HOOFDSTUK XVIII.

De oude Kloppers had van de zware ramp gehoord, die zijn neef

Reinard Jansen had getroffen, en ofschoon hij slechts langs een omweg

Waterfontein kon bereiken, dreef hem zijn deelnemend gemoed, om Jansen

te bezoeken.

Waterfontein had nu al vele maanden in de asch gelegen, doch thans waren

eenige blanken (timmerlieden en metselaars), voor zwaar geld door baas

Jansen gedongen, alsmede een groot aantal Kaffers bezig om de verwoeste

woning op te bouwen, en binnen eenige dagen zou het huis onder de kap

komen.

Moeder Jansen ging juist de tent uit, om de struisvogels te voeren, toen

Kloppers' witte schimmel de oprijlaan inboog.

Verwonderd keek zij op naar den schimmel en zijn berijder, en het was

voor haar een liefelijke verrassing, toen zij haar oom herkende.

Vlug liep zij den hooggeschatten grijsaard tegemoet, maar hij sprong van

het paard, en haar hartelijk de hand drukkend, zeide hij vol deelneming:

»Nicht Martje, hoe gaat het hier?"

»De Heere handelt met ons in tegenheden," antwoordde zij, »en Zijne hand

rust zwaar op ons."

»Ik heb het gehoord," zeide hij, »en--ik zie het."

Hij staarde op de tot een hoop gelegde verkoolde balken en de door het

vuur geblaakte boomen, die hun naakte verdorde takken omhoog staken.

»Dit is nog niet het ergste," zuchtte moeder Jansen.

»Ook dat weet ik," zeide de oude Voortrekker.

»Maar ik geloof het niet," zeide moeder Jansen.

»_Wat_ gelooft ge niet?" vraagde Dirk Kloppers.

»Dat mijn jongen den brand heeft gesticht," zeide zij, doch haar oom

bewaarde het stilzwijgen.

Beiden gingen nu de tent binnen.

»Mijn hart gaat open bij het gezicht van zoo'n tent," zeide de

Voortrekker op opgeruimder toon; »er gaat toch niets boven een tent."

Hij dacht aan de zwerftochten door de groote wildernis.

»Doch waar is je man?" vraagde hij, een veldstoeltje nemend, en zich bij

de eiken tafel nederzettend.

»Ik verwacht hem elk oogenblik," zeide tante Martje, en nauwlijks had

zij dit gezegd, of de breedgeschouderde gestalte van Reinard Jansen

trad, het doek bij den ingang wegslaande, de tent binnen.

Met een blik vol deelneming en medelijden zag de grijze Voortrekker hem

aan.

Reinard Jansen was oud geworden, sinds baas Kloppers hem den laatsten

keer had gezien.

Zielepijn had haar diepe voren geploegd door dat verweerd gelaat, en die

krachtige gestalte scheen gebogen onder een onzichtbaren doch zwaren

last.

Met beleid en voorzichtigheid bracht Dirk Kloppers intusschen het

gesprek op den brand van verleden jaar, en terwijl hij de aarden, van

een hoornen roer voorziene pijp uit den zak haalde en bedaard stopte,

vraagde hij: »Zijt ge er zeker van Neef, dat Frits het huis heeft

afgestookt?"

Er ging een aarzeling over het stugge gelaat van Reinard Jansen,

alvorens hij antwoordde. De naam van Frits was niet meer over zijn

lippen gekomen sinds dien vreeselijken morgen na den brand, doch uit

eerbied voor zijn ouden oom antwoordde hij: »Ik ben er _zeker_ van."

»Hebt ge 't met je eigen oogen gezien?" vraagde de Voortrekker.

Jansen schudde het hoofd.

»Wie zijn dan de zegslui?"

»Drie Kaffers, waarvan Eliëzer er een is," antwoordde Jansen.

»Ik ken Eliëzer niet," meende Kloppers.

»Zijn waarheidsliefde is onverdacht," zuchtte tante Martje.

»Hij kan zich vergissen," zeide Kloppers bedachtzaam.

»Hij heeft zich _niet_ vergist," beweerde Jansen.

»Hoe groot was de afstand tusschen hem en den brandstichter?" vraagde

Kloppers.

»Een en veertig pas," zeide Jansen.

»'t Was nacht," wierp tante Martje er tusschen in.

»Maar de maan was nog niet onder," zeide Jansen; »het was bijna zoo

licht als over dag."

»Ik ben nog niet overtuigd," hernam baas Kloppers; »hoe oud is Eliëzer?"

»Hij moet vijf en vijftig jaar zijn," zeide Jansen.

»Er zijn menschen wier oogen op dien leeftijd reeds verzwakken," meende

Dirk Kloppers.

»Eliëzers oogen kijken nog even scherp als dertig jaar geleden,"

verklaarde Jansen op stelligen toon.

»Ik ben _nog_ niet overtuigd," zeide de oude Kloppers.

»Welnu, ik _zal_ u overtuigen," hernam Reinard Jansen. »Twee avonden na

den brand--het was even helder als in dien noodlottigen nacht--begaf ik

mij tersluiks, terwijl Eliëzer, zooals zijn gewoonte is, op den drempel

van zijn hut zijn snarentuig zat te bespelen, naar de plek, waar de

brandstichter moet hebben gestaan. Ik stak een vuurhoutje aan, maar het

had nauwelijks vlam gevat of Eliëzer riep verschrikt: »Baas, ouwe baas,

wat gaat ge doen?" Hij had mij onmiddellijk herkend."

Moeder Jansen zuchtte; baas Kloppers zweeg en staarde peinzend voor zich

uit.

»Hoe laat verliet Frits de ouderlijke woning?" vraagde hij na een pauze.

»'t Was half vijf," antwoordde tante Martje.

»En hoe laat brak de brand uit?"

»Ongeveer te tien ure," zeide baas Jansen.

»In vijf en een half uur heeft de drift van een mensch tijd om te

bekoelen," meende de oude Voortrekker, »en acht gij Frits nu in staat,

om na zoo'n tusschentijd in koelen bloede de ouderlijke woning af te

stooken?"

»Het kan niet waar zijn," riep het gewonde moederhart van tante Martje,

doch Reinard Jansen barstte los: »Is het niet vreeselijk en

verschrikkelijk? Is het niet monsterachtig en ongeloofelijk?"

»Ja, _ongeloofelijk_!" riep de grijze Voortrekker met klem.

»En toch is dat monsterachtige gebeurd," zeide Jansen met een somberen

klank in zijn stem.

Maar _nog_ was de oude Kloppers niet overtuigd.

»Frits ging om half vijf naar de familie Williams?" vorschte hij.

Jansen knikte bevestigend.

»En wanneer vertrok hij naar Rhodesia?"

»Dien zelfden avond, naar ik heb vernomen," zeide Jansen.

»Dus hij moet onderweg teruggekeerd zijn, om Waterfontein in de asch te

leggen?" vraagde de grijsaard.

Baas Jansen stutte het hoofd met de handen, en staarde strak naar den

grond.

»Met de wetenschap, dat, vatte het buskruit in het achterhuis spoedig

vuur, dat toch wel waarschijnlijk was, zijn ouders en zusters in de

vlammen moesten omkomen!" ging de grijsaard voort. »Zoo iets behoort

thuis op het terrein van den Satan!"

Jansen richtte het hoofd op, en staarde den grijsaard aan met een

stommen, maar veelzeggenden blik.

De grijze Voortrekker begreep dien blik, maar den gefolterden man

vol deernis aanziende, zeide hij: »Neef Reinard, ik vraag niet uit

nieuwsgierigheid, maar ik tracht een uitweg te vinden uit dezen

verschrikkelijken doolhof. Gelooft ge niet, dat uw ongeluk mij ter harte

gaat?"

Hij behoefde het niet te vragen; Jansen kon het lezen in die oogen.

»Jack Williams was de kameraad van uw zoon?" vraagde Kloppers opnieuw.

»'t Was zijn Judas," zeide Jansen vol toorn.

»Wanneer hebt ge Jack den laatsten keer gesproken?" vraagde Kloppers.

»Onmiddellijk nadat Frits de woning verliet, heb ik met Jack nog

gesproken. Of liever ik had hooge woorden met hem, en heb hem de deur

uitgegooid."

Er scheen een voorbijgaande lichtstraal te flikkeren in de blauwe,

vorschende oogen van den schranderen grijsaard.

»En is het u nooit in de gedachten opgekomen, dat Jack zich zou wreken?"

vraagde hij, doch Jansen scheen door deze vraag niet verrast.

»Als de brandstichter niet was herkend," zeide hij bedaard, »dan zou ik

aan Jack hebben gedacht."

»Ik heb hem eens in het gezelschap van uw zoon ontmoet," hernam de oude

Voortrekker, die een verwonderlijk sterk geheugen had. »Hij maakte op

mij den indruk van een geslepen en gevaarlijk karakter te bezitten."

»Wanneer is Jack naar Rhodesia vertrokken?" vraagde hij plotseling.

»Den morgen na den brand," zeide moeder Jansen.

Weer werd de voorbijgaande lichtstraal zichtbaar in die vorschende,

blauwe oogen.

»Welken weg nam hij? Ik meen, dat de gewone weg naar Rhodesia hier

voorbij komt?" vraagde Kloppers.

»Had Jack den gewonen weg genomen, dan moest hij hier voorbij zijn

gekomen," zeide Moeder Jansen, »maar hij nam een anderen weg, een

omweg."

»Weet ge 't zeker?" vraagde de oude Voortrekker, terwijl op zijn gelaat

een zekere spanning zichtbaar werd.

»Ik weet het zéker," zeide tante Martje op stelligen toon; »Eliëzer

heeft hem gezien."

»Frits heeft ook een omweg gemaakt, toen hij dien avond vertrok naar

Rhodesia," zeide Reinard Jansen; »het staat gelijk."

»Waarom maakte Frits dien omweg?" vraagde de grijsaard.

Jansen antwoordde niet.

»Omdat het hem na de harde woorden, die er gevallen waren, onmogelijk

was, Waterfontein voorbij te rijden," meende de grijsaard.

Er volgde een pauze.

»En waarom maakte Jack Williams den omweg?" vraagde de oude Kloppers

opnieuw.

»Hoe kan ik dat weten!" zeide Reinard Jansen.

»Kon hij soms het gezicht der verbrande woning niet uitstaan?" zeide

Kloppers.

»Als we het eens wisten, _waarom_ hij dien omweg maakte!" riep hij uit

met klem, en opstaande van zijn veldstoeltje aan de eiken tafel, staarde

hij vol gepeinzen door de opening der tent naar buiten.

Hij was als de jager, die op een vertreden blad den indruk meent te

bespeuren van de hoef van het wild, dat hij zoekt.

»Kom jullie nog wel eens met de familie Williams in aanraking?" vraagde

hij plotseling.

»Ik heb sinds de laatste ontmoeting met Jack alle verbinding met de

familie Williams afgesneden," zeide Jansen.

»'t Is jammer," meende de Voortrekker teleurgesteld.

»Ge vermoeit u met een hopelooze zaak," zeide Jansen, maar de grijsaard

luisterde niet eens naar die woorden.

»Eliëzer is toch nog in je dienst?" vraagde hij.

Tante Martje knikte bevestigend.

»Dan moet Eliëzer naar Rhodesia."

»Wat moet hij daar doen?" vraagde Reinard Jansen met groote oogen.

»Frits opzoeken en spreken," meende de Voortrekker.

»Gisteren is ons meesterke voor datzelfde doel reeds naar Rhodesia

vertrokken," zeide baas Jansen. »Dat wil zeggen," liet hij er op volgen,

»ik heb hem niet gezonden, maar hij is uit eigen beweging gegaan."

»'t Kan geen kwaad, dat het meesterke is gegaan," zeide Dirk

Kloppers, »maar het is niet voldoende. Eliëzer beweert in Frits den

brandstichter te hebben gezien--wel nu, hij moet Frits trachten te

spreken! Zoo alleen is er tot klaarheid te komen in deze vreeselijke

geschiedenis!"

»Wat zal het baten?" zeide Jansen moedeloos. »Het feit wordt er niet

door veranderd, en het slot zal zijn, dat ook mijne vrouw haar geloof in

de onschuld van Frits zal moeten opgeven."

»Dat zit nog," zeide Kloppers.

De spanning in zijn gelaatstrekken was geweken, en hij zette zich weer

bedaard neder op het veldstoeltje.

»Jack en Frits gelijken elkander in grootte en lichaamsbouw?" vraagde

hij opnieuw.

»Zeker," zeide tante Martje, die met de scherpzinnigheid van een moeder

de vragen van den grijzen Voortrekker volgde.

»Ook in gang en houding?"

»Volkomen," antwoordde zij.

»Baas, je ossenwagen is omgekanteld in de drift," meldde op dit

oogenblik een Kaffer, »en Hector heeft me gestuurd, om je te roepen."

Baas Jansen stond op, en ging met den Kaffer mede.

Nu zaten Dirk Kloppers en tante Martje alleen, en Dirk Kloppers spon

aan den draad, dien hij was begonnen en de oogen van de bedroefde moeder

hingen met hoope en vreeze aan zijn lippen, maar toen hij had geëindigd,

gleed heldere zonneschijn over haar zacht gelaat, en zij staarde vol

bewondering in de blauwe oogen van den schranderen grijsaard, die door

God met zooveel wijsheid was begiftigd.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 26 / 53 题