HOOFDSTUK XIX.

Welgemoed heeft de oude Dirk Kloppers zijn reis voortgezet, en thans

heeft hij Vredenoord bereikt.

Het verwondert hem echter, de oprijlaan inbuigende, dat zijne vrouw hem

niet tegemoet komt.

Dat is toch haar gewoonte geweest.

In den regel placht zij tegen den dag, dat de baas van Vredenoord werd

terug verwacht, door het raam der bovenwoning uit te kijken, en zag zij

dan de witte, golvende manen van den schimmel, dan ging zij den

naderende vlug tegemoet.

Doch dezen keer ziet de oude Voortrekker niets, en Vredenoord schijnt

doodsch en verlaten. De groote kettinghonden liggen--het is een warme

namiddag--met de tongen uit den breeden muil te doezelen naast hun

hokken, en kafferliederen noch kinderstemmen worden gehoord. Slechts

een paar struisvogels stappen met lange pooten over het erf, en eenige

kalveren hebben zich naast hun moeders neergevleid in de schaduw van het

geboomte, dat de oprijlaan omzoomt.

Een angstig voorgevoel pakt den grijsaard, doch het is voor hem een

verlichting, dat de kleine Sien komt aanloopen.

De kleine is geducht uit de kluiten gegroeid, sinds wij haar het laatst

hebben ontmoet, en de mouwen van haar jurkje zijn veel te kort geworden.

»Dag Opa," roept de kleine met vroolijke stem.

Die kinderstem verkwikt hem.

»Waar is Grootmoeder?" vraagt hij.

»Opoe is ziek," antwoordt de kleine; »toe, Opa, zet me op den schimmel,"

en zij strekt haar mollige armpjes omhoog. Doch nu de grijsaard hoort,

dat zijn vrouw ziek is, haast hij zich, om uit het zadel te komen, snelt

naar de huisdeur en opent ze.

Hij ontdekt niemand. Ook in het woonvertrek is niemand te zien.

Hij ontdoet zich haastig van geweer en bandelier, en door klimmende

onrust aangegrepen, gaat hij naar de zijkamer.

Jan, zijn zoon, en Geertrui, zijn schoondochter, zitten daar, en beiden

keeren zich naar de deur, waardoor de grijsaard thans binnentreedt.

Jan ziet er bedrukt uit, en Geertrui heeft beschreide oogen.

»Is hij er?" hoort hij een zwakke stem vragen.

»Ja, hij is er, Anneke!" zegt de grijsaard vol teederheid, buigt zich

over de kranke heen, die in de groote, bruine geverfde bedstee ligt, en

kust haar op de drooge brandende lippen.

»Ge hebt je zeker verwonderd, Vaderke, dat ik je niet tegemoet kwam?"

zegt ze.

Vaderke is zoo'n lievelingsuitdrukking van de oude.

»Zijt ge ziek, Anneke?" vraagt de grijsaard in groote bezorgdheid.

»Ja," fluistert ze, »zeer ziek!"

Zij heeft het hoofd eenigszins opgericht, doch valt nu machteloos terug

in het kussen.

Kloppers kijkt zijn zoon vragend aan.

»Moeder heeft een beslag gehad," zegt Jan.

»Wanneer?"

»Van nacht. Gisteren klaagde ze reeds over duizelingen."

De grijsaard steunt.

Wanneer een vrouw op twee en tachtigjarigen leeftijd een beslag krijgt,

valt er niet veel meer te hopen.

De oude Kloppers weet genoeg.

»Is er tijding gezonden aan de familie, Jan?"

»Ik heb heden morgen vier boden afgezonden."

»Als ze maar niet te laat komen," denkt de oude man, doch hij zegt

niets.

Hij zet zich neder op een rietmatten stoel naast het hoofdeinde der

bedstede.

De zieke zoekt zijn handen en houdt ze vast.

»Wat ben ik blij, dat ik je nog mag zien!" zegt ze. »Ik vreesde, dat je

nog te laat zoudt komen."

»Denkt ge, dat het sterven zal worden?" vraagt hij.

»Gij denkt het ook," zegt ze en staart hem aan.

De grijsaard antwoordt niet.

»Is het licht op uw pad?" vraagt hij na een wijle.

»Neen," zegt ze, »donker--o zoo donker. Mijn hart en mijn ziel

versmachten in een land, dor en mat, zonder water."

»Vlak voor den morgen is de nacht het donkerst," troost de oude man, »en

de almachtige en genadige God kan de woestijn laten ruischen van water."

»Ik wil het niet tegenspreken," zegt ze op afgebroken toon, »maar ik heb

er geen vat aan. Mijn ziel dwaalt rond in een wereld van verlatenheid."

»Het kan nog veranderen," meent de grijsaard.

»Ik vrees er voor," zegt ze; »ik zal met de nachtschuit weg moeten,

Dirk."

»Nu, met de nachtschuit of op een triumfwagen--het einde zal toch vrede

zijn," zegt Kloppers. »Niet het _sterven_, maar het _leven_ beslist over

de eeuwigheid."

Hij sprak zijn overtuiging uit. Hij wist, dat zijne vrouw was eene

gekende des Heeren, en dat haar anker lag in het binnenste heiligdom.

De oude vrouw Kloppers was eene zwakgeloovige in tegenstelling met haar

man, die sterk en krachtig was in het geloof, en bij wien de vezelen van

zijn innerlijkst bestaan waren vastgegroeid in het eeuwige Woord van

God, zoodat hij onbeweegelijk stond als een eik, welks wortelen zich

hebben vastgeslagen in de scheuren en spleten der rots.

»Laten wij bidden," zegt hij.

Met Jan en Geertrui knielt hij neder, en de stervende vouwt de handen

samen, doch na het gebed klaagt de kranke: »Ik kan niet bidden, niet

gelooven, niets! Ik voel me zoo moede en bezwaard!"

»Al kunt ge niet bidden," troost haar man, »uwe trouwe Hoogepriester

bidt toch voor u."

Zij knikt met het hoofd, en er volgt een pauze.

»Wat klopt daar aan het raam?" vraagt zij.

Zij is nog in het volle bezit harer vermogens; zij richt zich zelfs een

weinig op.

»Ach, dat zijn mijn duiven," zegt ze. »Ze pikken tegen het raam, omdat

de oude vrouw hun geen voeder heeft gegeven. Jan verzorg ze even!"

Jan haast zich, om aan dat verlangen te voldoen, en strooit wat maïs op

het vensterkozijn.

De duiven pikken het voeder op, kijken nog even met hun vriendelijke

kopjes door het raam, en vliegen klapwiekend weg, terwijl hun schaduw

voorbij glijdt tegen den muur van de kamer.

Jan kijkt intusschen den grijsaard aan, die daar nog altijd zit in de

bestoven kleeding, waarmede hij van de reis is gekomen.

»Vader," zegt Jan, »neem wat rust; Geertrui en ik zullen bij moeder

blijven," doch de grijsaard schudt het hoofd.

»Gij zijt vermoeid van de lange reis," smeekt Jan.

»Dat hindert niet," antwoordt de oude man. »Uw moeder heeft voor

mij zoo dikwijls de hitte van den dag en de koude van den nacht

getrotseerd--licht, dat ik bij haar blijf in haar laatste uren."

En zoo zit hij, de drie-en-tachtigjarige, van 's namiddags vier uur tot

den anderen morgen negen uur, volle zeventien uren, bij de sponde van

de stervende, haar die kleine geriefelijkheden bewijzend, die men zoo

gaarne aan zijne liefste betrekkingen bewijst.

Doch nu is zijn kracht ook op, en terwijl zijn zoon Jan zijn plaats

inneemt, werpt hij zich gekleed te bed, om een korte doch verkwikkende

rust genieten.

* * * * *

Hij had drie uur gerust--de zon had juist de middaghoogte bereikt--toen

Jan den grijsaard wekte.

»Moeder verlangt naar u," zeide hij.

»Hoe gaat het?" vraagde de oude man.

»Moeder is in eene buitengewone stemming."

De grijsaard spoedde zich naar de ziekekamer.

»O Dirk," riep de zieke, zijn beide handen grijpend, »ik zal niet met de

nachtschuit vertrekken."

Hij schikte haar kussen goed.

»Ik vertrek met volle zeilen," riep zij met zeldzaam heldere, bijna

juichenden stem: »met volle zeilen! in het licht der eeuwige zon."

De grijsaard keek haar vorschend en bezorgd in de oogen, doch zijn

bezorgdheid verdween als nevel voor den middagglans.

Er was geen spoor van overprikkeling in haar oogen--zij was nooit

helderder van geest geweest, en de oude Voortrekker riep met bewogen

maar krachtige stem: »God zij geloofd en geprezen!"

Van het erf hoorde men thans het getrappel van paarden, en vier van

Kloppers' zonen traden binnen.

Het waren forsch gebouwde mannen met reeds grijzende haren, iets ouder

dan Jan.

Zij waren midden in den nacht van huis gegaan, en hadden een rit van

twaalf uur achter den rug.

»Ook dàt nog!" riep de stervende; »ik mag ook mijn kinderen nog zien!"

Zij vouwde haar handen en fluisterde: »Heere, ik ben geringer dan al

Uwe weldadigheden."

Zij kuste haar zonen, vraagde haar naar den welstand van hun

huisgezinnen, en zeide op zachten toon: »Laat Daniël nu ook binnen

komen."

Doch bij dit woord ging er een aarzeling over het gelaat van den ouden

Boer.

Zij merkte die aarzeling op en hernam: »Toe, lieveling, doe het; al is

hij een Kaffer, hij heeft den Heiland lief, en meer dan ooit voel ik mij

op dit oogenblik verbonden aan allen, die Jezus liefhebben!"

»Het zal wel noodzakelijk zijn," liet zij er nadenkend op volgen, »dat

er onder deze bedeeling een zekere afstand bestaat tusschen den blanke

en zwarte in Afrika, doch voor de poorten des doods valt die afstand

weg!"

Jan riep den Kaffer.

Schoorvoetend trad hij binnen en staarde met schroom naar de Boeren,

wier vochtige oogen op de stervende waren gericht, doch plotseling

snelde hij op zijne oude meesteres toe, knielde aan haar sponde en kuste

eerbiedig haar hand.

»Ik ga vertrekken," zeide zij zacht.

»Naar het Vaderhuis," zeide hij, »waar de vele woningen zijn."

»En nu willen wij nog eens den lof des Heeren bezingen, Daniël," ging

zij voort, »voor de genade, aan mij, een arme zondares, bewezen, en gij

moogt ook meezingen, want wat zegt de Psalmist van den zwarte, Daniël?"

Toen vouwde de Kaffer de handen, en antwoordde met zijn welluidende

stem:

»De Filistijn, de Tyriër, de Mooren

Zijn binnen u, o Godstad! voortgebracht;

Van Zion zal het blijde nageslacht

Haast zeggen: Deez' en die is daar geboren!"

Zij knikte met het hoofd, en zag nu haar man aan.

»Wat zullen wij dan zingen, Anneke?" vraagde hij.

»Mijn lievelingsvers!" zeide zij.

Toen zong de kleine gemeente met snikken en tranen:

»God heb ik lief, want die getrouwe Heer

Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen,

Hij neigt Zijn oor; 'k roep tot Hem al mijn dagen,

Hij schenkt mij hulp; Hij redt mij keer op keer!"

Moeder Kloppers zelf zong het geheele vers mee.

Jan keek zijn vader aan, want nieuwe hoop begon te gloren in zijn

betraande oogen, doch de oude Kloppers wist wel beter. Voordat de kaars

des levens uitgaat, flikkert zij gemeenlijk nog eenmaal op, en gaat dan

uit met een zucht.

»Hoe gaat het nu Moederke?" vraagde de grijsaard na een wijle.

»Goed," zeide ze, »goed! Maar ik ben aan het einde van mijn

pelgrimsreis, en we zullen afscheid nemen!"

Ach, dat is een aangrijpende zaak, dat afscheid nemen!

Het is niet uit te spreken, welke weemoed en droefheid door de ziel gaat

van het arme menschenkind bij zoo'n afscheid! De diepste roerselen van

het menschenhart worden opgewoeld!

Moeder Kloppers was de bedaardste van allen. Zij vergat zelfs de

kinderen van Jan niet, die binnen moesten komen, en vermaande haar zonen

met diepen ernst, om te wandelen in de wegen des Heeren.

De laatste, van wien zij afscheid nam, was haar man.

»Ik wou, dat ik mee kon," kwam het steunend uit zijn breede borst.

»Des Heeren tijd is de beste tijd," zeide zij en hare vermagerde handen

gingen liefkozend over zijn sneeuwwitte lokken.

»En wij zien elkander weer," liet zij er troostend op volgen, »en in de

eeuwigheid zullen uwe oogen wijd open zijn en wij zullen dan verstaan en

doorzien, wat in dit aardsche leven voor ons raadselen waren!"

Zij hield een oogenblik op, om nieuwe kracht te verzamelen.

De grijsaard bedekte het gelaat met de handen.

»En ik dank u, mijn lieveling," begon zij opnieuw, »voor al de teedere

liefde en zorg, die gij mij hebt bewezen. Zeven en vijftig jaar geleden

hebt gij mij, met den bijl in uw sterke hand, verlost uit het geweld der

Zoeloe-Kaffers, en gij zijt steeds mijn staf geweest en mijn steun. Mijn

innige, hartelijke dank, mijn lieveling!"

De grijsaard echter wendde het gelaat naar de stervende, en riep in

overstroomend gevoel zijner smart: »O Anneke, gaat gij mij nu verlaten?"

»Het is de wil des Heeren," fluisterde zij zacht.

»Gij waart de zon van mijn dag," riep hij klagend, »en de ster in mijn

nacht. Doch mijn zon verduistert en mijn ster gaat onder!"

Er lag iets hartroerends in den klagenden toon van den ouden man, doch

allengs kreeg hij zijn kalmte terug, en nu zat hij bij de stervende,

zooals men bij een geliefde betrekking zit, van wie men reeds afscheid

heeft genomen, doch men vertoeft nog in haar gezelschap, in de

wachtplaats. Dan praat men nog eens over oude herinneringen, over

al het lief en leed, al de smart en vreugde, die we samen hebben

doorgemaakt, waardoor de band zoo sterk en innig is geworden, die ons

bindt, en we wachten op het teeken, dat de boot zal afluiden.

De stervende werd nu zichtbaar minder, doch zij had het niet benauwd,

en al sprak zij in afgebroken klanken, men kon haar toch duidelijk

verstaan.

Reeds neigde de zon naar het westen, en uit den tuin klonk het vroolijk

spel der kinderen.

Plotseling sloeg de stervende haar oogen opwaarts.

Op dit oogenblik waren de grijsaard met zijn vijf zonen en Geertrui in

de ziekekamer.

»Hoort gij niets?" vraagde de stervende.

»De kinderen spelen in den tuin," zeide de grijsaard, »wil ik het hen

verbieden?"

»O neen," antwoordde zij, »maar ik hoor nog iets anders--hoort ge 't

niet?"

De oude man schudde het hoofd.

»Ik hoor hemelsche zangen--zangen der engelen!" kwam het van haar veege

lippen.

Doch waar de engelen zingen, past ons heilig ontzag, en de oude Kloppers

en zijn zonen ontblootten eerbiedig het hoofd. En de grijsaard had wel

zijn aangezicht willen omwinden van heilige ontroering evenals Elia,

toen hij stond in den ingang der spelonk, en de Heere hem voorbijging in

het suizen eener zachte stilte.

»Hemelsche zangen--hemelsche heirscharen!" fluisterde de stervende.

Het oog van den grijsaard rustte thans op zijn vrouw.

Voor _hem_ behoorde zij niet meer tot deze bedeeling; voor _hem_ was de

scheiding reeds voltrokken. En hij staarde de scheidende na tot op den

drempel der gouden poorte, en in den glimlach, die haar stervend gelaat

verheerlijkte, zag hij de afschittering van het nieuwe Jeruzalem....

»Hemelsche zangen--hemelsche heirscharen!"

Zij zag man noch kinderen meer; de aardsche banden waren geslaakt, en

hare ziel dronk de zalige melodie der onsterfelijkheid....

Plotseling strekte zij hare handen omhoog met den uitroep: »Kom Heere

Jezus, ja kom haastelijk!" en viel terug in het kussen.

De grijsaard bukte zich over haar gelaat.

Nog een zucht--een snik--een laatste!

Het uurwerk was afgeloopen.

Het hart stond stil.

De grijsaard drukte haar oogen dicht en kuste ze. En terwijl groote

tranen biggelden over zijn oude wangen, fluisterde hij met nokkende

stem: »Anna, mijn lieveling, goeden nacht!"

En zich omkeerend zocht hij de eenzaamheid.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 27 / 53 题