Van de school van het meesterke, de afgetimmerde ruimte in Jansen's
achterhuis, was natuurlijk niets overgeschoten dan asch en gruis.
Ook de boeken en kaarten waren bijna allen verbrand.
Het meesterke was dus een kapitein geworden zonder schip, en de
gedwongen werkeloosheid deed bij den anders zoo versaagden jongeling een
stoute en moedige onderneming rijpen.
Moeder Jansen was bezig aan haar huiselijk werk, en zat in de schaduw
van de gespannen tent, die tot tijdelijke woning dienst deed, toen het
meesterke haar naderde met het verrassende plan: »Tante Martje, ik ga
naar Rhodesia."
»Naar Rhodesia?" vraagde moeder Jansen verwonderd.
»Ja," zeide hij, »ik heb in het dorp het adres ontvangen van een
Afrikaanschen Boer, die zich in Rhodesia heeft gevestigd en voor zijn
kinderen een onderwijzer zoekt. Ik zal me daarvoor aanmelden en tevens
Frits opzoeken."
»Meesterke!" riep moeder Jansen in blijde verbazing, »durft gij die reis
aan?"
»Ja," zeide hij, »ik durf het, als Oom Reinard mij Jakob tot gids
meegeeft."
Jakob was een Kaffer, sedert eenige weken bij Jansen in dienst en
afkomstig uit Rhodesia.
»Mijn man zal op mijn verzoek Jakob wel afstaan," meende tante Martje,
»maar ik verwonder me, dat ge die reis aandurft."
Het meesterke sloeg de zachte weemoedige oogen op tot de vrouw des
huizes.
»Ik doe het uit dankbaarheid en liefde," zeide hij eenvoudig.
Zij drukte het meesterke de hand, en de heldere tranen kwamen in haar
oogen.
Ach, het waren de eersten niet!
Er was geen dag voorbijgegaan, dat zij niet had geschreid, en dat zij
niet in de eenzaamheid met roepen en smeeken zich had gewend tot God om
haar kind!
Doch ge zoudt Reinard Jansen onrecht doen, wanneer ge meendet, dat hij
het verlies van zijn kind minder gevoelde dan tante Martje. Hij had het
in der daad nog moeielijker dan zijn vrouw, want geen traan bedauwde
zijn brandende oogen en verlichtte zijn pijn. En als hij alleen was op
het open veld, door niemand bespied, dan gebeurde het meer dan eens, dat
hij het vest openscheurde boven zijn breede borst, om lucht te krijgen.
Nooit kwam de naam van Frits meer over zijn lippen, doch die naam
brandde in zijn ziel: arbeidend of rustend, wakend of droomend, dag en
nacht....
* * * * *
Intusschen zou het meesterke twee dagen nadat hij het plan had gemaakt,
de reis aanvaarden.
De kleine, muisvale poney stond reeds gepakt en gezadeld, en Jakob zou
dienen tot gids.
Reinard Jansen had het meesterke de reis niet aangeraden en niet
afgeraden. Het scheen hem totaal onverschillig te zijn.
Hij was juist bezig in de wagenschuur, die door het vuur was gespaard
gebleven, een loslatenden ijzeren tand te bevestigen in de zware egge,
toen het meesterke kwam afscheid nemen.
»Het ga je goed," zeide Jansen en reikte hem de hand.
Aarzelend bleef het meesterke staan en legde de hand op de egge.
»Hebt ge nog iets?" vraagde baas Jansen op zijn korte manier.
»Hebt _gij_ nog iets?" was de moedige wedervraag.
»Neen," zeide baas Jansen kortaf.
»Geen woord voor Frits?"
»Geen woord!"
»Het is uw kind!" smeekte het meesterke.
»Geweest!" riep Jansen met harde stem.
Bedroefd ging het meesterke heen, maar toen hij was vertrokken, ging
de Boer naar buiten, tuurde hem na, totdat de kop van de kleine poney,
waarop het meesterke reed, verdween achter de eerste heuvelkam, en sloot
zich toen op in de wagenschuur, en at noch dronk den ganschen dag.
Ja, die Jansen was een stugge, onverzettelijke natuur, met een hart, dat
breken maar niet buigen kon, en als God het niet verhoedde, dan zóu het
breken om het wee over zijn eigen kind!