HOOFDSTUK XIV.

Van de school van het meesterke, de afgetimmerde ruimte in Jansen's

achterhuis, was natuurlijk niets overgeschoten dan asch en gruis.

Ook de boeken en kaarten waren bijna allen verbrand.

Het meesterke was dus een kapitein geworden zonder schip, en de

gedwongen werkeloosheid deed bij den anders zoo versaagden jongeling een

stoute en moedige onderneming rijpen.

Moeder Jansen was bezig aan haar huiselijk werk, en zat in de schaduw

van de gespannen tent, die tot tijdelijke woning dienst deed, toen het

meesterke haar naderde met het verrassende plan: »Tante Martje, ik ga

naar Rhodesia."

»Naar Rhodesia?" vraagde moeder Jansen verwonderd.

»Ja," zeide hij, »ik heb in het dorp het adres ontvangen van een

Afrikaanschen Boer, die zich in Rhodesia heeft gevestigd en voor zijn

kinderen een onderwijzer zoekt. Ik zal me daarvoor aanmelden en tevens

Frits opzoeken."

»Meesterke!" riep moeder Jansen in blijde verbazing, »durft gij die reis

aan?"

»Ja," zeide hij, »ik durf het, als Oom Reinard mij Jakob tot gids

meegeeft."

Jakob was een Kaffer, sedert eenige weken bij Jansen in dienst en

afkomstig uit Rhodesia.

»Mijn man zal op mijn verzoek Jakob wel afstaan," meende tante Martje,

»maar ik verwonder me, dat ge die reis aandurft."

Het meesterke sloeg de zachte weemoedige oogen op tot de vrouw des

huizes.

»Ik doe het uit dankbaarheid en liefde," zeide hij eenvoudig.

Zij drukte het meesterke de hand, en de heldere tranen kwamen in haar

oogen.

Ach, het waren de eersten niet!

Er was geen dag voorbijgegaan, dat zij niet had geschreid, en dat zij

niet in de eenzaamheid met roepen en smeeken zich had gewend tot God om

haar kind!

Doch ge zoudt Reinard Jansen onrecht doen, wanneer ge meendet, dat hij

het verlies van zijn kind minder gevoelde dan tante Martje. Hij had het

in der daad nog moeielijker dan zijn vrouw, want geen traan bedauwde

zijn brandende oogen en verlichtte zijn pijn. En als hij alleen was op

het open veld, door niemand bespied, dan gebeurde het meer dan eens, dat

hij het vest openscheurde boven zijn breede borst, om lucht te krijgen.

Nooit kwam de naam van Frits meer over zijn lippen, doch die naam

brandde in zijn ziel: arbeidend of rustend, wakend of droomend, dag en

nacht....

* * * * *

Intusschen zou het meesterke twee dagen nadat hij het plan had gemaakt,

de reis aanvaarden.

De kleine, muisvale poney stond reeds gepakt en gezadeld, en Jakob zou

dienen tot gids.

Reinard Jansen had het meesterke de reis niet aangeraden en niet

afgeraden. Het scheen hem totaal onverschillig te zijn.

Hij was juist bezig in de wagenschuur, die door het vuur was gespaard

gebleven, een loslatenden ijzeren tand te bevestigen in de zware egge,

toen het meesterke kwam afscheid nemen.

»Het ga je goed," zeide Jansen en reikte hem de hand.

Aarzelend bleef het meesterke staan en legde de hand op de egge.

»Hebt ge nog iets?" vraagde baas Jansen op zijn korte manier.

»Hebt _gij_ nog iets?" was de moedige wedervraag.

»Neen," zeide baas Jansen kortaf.

»Geen woord voor Frits?"

»Geen woord!"

»Het is uw kind!" smeekte het meesterke.

»Geweest!" riep Jansen met harde stem.

Bedroefd ging het meesterke heen, maar toen hij was vertrokken, ging

de Boer naar buiten, tuurde hem na, totdat de kop van de kleine poney,

waarop het meesterke reed, verdween achter de eerste heuvelkam, en sloot

zich toen op in de wagenschuur, en at noch dronk den ganschen dag.

Ja, die Jansen was een stugge, onverzettelijke natuur, met een hart, dat

breken maar niet buigen kon, en als God het niet verhoedde, dan zóu het

breken om het wee over zijn eigen kind!

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 22 / 53 题