HOOFDSTUK XXIII.

Het is nu donker geworden, en de groote restauratiezaal, waar heden

avond een vergadering zal worden gehouden der Engelsche Vereeniging,

straalt van electrisch licht, dat door de wijd geopende deuren tot ver

over de straat zijn stralen werpt.

De zaal is tamelijk bezet, maar de millionairs zijn nog zwak

vertegenwoordigd.

De aanwezigen zitten heel gezellig aan kleine tafeltjes, de kellners

(blanken en kaffers) hebben druk werk, om de dorstige keelen te helpen,

en de zaal gonst van de drukke, onderlinge gesprekken, terwijl over een

uur de vergadering zal worden geopend.

»Wat ik je zeg," verklaart een magere vent met een lange snor en

gewapend met een blauwe bril aan een stevig gebouwden Schot, die als

matroos reeds in vier werelddeelen is geweest en thans gouddelver wil

worden, »wat ik je zeg, binnen een week hebben we dat Transvaalsche

schorremorrie onder onze knie."

»Hoe zien er die echte Boeren uit de wildernis toch uit?" vraagt de

oud-matroos op nieuwsgierigen toon.

»'t Zijn ware orang-oetangs," verzekert de blauwe bril.

»Ik ken ze," mengt zich een derde in het gesprek, een mijnheer met

een ijzingwekkend hoogen boord, die wegens paardendiefstal reeds tien

jaar in een Australisch tuchthuis heeft moeten brommen, »ik ken ze.

Er is onder al de Boeren niet één gentleman, mijne heeren!"

Van de naaste tafeltjes begint men te luisteren naar dit gesprek.

»Als ik u vertel, mijne heeren," gaat de hooge boord voort, »dat de

echte Boer zich om de twee jaren eens wascht, dan lieg ik, want hij

wascht zich slechts eens in zijn leven, namelijk als hij gaat trouwen."

»Wel verbaasd," roept de blauwe bril, »ik wist niet, dat het zulke

zwijnjakken waren."

De oud-matroos voelt in zijn zak, en zoekt naar een stuk pruimtabak.

»'t Wordt tijd, dat hun de ooren gewasschen worden," zegt hij.

»De boer gaat steeds gekleed naar bed," vervolgt de hooge boord,

»natuurlijk met zijn veldschoenen aan."

De toehoorders proesten het uit van lachen, en de oud-matroos bijt met

zijn zwarte tanden een stevig stuk af van de pruimtabak, die hij heeft

gevonden in den linker broekzak.

»'t Zijn wonderlijke zeeschepen, dat hoor ik wel," grinnikt hij

genoegelijk.

»Heeft mijnheer lang onder de Boeren verkeerd?" vraagt hij aan den

hoogen boord.

»Twee jaar," antwoordt de hooge boord, »als veearts."

»Wilden ze nog al van den deze afschuiven?" vraagt de oud-matroos, een

beweging makend met zijn vingers, alsof hij geld gaat tellen.

»'t Zat er in dien tijd niet erg aan," lacht de hooge boord, »want de

goudmijnen waren nog niet ontdekt. Trouwens, mijne heeren, wat ze zijn

geworden, hebben ze te danken aan _onzen_ ondernemingsgeest."

De toehoorders stemmen met deze getuigenis van ganscher harte in.

De blauwe bril begint intusschen te vreezen, dat de hooge boord met den

roem van den avond zal gaan strijken, en zegt met zijn pieperige stem:

»Die Paul Kruger is ook een lid! Zouden de heeren wel willen gelooven,

dat hij altijd een bak met droog zand onder de tafel heeft, waarin hij

met zijn dikke, naakte voeten zit?"

»'t Is zoo," verklaart mijnheer Watkins, een groote gespierde kerel, die

door zijn haar is heen gegroeid, en over een echt valsch gelaat

beschikt. »Toen Paul Kruger in 1883 met het stoomschip van de »Donald

Currie-lijn" naar Londen reisde, verschrok hij van de groote machines,

en des avonds vraagde hij vol angst den gezagvoerder: »Wel meester, waar

moeten we nu toch van avond in vredesnaam uitspannen?""

De toehoorders gieren het uit van pleizier, en het wordt er niet minder

op, als mijnheer Watkins er droog komiek op laat volgen: »Als de goeie

man zijn naam wil zetten, moet hij eerst zijn baatje uittrekken."

»Sapperloot!" roept de oud-matroos.

»Als de Boeren pijn in hun lijf hebben," gaat de waardige mijnheer

Watkins voort, »dan binden ze een doek met Haarlemmerolie om hun dikken

kop!"

De zaal davert.

»En als het begint te rommelen in hun papbuik, dan gaan ze vetkaarsen

knauwen!"

De zaal loeit.

»Ik wou mijne heeren, dat ge die nomaden der wildernis eens zaagt,"

zegt de hooge boord, en zie daar! alsof het werk zoo spreken moet,

daar treden vier Boeren, echte zonen der wildernis, de restauratiezaal

binnen.

Zij dragen blauwe kielen, hooge laarzen met rinkelende sporen, den

bandelier gevuld met patronen, over de borst, en over den schouder het

thans ongeladen geweer.

Het zijn forsch gebouwde mannen, tusschen 24 en 30 jaar, en bij den

eersten oogopslag kunt ge zien, dat het broeders zijn. Het schijnen wel

reuzen te zijn in deze vergadering, en de frischheid der wildernis ligt

op hun gebruind gelaat.

Dat zijn nu die bespotte en verachte Boeren, en als zij nu zonder een

zweem van schroom hun heldere oogen laten gaan over de giechelende

menigte, wordt het heel wat bedaarder in de groote zaal.

Zij echter gaan rechtstreeks naar het buffet, en reiken, tot groote

verbazing der Uitlanders, aan een der kellners, een man met reeds

grijzende bakkebaarden, joviaal de hand.

»Wel meester," roept Zeger, de oudste der broeders, »hebben we jou toch

eindelijk gevonden, man? Ons werd verteld dat gij kellner waart geworden

in een Johannesburger herberg, en dit is nu de derde herberg, die wij

van avond aandoen, om jou te zien."

»Dat vind ik heel aardig, heel vriendelijk," antwoordt de gewezen

meester; »gij zijt zeker op reis naar uw ouders?"

»Om u te dienen, oud Alphabet," zegt Zeger, »we wenschen het nieuwjaar

op Waterfontein te vieren. Hé, dat is al een poosje geleden, dat ge ons

het a b c met knijpen en slaan hebt ingepeperd!" En de schaterlach der

Boeren klinkt luide door de zaal.

»Maar geef ons eens gauw een paar flesschen wijn," bestelde Gert, de

tweede der broeders, »want we hebben dorst, en breng onze achterrijders,

die buiten bij de paarden staan, ook een flesch."

De meester-kellner brengt met bekwamen spoed het bestelde, en plaatst

het op een nog onbezet tafeltje.

»En hoe maak je 't hier?" vraagt Hans, de derde der broeders.

»Ik had te Waterfontein moeten blijven," meent de kellner.

»Ik geloof het," zegt Zeger.

»Ge hebt het ook al niet ver gebracht in de wereld," laat hij er op

zachteren toon op volgen--»knecht in een Engelsche kroeg."

Nu zetten de gebroeders zich aan het tafeltje neer, nemen de geweren van

den schouder, en plaatsen ze voor zich, tusschen de knieën, de tromp

tegen den grond.

»Haal nog een glas," kommandeert Zeger, »voor jou, Meester," en dan de

glazen vullend, roept hij: »Op je gezondheid, Meester!"

De meester-kellner is besluiteloos, of hij bescheid zal doen, want met

arendsoogen zitten de Engelschen dit vreemdsoortig tooneel af te kijken,

maar Gert roept, de stevige elleboogen op de tafel stuttend, op

luchtigen toon: »Toe, geneer je maar niet!"

»Ik vrees, dat de andere heeren het mij kwalijk zullen nemen," zegt de

gewezen meester, verlegen zijn bakkebaarden strijkend.

»Ben je nu stapel?" zegt Hans, doodbedaard de houten pijp en den

buffelleeren tabaksbuil uit den zak halend, »wij betalen immers? Hier,

ouwe penlikker, drink op!" en hij reikt den kellner het gevulde glas.

De gewezen meester moet nu wel drinken, maar hij is toch blijde, als hij

naar de achterzaal wordt geroepen.

Zoo zitten de gebroeders dan alleen.

»Wat zal vader in zijn schik zijn, als hij ons morgen ziet," meent

Zeger.

»En moeder dan," zegt Hans.

»Er is op Waterfontein heel wat gebeurd," meent Zeger op ernstigen toon.

Hij denkt aan den brand en aan zijn broeder Frits, die naar Rhodesia is

gegaan.

»Frits komt terug," meent Gert met groote beslistheid, »het Afrikaansche

bloed kan zich op den duur niet verloochenen."

Doch nu staakt het gesprek. Men bevindt zich in het midden van

Uitlanders, en is het voorwerp van aller opmerkzaamheid.

Aan een der belendende tafeltjes zit het ons bekende gezelschap

Engelschen van zoo even, en de blauwe bril zegt met pieperige stem: »'t

Is wel grappig!"

Doch wat er voor grappigs in steekt, dat vier Boeren bedaard een glas

wijn drinken, weet hij waarschijnlijk zelf niet.

»Ik vind het onbeschoft," meent Mijnheer Watkins, luid genoeg, dat de

Jansen's het kunnen hooren, »om hier bij ons Engelschen, plaats te

nemen."

»Dat moet je van de Boeren verwachten," zegt de blauwe bril.

»Maar 't is de vraag, of wij het willen _dulden_," roept de groote

mijnheer op nog luideren toon. »Enfin, 't is een troost, dat de

Boerenkliek binnen acht dagen er onder gaat."

»Heeft u nieuws?" vraagt de hooge boord.

»Nieuws?" zegt mijnheer Watkins; »nu ja, ik kan jullie wel dit zeggen,

dat Cecil Rhodes het plan heeft genomen, om de Boerenregeering omver te

smijten. Hij heeft lang geaarzeld, maar hij voelt zelf, dat het zóó niet

langer gaat."

De Jansen's spitsen de ooren.

Vage geruchten hebben ze wel vernomen, maar zoo'n stellige bewering--ze

klinkt toch haast ongeloofelijk.

»Tegen Cecil Rhodes kan niemand op," meent mijnheer Watkins, en dit

zeggende, strijkt hij welgevallig zijn rooden baard, en werpt een

uitdagende blik naar de vier steenen des aanstoots in de nabijheid.

Zeger staat intusschen op, om een vuurhoutje te nemen, want hij wil zijn

pijp aansteken, en op het tafeltje, waar mijnheer Watkins zit, ziet hij

een doosje liggen.

Hij wendt zich naar dat tafeltje, maar op hetzelfde oogenblik--is het

opzet of geen opzet? steekt mijnheer Watkins het rechterbeen vooruit.

Het scheelt weinig, of de Boer zou er over gestruikeld zijn.

»Je kunt je lange beenen wel voor je houden," meent Zeger Jansen.

»Dat zal ik _jou_ niet vragen," is het brutale antwoord.

De Boer kijkt het tafelgezelschap rond, en hij meent op meer dan één

gezicht een spotlachje te bemerken. Doch op den heer met den hoogen

boord blijft zijn blik iets langer rusten, en met plotselinge verbazing

roept hij, de groote hand naar den hoogen boord uitstrekkend: »Alle

menschen, jongens, daar heb je onzen kippendief! Zeven kippen heeft hij

ons ontstolen, zeven kippen en een haan! Kijk maar, Gert, hij heeft die

groote, leelijke wrat, nog op zijn rechter ooglid!"

De zeeman knauwt driftig op zijn tabakspruim, en kijkt den hoogen boord

met schuine blikken aan.

»Warempel, 't is waar," zegt Gert met de stevige vuist op de tafel

slaande, dat de glazen rinkelen, doch de hooge boord rijst vol

verontwaardiging op en roept met eene van aandoening trillende stem:

»Mijne heeren, gentlemen, kunt ge 't dulden, dat een gentleman op zoo'n

grove manier wordt beleedigd en belasterd?"

»Ja, hij is 't," roept nu ook Hans, de derde, »hij is 't! Die zelfde

snorkende stem! Menschen, houdt hem vast! Hij moet naar het spinhuis!

Stoort je niet aan zijn gladde woorden, want met zijn gladde woorden

heeft hij mijn moeder ook bedot, en ze bakte voor dat slangenvel expres

pannekoeken, eierpannekoeken, menschen! Veertien eierpannekoeken at hij

op, en toen ging hij uit dankbaarheid naar het kippenhok en stal onze

beste kippen! Hoe de kerel het gedaan kreeg, om met zoo'n maag nog zeven

kippen en een haan te stelen, is me nog van daag een mirakel, maar laat

hem niet loopen, menschen houdt hem vast!"

»Mijne Heeren," roept de hooge boord op plechtigen toon, »ik vraag

ulieden, of ge 't nog langer kunt dulden, dat een man met een vlekkeloos

verleden zoo gruwelijk door dat Boerencanaille door het slijk wordt

gesleurd?"

De magere met den langen snor schuift de blauwe bril wat vaster op zijn

neus. Hij begrijpt, dat er een nieuw bedrijf aan 't komen is, en diep

overtuigd van de waarheid van het spreekwoord; »Die een dag vecht, wordt

nog voor geen schoft uitbetaald," vindt hij het geraden, om eenigszins

naar de achterhoede te wijken. Doch mijnheer Watkins, die als bokser

zijn sporen heeft verdiend, staat op met woedende gebaren, en houdt

Zeger Jansen de gebalde vuist onder den neus.

»Als je wat hebt, kom dan maar op," roept hij dreigend; »ik laat geen

Engelschman in mijn bijzijn beleedigen, vooral niet door een

boerenlummel, zooals jij bent, al is hij nog zoo lang!"

Aller oogen zijn vol spanning op Zeger Jansen gevestigd.

De meester-kellner zucht.

»Ik heb er wel een voorgevoel van gehad," mompelt hij; »dat loopt slecht

af. Ik ken die Jansen's; zij zijn voor den duivel niet bang. En ik word

morgen weggejaagd, omdat ik hen heb bediend!"

Hij strijkt vol zorgen zijn grijzende bakkebaarden, en zuchtend neemt

hij de leege glazen op.

Zeger schijnt het intusschen voorloopig nog al kalm op te nemen.

»Moei je met je eigen zaken," zegt hij koeltjes tot den beroemden

bokser, die reeds bij voorbaat zijn jas heeft uitgetrokken en de mouwen

opstroopt.

»Als je een vent bent, dan kom op," brult de strijdlustige Engelschman,

die de kalmte van den Boer voor vreesachtigheid houdt, doch de Boer,

zich tot de omstanders wendend, zegt bedaard: »Mijnheer is een beetje

boven zijn theewater--is het niet?"

Maar de omstanders, die natuurlijk zonder uitzondering op de hand van

den grooten bokser zijn, schreeuwen: »Neen, hij is niet boven zijn

theewater, maar hij kan jullie brutaliteit niet uitstaan! Toe, mijnheer

Watkins, geef hem maar eens een por; toe, pak hem!"

Zij hitsten den man op, zooals men een dollen hond ophitst, en geen vijf

seconden later volgt reeds de daad, en geeft de Engelschman den Boer een

slag boven den neus, dat het bloed er uit stroomt.

Zeger is de kalmste der gebroeders; hij heeft iets in zijn karakter van

tante Martje, zijn moeder, en schijnbaar bedaard ontdoet hij zich van

den bandelier.

»Stop hem in dezen zak," schreeuwt een gouddelver, die met een zak komt

aanloopen; »dan kan hij van avond in den zak de vergadering bijwonen,

die over het lot van Boeren en schurken zal beslissen!"

Dat idee is wel iets voor mijnheer Watkins, want hij is beroemd door

zijn vaardigheid, in het worstelperk den tegenstander door twee, drie

»kunst"grepen in den zak te stoppen.

Mijnheer Watkins bekijkt den zak, die wijd en groot is.

»Ik zal zien, dat ik ze er alle vier in krijg," zegt hij spottend.

De drie andere Boeren zijn echter opgesprongen, en hebben zich naast hun

oudsten broeder geplaatst.

»Laat _mij_ dat karreweitje afwerken," verzoekt Gert.

»Neen _mij_," vraagt Hans.

»_Mij_," smeekt Tijs, de jongste, die den ganschen avond nog geen drie

woorden heeft gesproken, doch Zeger maakt een afwerende beweging.

»Er zal heel wat moeten gebeuren," zegt hij bedaard doch met de innigste

verachting, »voordat die windbuil mij in den zak heeft."

De drie gebroeders gaan weer zitten.

»Lasteraar," roept de hooge boord, zich tot den Boer wendend en nieuwen

moed puttend uit de gespierde armen van den geduchten bokser,

»lasteraar, zet je leelijken hoed af! Je bent hier onder gentlemen!"

Hij strekt waarlijk de hand uit naar den hoed.

»Komt er niet aan met je vuile vingers, kippendief," buldert Zeger

Jansen wiens bloed nu toch begint te kooken.

»Als je een vent bent," zegt de oud-matroos, die wel van een woelig

tooneeltje houdt, tot den hoogen boord, »dan sla je hem den hoed van den

kop!"

De hooge boord heeft nu inderdaad de vermetelheid, om naar den hoed

van den Boer te grijpen, doch krijgt op hetzelfde oogenblik zoo'n

vreeselijken vuistslag in het gezicht, dat hij met een verlies van vier

tanden over drie stoelen heen tegen den grond tuimelt.

»Die heeft voorloopig zijn bekomst," meende Gert droogjes, doch

mijnheer Watkins strekt thans zijn gespierde armen uit, om met zijn

wereldberoemde kunstgrepen den grooten Boer in den zak te krijgen. Doch

wat baten zijn kunstgrepen tegen een man, die tegen alle regels der

kunst in den Engelschen mijnheer in de borst grijpt en tegen den grond

slingert? Die hem vervolgens een paar vuistslagen toedient, dat het hem

groen en geel voor de oogen wordt! En die hem met zijn reuzenkracht

opvouwt zooals men een lap laken opvouwt?

Het gevecht heeft nauwelijks het derde gedeelte van een minuut geduurd,

doch op dit oogenblik stormen uit de achterzaal vier of vijf halfdronken

kerels, hun messen zwaaiend, naar voren.

De drie gebroeders zien hen wel, en begrijpen volkomen hun doel. Zij

springen onmiddellijk overeind, schuiven de scherpe patronen in het slot

hunner geweren en plaatsen zich als een muur voor Zeger, hun broeder.

Ja waarlijk, dat zijn de Jansen's!

Dat zijn de leeuwen der wildernis.

Er ontstaat een geweldig rumoer.

De goudkoningen, die reeds aanwezig zijn, rillen van angst. Zij hebben

millioenen en millioenen bijeengeschraapt, en nu kan zoo'n domme

Boerenkogel komen, en aan al die heerlijkheid een snel einde maken--is

het niet verschrikkelijk?

Stoelen worden omvergeworpen, tafels verschoven, rinkelend vallen

flesschen en glazen stuk tegen den grond, doch boven het tumult uit

klinkt helder en krachtig de stem van Tijs, den jongste: »De eerste, die

nadert, is een kind des doods!"

Een dikke millionair, kenbaar aan zijn grijze jas met groote ruiten,

vlucht reeds de straat op; anderen die niet zoo dicht bij den

uitgang zijn, springen op de tafeltjes en schreeuwen: »Niemand mag

tusschenbeiden komen," terwijl de verstandigsten de wilde gezellen in

den weg treden, en hen vermanen, geen dwaasheden te verkoopen. En of nu

deze kalmeerende woorden beslissen, of dat de drie dreigende geweren 't

hem doen, de woestelingen gaan vloekend terug, en de Boeren laten hunne

geweren langzaam zakken.

Intusschen is Zeger Jansen bezig, om den Engelschman in den letterlijken

zin van het woord te zakken, en wat nog nooit is gebeurd, geschiedt

nu: eerst verdwijnt het onderlijf, en vervolgens het bovenlijf en de

halfkale schedel van den beroemden bokser in den grooten, wijden zak.

En zich het zweet van het gezicht wisschend, roept de sterke Boer: »Waar

is de kippendief, want hij behoort er ook in?"

»Die ligt nog in katzwijm," antwoordt Gert met een leuk gezicht, en zijn

broeders beginnen luid te lachen.

Maar mijnheer Watkins lacht niet, en uit den zak komt een gebrul als van

een gewonden ever.

»Nu," meent Zeger goedhartig, »ik zal er je uitlaten, roodbaatje, maar

ik waarschuw je: leg nooit meer aan met een Afrikaanschen Boer!"

Hij opent den zak, en mijnheer Watkins kruipt er uit.

En wel overtuigd, dat hij zich grenzenloos belachelijk heeft gemaakt

voor het geheele publiek, haast hij zich om weg te komen.

De Boeren drinken intusschen doodbedaard hun glazen leeg, rekenen met

hun ouden kennis, den gewezen meester, af en schudden hem bij het

afscheid hartelijk de hand.

Daarna wenden zij zich kalm naar den uitgang, maar een luid gefluit en

gesis, dat hen uitgeleide doet, doet hen stilstaan.

Zeger wenkt één der kellners.

»Haal mij dien zak eens even," zegt hij, op den zak wijzend, die zoo'n

belangrijke rol heeft gespeeld en bij het buffet is neergelegd.

De gedienstige kellner, die tuk is op een fooi, haalt hem.

»Van wien is die zak?"

»Hij behoort hier thuis, Mijnheer!"

»Hier," zegt Zeger, den kellner een geldstuk reikend; »ik zal den zak

meenemen, en wat er overschiet is voor jou."

De kellner maakt uit dankbaarheid voor de flinke fooi een diepe

buiging, maar hij kijkt den Boer toch vragend aan, want hij is

nieuwsgierig, wat hij met dien zak toch wil.

En de goedhartige Boer is vriendelijk genoeg, om zijn nieuwsgierigheid

te bevredigen.

»Als Cecil Rhodes soms komt, weet je, of Jameson zijn knecht, dan zullen

we hem in dezen zak zien te stoppen!"

Zeger Jansen zegt deze woorden tot ontzetting van den kellner luid

genoeg, dat al de omstanders het kunnen hooren.

»Is dit hier een Engelsche vergadering?"

De kellner knikt bevestigend.

»Ik dacht het wel," zeide hij schouderophalend; »'t is niet veel soeps!"

En zich tot zijn broeders wendend, roept Zeger Jansen: »Op jongens, naar

Waterfontein!"

Zij gaan naar buiten, en een oogenblik later verkondigt luid

hoefgetrappel, dat de Boeren zijn vertrokken.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 31 / 53 题