De oude Kloppers had van de zware ramp gehoord, die zijn neef
Reinard Jansen had getroffen, en ofschoon hij slechts langs een omweg
Waterfontein kon bereiken, dreef hem zijn deelnemend gemoed, om Jansen
te bezoeken.
Waterfontein had nu al vele maanden in de asch gelegen, doch thans waren
eenige blanken (timmerlieden en metselaars), voor zwaar geld door baas
Jansen gedongen, alsmede een groot aantal Kaffers bezig om de verwoeste
woning op te bouwen, en binnen eenige dagen zou het huis onder de kap
komen.
Moeder Jansen ging juist de tent uit, om de struisvogels te voeren, toen
Kloppers' witte schimmel de oprijlaan inboog.
Verwonderd keek zij op naar den schimmel en zijn berijder, en het was
voor haar een liefelijke verrassing, toen zij haar oom herkende.
Vlug liep zij den hooggeschatten grijsaard tegemoet, maar hij sprong van
het paard, en haar hartelijk de hand drukkend, zeide hij vol deelneming:
»Nicht Martje, hoe gaat het hier?"
»De Heere handelt met ons in tegenheden," antwoordde zij, »en Zijne hand
rust zwaar op ons."
»Ik heb het gehoord," zeide hij, »en--ik zie het."
Hij staarde op de tot een hoop gelegde verkoolde balken en de door het
vuur geblaakte boomen, die hun naakte verdorde takken omhoog staken.
»Dit is nog niet het ergste," zuchtte moeder Jansen.
»Ook dat weet ik," zeide de oude Voortrekker.
»Maar ik geloof het niet," zeide moeder Jansen.
»_Wat_ gelooft ge niet?" vraagde Dirk Kloppers.
»Dat mijn jongen den brand heeft gesticht," zeide zij, doch haar oom
bewaarde het stilzwijgen.
Beiden gingen nu de tent binnen.
»Mijn hart gaat open bij het gezicht van zoo'n tent," zeide de
Voortrekker op opgeruimder toon; »er gaat toch niets boven een tent."
Hij dacht aan de zwerftochten door de groote wildernis.
»Doch waar is je man?" vraagde hij, een veldstoeltje nemend, en zich bij
de eiken tafel nederzettend.
»Ik verwacht hem elk oogenblik," zeide tante Martje, en nauwlijks had
zij dit gezegd, of de breedgeschouderde gestalte van Reinard Jansen
trad, het doek bij den ingang wegslaande, de tent binnen.
Met een blik vol deelneming en medelijden zag de grijze Voortrekker hem
aan.
Reinard Jansen was oud geworden, sinds baas Kloppers hem den laatsten
keer had gezien.
Zielepijn had haar diepe voren geploegd door dat verweerd gelaat, en die
krachtige gestalte scheen gebogen onder een onzichtbaren doch zwaren
last.
Met beleid en voorzichtigheid bracht Dirk Kloppers intusschen het
gesprek op den brand van verleden jaar, en terwijl hij de aarden, van
een hoornen roer voorziene pijp uit den zak haalde en bedaard stopte,
vraagde hij: »Zijt ge er zeker van Neef, dat Frits het huis heeft
afgestookt?"
Er ging een aarzeling over het stugge gelaat van Reinard Jansen,
alvorens hij antwoordde. De naam van Frits was niet meer over zijn
lippen gekomen sinds dien vreeselijken morgen na den brand, doch uit
eerbied voor zijn ouden oom antwoordde hij: »Ik ben er _zeker_ van."
»Hebt ge 't met je eigen oogen gezien?" vraagde de Voortrekker.
Jansen schudde het hoofd.
»Wie zijn dan de zegslui?"
»Drie Kaffers, waarvan Eliëzer er een is," antwoordde Jansen.
»Ik ken Eliëzer niet," meende Kloppers.
»Zijn waarheidsliefde is onverdacht," zuchtte tante Martje.
»Hij kan zich vergissen," zeide Kloppers bedachtzaam.
»Hij heeft zich _niet_ vergist," beweerde Jansen.
»Hoe groot was de afstand tusschen hem en den brandstichter?" vraagde
Kloppers.
»Een en veertig pas," zeide Jansen.
»'t Was nacht," wierp tante Martje er tusschen in.
»Maar de maan was nog niet onder," zeide Jansen; »het was bijna zoo
licht als over dag."
»Ik ben nog niet overtuigd," hernam baas Kloppers; »hoe oud is Eliëzer?"
»Hij moet vijf en vijftig jaar zijn," zeide Jansen.
»Er zijn menschen wier oogen op dien leeftijd reeds verzwakken," meende
Dirk Kloppers.
»Eliëzers oogen kijken nog even scherp als dertig jaar geleden,"
verklaarde Jansen op stelligen toon.
»Ik ben _nog_ niet overtuigd," zeide de oude Kloppers.
»Welnu, ik _zal_ u overtuigen," hernam Reinard Jansen. »Twee avonden na
den brand--het was even helder als in dien noodlottigen nacht--begaf ik
mij tersluiks, terwijl Eliëzer, zooals zijn gewoonte is, op den drempel
van zijn hut zijn snarentuig zat te bespelen, naar de plek, waar de
brandstichter moet hebben gestaan. Ik stak een vuurhoutje aan, maar het
had nauwelijks vlam gevat of Eliëzer riep verschrikt: »Baas, ouwe baas,
wat gaat ge doen?" Hij had mij onmiddellijk herkend."
Moeder Jansen zuchtte; baas Kloppers zweeg en staarde peinzend voor zich
uit.
»Hoe laat verliet Frits de ouderlijke woning?" vraagde hij na een pauze.
»'t Was half vijf," antwoordde tante Martje.
»En hoe laat brak de brand uit?"
»Ongeveer te tien ure," zeide baas Jansen.
»In vijf en een half uur heeft de drift van een mensch tijd om te
bekoelen," meende de oude Voortrekker, »en acht gij Frits nu in staat,
om na zoo'n tusschentijd in koelen bloede de ouderlijke woning af te
stooken?"
»Het kan niet waar zijn," riep het gewonde moederhart van tante Martje,
doch Reinard Jansen barstte los: »Is het niet vreeselijk en
verschrikkelijk? Is het niet monsterachtig en ongeloofelijk?"
»Ja, _ongeloofelijk_!" riep de grijze Voortrekker met klem.
»En toch is dat monsterachtige gebeurd," zeide Jansen met een somberen
klank in zijn stem.
Maar _nog_ was de oude Kloppers niet overtuigd.
»Frits ging om half vijf naar de familie Williams?" vorschte hij.
Jansen knikte bevestigend.
»En wanneer vertrok hij naar Rhodesia?"
»Dien zelfden avond, naar ik heb vernomen," zeide Jansen.
»Dus hij moet onderweg teruggekeerd zijn, om Waterfontein in de asch te
leggen?" vraagde de grijsaard.
Baas Jansen stutte het hoofd met de handen, en staarde strak naar den
grond.
»Met de wetenschap, dat, vatte het buskruit in het achterhuis spoedig
vuur, dat toch wel waarschijnlijk was, zijn ouders en zusters in de
vlammen moesten omkomen!" ging de grijsaard voort. »Zoo iets behoort
thuis op het terrein van den Satan!"
Jansen richtte het hoofd op, en staarde den grijsaard aan met een
stommen, maar veelzeggenden blik.
De grijze Voortrekker begreep dien blik, maar den gefolterden man
vol deernis aanziende, zeide hij: »Neef Reinard, ik vraag niet uit
nieuwsgierigheid, maar ik tracht een uitweg te vinden uit dezen
verschrikkelijken doolhof. Gelooft ge niet, dat uw ongeluk mij ter harte
gaat?"
Hij behoefde het niet te vragen; Jansen kon het lezen in die oogen.
»Jack Williams was de kameraad van uw zoon?" vraagde Kloppers opnieuw.
»'t Was zijn Judas," zeide Jansen vol toorn.
»Wanneer hebt ge Jack den laatsten keer gesproken?" vraagde Kloppers.
»Onmiddellijk nadat Frits de woning verliet, heb ik met Jack nog
gesproken. Of liever ik had hooge woorden met hem, en heb hem de deur
uitgegooid."
Er scheen een voorbijgaande lichtstraal te flikkeren in de blauwe,
vorschende oogen van den schranderen grijsaard.
»En is het u nooit in de gedachten opgekomen, dat Jack zich zou wreken?"
vraagde hij, doch Jansen scheen door deze vraag niet verrast.
»Als de brandstichter niet was herkend," zeide hij bedaard, »dan zou ik
aan Jack hebben gedacht."
»Ik heb hem eens in het gezelschap van uw zoon ontmoet," hernam de oude
Voortrekker, die een verwonderlijk sterk geheugen had. »Hij maakte op
mij den indruk van een geslepen en gevaarlijk karakter te bezitten."
»Wanneer is Jack naar Rhodesia vertrokken?" vraagde hij plotseling.
»Den morgen na den brand," zeide moeder Jansen.
Weer werd de voorbijgaande lichtstraal zichtbaar in die vorschende,
blauwe oogen.
»Welken weg nam hij? Ik meen, dat de gewone weg naar Rhodesia hier
voorbij komt?" vraagde Kloppers.
»Had Jack den gewonen weg genomen, dan moest hij hier voorbij zijn
gekomen," zeide Moeder Jansen, »maar hij nam een anderen weg, een
omweg."
»Weet ge 't zeker?" vraagde de oude Voortrekker, terwijl op zijn gelaat
een zekere spanning zichtbaar werd.
»Ik weet het zéker," zeide tante Martje op stelligen toon; »Eliëzer
heeft hem gezien."
»Frits heeft ook een omweg gemaakt, toen hij dien avond vertrok naar
Rhodesia," zeide Reinard Jansen; »het staat gelijk."
»Waarom maakte Frits dien omweg?" vraagde de grijsaard.
Jansen antwoordde niet.
»Omdat het hem na de harde woorden, die er gevallen waren, onmogelijk
was, Waterfontein voorbij te rijden," meende de grijsaard.
Er volgde een pauze.
»En waarom maakte Jack Williams den omweg?" vraagde de oude Kloppers
opnieuw.
»Hoe kan ik dat weten!" zeide Reinard Jansen.
»Kon hij soms het gezicht der verbrande woning niet uitstaan?" zeide
Kloppers.
»Als we het eens wisten, _waarom_ hij dien omweg maakte!" riep hij uit
met klem, en opstaande van zijn veldstoeltje aan de eiken tafel, staarde
hij vol gepeinzen door de opening der tent naar buiten.
Hij was als de jager, die op een vertreden blad den indruk meent te
bespeuren van de hoef van het wild, dat hij zoekt.
»Kom jullie nog wel eens met de familie Williams in aanraking?" vraagde
hij plotseling.
»Ik heb sinds de laatste ontmoeting met Jack alle verbinding met de
familie Williams afgesneden," zeide Jansen.
»'t Is jammer," meende de Voortrekker teleurgesteld.
»Ge vermoeit u met een hopelooze zaak," zeide Jansen, maar de grijsaard
luisterde niet eens naar die woorden.
»Eliëzer is toch nog in je dienst?" vraagde hij.
Tante Martje knikte bevestigend.
»Dan moet Eliëzer naar Rhodesia."
»Wat moet hij daar doen?" vraagde Reinard Jansen met groote oogen.
»Frits opzoeken en spreken," meende de Voortrekker.
»Gisteren is ons meesterke voor datzelfde doel reeds naar Rhodesia
vertrokken," zeide baas Jansen. »Dat wil zeggen," liet hij er op volgen,
»ik heb hem niet gezonden, maar hij is uit eigen beweging gegaan."
»'t Kan geen kwaad, dat het meesterke is gegaan," zeide Dirk
Kloppers, »maar het is niet voldoende. Eliëzer beweert in Frits den
brandstichter te hebben gezien--wel nu, hij moet Frits trachten te
spreken! Zoo alleen is er tot klaarheid te komen in deze vreeselijke
geschiedenis!"
»Wat zal het baten?" zeide Jansen moedeloos. »Het feit wordt er niet
door veranderd, en het slot zal zijn, dat ook mijne vrouw haar geloof in
de onschuld van Frits zal moeten opgeven."
»Dat zit nog," zeide Kloppers.
De spanning in zijn gelaatstrekken was geweken, en hij zette zich weer
bedaard neder op het veldstoeltje.
»Jack en Frits gelijken elkander in grootte en lichaamsbouw?" vraagde
hij opnieuw.
»Zeker," zeide tante Martje, die met de scherpzinnigheid van een moeder
de vragen van den grijzen Voortrekker volgde.
»Ook in gang en houding?"
»Volkomen," antwoordde zij.
»Baas, je ossenwagen is omgekanteld in de drift," meldde op dit
oogenblik een Kaffer, »en Hector heeft me gestuurd, om je te roepen."
Baas Jansen stond op, en ging met den Kaffer mede.
Nu zaten Dirk Kloppers en tante Martje alleen, en Dirk Kloppers spon
aan den draad, dien hij was begonnen en de oogen van de bedroefde moeder
hingen met hoope en vreeze aan zijn lippen, maar toen hij had geëindigd,
gleed heldere zonneschijn over haar zacht gelaat, en zij staarde vol
bewondering in de blauwe oogen van den schranderen grijsaard, die door
God met zooveel wijsheid was begiftigd.