Charles Marling en Lena, zijne vrouw, zaten in de huiskamer.
Charles had zich gereed gemaakt, om de groote avondvergadering der
Engelsche vereeniging bij te wonen, en Lena's stille hoop, dat hij
thuis zou blijven, was ijdel gebleken.
Over de staatkundige beroering van deze dagen was sinds gisternamiddag
niet meer gesproken, en toch beheerschte die beweging hun gansche
denken. De staatkundige beroering was de afgrond geworden, die tusschen
hen gaapte, de draaikolk, die hun huwelijksgeluk dreigde naar de diepte
te zuigen, de harde bazaltmuur, die twee menschen scheidde, welke bij
elkander behoorden.
Het gesprek, dat Marling daar straks met den Amerikaanschen inspecteur
had gehad, schokte hem niet in zijn overtuiging en hij hield de meening
van Liskey voor een grove dwaling.
Charles en Lena, beiden zwegen--het was een veelzeggend, angstwekkend
zwijgen. Zij vreesden beiden God, en toch begrepen zij elkaar niet meer.
Zij gingen aan elkander voorbij als twee blinden.
De zwart-marmeren pendule op den schoorsteenmantel sloeg half negen.
Marling stond op.
»Het wordt tijd," zeide hij.
»_Kunt_ ge niet blijven?" vraagde zij met smeekende stem.
»Neen," zeide hij zonder hardheid, maar beslist. »Mijn geweten dringt
mij, om te gaan."
»Er kan een leugen liggen in de conscientie," zeide zij zacht.
Hij keek haar aan met groote oogen.
»Een leugen?" zeide hij langzaam; »weet ge wel, dat zoo iets
verschrikkelijk is?"
»'t Is meer gebeurd," zeide zij.
»Ja," zeide hij, »maar God beware mij voor dat ontzettend oordeel!"
Hij nam nu zijn wandelstok.
»Ik wil je nog iets zeggen," zeide hij met ernst en nadruk. »Weet ge
niet, dat de vrouw den man zal volgen? Wilt _gij_ regeeren? Is _dat_
Gods ordinantie?"
Toen boog zij het hoofd, en _nooit_ was zij grooter geweest dan in dit
oogenblik, nu zij zonder murmureeren, in zwijgenden deemoed, al was het
met een schreiend hart, de plaats innam, die naar Gods bestel haar was
beschikt.
Marling vertrok, doch plotseling keerde hij nog eens terug.
»Hoe ook de beslissing van dezen avond moge vallen," zeide hij, »laten
wij nooit aan onze liefde twijfelen!"
De tranen sprongen hem in de oogen--ach, dat waren ze weer, die zachte
bruine oogen, die zij liefhad!
»Ga," zeide ze vriendelijk, »ga! De Heere zal het voorzien!"
Doch toen de klank van zijn stap niet meer werd gehoord in den gang,
toen de huisdeur van buiten gesloten werd, toen was het uit met haar
kracht, en zij was niets meer dan een zwakke, hulpelooze, bevende vrouw!
Ja, dat was het onweer, dat haar grootvader had voorspeld; dat was de
wilde golfslag der branding, die het scheepke dreigde op te nemen en te
verbrijzelen tegen de rots....
En in den angst harer ziel strekte zij de armen omhoog en riep: »O
Heere, behoed--wij vergaan!"
* * * * *
Toen Marling de ons bekende vergaderzaal binnentrad, was zij reeds
stampvol.
Aan de rechterzijde, vooraan, zaten de machthebbers der eeuw, de
goudkoningen, die als arme jongens in de Transvaal waren gekomen, en
thans over millioenen beschikten. En op hun voorhoofd stond geschreven:
»Dat trotsche gebouw van onze macht en onzen rijkdom--hebben _wij_ het
niet gebouwd?"
Marling werd door eenige kennissen begroet, en nam plaats naast den
langgebeenden Amerikaanschen inspecteur.
Vlak voor hem zat een koopman, die, zich omkeerend, lachend zeide: »Zoo,
Marling, ben je toch gekomen? We hadden je al doorgeschrapt, man! En hoe
maakt het je vrouwtje? Is ze nog al tam bij de tegenwoordige bedrijven?"
»Als ge aardigheden wilt maken," antwoordde Marling met harde stem,
»maak ze dan op je eigen vrouw!"
Intusschen werd de vergadering geopend, en de voorzitter, een man van
middelbaren leeftijd, van ineengedrongen gestalte, met scherpe oogen,
een haviksneus en zwarte bakkebaarden, betrad het geïmproviseerde
platform.
Hij liet den hamer vallen, en het gegons en rumoer verstomde. Het werd
zoo stil, dat men een speld kon hooren vallen.
»Mijne heeren, mijne vrienden!" begon de voorzitter met een krachtige,
klankvolle stem, »wat ons heden avond te samen brengt, is u bekend. Het
beweegt al de harten van Johannesburg, en buiten Johannesburg de harten
van honderd millioen Engelsch sprekende menschen.