Dàt is de stad.
Zeven jaar geleden--wij schrijven thans 1895--was hier niets te zien dan
een golvende, eindelooze grasvlakte, en de stilte der wildernis werd
slechts afgebroken door het gehuil van een jakhals, het gebrul van een
tijger en den vleugelslag van een roofvogel.
En thans is hier een stad verrezen met paleizen en kerken; een echte
wezenlijke stad met prachtige wijken en smerige achterbuurten. De slanke
torens rijzen vol gratie opwaarts, en de koepels der paleizen schitteren
in de blauwe, zonnige, Afrikaansche lucht.
Op den grond van een Transvaalschen Boer, daar is de stad verrezen. Toen
de eerste schamele hutten in elkander werden gezet, zeide die Boer: »Ik
zal deze plek noemen naar mijn zoon." En hij noemde haar Johannesburg,
en dezen naam zal de goudstad wel blijven dragen zoolang de wereld
bestaat.
't Is een merkwaardige stad, dit Johannesburg. Ze is opgeschoten als een
wonderboom.
De groote Pompejus zeide ééns: »Met mijn voet stamp ik de Romeinsche
legers uit den grond," en wat de groote Pompejus kon, dat heeft hier de
kracht van het goud gedaan. Het heeft een stad van 70.000 inwoners uit
den grond gestampt.
Zoo'n kracht heeft het goud.
Daar, bij Johannesburg, in de diepe schachten, 200 tot 400 voet onder
den grond, waar zon noch maan met hun licht kunnen komen, daar loopen
de metalen aders, en tusschen het harde erts fonkelen de goudatomen.
Dat harde erts, dat duizenden jaren heeft gesluimerd in den schoot der
aarde, wordt door rappe, vlugge handen naar boven gebracht en onder den
stoot van stalen reuzenstampers tot stof vermalen.
Uit dat stof weet de vindingrijkheid van den mensch het kostbare goud te
verzamelen.
Dat goud heeft de menschen van Johannesburg aangetrokken. Het trekt de
menschen aan als de magneet het ijzer, als de kaarsvlam den vlinder.
Uit de vier windstreken des hemels zijn de hongerige zielen te
Witwatersrand[11] komen aanhollen, om zich te verzadigen aan het goud.
[11] Witwatersrand heet de goudstreek, die zich bij Johannesburg
uitstrekt.
Wat doet de mensch niet voor het goud?
Hij braveert de stormen en waagt zich in den cykloon; hij gaat door
water en vuur; hij waagt zijn gezondheid, zijn leven, zijn eeuwige
zaligheid voor dat goud.
Om het goud worden de ijzeren kerkerdeuren getrotseerd, en hoeveel
moorden de gouddorst op zijn rekening heeft--wie zal het zeggen?
Saul versloeg zijn honderden en David zijn duizenden, maar de gouddorst
telt zijn gesneuvelden bij millioenen!
Zij zijn overal te vinden, die gesneuvelden, die ongelukkigen: op de
hoogte der bergen, in de diepte der zeeën, in het marktgewoel der stad,
in de stilte der woestijn.
Doch niet alle menschen zijn door dien gouddorst aangetast.
Ik ken er: hooge, edele geesten, die met koninklijken tred en opgericht
hoofd heenschrijden over het goud; die het kunnen gebruiken zonder het
te misbruiken; die het kunnen bezitten zonder er voor te zwichten; die
het in de hand kunnen nemen zonder zich te branden....
Maar ach--hoe velen zijn de slaven van het goud!
Het goud echter kan het niet helpen, dat de mensch er voor knielt.
Het goud is een gave, een goède gave, en het is niet de schuld van den
Gever, dat de mensch van die gave zijn god maakt.
Is het goud niet een goede en groote gave? Kunnen handel en nijverheid,
kunsten en wetenschappen bloeien zonder goud, zonder geld? Heeft
het geld den driemaster niet getuigd en geladen, die vol trots de
zeeën doorploegt? En laat het geld den drijfriem niet suizen over het
vliegwiel? Verbindt het goud niet de volken? Slaat het geen bruggen
over den oceaan, en vlecht het niet om de vijf werelddeelen een sterken
stevigen band?
Neen, het goud is een goede gave, en kan het niet helpen, dat de
menschen er voor knielen, evenmin als de stralende zon het kan helpen,
dat de inboorlingen van Midden-Afrika haar aanbidden, en evenmin als het
sobere kaarslicht het kan gebeteren, dat de vlinder zijn vleugels zengt
in zijn vlam.
In een der voornaamste straten van Johannesburg, waar boven de breede
geopende deur met groote letters: »C. Harley & Co. limited" staat,
moeten we zijn.
't Is druk op dit kassierskantoor. Onophoudelijk stroomen de menschen in
en uit. Daartusschen hoort ge het geritsel van papier, en het gekletter
van goud en zilver op de harde, marmeren toonbank.
Zie die menschen toch eens aan, die daar komen en gaan; het loont de
moeite.
De voorste daar, die zoo juist tien gouden souvereins opstrijkt met zijn
vuile handen, is een Kaffer. Ge kunt het wel zien aan den bouw van dien
schedel, die zoo hard is als de gepantserde rug van een schildpad, aan
dat zwart, gekroesd haar, aan dat donkerkleurig, bijna zwart gelaat en
dien stompen neus.
Hij is op zijn Europeesch uitgedost. De lange panden van den jas, dien
hij van een reusachtigen koetsier, in dienst bij een der goudkoningen,
die hier wonen, heeft geschacherd, raken bijna den grond, en terwijl de
ééne broekspijp buitensporig laag hangt, werkt de andere met succes de
hoogte in. Een smerig eindje pijp steekt tusschen zijn dikke lippen, op
den neus prijkt een bril met slechts één glas, en onder den arm draagt
hij--van daag een totaal overbodige weelde!--een blauw geruite
regenscherm.
Neen, liever dan dien opgedirkten Kaffer zie ik dan toch dien man
daar achter hem, gekleed in het kunsteloos gewaad der woestijn, in
den wijden, witten mantel, die los over zijn schouders golft, en het
hoofd omhuld met den witten doek. Uit dat door de zon verbrand gelaat
schitteren twee zwarte oogen, en de houding van dezen man verraadt iets
vorstelijks--hij is immers ook een kind van Arabië, een zoon van Ismaël!
Hij zou u wat kunnen vertellen, als die gesloten, vastberaden lippen
wilden spreken!
Negen keeren is hij met de karavaan door die ontzettende woestijn
getrokken, die de Sahara wordt geheeten, maar met recht een gloedoven en
een vallei des doods kan worden genoemd.
Dag aan dag en jaar aan jaar brandt en gloeit en zengt de zon aan den
koperen hemel, en dag aan dag en jaar aan jaar kaatst het heete,
brandende zand onder den voet van den bezwijkenden reiziger die
gloeiende hitte terug.
Geen grasscheutje kan er groeien; geen druppel water wordt er gevonden.
Wel kan het firmament plotseling worden verduisterd door zware wolken,
doch het zijn geen wolken, die verkwikkenden regen geven; het zijn hoog
oprijzende, door den Samum-storm opgewervelde en voortgestooten gele
lawinen, stuivende zandbergen, die met de snelheid van den wind over de
Sahara wentelen.
* * * * *
»Een check van zeshonderd pond op New-York!"
Onverschillig werpt de spreker, een zoon van het verre Westen, een lange
knokige figuur met een echt Yankee-gezicht, een zak met goudgeld op de
toonbank, en terwijl twee kassiersbedienden het geld natellen, houdt hij
hen, met de handen in de wijde zakken van zijn gestreepte broek, en een
Amerikaansch deuntje neuriënd, met zijn vlugge oogen in de gaten.
China en de Vereenigde Staten ontmoeten elkander hier. Of zou die man
daar vóór u--hij zet zich juist neder op de bank onder het
vensterraam--geen zoon zijn van het Hemelsche Rijk?
Zonder twijfel. Gij kunt het zien aan de lange haarvlecht op zijn rug,
aan die scheve oogleden, aan dat sluw, geel gelaat.
* * * * *
Dàt brutaal gezicht, daar naast dien Australiër, behoort aan een
Engelschen Jingo. Wis en zeker, aan een Jingo.
Met een minachtend gebaar neemt hij door het gouden lorgnet de
omstanders op; met een zekere onverschilligheid hangt hij den
elpenbeenen knop van zijn rotting op in het derde knoopsgat van zijn
jas, van boven af geteld, en een spotlachje krult zijn lippen, als
een vreemde klank zijn oor treft. Hij vindt het onzinnig, dat er nog
menschen bestaan, die er een andere taal op na houden dan de zijne, de
Engelsche taal, en hij zou ze af willen straffen met de rotting, die in
het derde knoopsgat hangt van zijn jas.
Neem hem bedaard en goed op; het is leerzaam.
Na vele jaren, als de macht van Engeland zal zijn gebroken, als de
trots van de koningin der zeeën in het slijk zal vertreden zijn, zal de
weetgierige leerling vragen aan zijn onderwijzer: »Wat was de oorzaak
van Engelands val?"
En de onderwijzer zal antwoorden: »De Jingo was de oorzaak van Engelands
val."
En de leerling zal weder vragen: »Onderwijzer, wat verstaat gij onder
den Jingo?"
En de onderwijzer zal met bedachtzaamheid antwoorden: »Onder den Jingo
versta ik den man, die de Engelsche staatkunde in een verkeerde bedding
heeft geleid, die met alle mogelijke middelen, zoowel geoorloofde als
ongeoorloofde, het gebied van Engelands bezittingen poogde uit te
breiden, en die ten slotte voor geen daden van geweld, list en verraad
terug heeft gedeinsd, om dat doel te bereiken."
En de leerling zal nadenken over deze gewichtige woorden en nogmaals
vragen: »In hoeverre is de Jingo de oorzaak van Engelands val?"
En de onderwijzer zal antwoorden: »De Jingo begon de Engelsche politiek
te beheerschen, en zijn waan kende geen grenzen, zoodat hij met het
trotsche hoofd tegen de wolken stootte. Maar de rechtvaardige God, Die
alleen groot is, wilde dien trotschen waan niet langer gedoogen, en Hij
liet den toorn der volken los tegen de eilanden in het noorden, en
Engeland viel, en zijn val was groot!"
En de weetgierige leerling zal over die woorden peinzen, en er wijze
lessen uit putten voor zijn eigen leven.
* * * * *
Dat menschenkind daarbij den muur is een Kroaat.
Hij heeft de leeren pet zoo vast op het hoofd alsof zij er op
vastgemetseld is, en dat zijn roode, borstelige bakkebaarden in geen
twintig jaar met een kam in aanraking zijn geweest, is een feit.
Van werken houdt hij niet, wel van boksen en vechten, en dat hij den
zachtmoedigen Armeniër, die daar naast hem staat, met moedwil op de
teenen trapt, is enkel te verklaren uit zijn onweerstaanbare zucht om
te bakkeleien.
»En u?" vraagt de chef van het kantoor.
»Een wissel op Triëst--dertig pond!" brult de strijdlustige zoon van de
Julische Alpen.
Maar de chef is aan die ruwe uitroepen gewoon. Het maakt hem koud noch
heet.
Met zijn scherpe oogen controleert hij zijn vier bedienden en de stapels
kostbaar goud en de stapels nog kostbaarder wissels, die door zijn
handen gaan.
Hij werkt met beleid, vlug, accuraat, zonder overhaasting. Hij let
minder op de menschen dan op het geld. Voor die menschen is hij niet
verantwoordelijk, wel voor het geld.
* * * * *
't Is verwonderlijk, hoe 'n haast de meeste menschen hebben. Maar die
grijsaard ginds--hij staat heel achteraan--schijnt geen haast te hebben.
Hij neemt het geweer van den schouder, en zet het tegen den grond.
De linkerhand omklemt den loop.
't Is een prachtig geweer, een echt Henri-Martini, en de stalen loop
schittert in de zonnestralen, die door de breede ruiten vallen.
De grijsaard staat recht op, en is minstens een halve voet langer dan de
meeste omstanders.
Slechts de Noorweger, een zoon der blonde Gothen, die zoo even het
kantoor verliet, was even groot.
Met belangstelling staart hij op het rumoerig tooneel daar voor hem, en
een oogenblik rusten zijn blauwe, schrandere oogen op den trotschen
Jingo.
Maar de aanloop begint te verminderen; over eenige minuten wordt het
kantoor gesloten, en nu eerst ontdekt de chef, van zijn ingespannen
arbeid opblikkend, den ouden Voortrekker.
»Wel grootvader Kloppers," roept hij, met blijde verbazing, »dat is een
verrassing! Kom toch gauw naar binnen!"
»Ik zal wachten tot ge klaar zijt," zegt de grijsaard, Marling's
toegestoken hand hartelijk schuddend.
Nu, Marling haast zich en is spoedig klaar. Het kantoor wordt gesloten,
de bedienden verwijderen zich en Charles gaat Dirk Kloppers voor door
den marmeren gang naar de huiskamer.
Een glazen deur, door een gordijn gedeeltelijk bedekt, geeft toegang tot
die kamer.
»Wacht even," zegt Marling fluisterend, »nu kunt ge uw kleindochter eens
bespieden!"
»Wel ja," meent de Voortrekker vroolijk, en gluurt door de
gordijnplooien heen.
* * * * *
Lena heeft haar eerstgeborene, een allerliefst ventje van zes maanden,
op den schoot.
Zij neemt hem op, heft hem hoog in de lucht, en de kleine kerel kraait
het uit van plezier.
Zij legt hem weer op haar schoot, plaatst hem vlak voor zich en zegt:
»Wiens ventje ben jij, Albert? Pa'ke's ventje? Pa'ke zegt, dat jij
Moeke's neus hebt, maar Moeke zegt, dat jij Pa'ke's oogen hebt, hoor!
Pa'ke's oogen, ja zeker! Maar de mond is van je Moeke, zegt Pa'ke!
Zóó--goed zoet zijn, lieveling--"
»Kom vrouw," zegt Marling lachend, met den ouden Kloppers binnentredend,
»we zullen je moeten storen in je gewichtig onderhoud met onzen oudsten
zoon. Ik heb hier een kennis van je meegebracht."
»Grootvader!" roept de jonge vrouw met een stralend gezicht, den kleine
in zijn wiegje leggend.
Zij snelt op den grijsaard toe en kust hem.
»Nu, dat is nog eens een kostelijke verrassing!" roept ze verheugd. »En
hoe maken het Grootmoeder en Oom Jan en tante Geertrui en de kinderen en
de andere familie?"
»Ik breng jullie hun hartelijke groete," antwoordt de grijsaard, »en ze
maken het allen uitstekend."
»Nu wat zegt ge van uw veldbloemke?" vraagt Marling, op zijn vrouw
wijzend.
»Mijn veldbloemke ziet er uit als een roos in den morgendauw," antwoordt
de Voortrekker, »en ik dank daarvoor mijn God."
Nu neemt men plaats in de gezellige, prettige kamer, waarvan de
openslaande deuren uitkomen op een werkelijk prachtigen bloementuin.
Terwijl is de vrouw des huizes bezig, om met bekwamen spoed de
koffietafel gereed te maken, en de dreumes in zijn wiegje ligt het
uit te kraaien van plezier, en pakt met de kleine vingers de mollige,
bloote beentjes, en doet krachtige pogingen, om den grooten teen van
zijn rechtervoet in het snoeperig mondje te steken, en over de geheele
omgeving ligt zoo'n innig waas van gezelligheid, bevalligheid en
huiselijk geluk, dat zelfs de ijzeren Voortrekker er door getroffen
wordt.
»En hoe staat het u hier aan, nu ge ons voor den eersten keer in ons
gedoe ziet?" vraagt Lena met een glimlach.
»'t Is haast te mooi," zegt de grijsaard.
»Ik heb het niet gedroomd," gaat hij voort, »toen ik nu zestig jaar
geleden door de wildernissen zwierf en niets had dan een harden
klipsteen, om er des avonds het hoofd op neer te leggen, dat nog eens
mijn kleindochter mij in een pronkkamer zou ontvangen. Tusschen dag en
nacht is een groot verschil, maar tusschen den ossenwagen van den
voortrekker en een Johannesburger salon niet minder."
»We mogen 't er wel van nemen met een dankbaar hart, als God het ons
schenkt," meent Marling.
»Zonder twijfel," herneemt de grijsaard met hartelijke instemming,
»maar," gaat hij voort op ernstigen toon, »het is de vraag, of een
geslacht, dat in de salons wordt opgekweekt, in tijden van nood en
stormweer, die kracht, die taaiheid en die heldenmoed ten toon zal
spreiden, die de kenmerken zijn van de echte zonen der wildernis."
»We denken Albert niet te verweekelijken," zegt Marling. »Als hij groot
mag worden, dan hoop ik hem naar Vredenoord te zenden, en misschien zal
zijn overgrootvader hem nog leeren, hoe het roer wordt gehanteerd, en de
snelle klipbok geschoten in het gebergte."
Maar de grijsaard schudt de sneeuwwitte lokken en zegt: »Dat zal ik niet
meer beleven."
* * * * *
Grootvader Kloppers zag in Johannesburg en in de omstreken van
Johannesburg veel, dat hem nieuw was, vooral een der in exploitatie
genomen goudmijnen, die hij bezichtigde, wekte zijne warme
belangstelling.
Nu, zoo'n goudmijn is ook de bezichtiging waard.
Met een bak, lift genaamd, daalt men loodrecht in den donkeren schoot
der aarde. Op elke 100 voet diepte wordt een mijngang door het graniet
gehouwen, een zwaar werk, want het graniet is zeer hard, doch op 1000
voet diepte gekomen, worden de mijngangen op 200 voet afstands onder
elkander gehouwen. Men heeft dus den tienden mijngang op 1000 voet en
den elfden op 1200 voet diepte.
De mijngangen loopen honderd voeten ver, in alle windstreken, en volgen
den goudrif, waaronder men verstaat de ader van gouderts, die gewoonlijk
hoogstens twee voet dik en breed, door het zware graniet loopt.
Een mijn kan verscheidene riffen bevatten: een hoofdrif met
vertakkingen, die zich allen uitstrekken naar de diepte der aarde, doch
hoe diep, is tot nog toe voor de menschelijke wetenschap verborgen.
Het goudrif is van het graniet, waar het door heen loopt, onderscheiden
door zijn grijswitte en gitzwarte plekken en in die grijswitte, doch
vooral in die gitzwarte plekken zitten, fijn en verspreid, de
gouddeeltjes.
't Is wel een groote zeldzaamheid, dat men stukken zuiver goud vindt.
Toch kan het gebeuren. Zij worden nuggets genoemd, en een dier aan
den Witwaterrand gevonden nuggets, zoo groot als een lang wittebrood,
vertegenwoordigde eene waarde van een millioen gulden.
In de harde granietwanden der mijngangen, boren de Kafferwerklieden
de gaten voor het dynamiet, dat het goudrif breekt, terwijl in de
mijngangen een spoor loopt, waarover zich onophoudelijk kleine karren
(skips) bewegen, die het losgesprongen steen en gruis vervoeren naar een
lift, die het naar boven brengt.
Natuurlijk wordt veel meer granietgruis dan gouderts naar boven
gebracht, want de mijngangen zijn eene flinke manslengte hoog, en zoo
breed, dat er op sommige plaatsen een dubbel spoor ligt.
Het naar boven gebrachte erts wordt intusschen vervoerd naar de
Batterij, een sterk, houten gebouw van ontzachelijke hoogte, dat uit
verschillende galerijen bestaat. In deze galerijen wordt het erts fijn
gestampt, en ondergaat vervolgens verschillende zuiveringsprocessen door
doorstroomend water, kwikzilver en cyanide, en wordt ten slotte in den
smeltkroes geworpen, om gereinigd er uit te voorschijn te komen.
* * * * *
Één zaak verwonderde grootvader Kloppers, namelijk dat er in
Johannesburg zoo veel Engelsch werd gesproken.
»Het lijkt wel een Engelsche stad," zeide hij geërgerd, waarop Charles
Marling lachend zeide: »De taal is vrij."
Doch toen de oude Voortrekker voor de ramen der voornaamste
boekwinkels de portretten van Cecil Rhodes in alle mogelijke grootten
zag uitgestald, klom zijn ergernis tot toorn, en een plooi van
verontwaardiging werd zichtbaar op zijn verweerd gelaat.
»Dat is de Achitofel van Kaapstad," barstte hij los, »maar de Heere zal
den raad van dezen man vernietigen!"
Maar Charles zeide hierop geen woord, uit eerbied voor de sneeuwwitte
haren van den Voortrekker.
Vier dagen vertoefde grootvader Kloppers bij de familie Marling. Toen
liet hij zijn schimmel halen, die hij bij een stalhouder had laten
stallen, en de geliefde gast nam afscheid van zijn kleinkinderen.
Hij nam den kleinen Albert op zijn armen, kuste het lieve ventje en
zeide: »De God uwer vaderen zegene u, mijn kind, en stelle u eens tot
een sieraad voor kerk, volk en maatschappij!"
Met de vaardigheid van een jongeling sprong hij in het zaâl, en
zooals hij daar zat op den witten schimmel, den bandelier om de breede
schouders, het geweer over den rug, den uit paardenhaar gevlochten,
breeden hoed op het grijze hoofd, gekleed in het gewaad der wildernis,
was hij de type van een verdwijnend geslacht--van den krachtigen,
onversaagden Voortrekker.