HOOFDSTUK XVI.

Het was nu donker geworden, en de sterren tintelden aan het firmament.

Jakob had zich geweerd; een lustig brandend vuur vlamde de komenden

tegemoet, en uit het verre kamp op de heuvelen klonk vroolijk

trompetgeschal.

»Cesar, kom!" riep Frits Jansen, en het trouwe paard, dat liep te

grazen, naderde zijn jongen meester.

Frits ontlastte het van den teugel, gebit, zadel en bagage. Het paard

had nu zelfs geen helster aan. Waarom ook? Het gehoorzaamde zijn baas

met de trouw van een hond.

Uit de bagage zocht de jonge Boer nu een ijzeren drievoeter, een kruik,

een keteltje, een bus en een kommetje.

Hij plaatste den drievoeter boven het vuur, vulde het keteltje met water

uit de kruik, en toen het water kookte, schudde hij er koffie in uit de

bus.

»Nu zullen we koffie drinken," zeide hij, »doch de melk is op."

»Die heb ik," zeide het meesterke, innig verheugd, dat zijn vriend wat

kalmer was geworden.

»En ik heb nog iets beters voor je," liet hij er op volgen; »een brief

van je moeder."

Met beide handen strekte Frits Jansen zich uit naar den brief, en

haastig het couvert openend, las hij, neen verslond hij de regels bij

het schijnsel der grillige vlam.

Ach, dat was een brief, zooals slechts een moeder hem kan schrijven! Zoo

ongekunsteld, zoo eenvoudig, en toch zoo roerend in zijn eenvoudigheid!

Zoo vol liefde en erbarming!

En dan die schreiende moederkreet: »Mijn arm, verdoold kind, leg het

moede hoofd neder aan het hart van uw moeder!"

Frits Jansen's oogen verduisterden zich, en zijn brandende oogen werden

vochtig.

Niemand twijfelde er aan, dat hij de brandstichter was, _niemand_ dan

zij, die trouwe, die liefhebbende, die éénige moeder!

Het verwonderde hem echter, dat tante Martje sprak van een vroegeren,

door haar geschreven brief.

»Dit is de _eerste_ brief, dien ik van Waterfontein ontvang," zeide hij

verbaasd.

»Toch is het de _tweede_, dien uw moeder aan u schrijft," zeide het

meesterke; »ik heb zelf den eersten brief op de post gebracht."

»Hij is nooit in mijn bezit gekomen," zeide Frits op stelligen toon.

»Het verwondert mij eveneens," ging hij nadenkend voort, »dat Moeder met

geen woord van _mijn_ brief melding maakt."

»Hebt ge dan een brief geschreven?" vraagde het meesterke verrast.

»Wis en zeker," verzekerde Frits.

»Tante Martje heeft elke week tweemaal naar het dorp gezonden, om naar

brieven te vragen," zeide het meesterke, »doch nooit een brief van u

ontvangen. Dat weet ik zeker."

»'t Is vreemd, heel vreemd," mompelde Frits.

»De post zal misschien nog slecht geregeld zijn," meende het meesterke.

»Ze is uitstekend geregeld," zeide Frits.

»Licht kan er een brief vermist worden," hernam het meesterke.

»Maar twee brieven--_twee_!" zeide Frits: »'t is onbegrijpelijk!"

Het meesterke haalde de schouders op; hij begreep het evenmin.

De koffie was intusschen gezet, en het kommetje ging tusschen de twee

vrienden kameraadschappelijk rond.

Het meesterke verkwikte zich aan den bruinen drank. Het begon koel te

worden, en de koffie maakte warm.

Frits Jansen's gedachten keerden intusschen terug tot dien noodlottigen

brand.

»Heb ik bij mijn vertrek iets gezegd, dat aanleiding kon geven tot de

vreeselijke verdenking?" vraagde hij.

Het meesterke knikte bevestigend.

»Zóó--ik zou wel eens willen weten, wat!" riep hij uit.

»Gij hebt gezegd: »Dat geeft een ongeluk.""

Frits Jansen sloeg zich voor het hoofd.

»Heb ik _dat_ gezegd?" vraagde hij, en het meesterke zeide: »Ja!"

Dat kwam van die heillooze, onzalige drift? Hij wist niet eens meer, wat

hij had gezegd!

»Waaraan meent Eliëzer mij herkend te hebben?" vraagde hij na een pauze,

maar het meesterke wist het niet.

»Eliëzer beweert, je stellig gezien te hebben even als de twee andere

Kaffers; meer weet ik er niet van."

Nu werd Jakob geroepen, doch die wist het evenmin, want hij was pas

eenige weken op Waterfontein.

* * * * *

Van den heuvel, waar Harreson's kamp was opgeslagen, werd de taptoe

geblazen, en de signalen klonken vredig door den stillen nacht.

Jakob had op eenigen afstand een tweede vuur aangelegd, en zijn zwarte,

blinkende huid stak wonderlijk af bij de grillige vlam.

Droomerig staarde hij in het vuur, en zong op gedempten toon een

weemoedig, eentonig kafferlied, waarin de verdwenen glorie van zijn volk

werd bezongen. En zijn klagende stem vermengde zich en smolt samen met

het klagend geruisen van den nachtwind door het lange, schrale gras.

De kleine poney was gekluisterd, en had zich tusschen de twee vuren

neergevleid, maar de twee boezemvrienden zaten met elkaar nog altijd te

keuvelen.

»En waarom hebt gij mij toch eigentlijk opgezocht, meesterke?" vraagde

Frits Jansen.

»Omdat ik je liefheb," zeide het meesterke op zijn eenvoudige, bijna

kinderlijke manier, terwijl hij den jongen Boer aankeek met zijn zachte,

weemoedige oogen.

Frits drukte hem de hand.

»Gij zijt een goed meesterke," zeide hij vriendelijk, »maar gij hebt in

den regel geen courage genoeg."

»Ge hebt me dikwijls moeten helpen met die wilde jongens," meende het

meesterke.

»Dat is waar," antwoordde Frits; »waarom sloegt ge ze niet om de ooren?"

»Ik kan het niet," zuchtte het meesterke.

»Ik geloof het," zeide de jonge Boer; »er zit geen staal in je bloed,

geen merg in je gebeente, meesterke. Ik zou me toch liever dood vechten

dan me op mijn kop laten zitten!"

»Ik schijn voor het lijden geboren," zeide het meesterke. »Als een

verworpeling ben ik op de wereld gekomen, en uit den beker van het

lijden heb ik gedronken tot op dezen oogenblik."

»Ge zijt wel ongelukkig, meesterke," zeide Frits Jansen, zijn eigen

zielepijn vergetend, met hartelijk medelijden.

»Ongelukkig?" zeide het meesterke met zachten klem. »Al hebben vader en

moeder mij verlaten, de Heere zal mij aannemen."

Frits wierp nieuwe brandstof op het zwakker wordende vuur.

De gloed sloeg nu hoog uit en verspreidde een liefelijke warmte. Terwijl

stopte de jonge Boer de kleine, houten pijp, en stak ze aan bij een

brandende tak.

»God heeft mij lief, Frits--hoe kan ik dan ongelukkig zijn?"

»Weet ge 't zeker?" vraagde Frits.

»Ja," zeide het meesterke met ongewonen nadruk. »Hij heeft mij lief."

»En waarom hebt ge dan zooveel leed op aarde, meesterke?"

»Omdat juist dit lijden mij aandrijft, om te schuilen onder Zijne

eeuwige vleugelen."

Er volgde een pauze.

Cesar, die zich achter Frits Jansen had neergevleid in het gras,

schuurde den ruigen kop tegen den schouder van zijn jongen baas,

en de kreet van een voorbijtrekkenden nachtvogel werd gehoord.

In wonderbaren glans strekte, bij het licht der sterren, het nachtelijk

landschap zich uit, en hoog aan den hemel beschreef een verschietende

ster haar schitterende baan.

»God is mijn vader, en ik ben een zijner uitverkorenen," begon het

meesterke opnieuw, »hoe kan ik dan ongelukkig zijn? Zie toch, hoe

machtig en heerlijk Hij is! Het firmament heeft Hij gespannen, en de

sterren zijn de gouden vonken van zijn kleed!"

»Gij spreekt als mijn moeder," zeide Frits vol bewondering, »maar nog

geleerder."

»Is Hij _uw_ Vader ook?" vraagde het meesterke met een opslag van zijn

zachte, weemoedige oogen, doch de jonge Boer gaf op deze vraag geen

direct antwoord en zeide: »Hoor eens hier, meesterke, als ik uitverkoren

ben, dan komt alles terecht, doch als ik niet uitverkoren ben, dan--"

Hij voleindigde den zin niet.

»Nu, als gij _niet_ uitverkoren zijt, Frits, wat dan?"

»Dan zal al mijn pogen, om de eeuwige zaligheid te verwerven,

vruchteloos zijn," zeide Frits.

Het meesterke antwoordde niet dadelijk; peinzend staarde hij in het

vuur.

»Gij schijnt dus te berusten in Gods raadsbesluit," zeide het meesterke

na een pauze op levendiger toon, »maar ik vrees, dat gij juist tegen den

_kern_ van dat raadsbesluit inhandelt."

»Hoe bedoelt ge dat?" vraagde Frits.

»Wat is de kern van Gods raadsbesluit?" zeide het meesterke; »is het

niet de eer, de glorie van Gods Zoon? Reeds in het natuurlijke ziet men,

dat de vader werkt voor zijn kind, voor zijn zoon; al zijn denken en

streven bedoelt het welzijn van dien zoon. De vader heeft immers zijn

kind lief; ièder vader; ook oom Reinard heeft zijn kind lief."

»Gehàd," zeide Frits Jansen en schudde droevig het hoofd.

»Neen, nog van daag," hernam het meesterke op den meest stelligen toon.

»Doch dit is slechts een zwakke schaduw van de liefde, die God koestert

voor zijn Zoon, en indien gij in dien Zoon niet gelooft, dan acht gij

het bloed des Nieuwen Testaments onrein, dan verwerpt gij dien zoon als

uw Heiland, en handelt gij lijnrecht in tegen den kern, de pit, het hart

van Gods raadsbesluit, dat de eer van zijn Zoon beoogt."

Het meesterke was warm geworden; zijn oogen begonnen te tintelen.

»Gij kunt praten als een dominé," zeide Frits Jansen in ongekunstelde

bewondering.

»Zijt ge bekeerd?" vraagde hij plotseling.

Het meesterke zweeg even. Hij stutte het hoofd in de handen, en staarde

in de vlam.

»Ik zal je wat vertellen," zeide hij na een wijle met zekere

plechtigheid in zijn stem. »Ik heb van God een teergevoelig hart

ontvangen, dat dikwijls openscheurde aan de doornen en aan de distelen

van dit leven. Ik vòelde die doornen, en ik vòelde al de bitterheid van

mijn ongeluk. Hoe menigmaal verlangde ik, om te rusten onder een paar

zware klipsteenen, in de koele aarde! Ik was zoo onuitsprekelijk moede,

en ik wilde rusten--eeuwig rusten en slapen!

Maar er was iets dat erger was dan mijn ongeluk, namelijk mijn zonde, en

ik leerde ze beseffen!"

»Werd ge toen wanhopig?" vraagde de jonge Boer.

»Neen," antwoordde het meesterke, »maar ik versmolt van droefheid, omdat

ik tegen dien God, Die zoo waardig is, gediend te worden, elken dag had

overtreden."

Frits Jansen schudde het hoofd.

»Ik weet niet, of het in de echte bekeering wel zoo toegaat," zeide hij

aarzelend.

»De wegen zijn verschillend," meende het meesterke; »de schapen, die de

schaapskooi zoeken, kunnen toch ook niet allen hetzelfde pad nemen, of

zij zouden elkander vertreden."

»Ga voort," zeide Frits Jansen.

»Ik was zeer bedroefd," zeide het meesterke, »en ik deed mijn best, om

God te dienen, maar ik bedierf het elken dag al meer, en ik werd al

bedrukter, omdat zoo'n zware schuldenlast op mij drukte, en omdat Gods

eer voortdurend door mij werd gekrenkt. Toen riep ik den Heiland aan!"

»En kwam er toen uitkomst?" vraagde Frits.

Het meesterke schudde het hoofd.

De jonge Boer wilde een opmerking maken, doch hield ze terug.

»Het was een treurige tijd, maar toch bescheen de ster der lieflijke

hoop mijn pad. En zoo kwam de gedenkwaardigste Zondagnamiddag in mijn

leven."

Frits Jansen borg zijn pijp weg, en staarde vol belangstelling naar den

spreker.

»Ik zat in het schoollokaaltje, en las de woorden: »Komt herwaarts tot

Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven."

Ik had dien tekst wel honderden keeren gelezen, doch nooit met dien

aandrang als in dit oogenblik.

»Heere Jezus," bad ik, »ik kom, maar ik kan u niet vinden!""

»En toen, Frits," ging hij voort met gedempte stem, »toen zag ik Hem."

»Wien?" vraagde Frits Jansen twijfelend en aarzelend, en het meesterke

antwoordde, terwijl zijn stem zoo zacht werd als het fluisterend

ruischen van den nachtwind in het gebladerte van den wilgenboom boven

hen: »Jezus!"

»Jezus!" herhaalde Frits Jansen, en een eerbiedige huivering ging door

zijn leden.

Het licht der vlam speelde op het gelaat van het meesterke, en duidelijk

was zijn ontroering waar te nemen.

»Ik zag Hem," ging hij voort, »met mijn geestelijke oogen even gewis,

als ik u op dit oogenblik zie met mijn lichamelijke oogen. En ik wierp

me tegen den grond, strekte mijn handen omhoog en riep: »Mijn Heer en

mijn God!" Een zaliger oogenblik heb ik nooit beleefd."

»Ik geloof het," zeide Frits Jansen zelf geschokt.

»Maar ik zag nog veel meer," begon het meesterke op nieuw. »Ik had

gemeend in mijn blindheid, dat de Heere zich verre van mij hield, en

nu zag ik, dat Hij steeds dicht bij mij was geweest. Hij had bij het

schreiende wicht gewaakt onder den doornstruik; Hij was stap voor stap

met mij medegegaan, en Hij had over het zwakke, dolende lam de wacht

gehouden met de teederheid van den trouwen Herder. Ik had getast,

gezocht, gezwoegd, en zou in mijne blindheid versmacht zijn in de

schaduw der eeuwige Fonteinen. Maar nu zag ik het, want de blinddoek was

van mijn oogen gevallen."

* * * * *

Middernacht was al lang voorbij, en het meesterke, nu moede geworden,

legde zich neder om te slapen.

Doch Frits Jansen kon niet slapen, en hij liet zijn oogen gaan over de

eindelooze prairie, die zich uitstrekte als een beeld van stillen vrede.

Ook Jakob was ingeslapen; duidelijk hoorde Frits zijn diepe ademhaling.

Hij wendde den blik naar het meesterke, nam zijn ruitermantel en

spreidde hem over den slapende heen.

»Moeder zegt, dat er een verborgen zegen op rust, als men Gods kinderen

goed doet," fluisterde hij.

Doch plotseling scheurde de wond weer open.

»Het meesterke noemde zich een verworpeling," steunde hij, »maar de

ware verworpeling en verschoppeling ben ik: weggejaagd van mijn vaders

drempel als een verrader, gebrandmerkt als een brandstichter--een

verworpeling en een vervloekte!"

Hij keerde zich af van het vuur, stutte het hoofd tusschen de handen, en

heete tranen biggelden over zijn wangen.

* * * * *

Het eerste werk van den jongen Boer in den volgenden morgen was, om Jack

Williams op te zoeken.

»Waarom hebt gij mij niet verteld, dat Waterfontein is afgebrand?"

vraagde hij op scherpen toon.

»Is Waterfontein afgebrand?" vraagde Jack in groote

verbazing--»Waterfontein?"

»Weet ge 't niet?" vraagde Frits Jansen vol argwaan.

»Ik weet er evenmin iets van als dat ik iets weet van den dag van mijn

dood!" riep Jack met blijkbare oprechtheid.

»Wanneer zijt gij dan van huis vertrokken?"

»Denzelfden avond dat _gij_ gingt!"

»Ik meende, dat gij eenige dagen later wildet gaan."

»Ik veranderde van gedachten," zeide Jack.

»'t Is al heel vreemd!" meende Frits.

»Als je 't niet wilt gelooven, dan moet je 't laten," zeide Jack

brutaal.

Frits zweeg een oogenblik.

»De brief, dien jij voor mij te Buluwayo op de post zoudt doen, is nooit

terecht gekomen," begon hij opnieuw.

»Je wilt misschien zeggen, dat ik hem heb verdonkermaand," vraagde Jack.

»Dat zeg ik niet," antwoordde Frits, »maar 't lijkt er wel op."

»En als jij mijn brief heb verdonkermaand," liet hij er op volgen met

klimmend wantrouwen, »dan zul je den brief van mijn moeder aan mij ook

wel hebben verdonkermaand!"

»Ik heb met je praatjes niets te maken," zeide Jack Williams op

beleedigenden toon, en draaide hem den rug toe, maar Frits Jansen balde

toornig de vuist en riep: »Voor jouw grofheden ben ik niet bang--wees

voorzichtig!"

De breuk tusschen de twee vroegere vrienden was volkomen.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 24 / 53 题