HOOFDSTUK XVII.

Dàt is de stad.

Zeven jaar geleden--wij schrijven thans 1895--was hier niets te zien dan

een golvende, eindelooze grasvlakte, en de stilte der wildernis werd

slechts afgebroken door het gehuil van een jakhals, het gebrul van een

tijger en den vleugelslag van een roofvogel.

En thans is hier een stad verrezen met paleizen en kerken; een echte

wezenlijke stad met prachtige wijken en smerige achterbuurten. De slanke

torens rijzen vol gratie opwaarts, en de koepels der paleizen schitteren

in de blauwe, zonnige, Afrikaansche lucht.

Op den grond van een Transvaalschen Boer, daar is de stad verrezen. Toen

de eerste schamele hutten in elkander werden gezet, zeide die Boer: »Ik

zal deze plek noemen naar mijn zoon." En hij noemde haar Johannesburg,

en dezen naam zal de goudstad wel blijven dragen zoolang de wereld

bestaat.

't Is een merkwaardige stad, dit Johannesburg. Ze is opgeschoten als een

wonderboom.

De groote Pompejus zeide ééns: »Met mijn voet stamp ik de Romeinsche

legers uit den grond," en wat de groote Pompejus kon, dat heeft hier de

kracht van het goud gedaan. Het heeft een stad van 70.000 inwoners uit

den grond gestampt.

Zoo'n kracht heeft het goud.

Daar, bij Johannesburg, in de diepe schachten, 200 tot 400 voet onder

den grond, waar zon noch maan met hun licht kunnen komen, daar loopen

de metalen aders, en tusschen het harde erts fonkelen de goudatomen.

Dat harde erts, dat duizenden jaren heeft gesluimerd in den schoot der

aarde, wordt door rappe, vlugge handen naar boven gebracht en onder den

stoot van stalen reuzenstampers tot stof vermalen.

Uit dat stof weet de vindingrijkheid van den mensch het kostbare goud te

verzamelen.

Dat goud heeft de menschen van Johannesburg aangetrokken. Het trekt de

menschen aan als de magneet het ijzer, als de kaarsvlam den vlinder.

Uit de vier windstreken des hemels zijn de hongerige zielen te

Witwatersrand[11] komen aanhollen, om zich te verzadigen aan het goud.

[11] Witwatersrand heet de goudstreek, die zich bij Johannesburg

uitstrekt.

Wat doet de mensch niet voor het goud?

Hij braveert de stormen en waagt zich in den cykloon; hij gaat door

water en vuur; hij waagt zijn gezondheid, zijn leven, zijn eeuwige

zaligheid voor dat goud.

Om het goud worden de ijzeren kerkerdeuren getrotseerd, en hoeveel

moorden de gouddorst op zijn rekening heeft--wie zal het zeggen?

Saul versloeg zijn honderden en David zijn duizenden, maar de gouddorst

telt zijn gesneuvelden bij millioenen!

Zij zijn overal te vinden, die gesneuvelden, die ongelukkigen: op de

hoogte der bergen, in de diepte der zeeën, in het marktgewoel der stad,

in de stilte der woestijn.

Doch niet alle menschen zijn door dien gouddorst aangetast.

Ik ken er: hooge, edele geesten, die met koninklijken tred en opgericht

hoofd heenschrijden over het goud; die het kunnen gebruiken zonder het

te misbruiken; die het kunnen bezitten zonder er voor te zwichten; die

het in de hand kunnen nemen zonder zich te branden....

Maar ach--hoe velen zijn de slaven van het goud!

Het goud echter kan het niet helpen, dat de mensch er voor knielt.

Het goud is een gave, een goède gave, en het is niet de schuld van den

Gever, dat de mensch van die gave zijn god maakt.

Is het goud niet een goede en groote gave? Kunnen handel en nijverheid,

kunsten en wetenschappen bloeien zonder goud, zonder geld? Heeft

het geld den driemaster niet getuigd en geladen, die vol trots de

zeeën doorploegt? En laat het geld den drijfriem niet suizen over het

vliegwiel? Verbindt het goud niet de volken? Slaat het geen bruggen

over den oceaan, en vlecht het niet om de vijf werelddeelen een sterken

stevigen band?

Neen, het goud is een goede gave, en kan het niet helpen, dat de

menschen er voor knielen, evenmin als de stralende zon het kan helpen,

dat de inboorlingen van Midden-Afrika haar aanbidden, en evenmin als het

sobere kaarslicht het kan gebeteren, dat de vlinder zijn vleugels zengt

in zijn vlam.

In een der voornaamste straten van Johannesburg, waar boven de breede

geopende deur met groote letters: »C. Harley & Co. limited" staat,

moeten we zijn.

't Is druk op dit kassierskantoor. Onophoudelijk stroomen de menschen in

en uit. Daartusschen hoort ge het geritsel van papier, en het gekletter

van goud en zilver op de harde, marmeren toonbank.

Zie die menschen toch eens aan, die daar komen en gaan; het loont de

moeite.

De voorste daar, die zoo juist tien gouden souvereins opstrijkt met zijn

vuile handen, is een Kaffer. Ge kunt het wel zien aan den bouw van dien

schedel, die zoo hard is als de gepantserde rug van een schildpad, aan

dat zwart, gekroesd haar, aan dat donkerkleurig, bijna zwart gelaat en

dien stompen neus.

Hij is op zijn Europeesch uitgedost. De lange panden van den jas, dien

hij van een reusachtigen koetsier, in dienst bij een der goudkoningen,

die hier wonen, heeft geschacherd, raken bijna den grond, en terwijl de

ééne broekspijp buitensporig laag hangt, werkt de andere met succes de

hoogte in. Een smerig eindje pijp steekt tusschen zijn dikke lippen, op

den neus prijkt een bril met slechts één glas, en onder den arm draagt

hij--van daag een totaal overbodige weelde!--een blauw geruite

regenscherm.

Neen, liever dan dien opgedirkten Kaffer zie ik dan toch dien man

daar achter hem, gekleed in het kunsteloos gewaad der woestijn, in

den wijden, witten mantel, die los over zijn schouders golft, en het

hoofd omhuld met den witten doek. Uit dat door de zon verbrand gelaat

schitteren twee zwarte oogen, en de houding van dezen man verraadt iets

vorstelijks--hij is immers ook een kind van Arabië, een zoon van Ismaël!

Hij zou u wat kunnen vertellen, als die gesloten, vastberaden lippen

wilden spreken!

Negen keeren is hij met de karavaan door die ontzettende woestijn

getrokken, die de Sahara wordt geheeten, maar met recht een gloedoven en

een vallei des doods kan worden genoemd.

Dag aan dag en jaar aan jaar brandt en gloeit en zengt de zon aan den

koperen hemel, en dag aan dag en jaar aan jaar kaatst het heete,

brandende zand onder den voet van den bezwijkenden reiziger die

gloeiende hitte terug.

Geen grasscheutje kan er groeien; geen druppel water wordt er gevonden.

Wel kan het firmament plotseling worden verduisterd door zware wolken,

doch het zijn geen wolken, die verkwikkenden regen geven; het zijn hoog

oprijzende, door den Samum-storm opgewervelde en voortgestooten gele

lawinen, stuivende zandbergen, die met de snelheid van den wind over de

Sahara wentelen.

* * * * *

»Een check van zeshonderd pond op New-York!"

Onverschillig werpt de spreker, een zoon van het verre Westen, een lange

knokige figuur met een echt Yankee-gezicht, een zak met goudgeld op de

toonbank, en terwijl twee kassiersbedienden het geld natellen, houdt hij

hen, met de handen in de wijde zakken van zijn gestreepte broek, en een

Amerikaansch deuntje neuriënd, met zijn vlugge oogen in de gaten.

China en de Vereenigde Staten ontmoeten elkander hier. Of zou die man

daar vóór u--hij zet zich juist neder op de bank onder het

vensterraam--geen zoon zijn van het Hemelsche Rijk?

Zonder twijfel. Gij kunt het zien aan de lange haarvlecht op zijn rug,

aan die scheve oogleden, aan dat sluw, geel gelaat.

* * * * *

Dàt brutaal gezicht, daar naast dien Australiër, behoort aan een

Engelschen Jingo. Wis en zeker, aan een Jingo.

Met een minachtend gebaar neemt hij door het gouden lorgnet de

omstanders op; met een zekere onverschilligheid hangt hij den

elpenbeenen knop van zijn rotting op in het derde knoopsgat van zijn

jas, van boven af geteld, en een spotlachje krult zijn lippen, als

een vreemde klank zijn oor treft. Hij vindt het onzinnig, dat er nog

menschen bestaan, die er een andere taal op na houden dan de zijne, de

Engelsche taal, en hij zou ze af willen straffen met de rotting, die in

het derde knoopsgat hangt van zijn jas.

Neem hem bedaard en goed op; het is leerzaam.

Na vele jaren, als de macht van Engeland zal zijn gebroken, als de

trots van de koningin der zeeën in het slijk zal vertreden zijn, zal de

weetgierige leerling vragen aan zijn onderwijzer: »Wat was de oorzaak

van Engelands val?"

En de onderwijzer zal antwoorden: »De Jingo was de oorzaak van Engelands

val."

En de leerling zal weder vragen: »Onderwijzer, wat verstaat gij onder

den Jingo?"

En de onderwijzer zal met bedachtzaamheid antwoorden: »Onder den Jingo

versta ik den man, die de Engelsche staatkunde in een verkeerde bedding

heeft geleid, die met alle mogelijke middelen, zoowel geoorloofde als

ongeoorloofde, het gebied van Engelands bezittingen poogde uit te

breiden, en die ten slotte voor geen daden van geweld, list en verraad

terug heeft gedeinsd, om dat doel te bereiken."

En de leerling zal nadenken over deze gewichtige woorden en nogmaals

vragen: »In hoeverre is de Jingo de oorzaak van Engelands val?"

En de onderwijzer zal antwoorden: »De Jingo begon de Engelsche politiek

te beheerschen, en zijn waan kende geen grenzen, zoodat hij met het

trotsche hoofd tegen de wolken stootte. Maar de rechtvaardige God, Die

alleen groot is, wilde dien trotschen waan niet langer gedoogen, en Hij

liet den toorn der volken los tegen de eilanden in het noorden, en

Engeland viel, en zijn val was groot!"

En de weetgierige leerling zal over die woorden peinzen, en er wijze

lessen uit putten voor zijn eigen leven.

* * * * *

Dat menschenkind daarbij den muur is een Kroaat.

Hij heeft de leeren pet zoo vast op het hoofd alsof zij er op

vastgemetseld is, en dat zijn roode, borstelige bakkebaarden in geen

twintig jaar met een kam in aanraking zijn geweest, is een feit.

Van werken houdt hij niet, wel van boksen en vechten, en dat hij den

zachtmoedigen Armeniër, die daar naast hem staat, met moedwil op de

teenen trapt, is enkel te verklaren uit zijn onweerstaanbare zucht om

te bakkeleien.

»En u?" vraagt de chef van het kantoor.

»Een wissel op Triëst--dertig pond!" brult de strijdlustige zoon van de

Julische Alpen.

Maar de chef is aan die ruwe uitroepen gewoon. Het maakt hem koud noch

heet.

Met zijn scherpe oogen controleert hij zijn vier bedienden en de stapels

kostbaar goud en de stapels nog kostbaarder wissels, die door zijn

handen gaan.

Hij werkt met beleid, vlug, accuraat, zonder overhaasting. Hij let

minder op de menschen dan op het geld. Voor die menschen is hij niet

verantwoordelijk, wel voor het geld.

* * * * *

't Is verwonderlijk, hoe 'n haast de meeste menschen hebben. Maar die

grijsaard ginds--hij staat heel achteraan--schijnt geen haast te hebben.

Hij neemt het geweer van den schouder, en zet het tegen den grond.

De linkerhand omklemt den loop.

't Is een prachtig geweer, een echt Henri-Martini, en de stalen loop

schittert in de zonnestralen, die door de breede ruiten vallen.

De grijsaard staat recht op, en is minstens een halve voet langer dan de

meeste omstanders.

Slechts de Noorweger, een zoon der blonde Gothen, die zoo even het

kantoor verliet, was even groot.

Met belangstelling staart hij op het rumoerig tooneel daar voor hem, en

een oogenblik rusten zijn blauwe, schrandere oogen op den trotschen

Jingo.

Maar de aanloop begint te verminderen; over eenige minuten wordt het

kantoor gesloten, en nu eerst ontdekt de chef, van zijn ingespannen

arbeid opblikkend, den ouden Voortrekker.

»Wel grootvader Kloppers," roept hij, met blijde verbazing, »dat is een

verrassing! Kom toch gauw naar binnen!"

»Ik zal wachten tot ge klaar zijt," zegt de grijsaard, Marling's

toegestoken hand hartelijk schuddend.

Nu, Marling haast zich en is spoedig klaar. Het kantoor wordt gesloten,

de bedienden verwijderen zich en Charles gaat Dirk Kloppers voor door

den marmeren gang naar de huiskamer.

Een glazen deur, door een gordijn gedeeltelijk bedekt, geeft toegang tot

die kamer.

»Wacht even," zegt Marling fluisterend, »nu kunt ge uw kleindochter eens

bespieden!"

»Wel ja," meent de Voortrekker vroolijk, en gluurt door de

gordijnplooien heen.

* * * * *

Lena heeft haar eerstgeborene, een allerliefst ventje van zes maanden,

op den schoot.

Zij neemt hem op, heft hem hoog in de lucht, en de kleine kerel kraait

het uit van plezier.

Zij legt hem weer op haar schoot, plaatst hem vlak voor zich en zegt:

»Wiens ventje ben jij, Albert? Pa'ke's ventje? Pa'ke zegt, dat jij

Moeke's neus hebt, maar Moeke zegt, dat jij Pa'ke's oogen hebt, hoor!

Pa'ke's oogen, ja zeker! Maar de mond is van je Moeke, zegt Pa'ke!

Zóó--goed zoet zijn, lieveling--"

»Kom vrouw," zegt Marling lachend, met den ouden Kloppers binnentredend,

»we zullen je moeten storen in je gewichtig onderhoud met onzen oudsten

zoon. Ik heb hier een kennis van je meegebracht."

»Grootvader!" roept de jonge vrouw met een stralend gezicht, den kleine

in zijn wiegje leggend.

Zij snelt op den grijsaard toe en kust hem.

»Nu, dat is nog eens een kostelijke verrassing!" roept ze verheugd. »En

hoe maken het Grootmoeder en Oom Jan en tante Geertrui en de kinderen en

de andere familie?"

»Ik breng jullie hun hartelijke groete," antwoordt de grijsaard, »en ze

maken het allen uitstekend."

»Nu wat zegt ge van uw veldbloemke?" vraagt Marling, op zijn vrouw

wijzend.

»Mijn veldbloemke ziet er uit als een roos in den morgendauw," antwoordt

de Voortrekker, »en ik dank daarvoor mijn God."

Nu neemt men plaats in de gezellige, prettige kamer, waarvan de

openslaande deuren uitkomen op een werkelijk prachtigen bloementuin.

Terwijl is de vrouw des huizes bezig, om met bekwamen spoed de

koffietafel gereed te maken, en de dreumes in zijn wiegje ligt het

uit te kraaien van plezier, en pakt met de kleine vingers de mollige,

bloote beentjes, en doet krachtige pogingen, om den grooten teen van

zijn rechtervoet in het snoeperig mondje te steken, en over de geheele

omgeving ligt zoo'n innig waas van gezelligheid, bevalligheid en

huiselijk geluk, dat zelfs de ijzeren Voortrekker er door getroffen

wordt.

»En hoe staat het u hier aan, nu ge ons voor den eersten keer in ons

gedoe ziet?" vraagt Lena met een glimlach.

»'t Is haast te mooi," zegt de grijsaard.

»Ik heb het niet gedroomd," gaat hij voort, »toen ik nu zestig jaar

geleden door de wildernissen zwierf en niets had dan een harden

klipsteen, om er des avonds het hoofd op neer te leggen, dat nog eens

mijn kleindochter mij in een pronkkamer zou ontvangen. Tusschen dag en

nacht is een groot verschil, maar tusschen den ossenwagen van den

voortrekker en een Johannesburger salon niet minder."

»We mogen 't er wel van nemen met een dankbaar hart, als God het ons

schenkt," meent Marling.

»Zonder twijfel," herneemt de grijsaard met hartelijke instemming,

»maar," gaat hij voort op ernstigen toon, »het is de vraag, of een

geslacht, dat in de salons wordt opgekweekt, in tijden van nood en

stormweer, die kracht, die taaiheid en die heldenmoed ten toon zal

spreiden, die de kenmerken zijn van de echte zonen der wildernis."

»We denken Albert niet te verweekelijken," zegt Marling. »Als hij groot

mag worden, dan hoop ik hem naar Vredenoord te zenden, en misschien zal

zijn overgrootvader hem nog leeren, hoe het roer wordt gehanteerd, en de

snelle klipbok geschoten in het gebergte."

Maar de grijsaard schudt de sneeuwwitte lokken en zegt: »Dat zal ik niet

meer beleven."

* * * * *

Grootvader Kloppers zag in Johannesburg en in de omstreken van

Johannesburg veel, dat hem nieuw was, vooral een der in exploitatie

genomen goudmijnen, die hij bezichtigde, wekte zijne warme

belangstelling.

Nu, zoo'n goudmijn is ook de bezichtiging waard.

Met een bak, lift genaamd, daalt men loodrecht in den donkeren schoot

der aarde. Op elke 100 voet diepte wordt een mijngang door het graniet

gehouwen, een zwaar werk, want het graniet is zeer hard, doch op 1000

voet diepte gekomen, worden de mijngangen op 200 voet afstands onder

elkander gehouwen. Men heeft dus den tienden mijngang op 1000 voet en

den elfden op 1200 voet diepte.

De mijngangen loopen honderd voeten ver, in alle windstreken, en volgen

den goudrif, waaronder men verstaat de ader van gouderts, die gewoonlijk

hoogstens twee voet dik en breed, door het zware graniet loopt.

Een mijn kan verscheidene riffen bevatten: een hoofdrif met

vertakkingen, die zich allen uitstrekken naar de diepte der aarde, doch

hoe diep, is tot nog toe voor de menschelijke wetenschap verborgen.

Het goudrif is van het graniet, waar het door heen loopt, onderscheiden

door zijn grijswitte en gitzwarte plekken en in die grijswitte, doch

vooral in die gitzwarte plekken zitten, fijn en verspreid, de

gouddeeltjes.

't Is wel een groote zeldzaamheid, dat men stukken zuiver goud vindt.

Toch kan het gebeuren. Zij worden nuggets genoemd, en een dier aan

den Witwaterrand gevonden nuggets, zoo groot als een lang wittebrood,

vertegenwoordigde eene waarde van een millioen gulden.

In de harde granietwanden der mijngangen, boren de Kafferwerklieden

de gaten voor het dynamiet, dat het goudrif breekt, terwijl in de

mijngangen een spoor loopt, waarover zich onophoudelijk kleine karren

(skips) bewegen, die het losgesprongen steen en gruis vervoeren naar een

lift, die het naar boven brengt.

Natuurlijk wordt veel meer granietgruis dan gouderts naar boven

gebracht, want de mijngangen zijn eene flinke manslengte hoog, en zoo

breed, dat er op sommige plaatsen een dubbel spoor ligt.

Het naar boven gebrachte erts wordt intusschen vervoerd naar de

Batterij, een sterk, houten gebouw van ontzachelijke hoogte, dat uit

verschillende galerijen bestaat. In deze galerijen wordt het erts fijn

gestampt, en ondergaat vervolgens verschillende zuiveringsprocessen door

doorstroomend water, kwikzilver en cyanide, en wordt ten slotte in den

smeltkroes geworpen, om gereinigd er uit te voorschijn te komen.

* * * * *

Één zaak verwonderde grootvader Kloppers, namelijk dat er in

Johannesburg zoo veel Engelsch werd gesproken.

»Het lijkt wel een Engelsche stad," zeide hij geërgerd, waarop Charles

Marling lachend zeide: »De taal is vrij."

Doch toen de oude Voortrekker voor de ramen der voornaamste

boekwinkels de portretten van Cecil Rhodes in alle mogelijke grootten

zag uitgestald, klom zijn ergernis tot toorn, en een plooi van

verontwaardiging werd zichtbaar op zijn verweerd gelaat.

»Dat is de Achitofel van Kaapstad," barstte hij los, »maar de Heere zal

den raad van dezen man vernietigen!"

Maar Charles zeide hierop geen woord, uit eerbied voor de sneeuwwitte

haren van den Voortrekker.

Vier dagen vertoefde grootvader Kloppers bij de familie Marling. Toen

liet hij zijn schimmel halen, die hij bij een stalhouder had laten

stallen, en de geliefde gast nam afscheid van zijn kleinkinderen.

Hij nam den kleinen Albert op zijn armen, kuste het lieve ventje en

zeide: »De God uwer vaderen zegene u, mijn kind, en stelle u eens tot

een sieraad voor kerk, volk en maatschappij!"

Met de vaardigheid van een jongeling sprong hij in het zaâl, en

zooals hij daar zat op den witten schimmel, den bandelier om de breede

schouders, het geweer over den rug, den uit paardenhaar gevlochten,

breeden hoed op het grijze hoofd, gekleed in het gewaad der wildernis,

was hij de type van een verdwijnend geslacht--van den krachtigen,

onversaagden Voortrekker.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 25 / 53 题