HOOFDSTUK XXI.

Het was 28 December 1895.

Charles Marling zat, verdiept in het lezen eener Engelsche krant, in de

woonkamer, en tegenover hem zat zijne vrouw.

Nu, de kranten waren vol nieuws.

Kort geleden, den 20 November, had Lionel Philips, de man, die vijf jaar

geleden met 300 gulden op zak te Johannesburg was aangekomen en zich had

opgewerkt tot meervoudig millionair, chef der firma H. Eckstein & Co.

en vertegenwoordiger van eene der machtigste goudmijnmaatschappijen der

wereld, ik zeg, deze man had pas bij de plechtige opening van het nieuwe

gebouw der Kamer van Mijnen van Witwaterrand zijne groote rede gehouden,

die uitliep op eene heftigen en bitteren aanval tegen de Regeering en

den Volksraad.

»De houding der Regeering," zeide hij, »is de donkere wolk op den

toekomstigen vooruitgang, en terwijl de arme, verdrukte Uitlanders zware

belastingen moeten betalen, zijn zij van eene wettige vertegenwoordiging

en van het kiesrecht verstoken. Deze toestand is echter ondragelijk!"

De Hollandsche regeeringspartij werd natuurlijk wakker uitgescholden,

en uit de misplaatste grap van een Hollandschen zeeofficier, dat de

Transvaal de beste kolonie van Nederland is, werd heel wat politieke

munt geslagen.

Met deze dreiging eindigde Lionel Philips zijne rede: »Niets is

verder van aller wensch dan een omwenteling, die waarschijnlijk op

bloedvergieten zou uitloopen, maar hierop dient wel gelet te worden:

niet altoos zal deze maatschappij zich onderwerpen aan het wanbestuur,

en de Kamer van Mijnen zal haar best doen, om de heilige zaak van het

recht en de gerechtigheid te bevorderen."

Deze rede had natuurlijk een groote beweging veroorzaakt, en de

telegraaf had ze onmiddellijk wereldkundig gemaakt.

Doch George Farrar, bestuurder eener Mijn en populair onder de

mijnwerkers, was nog een schrede verder gegaan dan zijn meester, de heer

Philips, en had op een groote vergadering bij Boksburg de vraag gesteld:

»Wilt ge mij helpen, als er eenige kastanjes uit het vuur te halen

zijn?" En de duizende aanwezige mijnwerkers hadden geantwoord met een

donderend »ja!"

Wèlke kastanjes behoefde George Farrar niet nader aan te duiden, en wèlk

vuur evenmin. Iedereen wist het.

De goudstad was vol onrust, en aan den politieken horizon stegen de

dreigende donderkoppen snel omhoog.

Marling legde de groote krant, het was de »Star", nadenkend neer.

»De toestand wordt ernstig," zeide hij.

»Ze zoeken iets," zeide Lena.

»Wien bedoelt ge?" vraagde Marling.

»Wel--de Uitlanders."

»Er _zijn_ grieven," zeide Charles met eenigen klem.

»Waar zijn er geen?" vraagde Lena.

Marling antwoordde niet dadelijk, doch nam het blad weer ter hand.

»Hier heb ik het manifest," zeide hij, »pas uitgevaardigd door het

Hervormings-Comité van Johannesburg[12], en hij las het volgende:

[12] Dit manifest was geteekend door Charles Leonard, als voorzitter der

Natienale Unie. Doch deze dappere man, die met zoo'n gloeienden

welsprekendheid wist uit te weiden over de deugden der voorvaderen, ging

aan den haal en vluchtte naar de Kaap, nog voor dat er een Boerenhoed

van achter de klippen zichtbaar werd.

»Als wij er aan denken, dat de machthebbers tot een ander ras behooren

dan wij, een andere taal spreken, en andere bezigheden hebben, ons met

wantrouwen en vijandschap bejegenen, dat zij in den regel onopgevoed

zijn, en dat hunne hartstochten door gewetenlooze fortuinjagers worden

opgewekt, dan moeten wij toestemmen, dat wij in een zeer groot gevaar

verkeeren....

Zij, die onze rechten behoorden te verdedigen, zijn onze grootste

vijanden. De politiek der Regeering wordt beheerscht door heftige

vijandschap tegen de Engelsch-sprekende bevolking. De staatkunde van

geweld komt thans openbaar; te Pretoria wordt een fort gebouwd, en

spoedig zal nog een ander fort worden gebouwd, om Johannesburg bang te

maken. Kanonnen, Maxims, Duitsche officieren worden ingevoerd, en dat

waarom? Wij de meerderheid, moeten de inkomsten des lands stijven, en

keer op keer worden wij beleedigd. Deze politiek der Boeren kan, dunkt

ons, slechts slagen, wanneer wij al de deugden kwijt zijn, waardoor onze

voorvaderen zijn vrij geworden, en indien wij zoo laag zijn gezonken,

dat wij gereed zijn, onze eer, zelfrespect en plicht tegenover onze

kinderen te vergeten...."

Wat zegt ge daar nu van?" vraagde Marling, toen hij het Manifest had

uitgelezen.

»De Uitlander is gekomen als de gast van den Transvaalschen Boer,"

antwoordde Lena, »en heeft zich nedergezet aan zijn gastvrijen haard. En

nu vind ik het hoogst ongepast en zeer ondankbaar van den gast, dat hij

eischen gaat stellen en dreigingen laat hooren, want hij is slechts de

gast en niet de heer van het huis."

»De huisheer kan maken," hernam Marling, »dat de toestand van den gast

onhoudbaar wordt, en ik meen, dat men rechtmatige eischen altijd mag

stellen."

»Maar bovendien," ging hij voort, »uw vergelijking gaat niet op, want de

Uitlander is niet de _gast_, maar even goed een _burger_ der Republiek

als de Transvaalsche Boer."

»Wel," zeide Lena met een snellen opslag van haar donkere wimpers, »dat

is voor mij iets nieuw."

»Dat kan ik niet helpen," meende Marling, de schouders ophalend.

Ongemerkt begon het gesprek eenige scherpte te krijgen.

»Ik herhaal het," zeide Marling opnieuw, »dat de Uitlander even goed een

burger is van het land als de Transvaalsche Boer, en ge zult me moeten

toestemmen, dat de door en door conservatieve Boerenregeering met haar

patriarchaal systeem zal moeten breken."

»Breken?" antwoordde Lena, en het scheen, alsof in haar schrandere oogen

een weerschijn viel van de wijsheid die haar grootvader, de grijze Dirk

Kloppers, bezat, »breken? Neen, _niet_ breken, doch uit de windselen van

die patriarchale toestanden _langzaam uitgroeien_--dat is beter."

»Gij zijt toch een wonderlijk vernuftig vrouwke," zeide Marling op den

ouden gullen toon, maar die toon kreeg opnieuw eenige scherpte, toen hij

ernstiger voortging: »Als de stoommachine te veel spanning krijgt, dan

zal ze barsten, indien er geen veiligheidsklep is."

»En wat is die veiligheidsklep?" vraagde Lena.

»Het stemrecht voor de Uitlanders," zeide Charles.

»Stemrecht voor _Uitlanders_," riep Lena, »dat kan immers niet! De naam

van Uitlander duidt immers reeds aan, dat hij geen burger is!"

»Laten wij over geen woorden kibbelen," hernam Marling. »De zoogenaamde

Uitlanders zijn even goed burgers als de anderen; ik herhaal het nog

eens."

Lena stond op, en nam uit een tasch, die tegen den muur hing, een

Hollandsch-Afrikaansch blad.

»Luister eens," zeide zij, »wat onze president, de wijze Paul Kruger,

van dat stemrecht heeft gezegd," en zij las:

»Onze oude President heeft op eene der laatste politieke vergaderingen,

waar hij het woord voerde, op zijne eigenaardige wijze over het

kiesrecht, waarom de Uitlanders tegenwoordig zoo hard schreeuwen, het

volgende gezegd: »Menschen! De Uitlanders rijden mee in _onzen_ wagen,

en zij roepen ons toe: Geeft _ons_ de leidsels in handen! Is het nu

onbillijk, als wij hen eerst vragen: Ja, maar _waarheen_ wil jullie

rijden? En hoe, als jullie den wagen omsmijt?" Kunnen wij jullie als

koetsiers vertrouwen? Het burgerschap is bij ons als een dam, omringd

door vele wateren: deels schoon, deels vuil, maar het water binnen den

dam moet zuiver zijn en zuiver blijven. Het gaat dus niet aan, al het

buitenwater tegelijk te doen instroomen; wij moeten het langzaam

filtreeren, om het schoone water binnen te laten, en het vuile buiten

den dam te houden."

Marling's voeten bewogen zich onder het lezen ongeduldig op en neer, en

toen zijn vrouw had geëindigd, zeide hij koeltjes: »Nu ja, dien deun

kennen we wel. De Boeren zijn het gefiltreerde water en de Uitlanders

vormen het schuim, den drap en den droesem. Paul Kruger is een groot,

scherpzinnig en godvreezend man, doch als in het hart van zoo'n

uitnemend man nog zooveel nationale eigengerechtigheid schuilt, hoe moet

dan, de goeden niet te na gesproken, de rest er uitzien!"

Lena had haar man nog nooit in zoo'n geest hooren spreken, en met

smartelijke verwondering staarde zij hem aan.

Neen, die krant daar in zijn handen, die »Star" deed hem geen goed.

»Een monsterpetitie," ging hij voort, »geteekend door 32500 namen,

vraagt aan de Regeering uitbreiding van het kiesrecht, maar de Boeren

smijten de petitie natuurlijk in de snippermand."

Hij lachte, maar 't was geen gulle lach.

De Engelschman was boven gekomen in den anders zoo edeldenkenden Charles

Marling, en zijn vrouw kende hem op dit oogenblik niet.

»Charles!" riep zij, »ik begrijp je niet. De Uitlander kan langs

geleidelijken weg het kiesrecht krijgen, maar het volk, dat het

fondament van dezen staat heeft gelegd, heeft toch te waken, dat

het op te trekken gebouw niet uit de loodlijn ga!"

Lena sprak de waarheid.

De Uitlander kon het kiesrecht deelachtig worden.

Het daarop betrekking hebbende wetsartikel luidde aldus: »Personen,

van elders inkomende, kunnen tot de naturalisatie worden toegelaten,

mits zij aan den veldkornet van hun wijk of aan den landdrost van hun

district het bewijs overleggen dat zij minstens twee jaren hier te lande

zich metterwoon hebben gevestigd, en gedurende dien tijd getrouw en

gehoorzaam zijn geweest aan de wetten des lands, alsmede met overlegging

van een certificaat van een bevoegden ambtenaar, ten effecte dat zij

geen onteerend vonnis te hunnen laste hebben gehad."

Deze naturalisatie gaf recht tot stemming voor den _Tweeden_ Volksraad

(Tweede Kamer), terwijl het recht tot stemming voor den _Eersten_

Volksraad (Eerste Kamer) en President eerst na twaalf verdere jaren werd

verleend.

Nu wilde echter het geval, dat de Engelsche Uitlanders uit een gevoel

van nationaal zelfbewustzijn er niet de minste lust toe gevoelden,

om den bij de naturalisatie gevorderden eed van getrouwheid aan de

Republiek en afzwering der gehoorzaamheid aan elken anderen staat af te

leggen.

Trouwens, waartoe zouden zij ook kiezer worden? Niet de _bloei_ maar

het _goud_ der Republiek trok hen aan, en hadden zij daarvan genoeg,

dan zouden zij het stof van hun voeten schudden, en terugkeeren naar

Oud-Engeland.

»Er zijn hier in Johannesburg Engelschen, die reeds twaalf jaar in

de Transvaal hebben gewoond," zeide Charles, »hoogst fatsoenlijke

en bekwame mannen, die nog niet voor den Eersten Volksraad mogen

stemmen--is dat recht?"

»Ja," zeide ze, nu ook geprikkeld, »dat is recht. 't Is hun eigen

schuld. Maar wat wil je toch eigentlijk?"

»Ik beschuldig de Boerenregeering van dwingelandij; dat is mijn

standpunt," hernam Marling op vasten toon, doch bij deze harde woorden

week het bloed uit Lena's gelaat, en de dochter der vrije

Emigranten-Boeren[13] werd wakker in de jonge vrouw.

[13] De Afrikaansche Boeren, die in 1836 en later den grooten Trek

ondernamen uit de Kaapkolonie, werden Emigranten-Boeren genoemd.

»Charles," zeide ze langzaam maar met waardigheid, »het is een

ongelukkig oogenblik geweest in uw leven, toen gij lid zijt geworden

der Engelsche Vereeniging te dezer stede, want gij wordt misleid en

bedrogen. Neen, het gaat niet om het kiesrecht, maar de hond moet slaag

hebben, en elken stok kan dienst doen. De Transvaalsche Republiek moet

er onder, omdat het zoo treft, dat de rijkste goudaderen der wereld door

haar gebied loopen. En Cecil Rhodes, die koning is in het land, dat naar

hem Rhodesia is genoemd, doch dat beter genoemd kan worden Fraudesia,

want het is een land van bedrog, wordt ongeduldig, omdat de Vierkleur

nog altijd wappert te Pretoria. Daarom moet er opstand worden gemaakt,

muiterij. Dan kan de Engelsche regeering tusschenbeide komen, den

opstand sussen en tot belooning de rijke goudmijnen van den Witwaterrand

inpalmen.

Denkt ge werkelijk, dat het om het kiesrecht te doen is? Waarom is het

dan die rechtschapen mannen, waarvan gij spreekt, en die nu al twaalf

jaar in de Transvaal hebben gewoond, nu pas in den zin gekomen, om het

kiesrecht te vragen?"

Haar oogen schitteren, terwijl zij dit zeide, en een hooge blos van

toorn en verontwaardiging kleurde haar wangen.

Doch Marling was kalmer geworden, en zeide bedaard: »Ik houd Cecil

Rhodes, voor een eerlijk, rechtschapen man, en hij staat buiten de

Johannesburger beweging."

»Gave God, dat het waar was!" zuchtte Lena.

Intusschen kwam de kindermeid met den kleinen Albert binnen, en de

moeder, nam het ventje over.

»Hoe hij toch groeit!" riep Marling uit, en de hand op Lena's schouder

leggend, zeide hij mild en vriendelijk: »Kom vrouwtje, wij zullen niet

meer praten over de politiek; wij hebben wel iets beters te doen."

»Maar manlief is er mee begonnen," meende Lena op half schertsenden

toon.

»Die er weer over begint, verbeurt elken keer een shilling," zeide

Marling.

»Aangenomen!" antwoordde Lena, en lachend sloeg zij in zijn uitgestoken

hand.

Te samen zaten zij nog een wijle te spreken over allerlei kleine

huiselijke aangelegenheden, waarover de huisvrouwen in den regel zoo

gaarne met hunne mannen spreken, totdat het tijd werd voor het kantoor.

Lena echter had nu haar werk met den kleinen woelwater, en toen zij hem

in zijn bedje had neergelegd, was zij alleen.

Doch zij was niet zoo opgeruimd als anders.

Het gesprek van zooeven kwam haar weer levendig voor den geest, en al

was het met een scherts geëindigd, in dien scherts lag een bittere

nasmaak.

Immers over de politiek, dat wil zeggen over de toekomst van haar volk,

mocht niet meer worden gesproken, omdat er de huiselijke vrede mee werd

bedreigd.

De schemering viel nu in, en zij voelde zich neerslachtig. Doch al

haastte zij zich, om de lamp aan te steken, haar neerslachtigheid wilde

niet wijken.

Was het de staatkunde van Rhodes, die haar schaduw wierp tot in de

binnenkameren van Johannesburg? Was het onweer in aantocht waarvan haar

grootvader had gesproken vóór haar huwelijk, en werden de eerste

donderkoppen van dat onweer reeds zichtbaar?

Zij wilde er niet aan denken en sloeg den bijbel open. Maar een angstig

voorgevoel greep hare ziel aan, en vol vreeze staarde zij in de

toekomst.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 29 / 53 题