HOOFDSTUK XXII.

Charles Marling stond op de zerken stoep voor het kantoor, dat gesloten

was even als de meeste winkels.

Vage geruchten doorkruisten de stad van een voorstel, om den

Witwaterrand met zijne rijke goudmijnen tegen een enorme som de

Boerenregeering af te koopen, van een dreigende opstand, van een

Engelsche tusschenkomst, doch niemand, die het rechte wist.

Slechts hierin stemde men overeen, dat het land een onheilspellende

toekomst tegemoet ging.

Er broeide iets; zware onweerswolken dreven aan den staatkundigen hemel,

en ieder Johannesburger was in spanning, waar de eerste bliksemstraal

zou inslaan.

Het Hervormings-Comité bracht een klein gewapend leger op de been,

waaraan het f 12.-- per man en per dag betaalde, en de burgers wapenden

zich, om op elke gebeurlijkheid voorbereid te zijn.

Rijkspolitie zag men niet. Nu de lucht met zooveel electriciteit was

beladen, kon er elk oogenblik een straatgevecht plaats grijpen, en had

daarbij de politie het ongeluk, om een Engelschman te kwetsen of maar de

huid te schrammen, dan zou natuurlijk de Engelsche regeering op hooge

beenen aankomen en voldoening eischen. Maar de Transvaalsche regeering

had er geen trek in, om met de pet in de hand Harer Majesteits regeering

nederig om excuus te vragen, en daarom trok zij de politie terug uit de

straten.

De handel stond stil. De voorzichtigsten pakten hun koffers en haastten

zich, weg te komen uit een stad, die een vulkaan dreigde te worden, doch

de Engelsche Jingo's liepen met fieren tred en trotsch opgeheven hoofd

door de straten, krachtig in het bewustzijn, dat zij op het punt

stonden, om de Boerenregeering, die door hen een vermolmde regeering

werd genoemd, in elkaar te trappen.

Marling stond op de stoep--het was namiddag--en keek nadenkend naar de

haastig voorbij snellende menschen.

Versch lag hem het gesprek, dat hij eergisteren met zijn vrouw had

gehad, nog in het geheugen.

Hij zuchtte.

Hij was ter goeder trouw, waar hij meende, dat de Boeren ongelijk

hadden. Hij, de voortvarende Engelschman, had geen oog voor het taaie

conservatisme van den Afrikaanschen Boer, dat als een rem in de wielen

greep van den snel voortrollenden wagen.

Zeer zeker, daardoor werd de wagen in zijn vaart gestuit, maar het

gevaar, dat de wagen in den afgrond zou tuimelen, werd eveneens

verminderd.

Marling bezat dien nationalen Engelschen karaktertrek van geestkracht

en ondernemingsgeest, die den kostbaren tijd niet vertreuzelt met

dralen, maar hij miste dien Hollandschen trek van voorzichtigheid, die

wikt en weegt voor men 't waagt. En omdat hij die voorzichtigheid

niet begreep, en aan enghartigheid, bekrompenheid en rassenhaat

toeschreef, wat slechts het uitvloeisel was van vroed en voorzichtig

staatmansbeleid, deed hij de Boeren onrecht, door hen te beschuldigen

van onrechtvaardigheid.

Doch hij handelde naar zijne overtuiging, en het had hem waarlijk

een harden strijd gekost, alvorens hij mannelijk partij had getrokken

voor hetgeen hij beschouwde als recht en billijk. Want hij had innige

vrienden onder de Boeren--tegen den ouden Dirk Kloppers zag hij op met

den eerbied en de liefde van een kind, en zijn eigen kind de lieve

Albert--deed het Afrikaansche Boerenbloed niet dat kleine kinderhart

kloppen?

Zoo was dan zijn ziel vol droefheid, want hier mocht geaarzeld noch

geweifeld worden. Hij was een zoon van Cromwell's rondkoppen, die, toen

het mòest, met het zwaard der gerechtigheid hunnen koning het hoofd voor

de voeten legden, en de schimmen zijner voorvaderen zouden hem toornig

aanzien, indien hij terug schrok voor een moedige daad.

Hij wilde daarom nog geen omverwerping van den bestaanden

regeeringsvorm, en de vraag, in hoever wapengeweld geoorloofd was,

indien alle wettige, vredelievende middelen, om de Regeering tot

grootere concessies te bewegen, waren uitgeput, had hij zelfs nog niet

onder de oogen gezien.

Dat lag ook niet op den weg zijner ideaal aangelegde natuur, want den

droom van Frits Jansen droomde hij ook. De twee blanke rassen, die

den toestand beheerschten, hadden iets beters te doen dan elkander te

vereten en te verbijten; zij hadden namelijk de roeping, om naar hunne

krachten bij te dragen tot den bloei en de welvaart van Zuid-Afrika.

En wilden zij tegen elkander strijden, welnu, dat zij elkander dan

bekampten in een edelen wedstrijd, wie den meesten zegen zou verspreiden

over het land!

Doch de Boerenregeering was enghartig, bekrompen, en voedde een onzalige

rassenhaat en was de grootste struikelblok voor een verbroedering van

twee rassen, die feitelijk uit eene stam waren gesproten!

Dat was het standpunt van Charles Marling, en hij kon geen ander

standpunt hebben, omdat hij den Jingo-geest volkomen voorbij zag, en dus

geen vrijen blik had op de dingen rondom hem.

* * * * *

Plotseling voelde hij een forschen slag op zijn schouder, en een

vroolijke stem, die aan een langen man met een sterk sprekend gelaat

behoorde, riep: »Zoo ouwe jongen, wat sta je daar te suffen?"

»Ben jij het, Liskey?" zeide Marling, den lange de hand reikend: »Kom

binnen!"

Hij ging Liskey voor en bracht hem in de huiskamer, waar op dit

oogenblik niemand was.

»Hoe gaat het met de Mijn?" vraagde Marling, nadat men plaats had

genomen.

»Welke bedoel je?" was de wedervraag van Liskey, die een Amerikaan was.

»Waarvan je inspecteur bent."

»Die is zoo even gesloten," antwoordde Liskey.

»En de andere mijnen?"

»Allemaal gesloten."

»Het ziet er bedenkelijk uit," meende Marling, het voorhoofd fronzend.

»Waarom?"

»Wel, nu loopen duizenden Kaffers leeg."

»Ja, tot den Onthoudersbond behooren ze niet," lachte de inspecteur; »ze

lusten hem droog."

»Zijt ge te Pretoria geweest?" vraagde Marling met zeer groote

belangstelling.

»Om u te dienen, eergisteren, Zaterdag."

»En hebt ge den President gesproken?" vraagde Marling.

»Dat wil zeggen, ik heb hem gezien en hooren spreken."

»En welken indruk hebt gij meêgebracht?"

»Dat Paul Kruger de Washington is der Transvaalsche Boerenrepubliek,"

antwoordde Liskey op levendigen toon.

»En wat heeft hij gezegd?"

»Ik heb het voor de merkwaardigheid opgeschreven," antwoordde de

Amerikaan.

Hij nam een notitieboekje uit den zak en las: »Indien wijze raadgevingen

niet helpen, laat dan het oproer maar losbreken, en de wind zal het

koren scheiden van het kaf. De Regeering geeft elkeen gelegenheid voor

het luchten van grieven en klachten, maar is ten volle besloten om elke

beweging tegen wet en orde te breidelen."

»Kijk," liet hij er op volgen, zijn lange beenen nu over elkander

gooiend, »ge zult me niet kunnen verwijten, dat ik overdreven voorliefde

voor de Boeren heb, maar dit is zeker waar: zij hebben een man aan het

hoofd, die weet wat hij wil."

»Maar wij weten 't ook," zei Marling.

»Jullie!" riep de Amerikaan met een onmiskenbare minachting in zijn

stem; »geef me maar een glas wijn, want ik heb dorst."

Marling schelde de meid.

»Waar is je vrouw?" vraagde Liskey op eens.

»Boven," zeide Marling kortaf, »maar om op je uitroep terug te

komen--gelooft ge niet aan de eendracht der Uitlanders?"

»Eendracht!" riep de Amerikaan met grappige verbazing, »ben je nou gek,

kerel? Een mooie eendracht! Daar heb je Engelschen, Chineezen,

Australiërs, Ieren, Duitschers, Franschen, Laplanders, schapen, bokken,

geiten, rhinocerossen en ratelslangen--een mooie eenheid!"

Hij sloeg met de hand schaterlachend op zijn knie, en wierp de lange

beenen uit elkaar.

»Ze gaan toch samen, om het kiesrecht te verkrijgen," wierp Marling er

direkt tusschen in.

»Onzin, man, onzin!" riep de Amerikaan. »Alle maal kool, apekool, wat ik

je vertel!"

»Dan liegt het verschenen Manifest!" zeide Marling bedaard.

»De opsteller is van de eerste leugen niet gebarsten," antwoordde

Liskey.

»Ge zijt van daag wreed en onbarmhartig in je oordeel," hernam Marling.

»Dacht ik het niet?" lachte de vrijpostige Amerikaan, het glas wijn

nemend, dat hem was ingeschonken: »dacht ik het niet? Als ik aan je

afgod torn, dan wordt ge boos!"

»Ik wòrd niet boos," zeide Marling, »maar ik kan toch niet dulden, dat

gij menschen, aan wier goede trouw men niet mag twijfelen, zoo

schandalig afmaakt!"

De Amerikaan nam kalm den zakdoek uit zijn zak, en sloeg het stof van

zijn lange laarzen.

»Jij praat van goede trouw, goede trouw in een goudstad--Marling, hoe

krijg je 't in je hersens? 't Is allemaal kool, wat ik je zeg!"

»De Boeren hebben in jou een goeiën pleitbezorger," zeide Charles, niet

zonder bitterheid.

»En Rhodes in _jou_," antwoordde de Amerikaan met de grootste kalmte.

»Rhodes? Rhodes heeft met de zaak net zoo min iets te maken als de

Turksche sultan!" riep Marling.

»Goeië gerustigheid!" zeide de Amerikaan vol bewondering, maar hij ging

weer zitten, wierp de lange beenen over een stoel, en ging kalmer voort:

»Dat is jouw onnoozelheid weer, Marling. Er zit muziek in, man, muziek,

en Rhodes zit achter het scherm het orgel te trappen."

»Als je 't gelooven wilt," meende Marling, de schouders minachtend

ophalend.

»De toekomst zal het uitwijzen, Marling!"

»Dat zal ze net, Liskey!"

Van de straat werd thans een groot gejoel gehoord.

»Waarschijnlijk weer een nieuwe grappenmakerij van die »eendrachtige"

Uitlanders!" lachte de Amerikaan.

Beide mannen grepen den hoed en gingen naar buiten.

Een troep gewapende burgers te paard reden met een paar Maxim-kanonnen

voorop onder zang en muziek de straat door.

»Daar heb je de helden!" riep de lange inspecteur vroolijk; »ze zullen

de Boeren beuken als stokvisch!"

Achter de troep kwam een groep burgers te voet aan, met de Transvaalsche

Vierkleur in hun midden.

Op het plein maakte deze groep halt, en onder hoonend geschreeuw werd de

Vierkleur aan flarden gescheurd.

»Zie zoo, nu zijn de Boeren verloren!" spotte de Amerikaan; »en met

zulke schepsels wil je de overwinning behalen, Marling?"

Charles zeide niets; zijn wenkbrauwen fronsten zich. Nog een paar

wenkbrauwen fronsten zich--boven hem.

Lena liet het gordijn vallen.

Haar oogen flikkerden van verontwaardiging. »Dat canaille," riep ze,

»dat schuim! Hoe durft het de godvergeten hand uit te strekken naar onze

Vierkleur! Op, Afrikaansche mannen, en wreekt dien smaad!"

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 30 / 53 题