldigd worden--dat was het 'em!
En het eigenlijke volk van Johannesburg, dat feitelijk buiten de
beweging stond, werd kunstmatig door een betaalde bende en een
omgekochte pers in de beweging getrokken.
* * * * *
Langzaam keerde Marling huiswaarts.
Thans wist hij, wat hij te doen had.
Hij opende de buitendeur, en begaf zich naar het kantoor.
Aan den muur hing een groot portret van Cecil Rhodes.
Hij nam het portret en scheurde het in flarden. Toen ging hij de gang
door naar de huiskamer.
Er brandde een klein licht.
Alles was stil.
Hij begaf zich naar boven, naar de slaapkamer.
Voorzichtig trad hij binnen, om den kleinen Albert niet te wekken.
Lena stond bij het kleine ledikant, met den rug naar de deur gekeerd.
Zij zag niet wie er binnen kwam, maar zij voelde het aan haar hart. Nu
moest de beslissing vallen.
Een rilling ging door haar leden.
Marling bukte zich over zijn kleinen, slapenden jongen, wiens mollige
armpjes boven op het dek lagen.
En toen zag hij zijn vrouw aan.
Hoe bleek zij was!
Nu eerst viel het hem op.
Welk een zwaar lijden was over haar ziel gegaan!
»Lena!" zeide hij mild en teeder.
Zij hief den door tranen omfloersden blik tot hem op.
»_Mijn_ vaderland is Engeland," zeide hij bijna plechtig, »doch met
de revolutie, die hier staat uit te barsten, heb ik geen gemeenschap!
En komt het tot een burgeroorlog, Lena, dan zal ik mij om de eer van
Oud-Engeland scharen onder de gelederen der Transvaalsche Boeren!"
* * * * *
Daar buiten, in de straten, klonken wilde oproerkreten en donderde de
zang de revolutie.
Wat hinderde het?
Het stampende huwelijksscheepke had door de schuimende branding de haven
bereikt: de haven van verzoening, van vrede, van onveranderlijke
liefde....
»Lena," zeide hij--»Leentje!"
»Charles," zeide zij--»Charlie!"