Welgemoed heeft de oude Dirk Kloppers zijn reis voortgezet, en thans
heeft hij Vredenoord bereikt.
Het verwondert hem echter, de oprijlaan inbuigende, dat zijne vrouw hem
niet tegemoet komt.
Dat is toch haar gewoonte geweest.
In den regel placht zij tegen den dag, dat de baas van Vredenoord werd
terug verwacht, door het raam der bovenwoning uit te kijken, en zag zij
dan de witte, golvende manen van den schimmel, dan ging zij den
naderende vlug tegemoet.
Doch dezen keer ziet de oude Voortrekker niets, en Vredenoord schijnt
doodsch en verlaten. De groote kettinghonden liggen--het is een warme
namiddag--met de tongen uit den breeden muil te doezelen naast hun
hokken, en kafferliederen noch kinderstemmen worden gehoord. Slechts
een paar struisvogels stappen met lange pooten over het erf, en eenige
kalveren hebben zich naast hun moeders neergevleid in de schaduw van het
geboomte, dat de oprijlaan omzoomt.
Een angstig voorgevoel pakt den grijsaard, doch het is voor hem een
verlichting, dat de kleine Sien komt aanloopen.
De kleine is geducht uit de kluiten gegroeid, sinds wij haar het laatst
hebben ontmoet, en de mouwen van haar jurkje zijn veel te kort geworden.
»Dag Opa," roept de kleine met vroolijke stem.
Die kinderstem verkwikt hem.
»Waar is Grootmoeder?" vraagt hij.
»Opoe is ziek," antwoordt de kleine; »toe, Opa, zet me op den schimmel,"
en zij strekt haar mollige armpjes omhoog. Doch nu de grijsaard hoort,
dat zijn vrouw ziek is, haast hij zich, om uit het zadel te komen, snelt
naar de huisdeur en opent ze.
Hij ontdekt niemand. Ook in het woonvertrek is niemand te zien.
Hij ontdoet zich haastig van geweer en bandelier, en door klimmende
onrust aangegrepen, gaat hij naar de zijkamer.
Jan, zijn zoon, en Geertrui, zijn schoondochter, zitten daar, en beiden
keeren zich naar de deur, waardoor de grijsaard thans binnentreedt.
Jan ziet er bedrukt uit, en Geertrui heeft beschreide oogen.
»Is hij er?" hoort hij een zwakke stem vragen.
»Ja, hij is er, Anneke!" zegt de grijsaard vol teederheid, buigt zich
over de kranke heen, die in de groote, bruine geverfde bedstee ligt, en
kust haar op de drooge brandende lippen.
»Ge hebt je zeker verwonderd, Vaderke, dat ik je niet tegemoet kwam?"
zegt ze.
Vaderke is zoo'n lievelingsuitdrukking van de oude.
»Zijt ge ziek, Anneke?" vraagt de grijsaard in groote bezorgdheid.
»Ja," fluistert ze, »zeer ziek!"
Zij heeft het hoofd eenigszins opgericht, doch valt nu machteloos terug
in het kussen.
Kloppers kijkt zijn zoon vragend aan.
»Moeder heeft een beslag gehad," zegt Jan.
»Wanneer?"
»Van nacht. Gisteren klaagde ze reeds over duizelingen."
De grijsaard steunt.
Wanneer een vrouw op twee en tachtigjarigen leeftijd een beslag krijgt,
valt er niet veel meer te hopen.
De oude Kloppers weet genoeg.
»Is er tijding gezonden aan de familie, Jan?"
»Ik heb heden morgen vier boden afgezonden."
»Als ze maar niet te laat komen," denkt de oude man, doch hij zegt
niets.
Hij zet zich neder op een rietmatten stoel naast het hoofdeinde der
bedstede.
De zieke zoekt zijn handen en houdt ze vast.
»Wat ben ik blij, dat ik je nog mag zien!" zegt ze. »Ik vreesde, dat je
nog te laat zoudt komen."
»Denkt ge, dat het sterven zal worden?" vraagt hij.
»Gij denkt het ook," zegt ze en staart hem aan.
De grijsaard antwoordt niet.
»Is het licht op uw pad?" vraagt hij na een wijle.
»Neen," zegt ze, »donker--o zoo donker. Mijn hart en mijn ziel
versmachten in een land, dor en mat, zonder water."
»Vlak voor den morgen is de nacht het donkerst," troost de oude man, »en
de almachtige en genadige God kan de woestijn laten ruischen van water."
»Ik wil het niet tegenspreken," zegt ze op afgebroken toon, »maar ik heb
er geen vat aan. Mijn ziel dwaalt rond in een wereld van verlatenheid."
»Het kan nog veranderen," meent de grijsaard.
»Ik vrees er voor," zegt ze; »ik zal met de nachtschuit weg moeten,
Dirk."
»Nu, met de nachtschuit of op een triumfwagen--het einde zal toch vrede
zijn," zegt Kloppers. »Niet het _sterven_, maar het _leven_ beslist over
de eeuwigheid."
Hij sprak zijn overtuiging uit. Hij wist, dat zijne vrouw was eene
gekende des Heeren, en dat haar anker lag in het binnenste heiligdom.
De oude vrouw Kloppers was eene zwakgeloovige in tegenstelling met haar
man, die sterk en krachtig was in het geloof, en bij wien de vezelen van
zijn innerlijkst bestaan waren vastgegroeid in het eeuwige Woord van
God, zoodat hij onbeweegelijk stond als een eik, welks wortelen zich
hebben vastgeslagen in de scheuren en spleten der rots.
»Laten wij bidden," zegt hij.
Met Jan en Geertrui knielt hij neder, en de stervende vouwt de handen
samen, doch na het gebed klaagt de kranke: »Ik kan niet bidden, niet
gelooven, niets! Ik voel me zoo moede en bezwaard!"
»Al kunt ge niet bidden," troost haar man, »uwe trouwe Hoogepriester
bidt toch voor u."
Zij knikt met het hoofd, en er volgt een pauze.
»Wat klopt daar aan het raam?" vraagt zij.
Zij is nog in het volle bezit harer vermogens; zij richt zich zelfs een
weinig op.
»Ach, dat zijn mijn duiven," zegt ze. »Ze pikken tegen het raam, omdat
de oude vrouw hun geen voeder heeft gegeven. Jan verzorg ze even!"
Jan haast zich, om aan dat verlangen te voldoen, en strooit wat maïs op
het vensterkozijn.
De duiven pikken het voeder op, kijken nog even met hun vriendelijke
kopjes door het raam, en vliegen klapwiekend weg, terwijl hun schaduw
voorbij glijdt tegen den muur van de kamer.
Jan kijkt intusschen den grijsaard aan, die daar nog altijd zit in de
bestoven kleeding, waarmede hij van de reis is gekomen.
»Vader," zegt Jan, »neem wat rust; Geertrui en ik zullen bij moeder
blijven," doch de grijsaard schudt het hoofd.
»Gij zijt vermoeid van de lange reis," smeekt Jan.
»Dat hindert niet," antwoordt de oude man. »Uw moeder heeft voor
mij zoo dikwijls de hitte van den dag en de koude van den nacht
getrotseerd--licht, dat ik bij haar blijf in haar laatste uren."
En zoo zit hij, de drie-en-tachtigjarige, van 's namiddags vier uur tot
den anderen morgen negen uur, volle zeventien uren, bij de sponde van
de stervende, haar die kleine geriefelijkheden bewijzend, die men zoo
gaarne aan zijne liefste betrekkingen bewijst.
Doch nu is zijn kracht ook op, en terwijl zijn zoon Jan zijn plaats
inneemt, werpt hij zich gekleed te bed, om een korte doch verkwikkende
rust genieten.
* * * * *
Hij had drie uur gerust--de zon had juist de middaghoogte bereikt--toen
Jan den grijsaard wekte.
»Moeder verlangt naar u," zeide hij.
»Hoe gaat het?" vraagde de oude man.
»Moeder is in eene buitengewone stemming."
De grijsaard spoedde zich naar de ziekekamer.
»O Dirk," riep de zieke, zijn beide handen grijpend, »ik zal niet met de
nachtschuit vertrekken."
Hij schikte haar kussen goed.
»Ik vertrek met volle zeilen," riep zij met zeldzaam heldere, bijna
juichenden stem: »met volle zeilen! in het licht der eeuwige zon."
De grijsaard keek haar vorschend en bezorgd in de oogen, doch zijn
bezorgdheid verdween als nevel voor den middagglans.
Er was geen spoor van overprikkeling in haar oogen--zij was nooit
helderder van geest geweest, en de oude Voortrekker riep met bewogen
maar krachtige stem: »God zij geloofd en geprezen!"
Van het erf hoorde men thans het getrappel van paarden, en vier van
Kloppers' zonen traden binnen.
Het waren forsch gebouwde mannen met reeds grijzende haren, iets ouder
dan Jan.
Zij waren midden in den nacht van huis gegaan, en hadden een rit van
twaalf uur achter den rug.
»Ook dàt nog!" riep de stervende; »ik mag ook mijn kinderen nog zien!"
Zij vouwde haar handen en fluisterde: »Heere, ik ben geringer dan al
Uwe weldadigheden."
Zij kuste haar zonen, vraagde haar naar den welstand van hun
huisgezinnen, en zeide op zachten toon: »Laat Daniël nu ook binnen
komen."
Doch bij dit woord ging er een aarzeling over het gelaat van den ouden
Boer.
Zij merkte die aarzeling op en hernam: »Toe, lieveling, doe het; al is
hij een Kaffer, hij heeft den Heiland lief, en meer dan ooit voel ik mij
op dit oogenblik verbonden aan allen, die Jezus liefhebben!"
»Het zal wel noodzakelijk zijn," liet zij er nadenkend op volgen, »dat
er onder deze bedeeling een zekere afstand bestaat tusschen den blanke
en zwarte in Afrika, doch voor de poorten des doods valt die afstand
weg!"
Jan riep den Kaffer.
Schoorvoetend trad hij binnen en staarde met schroom naar de Boeren,
wier vochtige oogen op de stervende waren gericht, doch plotseling
snelde hij op zijne oude meesteres toe, knielde aan haar sponde en kuste
eerbiedig haar hand.
»Ik ga vertrekken," zeide zij zacht.
»Naar het Vaderhuis," zeide hij, »waar de vele woningen zijn."
»En nu willen wij nog eens den lof des Heeren bezingen, Daniël," ging
zij voort, »voor de genade, aan mij, een arme zondares, bewezen, en gij
moogt ook meezingen, want wat zegt de Psalmist van den zwarte, Daniël?"
Toen vouwde de Kaffer de handen, en antwoordde met zijn welluidende
stem:
»De Filistijn, de Tyriër, de Mooren
Zijn binnen u, o Godstad! voortgebracht;
Van Zion zal het blijde nageslacht
Haast zeggen: Deez' en die is daar geboren!"
Zij knikte met het hoofd, en zag nu haar man aan.
»Wat zullen wij dan zingen, Anneke?" vraagde hij.
»Mijn lievelingsvers!" zeide zij.
Toen zong de kleine gemeente met snikken en tranen:
»God heb ik lief, want die getrouwe Heer
Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen,
Hij neigt Zijn oor; 'k roep tot Hem al mijn dagen,
Hij schenkt mij hulp; Hij redt mij keer op keer!"
Moeder Kloppers zelf zong het geheele vers mee.
Jan keek zijn vader aan, want nieuwe hoop begon te gloren in zijn
betraande oogen, doch de oude Kloppers wist wel beter. Voordat de kaars
des levens uitgaat, flikkert zij gemeenlijk nog eenmaal op, en gaat dan
uit met een zucht.
»Hoe gaat het nu Moederke?" vraagde de grijsaard na een wijle.
»Goed," zeide ze, »goed! Maar ik ben aan het einde van mijn
pelgrimsreis, en we zullen afscheid nemen!"
Ach, dat is een aangrijpende zaak, dat afscheid nemen!
Het is niet uit te spreken, welke weemoed en droefheid door de ziel gaat
van het arme menschenkind bij zoo'n afscheid! De diepste roerselen van
het menschenhart worden opgewoeld!
Moeder Kloppers was de bedaardste van allen. Zij vergat zelfs de
kinderen van Jan niet, die binnen moesten komen, en vermaande haar zonen
met diepen ernst, om te wandelen in de wegen des Heeren.
De laatste, van wien zij afscheid nam, was haar man.
»Ik wou, dat ik mee kon," kwam het steunend uit zijn breede borst.
»Des Heeren tijd is de beste tijd," zeide zij en hare vermagerde handen
gingen liefkozend over zijn sneeuwwitte lokken.
»En wij zien elkander weer," liet zij er troostend op volgen, »en in de
eeuwigheid zullen uwe oogen wijd open zijn en wij zullen dan verstaan en
doorzien, wat in dit aardsche leven voor ons raadselen waren!"
Zij hield een oogenblik op, om nieuwe kracht te verzamelen.
De grijsaard bedekte het gelaat met de handen.
»En ik dank u, mijn lieveling," begon zij opnieuw, »voor al de teedere
liefde en zorg, die gij mij hebt bewezen. Zeven en vijftig jaar geleden
hebt gij mij, met den bijl in uw sterke hand, verlost uit het geweld der
Zoeloe-Kaffers, en gij zijt steeds mijn staf geweest en mijn steun. Mijn
innige, hartelijke dank, mijn lieveling!"
De grijsaard echter wendde het gelaat naar de stervende, en riep in
overstroomend gevoel zijner smart: »O Anneke, gaat gij mij nu verlaten?"
»Het is de wil des Heeren," fluisterde zij zacht.
»Gij waart de zon van mijn dag," riep hij klagend, »en de ster in mijn
nacht. Doch mijn zon verduistert en mijn ster gaat onder!"
Er lag iets hartroerends in den klagenden toon van den ouden man, doch
allengs kreeg hij zijn kalmte terug, en nu zat hij bij de stervende,
zooals men bij een geliefde betrekking zit, van wie men reeds afscheid
heeft genomen, doch men vertoeft nog in haar gezelschap, in de
wachtplaats. Dan praat men nog eens over oude herinneringen, over
al het lief en leed, al de smart en vreugde, die we samen hebben
doorgemaakt, waardoor de band zoo sterk en innig is geworden, die ons
bindt, en we wachten op het teeken, dat de boot zal afluiden.
De stervende werd nu zichtbaar minder, doch zij had het niet benauwd,
en al sprak zij in afgebroken klanken, men kon haar toch duidelijk
verstaan.
Reeds neigde de zon naar het westen, en uit den tuin klonk het vroolijk
spel der kinderen.
Plotseling sloeg de stervende haar oogen opwaarts.
Op dit oogenblik waren de grijsaard met zijn vijf zonen en Geertrui in
de ziekekamer.
»Hoort gij niets?" vraagde de stervende.
»De kinderen spelen in den tuin," zeide de grijsaard, »wil ik het hen
verbieden?"
»O neen," antwoordde zij, »maar ik hoor nog iets anders--hoort ge 't
niet?"
De oude man schudde het hoofd.
»Ik hoor hemelsche zangen--zangen der engelen!" kwam het van haar veege
lippen.
Doch waar de engelen zingen, past ons heilig ontzag, en de oude Kloppers
en zijn zonen ontblootten eerbiedig het hoofd. En de grijsaard had wel
zijn aangezicht willen omwinden van heilige ontroering evenals Elia,
toen hij stond in den ingang der spelonk, en de Heere hem voorbijging in
het suizen eener zachte stilte.
»Hemelsche zangen--hemelsche heirscharen!" fluisterde de stervende.
Het oog van den grijsaard rustte thans op zijn vrouw.
Voor _hem_ behoorde zij niet meer tot deze bedeeling; voor _hem_ was de
scheiding reeds voltrokken. En hij staarde de scheidende na tot op den
drempel der gouden poorte, en in den glimlach, die haar stervend gelaat
verheerlijkte, zag hij de afschittering van het nieuwe Jeruzalem....
»Hemelsche zangen--hemelsche heirscharen!"
Zij zag man noch kinderen meer; de aardsche banden waren geslaakt, en
hare ziel dronk de zalige melodie der onsterfelijkheid....
Plotseling strekte zij hare handen omhoog met den uitroep: »Kom Heere
Jezus, ja kom haastelijk!" en viel terug in het kussen.
De grijsaard bukte zich over haar gelaat.
Nog een zucht--een snik--een laatste!
Het uurwerk was afgeloopen.
Het hart stond stil.
De grijsaard drukte haar oogen dicht en kuste ze. En terwijl groote
tranen biggelden over zijn oude wangen, fluisterde hij met nokkende
stem: »Anna, mijn lieveling, goeden nacht!"
En zich omkeerend zocht hij de eenzaamheid.