Charles Marling stond op de zerken stoep voor het kantoor, dat gesloten
was even als de meeste winkels.
Vage geruchten doorkruisten de stad van een voorstel, om den
Witwaterrand met zijne rijke goudmijnen tegen een enorme som de
Boerenregeering af te koopen, van een dreigende opstand, van een
Engelsche tusschenkomst, doch niemand, die het rechte wist.
Slechts hierin stemde men overeen, dat het land een onheilspellende
toekomst tegemoet ging.
Er broeide iets; zware onweerswolken dreven aan den staatkundigen hemel,
en ieder Johannesburger was in spanning, waar de eerste bliksemstraal
zou inslaan.
Het Hervormings-Comité bracht een klein gewapend leger op de been,
waaraan het f 12.-- per man en per dag betaalde, en de burgers wapenden
zich, om op elke gebeurlijkheid voorbereid te zijn.
Rijkspolitie zag men niet. Nu de lucht met zooveel electriciteit was
beladen, kon er elk oogenblik een straatgevecht plaats grijpen, en had
daarbij de politie het ongeluk, om een Engelschman te kwetsen of maar de
huid te schrammen, dan zou natuurlijk de Engelsche regeering op hooge
beenen aankomen en voldoening eischen. Maar de Transvaalsche regeering
had er geen trek in, om met de pet in de hand Harer Majesteits regeering
nederig om excuus te vragen, en daarom trok zij de politie terug uit de
straten.
De handel stond stil. De voorzichtigsten pakten hun koffers en haastten
zich, weg te komen uit een stad, die een vulkaan dreigde te worden, doch
de Engelsche Jingo's liepen met fieren tred en trotsch opgeheven hoofd
door de straten, krachtig in het bewustzijn, dat zij op het punt
stonden, om de Boerenregeering, die door hen een vermolmde regeering
werd genoemd, in elkaar te trappen.
Marling stond op de stoep--het was namiddag--en keek nadenkend naar de
haastig voorbij snellende menschen.
Versch lag hem het gesprek, dat hij eergisteren met zijn vrouw had
gehad, nog in het geheugen.
Hij zuchtte.
Hij was ter goeder trouw, waar hij meende, dat de Boeren ongelijk
hadden. Hij, de voortvarende Engelschman, had geen oog voor het taaie
conservatisme van den Afrikaanschen Boer, dat als een rem in de wielen
greep van den snel voortrollenden wagen.
Zeer zeker, daardoor werd de wagen in zijn vaart gestuit, maar het
gevaar, dat de wagen in den afgrond zou tuimelen, werd eveneens
verminderd.
Marling bezat dien nationalen Engelschen karaktertrek van geestkracht
en ondernemingsgeest, die den kostbaren tijd niet vertreuzelt met
dralen, maar hij miste dien Hollandschen trek van voorzichtigheid, die
wikt en weegt voor men 't waagt. En omdat hij die voorzichtigheid
niet begreep, en aan enghartigheid, bekrompenheid en rassenhaat
toeschreef, wat slechts het uitvloeisel was van vroed en voorzichtig
staatmansbeleid, deed hij de Boeren onrecht, door hen te beschuldigen
van onrechtvaardigheid.
Doch hij handelde naar zijne overtuiging, en het had hem waarlijk
een harden strijd gekost, alvorens hij mannelijk partij had getrokken
voor hetgeen hij beschouwde als recht en billijk. Want hij had innige
vrienden onder de Boeren--tegen den ouden Dirk Kloppers zag hij op met
den eerbied en de liefde van een kind, en zijn eigen kind de lieve
Albert--deed het Afrikaansche Boerenbloed niet dat kleine kinderhart
kloppen?
Zoo was dan zijn ziel vol droefheid, want hier mocht geaarzeld noch
geweifeld worden. Hij was een zoon van Cromwell's rondkoppen, die, toen
het mòest, met het zwaard der gerechtigheid hunnen koning het hoofd voor
de voeten legden, en de schimmen zijner voorvaderen zouden hem toornig
aanzien, indien hij terug schrok voor een moedige daad.
Hij wilde daarom nog geen omverwerping van den bestaanden
regeeringsvorm, en de vraag, in hoever wapengeweld geoorloofd was,
indien alle wettige, vredelievende middelen, om de Regeering tot
grootere concessies te bewegen, waren uitgeput, had hij zelfs nog niet
onder de oogen gezien.
Dat lag ook niet op den weg zijner ideaal aangelegde natuur, want den
droom van Frits Jansen droomde hij ook. De twee blanke rassen, die
den toestand beheerschten, hadden iets beters te doen dan elkander te
vereten en te verbijten; zij hadden namelijk de roeping, om naar hunne
krachten bij te dragen tot den bloei en de welvaart van Zuid-Afrika.
En wilden zij tegen elkander strijden, welnu, dat zij elkander dan
bekampten in een edelen wedstrijd, wie den meesten zegen zou verspreiden
over het land!
Doch de Boerenregeering was enghartig, bekrompen, en voedde een onzalige
rassenhaat en was de grootste struikelblok voor een verbroedering van
twee rassen, die feitelijk uit eene stam waren gesproten!
Dat was het standpunt van Charles Marling, en hij kon geen ander
standpunt hebben, omdat hij den Jingo-geest volkomen voorbij zag, en dus
geen vrijen blik had op de dingen rondom hem.
* * * * *
Plotseling voelde hij een forschen slag op zijn schouder, en een
vroolijke stem, die aan een langen man met een sterk sprekend gelaat
behoorde, riep: »Zoo ouwe jongen, wat sta je daar te suffen?"
»Ben jij het, Liskey?" zeide Marling, den lange de hand reikend: »Kom
binnen!"
Hij ging Liskey voor en bracht hem in de huiskamer, waar op dit
oogenblik niemand was.
»Hoe gaat het met de Mijn?" vraagde Marling, nadat men plaats had
genomen.
»Welke bedoel je?" was de wedervraag van Liskey, die een Amerikaan was.
»Waarvan je inspecteur bent."
»Die is zoo even gesloten," antwoordde Liskey.
»En de andere mijnen?"
»Allemaal gesloten."
»Het ziet er bedenkelijk uit," meende Marling, het voorhoofd fronzend.
»Waarom?"
»Wel, nu loopen duizenden Kaffers leeg."
»Ja, tot den Onthoudersbond behooren ze niet," lachte de inspecteur; »ze
lusten hem droog."
»Zijt ge te Pretoria geweest?" vraagde Marling met zeer groote
belangstelling.
»Om u te dienen, eergisteren, Zaterdag."
»En hebt ge den President gesproken?" vraagde Marling.
»Dat wil zeggen, ik heb hem gezien en hooren spreken."
»En welken indruk hebt gij meêgebracht?"
»Dat Paul Kruger de Washington is der Transvaalsche Boerenrepubliek,"
antwoordde Liskey op levendigen toon.
»En wat heeft hij gezegd?"
»Ik heb het voor de merkwaardigheid opgeschreven," antwoordde de
Amerikaan.
Hij nam een notitieboekje uit den zak en las: »Indien wijze raadgevingen
niet helpen, laat dan het oproer maar losbreken, en de wind zal het
koren scheiden van het kaf. De Regeering geeft elkeen gelegenheid voor
het luchten van grieven en klachten, maar is ten volle besloten om elke
beweging tegen wet en orde te breidelen."
»Kijk," liet hij er op volgen, zijn lange beenen nu over elkander
gooiend, »ge zult me niet kunnen verwijten, dat ik overdreven voorliefde
voor de Boeren heb, maar dit is zeker waar: zij hebben een man aan het
hoofd, die weet wat hij wil."
»Maar wij weten 't ook," zei Marling.
»Jullie!" riep de Amerikaan met een onmiskenbare minachting in zijn
stem; »geef me maar een glas wijn, want ik heb dorst."
Marling schelde de meid.
»Waar is je vrouw?" vraagde Liskey op eens.
»Boven," zeide Marling kortaf, »maar om op je uitroep terug te
komen--gelooft ge niet aan de eendracht der Uitlanders?"
»Eendracht!" riep de Amerikaan met grappige verbazing, »ben je nou gek,
kerel? Een mooie eendracht! Daar heb je Engelschen, Chineezen,
Australiërs, Ieren, Duitschers, Franschen, Laplanders, schapen, bokken,
geiten, rhinocerossen en ratelslangen--een mooie eenheid!"
Hij sloeg met de hand schaterlachend op zijn knie, en wierp de lange
beenen uit elkaar.
»Ze gaan toch samen, om het kiesrecht te verkrijgen," wierp Marling er
direkt tusschen in.
»Onzin, man, onzin!" riep de Amerikaan. »Alle maal kool, apekool, wat ik
je vertel!"
»Dan liegt het verschenen Manifest!" zeide Marling bedaard.
»De opsteller is van de eerste leugen niet gebarsten," antwoordde
Liskey.
»Ge zijt van daag wreed en onbarmhartig in je oordeel," hernam Marling.
»Dacht ik het niet?" lachte de vrijpostige Amerikaan, het glas wijn
nemend, dat hem was ingeschonken: »dacht ik het niet? Als ik aan je
afgod torn, dan wordt ge boos!"
»Ik wòrd niet boos," zeide Marling, »maar ik kan toch niet dulden, dat
gij menschen, aan wier goede trouw men niet mag twijfelen, zoo
schandalig afmaakt!"
De Amerikaan nam kalm den zakdoek uit zijn zak, en sloeg het stof van
zijn lange laarzen.
»Jij praat van goede trouw, goede trouw in een goudstad--Marling, hoe
krijg je 't in je hersens? 't Is allemaal kool, wat ik je zeg!"
»De Boeren hebben in jou een goeiën pleitbezorger," zeide Charles, niet
zonder bitterheid.
»En Rhodes in _jou_," antwoordde de Amerikaan met de grootste kalmte.
»Rhodes? Rhodes heeft met de zaak net zoo min iets te maken als de
Turksche sultan!" riep Marling.
»Goeië gerustigheid!" zeide de Amerikaan vol bewondering, maar hij ging
weer zitten, wierp de lange beenen over een stoel, en ging kalmer voort:
»Dat is jouw onnoozelheid weer, Marling. Er zit muziek in, man, muziek,
en Rhodes zit achter het scherm het orgel te trappen."
»Als je 't gelooven wilt," meende Marling, de schouders minachtend
ophalend.
»De toekomst zal het uitwijzen, Marling!"
»Dat zal ze net, Liskey!"
Van de straat werd thans een groot gejoel gehoord.
»Waarschijnlijk weer een nieuwe grappenmakerij van die »eendrachtige"
Uitlanders!" lachte de Amerikaan.
Beide mannen grepen den hoed en gingen naar buiten.
Een troep gewapende burgers te paard reden met een paar Maxim-kanonnen
voorop onder zang en muziek de straat door.
»Daar heb je de helden!" riep de lange inspecteur vroolijk; »ze zullen
de Boeren beuken als stokvisch!"
Achter de troep kwam een groep burgers te voet aan, met de Transvaalsche
Vierkleur in hun midden.
Op het plein maakte deze groep halt, en onder hoonend geschreeuw werd de
Vierkleur aan flarden gescheurd.
»Zie zoo, nu zijn de Boeren verloren!" spotte de Amerikaan; »en met
zulke schepsels wil je de overwinning behalen, Marling?"
Charles zeide niets; zijn wenkbrauwen fronsten zich. Nog een paar
wenkbrauwen fronsten zich--boven hem.
Lena liet het gordijn vallen.
Haar oogen flikkerden van verontwaardiging. »Dat canaille," riep ze,
»dat schuim! Hoe durft het de godvergeten hand uit te strekken naar onze
Vierkleur! Op, Afrikaansche mannen, en wreekt dien smaad!"