HOOFDSTUK XV.

Het meesterke was met Jakob, zijn gids, al eenige dagen onderweg.

Hij had de Transvaalsche grens reeds lang achter den rug, en was

zoo gelukkig geweest, elken nacht een onderkomen te vinden onder

het gastvrije dak van een Afrikaanschen Boer.

De hoop echter, dat hij nog heden avond de plaats van zijn bestemming

zou bereiken, zou niet worden vervuld. Immers hij was volgens Jakob's

verzekering, die het weten kon, nog verscheidene mijlen van het doel

zijner reis verwijderd, en de avond begon reeds te vallen.

Er schoot dus niets anders over dan hier langs den grooten weg halt te

houden en onder den blooten hemel te kampeeren.

Nu, voor den Afrikaanschen Boer is dat niet erg. Of het rieten dak van

een boerenhuis of de schitterende sterrenhemel van Afrika zich welft

boven zijn hoofd--hij maalt er niet om.

Doch het meesterke had een vreesachtige natuur, en het gehuil van een

roofdier in de verte vervulde zijn hart met angst.

Hij maakte zich echter voorbarige zorgen, want juist de persoon, om wien

hij bovenal dezen tocht had ondernomen, was in de onmiddelijke

nabijheid.

* * * * *

Juist was de poney afgezadeld, toen de klank der trompet weerklonk, en

een troep ruiters kwam aanrijden.

Het was een sterke patrouille van Rhodes' cavalerie, die onder

aanvoering van luitenant Harreson een militaire tocht door het

binnenland maakte.

Zoowel Frits Jansen als Jack Williams behoorden tot de patrouille,

en heftig en luide klopte het hart van Frits, toen hij den kleinen,

muisvalen poney zag grazen, en in het harde, spichtige gras, tegen den

stam van een eenzamen wilgeboom, het meesterke gewaar werd.

Doch ook het meesterke had, in spijt van diens militaire kleeding, den

zoon van baas Jansen herkend.

Onmiddellijk wendde Frits Jansen den teugel, en reed naar den

bevelvoerder.

»Luitenant," zeide hij, »ik zie daar een mijner kennissen; mag ik hem

spreken?"

»Dat bleeke ventje daar?" lachte de Luitenant. »Ga je gang! Daar ginds

op die heuvelen zullen wij ons kamp opslaan, en gij krijgt tot morgen

vroeg verlof!"

Frits liet zich dit geen twee keeren zeggen, en haastte zich, om bij het

meesterke te komen.

Het was een recht hartelijk, roerend wederzien, en de jonge Boer, die

den weerbarstigen hengst zoo onbarmhartig had gestriemd, had al zijn

zelfbeheersching noodig om meester te blijven van zijn gevoel.

»En hoe maakt het Vader?" was zijn eerste vraag.

»Hij is gezond," antwoordde het meesterke.

»Heeft hij nog een boodschap voor mij meegegeven?" vraagde Frits

aarzelend, maar vol spanning.

Het meesterke echter werd bij deze vraag bedroefd en schudde het hoofd.

Er volgde een korte, pijnlijke pauze, doch het meesterke legde zijn

zwakke hand op Frits Jansen's breeden schouder, en terwijl hij hem

aankeek met zijn zachte oogen, hernam hij: »Verzoen u met uw vader!"

»Dat _wil_ ik!" riep Frits op hartstochtelijken toon.

»En vraag hem vergiffenis voor uw optreden op dien noodlottigen

namiddag, toen gij van Waterfontein gingt!" zeide het meesterke.

»Ik wàs te heftig," zeide Frits; »Ik vergat den eerbied, dien ik aan

mijn vader ben verschuldigd, en het doet mij meer leed dan ik zeggen

kan."

»En al kunt ge Waterfontein niet meer uit zijn asch te voorschijn

roepen--" zeide het meesterke.

»Wat bedoelt ge?" vraagde Frits Jansen met groote oogen.

»Ik bedoel die brandstichting," zeide het meesterke schoorvoetend.

»Wèlke brandstichting?" riep Frits in klimmende verbazing.

»Wèlke brandstichting?" zeide het meesterke met zijn zachte stem, maar

er lag een stil en klagend verwijt in zijn woorden: »Frits, hoe kunt ge

dat vragen! Ik bedoel dat gij uw daad, de brandstichting op Waterfontein

niet ongedaan kunt maken, doch gij kunt uw vader om vergiffenis vragen."

Maar het gelaat van den jongen Boer was bij deze woorden zoo wit

geworden als de witte kelk der veldbloemen aan zijn voeten.

»Ligt Waterfontein in de asch? En ben ik de dader? _Ik?_"

Hij sprak deze woorden niet uit,--hij _schreeuwde_ ze uit.

Het meesterke sloeg de oogen neer, en Jakob, die op eenigen afstand wat

hout bijeensprokkelde, om een vuur aan te leggen, keek verwonderd op.

Doch Frits kwam allengs tot eenige kalmte.

»Wie heeft het gezien?" vraagde hij langzaam.

»Hector," antwoordde het meesterke.

»Zóó--die leugenaar!" riep Frits met bittere verachting; »en die wordt

geloofd!"

»Schaap heeft het ook gezien," zeide het meesterke.

»Zóó--een tweede exemplaar van hetzelfde soort!" barstte Frits Jansen

los met een wilden lach.

»En Eliëzer heeft het gezien," zeide het meesterke.

»Eliëzer?" vraagde Frits met schrik: »Eliëzer?"

»Ja," bevestigde het meesterke.

Toen bestierf de wilde lach op Frits Jansen's gelaat, en zijn brandende

oogen staarden verbijsterd naar de verte.

Plotseling bleef hij, met gekruiste armen, voor het meesterke staan.

»Gelooft ge, dat er een God bestaat?" vraagde hij met heesche stem.

»Ja, dat geloof ik," zeide het meesterke vol eerbied.

»En dat Hij almachtig is en rechtvaardig?"

»Ja," zeide het meesterke: »almachtig, rechtvaardig en genadig!"

»En als ik nu die monsterachtige daad _niet_ heb begaan, zal Hij dan

mijn onschuld aan den dag brengen?"

»Ja," zeide het meesterke met ernst en volle overtuiging, »dat zal Hij

doen vroeg of laat, op _Zijn_ tijd!"

»Ik geloof het ook," zeide Frits met een bedaardheid, die wonderlijk

afstak bij zijn hartstochtelijkheid van zoo even; »ik geloof het ook,

en als ik het niet geloofde, dan nam ik den loop van dit geweer in mijn

mond, en maakte aan de foltering een snel einde!"

»Dus gij zijt onschuldig aan den brand?" vraagde nu het meesterke, op

_zijn_ beurt verbaasd, doch deze vraag drong den ongelukkige als een

pijl in het hart.

»Moet ge _dat_ nog vragen?" zeide hij, nu niet wild, maar met een

eindelooze smart in zijn stem: »meesterke, moet _gij_ dat nog vragen?"

Deze uitroep echter ontroerde de ziel van het meesterke, en gevolg

gevend aan een plotselinge ingeving, zeide hij: »Frits, mijn vriend, ga

mee!"

Hij nam den ongelukkige bij de hand en leidde hem naar een kreupelbosch

in de nabijheid. En het meesterke knielde neer, en ook Frits Jansen

knielde neer. En het meesterke, dat kind der smarte, goot zijn ziel uit

voor God en bad voor Frits Jansen. En dit zacht gesproken gebed was als

balsem op de brandende wonde, en als olie op de hooggaande golven in

Frits Jansen's gemoed.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 23 / 53 题