Het meesterke was met Jakob, zijn gids, al eenige dagen onderweg.
Hij had de Transvaalsche grens reeds lang achter den rug, en was
zoo gelukkig geweest, elken nacht een onderkomen te vinden onder
het gastvrije dak van een Afrikaanschen Boer.
De hoop echter, dat hij nog heden avond de plaats van zijn bestemming
zou bereiken, zou niet worden vervuld. Immers hij was volgens Jakob's
verzekering, die het weten kon, nog verscheidene mijlen van het doel
zijner reis verwijderd, en de avond begon reeds te vallen.
Er schoot dus niets anders over dan hier langs den grooten weg halt te
houden en onder den blooten hemel te kampeeren.
Nu, voor den Afrikaanschen Boer is dat niet erg. Of het rieten dak van
een boerenhuis of de schitterende sterrenhemel van Afrika zich welft
boven zijn hoofd--hij maalt er niet om.
Doch het meesterke had een vreesachtige natuur, en het gehuil van een
roofdier in de verte vervulde zijn hart met angst.
Hij maakte zich echter voorbarige zorgen, want juist de persoon, om wien
hij bovenal dezen tocht had ondernomen, was in de onmiddelijke
nabijheid.
* * * * *
Juist was de poney afgezadeld, toen de klank der trompet weerklonk, en
een troep ruiters kwam aanrijden.
Het was een sterke patrouille van Rhodes' cavalerie, die onder
aanvoering van luitenant Harreson een militaire tocht door het
binnenland maakte.
Zoowel Frits Jansen als Jack Williams behoorden tot de patrouille,
en heftig en luide klopte het hart van Frits, toen hij den kleinen,
muisvalen poney zag grazen, en in het harde, spichtige gras, tegen den
stam van een eenzamen wilgeboom, het meesterke gewaar werd.
Doch ook het meesterke had, in spijt van diens militaire kleeding, den
zoon van baas Jansen herkend.
Onmiddellijk wendde Frits Jansen den teugel, en reed naar den
bevelvoerder.
»Luitenant," zeide hij, »ik zie daar een mijner kennissen; mag ik hem
spreken?"
»Dat bleeke ventje daar?" lachte de Luitenant. »Ga je gang! Daar ginds
op die heuvelen zullen wij ons kamp opslaan, en gij krijgt tot morgen
vroeg verlof!"
Frits liet zich dit geen twee keeren zeggen, en haastte zich, om bij het
meesterke te komen.
Het was een recht hartelijk, roerend wederzien, en de jonge Boer, die
den weerbarstigen hengst zoo onbarmhartig had gestriemd, had al zijn
zelfbeheersching noodig om meester te blijven van zijn gevoel.
»En hoe maakt het Vader?" was zijn eerste vraag.
»Hij is gezond," antwoordde het meesterke.
»Heeft hij nog een boodschap voor mij meegegeven?" vraagde Frits
aarzelend, maar vol spanning.
Het meesterke echter werd bij deze vraag bedroefd en schudde het hoofd.
Er volgde een korte, pijnlijke pauze, doch het meesterke legde zijn
zwakke hand op Frits Jansen's breeden schouder, en terwijl hij hem
aankeek met zijn zachte oogen, hernam hij: »Verzoen u met uw vader!"
»Dat _wil_ ik!" riep Frits op hartstochtelijken toon.
»En vraag hem vergiffenis voor uw optreden op dien noodlottigen
namiddag, toen gij van Waterfontein gingt!" zeide het meesterke.
»Ik wàs te heftig," zeide Frits; »Ik vergat den eerbied, dien ik aan
mijn vader ben verschuldigd, en het doet mij meer leed dan ik zeggen
kan."
»En al kunt ge Waterfontein niet meer uit zijn asch te voorschijn
roepen--" zeide het meesterke.
»Wat bedoelt ge?" vraagde Frits Jansen met groote oogen.
»Ik bedoel die brandstichting," zeide het meesterke schoorvoetend.
»Wèlke brandstichting?" riep Frits in klimmende verbazing.
»Wèlke brandstichting?" zeide het meesterke met zijn zachte stem, maar
er lag een stil en klagend verwijt in zijn woorden: »Frits, hoe kunt ge
dat vragen! Ik bedoel dat gij uw daad, de brandstichting op Waterfontein
niet ongedaan kunt maken, doch gij kunt uw vader om vergiffenis vragen."
Maar het gelaat van den jongen Boer was bij deze woorden zoo wit
geworden als de witte kelk der veldbloemen aan zijn voeten.
»Ligt Waterfontein in de asch? En ben ik de dader? _Ik?_"
Hij sprak deze woorden niet uit,--hij _schreeuwde_ ze uit.
Het meesterke sloeg de oogen neer, en Jakob, die op eenigen afstand wat
hout bijeensprokkelde, om een vuur aan te leggen, keek verwonderd op.
Doch Frits kwam allengs tot eenige kalmte.
»Wie heeft het gezien?" vraagde hij langzaam.
»Hector," antwoordde het meesterke.
»Zóó--die leugenaar!" riep Frits met bittere verachting; »en die wordt
geloofd!"
»Schaap heeft het ook gezien," zeide het meesterke.
»Zóó--een tweede exemplaar van hetzelfde soort!" barstte Frits Jansen
los met een wilden lach.
»En Eliëzer heeft het gezien," zeide het meesterke.
»Eliëzer?" vraagde Frits met schrik: »Eliëzer?"
»Ja," bevestigde het meesterke.
Toen bestierf de wilde lach op Frits Jansen's gelaat, en zijn brandende
oogen staarden verbijsterd naar de verte.
Plotseling bleef hij, met gekruiste armen, voor het meesterke staan.
»Gelooft ge, dat er een God bestaat?" vraagde hij met heesche stem.
»Ja, dat geloof ik," zeide het meesterke vol eerbied.
»En dat Hij almachtig is en rechtvaardig?"
»Ja," zeide het meesterke: »almachtig, rechtvaardig en genadig!"
»En als ik nu die monsterachtige daad _niet_ heb begaan, zal Hij dan
mijn onschuld aan den dag brengen?"
»Ja," zeide het meesterke met ernst en volle overtuiging, »dat zal Hij
doen vroeg of laat, op _Zijn_ tijd!"
»Ik geloof het ook," zeide Frits met een bedaardheid, die wonderlijk
afstak bij zijn hartstochtelijkheid van zoo even; »ik geloof het ook,
en als ik het niet geloofde, dan nam ik den loop van dit geweer in mijn
mond, en maakte aan de foltering een snel einde!"
»Dus gij zijt onschuldig aan den brand?" vraagde nu het meesterke, op
_zijn_ beurt verbaasd, doch deze vraag drong den ongelukkige als een
pijl in het hart.
»Moet ge _dat_ nog vragen?" zeide hij, nu niet wild, maar met een
eindelooze smart in zijn stem: »meesterke, moet _gij_ dat nog vragen?"
Deze uitroep echter ontroerde de ziel van het meesterke, en gevolg
gevend aan een plotselinge ingeving, zeide hij: »Frits, mijn vriend, ga
mee!"
Hij nam den ongelukkige bij de hand en leidde hem naar een kreupelbosch
in de nabijheid. En het meesterke knielde neer, en ook Frits Jansen
knielde neer. En het meesterke, dat kind der smarte, goot zijn ziel uit
voor God en bad voor Frits Jansen. En dit zacht gesproken gebed was als
balsem op de brandende wonde, en als olie op de hooggaande golven in
Frits Jansen's gemoed.