Het verlies van zijn vrouw is toch een harde slag geweest voor den ouden
baas Kloppers.
De vrienden en kennissen, die in grooten getale bij de begrafenis
tegenwoordig waren fluisterden tot elkander: »Ge zult zien, dat Dirkoom
het nu ook niet lang meer zal maken."
Men kan 't hem dan ook aanzien, dat hij er mee geleden heeft. Het
forsche van den Afrikaanschen Boer heeft plaats gemaakt voor een waas
van weemoed en droefheid, en de krachtige gestalte schijnt gebogen.
Dikwerf kan men hem vinden heel aan het achtereinde van den grooten
tuin, waar groene cypressenboomen hun schaduw werpen, en waar Kloppers'
familiegraven liggen.
Daar zijn reeds verscheidene loten van den krachtigen Kloppersstam
neergelegd tot de laatste ruste, en ook de oude meesteres van Vredenoord
heeft hier een rustplaats gevonden, nu acht dagen geleden.
Eenzaam en verlaten voelt zich de grijsaard, en een stil heimwee naar
het eeuwige Vaderland vervult zijn ziel.
Hij staart naar den zwaarbewolkten, droeven hemel, terwijl de
regendruppels als groote tranen langs de ruiten neerglijden, en zet zich
weer neder aan de tafel, terwijl de oude, van koperen beslag voorziene
Staten-bijbel aan de voorzijde opengeslagen voor hem ligt.
De witte bladen voorin zijn volgeschreven met aanteekeningen. Doch er
zijn nog een belangrijk aantal witte bladen bijgevoegd, die allen op
weinige ruimte na eveneens zijn volgeschreven.
Het papier was geel geworden van ouderdom, en op sommige plekken door de
mot aangetast.
Langzaam gaan de oogen van den grijsaard over de regels heen, doch bij
sommige aanteekeningen verwijlt hij langer en leest ze nog eenmaal over.
Zoo leest hij:
»9 Maart 1816. Heden woonde ik de terechtstelling bij van vijf
Afrikaansche Boeren: H. Prinslo, S. Bothma, C. Faber, T. de Klerk en A.
C. Bothma te Slachtersnek. Zij waren een dwazen opstand begonnen tegen
het Engelsche gezag, en veroordeeld tot den strop. Ik zag de vijf sterke
mannen hangen aan de galg, en hoop nooit meer zoo iets te zien, want het
is wreed en afschuwelijk. Maar de galg brak, en wij hoopten vurig, dat
de Engelsche regeering nu pardon zou geven, want de ongelukkigen hadden
geen druppel bloed vergoten. Ook was het hartroerend, hoe de aanwezige
vrouwen en kinderen om het leven van hun mannen en vaders smeekten.
Het mocht echter niet baten, want de Engelsche politiek is harder dan
de rots van Slachtersnek. Zoo zijn die vijf ongelukkigen dan ten tweeden
male opgehangen en gestorven, en hun lijken onder de galg begraven. Maar
ik heb een duren eed gezworen tot God Almachtig, dat ik de daad van den
Engelschen Slachter diep zal inprenten in het hart mijner kinderen en
kindskinderen."
* * * * *
»October 1818. Wij leven door de ellendige Engelsche kafferpolitiek
in aanhoudenden oorlog met de aangrenzende kafferstammen. Zij hebben
gisteren, terwijl ik op kommando was, honderd van mijn beesten gestolen,
mijn ossenwagens vernield en mijn huis afgestookt. Mijn vrouw is met de
kinderen het bosch ingevlucht en heeft zoo het leven gered."
* * * * *
»4 Augustus 1820. Mijn geliefde vrouw is gister, ten gevolge van al den
schrik en ellende, door de stroopende kafferstammen veroorzaakt,
gestorven in den ouderdom van ruim 59 jaren."
* * * * *
»6 Maart 1822. Ik ben weer terug van het kommando. Ik en Gert hebben
met onze vrienden 26 weken achtereen op het kommando gestaan, om de
oproerige kaffers in toom te houden. Verleden Woensdag had het geen
haar gescheeld of Gert was gedood geworden door de sabel van een
kafferkapitein, maar ik zag het aankomen en strekte mijn arm uit boven
Gert's hoofd, want ik had niets anders bij de hand, om hem tot schild te
dienen. De kafferkapitein sloeg den arm in eens af, maar ik zorgde er
voor, dat het zijn laatsten slag was. Gert kwamen de tranen in de oogen,
toen hij den arm opnam, maar ik begon te lachen, want ik had in dien arm
altijd zoo'n koppige rheumatiek gehad, en ik dacht, dat ik daar nu wel
geen last meer van hebben zou."
* * * * *
De lezer kijkt van de geel geworden familiebladen even op.
Hij heeft den schrijver, zijn grootvader, goed gekend.
Nu begint hij weer te lezen: een reeks aanteekeningen over nieuwe
kafferoorlogen, droogte, sprinkhanen, huwelijken, geboorte- en
sterfgevallen, alles in bonte afwisseling, doch dan volgde de hand van
een ander, van den zoon van den vroegeren kroniekschrijver, namelijk
Gert Kloppers.
»6 Maart 1835. Vader is stekeblind geworden van ouderdom, en ik zal in
zijne plaats deze aanteekeningen voortzetten. Wij Afrikaansche Boeren
hebben hier gisteren een groote bijeenkomst gehad, en het plan is
gerijpt, om te trekken, want wij gaan liever onder de wilde kaffers en
de wilde dieren, dan te blijven onder het ondragelijk geworden juk van
Engeland."
* * * * *
»15 Juni 1835. Vader is gisteren de ruste ingegaan, die er overblijft
voor het volk van God."
* * * * *
De nu volgende aanteekeningen waren bijna uitsluitend gewijd aan de
Trek over de Vaal-rivier, de bloedige worstelingen met de Kaffers, het
duivelsche verraad van Dingaan, den Zoeloe-koning, en den oorlog tegen
Engeland om Natal. Doch tusschen deze als met bloed en tranen geschreven
regelen vindt de lezer deze aanteekening.
»17 October 1839. Heden is Dirk in het huwelijk getreden met Anna
Jansen. Moge de Heere de derde zijn in dit verbond."
* * * * *
De grijsaard slaat nu verscheidene bladzijden om en leest vervolgens:
»28 Maart 1852. Ik ben terug van de groote volksvergadering te
Rustenberg. Den 11den verkondigde saluutschoten de komst van
kommandant-generaal Potgieter en zijn partij, terwijl vier dagen later
Pretorius en zijn aanhang kwam. De burgeroorlog stond nu op het punt om
uit te barsten tusschen broeders van hetzelfde huis, doch ik betuig voor
God, dat mijn geweer ongeladen was, want mijn hart was diep bezwaard
en bekommerd om mijn volk. Ik zal den nacht van 15 op 16 Maart nooit
vergeten. Het was een stille, vriendelijke nacht, en ik riep tot God
om uitkomst. Voor zonsopgang den 16den gingen onze ouderlingen de
voormannen spreken, en men kwam overeen, dat er in Potgieters tent
een samenkomst zou plaats hebben. Het volk werd er van onderricht, en
schaarde zich in diepe stilte en groote spanning voor de tent, want van
deze samenkomst hing vrede af of broedermoord.
Ik ben niet licht vervaard, want mijn hart sloeg er niet sneller om,
toen mijn geweer verleden jaar ketste en een leeuw mij tot op vijf
pas afstands naderde, doch in dit oogenblik, nu het tentlinnen werd
weggeslagen, sloeg mij het hart. Maar een kreet van gejuich en vreugde,
vermengd met snikken en tranen, steeg omhoog, toen wij hen zagen staan,
Pretorius en Potgieter, de vaders van ons volk, niet als grimmige
vijanden, maar als verzoende broeders, elkander de hand drukkend boven
den opengeslagen bijbel."
* * * * *
Er kwamen nog een groote reeks familieberichten en nationale
gebeurtenissen, blijde en droeve, zooals het leven ze oplevert, doch
eindelijk ontviel de pen aan de hand van den krachtigen, godvreezenden
Gert Kloppers, en hij stierf.
En weer nam een andere hand de taak van kroniekschrijver over. Dat is de
grijsaard daar voor u: Dirk, de oudste zoon van wijlen Gert Kloppers.
Maar ook deze hand zal weldra door eene andere worden vervangen, want
als men drie en tachtig jaar oud is, staat men dicht bij het graf.
De oude man staat op van de tafel, en staart weer naar buiten, naar de
groote zware wolken, die laag aan het zwerk voorbijtrekken en denkt aan
het verleden, aan dien 17den October 1839.
't Is hem alsof het pas gisteren was gebeurd: de bruid in den dubbelen
glans van schoonheid en jeugd, en de bruidegom met een hart vol idealen!
En die bruidegom was hij!
En die bruid heette Anna Jansen!
Zij had een ruiker van geurende veldbloemen in de hand die hij voor
haar had geplukt aan den rand van een rotskloof.
Die dag, die bruiloftsdag--hoe was hij toch zoo vol geweest, van glans
en van schoonheid!
En nu--! Wat is er van dat alles gebleven--!
Een oud man met het heimwee in het hart en een kleine grafheuvel onder
de groene cypressen, daar achter in den tuin....
De grijsaard kijkt naar den ouden lindeboom voor 't huis.
De boom steunt en kraakt in het noodweer.
»Hoe lang hij 't nog wel maken zal!" denkt de oude man.
* * * * *
De wind wordt sterker; de ramen rammelen in hunne sponningen en de
verwelkte bladen van de lindeboom dwarrelen tegen den grond.
»Dat is nu het leven van den mensch!" zucht de grijsaard, »een
verwelkend blad, opgenomen door den wind, vertreden in slijk en modder!"
IJdelheid der ijdelheden--het is alles ijdelheid!
De mensch wurmt en zwoegt en slaaft in een wereld, die hem te eng is, en
ten slotte neemt hij voor lief met het enge kamerke tusschen een paar
schamele planken......
* * * * *
Maar Dirk Kloppers is een geloovige.
En opblikkend uit dit tranendal, dat den stempel der vergankelijkheid en
ijdelheid op het voorhoofd draagt, ziet hij de onvergankelijkheid der
toekomende stad.
En hij sterkt zich in zijn God. En de pen opnemend, schrijft hij
onder den datum: »Mijne geliefde echtgenoote Anna, dochter van Barend
Jansen, overleden in den ouderdom van bijna 82 jaren, na eene gelukkige
echtverbintenis van 56 jaren. Zij is zalig ontslapen in haar Heer en
Heiland, en hare gedachtenis zal in zegening zijn."
Het register is nu bijna vol; er schieten slechts een paar regels ruimte
meer over.
»Nog juist genoeg, om mijn overlijden te melden," meent de grijsaard den
grooten Staten-bijbel langzaam dicht slaande.
Dan staart hij weer peinzend naar buiten.
Nog altijd trekken groote, zware wolken door het luchtruim; stormwind
giert om de woning, en de regen klettert tegen de ruiten.
Het landschap heeft een verlaten aanzien, en het firmament is grauwer
dan lood.