HOOFDSTUK XX.

Het verlies van zijn vrouw is toch een harde slag geweest voor den ouden

baas Kloppers.

De vrienden en kennissen, die in grooten getale bij de begrafenis

tegenwoordig waren fluisterden tot elkander: »Ge zult zien, dat Dirkoom

het nu ook niet lang meer zal maken."

Men kan 't hem dan ook aanzien, dat hij er mee geleden heeft. Het

forsche van den Afrikaanschen Boer heeft plaats gemaakt voor een waas

van weemoed en droefheid, en de krachtige gestalte schijnt gebogen.

Dikwerf kan men hem vinden heel aan het achtereinde van den grooten

tuin, waar groene cypressenboomen hun schaduw werpen, en waar Kloppers'

familiegraven liggen.

Daar zijn reeds verscheidene loten van den krachtigen Kloppersstam

neergelegd tot de laatste ruste, en ook de oude meesteres van Vredenoord

heeft hier een rustplaats gevonden, nu acht dagen geleden.

Eenzaam en verlaten voelt zich de grijsaard, en een stil heimwee naar

het eeuwige Vaderland vervult zijn ziel.

Hij staart naar den zwaarbewolkten, droeven hemel, terwijl de

regendruppels als groote tranen langs de ruiten neerglijden, en zet zich

weer neder aan de tafel, terwijl de oude, van koperen beslag voorziene

Staten-bijbel aan de voorzijde opengeslagen voor hem ligt.

De witte bladen voorin zijn volgeschreven met aanteekeningen. Doch er

zijn nog een belangrijk aantal witte bladen bijgevoegd, die allen op

weinige ruimte na eveneens zijn volgeschreven.

Het papier was geel geworden van ouderdom, en op sommige plekken door de

mot aangetast.

Langzaam gaan de oogen van den grijsaard over de regels heen, doch bij

sommige aanteekeningen verwijlt hij langer en leest ze nog eenmaal over.

Zoo leest hij:

»9 Maart 1816. Heden woonde ik de terechtstelling bij van vijf

Afrikaansche Boeren: H. Prinslo, S. Bothma, C. Faber, T. de Klerk en A.

C. Bothma te Slachtersnek. Zij waren een dwazen opstand begonnen tegen

het Engelsche gezag, en veroordeeld tot den strop. Ik zag de vijf sterke

mannen hangen aan de galg, en hoop nooit meer zoo iets te zien, want het

is wreed en afschuwelijk. Maar de galg brak, en wij hoopten vurig, dat

de Engelsche regeering nu pardon zou geven, want de ongelukkigen hadden

geen druppel bloed vergoten. Ook was het hartroerend, hoe de aanwezige

vrouwen en kinderen om het leven van hun mannen en vaders smeekten.

Het mocht echter niet baten, want de Engelsche politiek is harder dan

de rots van Slachtersnek. Zoo zijn die vijf ongelukkigen dan ten tweeden

male opgehangen en gestorven, en hun lijken onder de galg begraven. Maar

ik heb een duren eed gezworen tot God Almachtig, dat ik de daad van den

Engelschen Slachter diep zal inprenten in het hart mijner kinderen en

kindskinderen."

* * * * *

»October 1818. Wij leven door de ellendige Engelsche kafferpolitiek

in aanhoudenden oorlog met de aangrenzende kafferstammen. Zij hebben

gisteren, terwijl ik op kommando was, honderd van mijn beesten gestolen,

mijn ossenwagens vernield en mijn huis afgestookt. Mijn vrouw is met de

kinderen het bosch ingevlucht en heeft zoo het leven gered."

* * * * *

»4 Augustus 1820. Mijn geliefde vrouw is gister, ten gevolge van al den

schrik en ellende, door de stroopende kafferstammen veroorzaakt,

gestorven in den ouderdom van ruim 59 jaren."

* * * * *

»6 Maart 1822. Ik ben weer terug van het kommando. Ik en Gert hebben

met onze vrienden 26 weken achtereen op het kommando gestaan, om de

oproerige kaffers in toom te houden. Verleden Woensdag had het geen

haar gescheeld of Gert was gedood geworden door de sabel van een

kafferkapitein, maar ik zag het aankomen en strekte mijn arm uit boven

Gert's hoofd, want ik had niets anders bij de hand, om hem tot schild te

dienen. De kafferkapitein sloeg den arm in eens af, maar ik zorgde er

voor, dat het zijn laatsten slag was. Gert kwamen de tranen in de oogen,

toen hij den arm opnam, maar ik begon te lachen, want ik had in dien arm

altijd zoo'n koppige rheumatiek gehad, en ik dacht, dat ik daar nu wel

geen last meer van hebben zou."

* * * * *

De lezer kijkt van de geel geworden familiebladen even op.

Hij heeft den schrijver, zijn grootvader, goed gekend.

Nu begint hij weer te lezen: een reeks aanteekeningen over nieuwe

kafferoorlogen, droogte, sprinkhanen, huwelijken, geboorte- en

sterfgevallen, alles in bonte afwisseling, doch dan volgde de hand van

een ander, van den zoon van den vroegeren kroniekschrijver, namelijk

Gert Kloppers.

»6 Maart 1835. Vader is stekeblind geworden van ouderdom, en ik zal in

zijne plaats deze aanteekeningen voortzetten. Wij Afrikaansche Boeren

hebben hier gisteren een groote bijeenkomst gehad, en het plan is

gerijpt, om te trekken, want wij gaan liever onder de wilde kaffers en

de wilde dieren, dan te blijven onder het ondragelijk geworden juk van

Engeland."

* * * * *

»15 Juni 1835. Vader is gisteren de ruste ingegaan, die er overblijft

voor het volk van God."

* * * * *

De nu volgende aanteekeningen waren bijna uitsluitend gewijd aan de

Trek over de Vaal-rivier, de bloedige worstelingen met de Kaffers, het

duivelsche verraad van Dingaan, den Zoeloe-koning, en den oorlog tegen

Engeland om Natal. Doch tusschen deze als met bloed en tranen geschreven

regelen vindt de lezer deze aanteekening.

»17 October 1839. Heden is Dirk in het huwelijk getreden met Anna

Jansen. Moge de Heere de derde zijn in dit verbond."

* * * * *

De grijsaard slaat nu verscheidene bladzijden om en leest vervolgens:

»28 Maart 1852. Ik ben terug van de groote volksvergadering te

Rustenberg. Den 11den verkondigde saluutschoten de komst van

kommandant-generaal Potgieter en zijn partij, terwijl vier dagen later

Pretorius en zijn aanhang kwam. De burgeroorlog stond nu op het punt om

uit te barsten tusschen broeders van hetzelfde huis, doch ik betuig voor

God, dat mijn geweer ongeladen was, want mijn hart was diep bezwaard

en bekommerd om mijn volk. Ik zal den nacht van 15 op 16 Maart nooit

vergeten. Het was een stille, vriendelijke nacht, en ik riep tot God

om uitkomst. Voor zonsopgang den 16den gingen onze ouderlingen de

voormannen spreken, en men kwam overeen, dat er in Potgieters tent

een samenkomst zou plaats hebben. Het volk werd er van onderricht, en

schaarde zich in diepe stilte en groote spanning voor de tent, want van

deze samenkomst hing vrede af of broedermoord.

Ik ben niet licht vervaard, want mijn hart sloeg er niet sneller om,

toen mijn geweer verleden jaar ketste en een leeuw mij tot op vijf

pas afstands naderde, doch in dit oogenblik, nu het tentlinnen werd

weggeslagen, sloeg mij het hart. Maar een kreet van gejuich en vreugde,

vermengd met snikken en tranen, steeg omhoog, toen wij hen zagen staan,

Pretorius en Potgieter, de vaders van ons volk, niet als grimmige

vijanden, maar als verzoende broeders, elkander de hand drukkend boven

den opengeslagen bijbel."

* * * * *

Er kwamen nog een groote reeks familieberichten en nationale

gebeurtenissen, blijde en droeve, zooals het leven ze oplevert, doch

eindelijk ontviel de pen aan de hand van den krachtigen, godvreezenden

Gert Kloppers, en hij stierf.

En weer nam een andere hand de taak van kroniekschrijver over. Dat is de

grijsaard daar voor u: Dirk, de oudste zoon van wijlen Gert Kloppers.

Maar ook deze hand zal weldra door eene andere worden vervangen, want

als men drie en tachtig jaar oud is, staat men dicht bij het graf.

De oude man staat op van de tafel, en staart weer naar buiten, naar de

groote zware wolken, die laag aan het zwerk voorbijtrekken en denkt aan

het verleden, aan dien 17den October 1839.

't Is hem alsof het pas gisteren was gebeurd: de bruid in den dubbelen

glans van schoonheid en jeugd, en de bruidegom met een hart vol idealen!

En die bruidegom was hij!

En die bruid heette Anna Jansen!

Zij had een ruiker van geurende veldbloemen in de hand die hij voor

haar had geplukt aan den rand van een rotskloof.

Die dag, die bruiloftsdag--hoe was hij toch zoo vol geweest, van glans

en van schoonheid!

En nu--! Wat is er van dat alles gebleven--!

Een oud man met het heimwee in het hart en een kleine grafheuvel onder

de groene cypressen, daar achter in den tuin....

De grijsaard kijkt naar den ouden lindeboom voor 't huis.

De boom steunt en kraakt in het noodweer.

»Hoe lang hij 't nog wel maken zal!" denkt de oude man.

* * * * *

De wind wordt sterker; de ramen rammelen in hunne sponningen en de

verwelkte bladen van de lindeboom dwarrelen tegen den grond.

»Dat is nu het leven van den mensch!" zucht de grijsaard, »een

verwelkend blad, opgenomen door den wind, vertreden in slijk en modder!"

IJdelheid der ijdelheden--het is alles ijdelheid!

De mensch wurmt en zwoegt en slaaft in een wereld, die hem te eng is, en

ten slotte neemt hij voor lief met het enge kamerke tusschen een paar

schamele planken......

* * * * *

Maar Dirk Kloppers is een geloovige.

En opblikkend uit dit tranendal, dat den stempel der vergankelijkheid en

ijdelheid op het voorhoofd draagt, ziet hij de onvergankelijkheid der

toekomende stad.

En hij sterkt zich in zijn God. En de pen opnemend, schrijft hij

onder den datum: »Mijne geliefde echtgenoote Anna, dochter van Barend

Jansen, overleden in den ouderdom van bijna 82 jaren, na eene gelukkige

echtverbintenis van 56 jaren. Zij is zalig ontslapen in haar Heer en

Heiland, en hare gedachtenis zal in zegening zijn."

Het register is nu bijna vol; er schieten slechts een paar regels ruimte

meer over.

»Nog juist genoeg, om mijn overlijden te melden," meent de grijsaard den

grooten Staten-bijbel langzaam dicht slaande.

Dan staart hij weer peinzend naar buiten.

Nog altijd trekken groote, zware wolken door het luchtruim; stormwind

giert om de woning, en de regen klettert tegen de ruiten.

Het landschap heeft een verlaten aanzien, en het firmament is grauwer

dan lood.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 28 / 53 题