Cesar aan den teugel, kwam Frits de officierstent voorbij.
Er stonden een groep militairen: officieren, onderofficieren en gewone
vrijwilligers. Natuurlijk ontbraken de Kafferbedienden niet.
Luitenant Harreson hield een jongen, bruinen hengst bij den kop. De
kranigste ruiters hadden hun rijkunst op den hengst geprobeerd, maar
hadden hem niet klaar kunnen krijgen. Luitenant Harreson evenmin als de
anderen.
Frits ging zwijgend voorbij. Trouwens de opgewektheid van den vroolijken
boerenzoon van Waterfontein was al lang verdwenen.
»Probeer _jij_ dat beest eens," riep Jack Williams.
Jack was ook tot een zandruiter gemaakt, en gunde aan Frits van harte
dezelfde nederlaag.
Doch Frits schudde het hoofd en ging door.
Wat raakte hem dat paard?
»Hij durft niet!" sarde Jack, luid genoeg, dat al de omstanders het
konden hooren.
»Niet durven?" vraagde Frits.
Die spot prikkelde hem toch.
Hij wenkte een Kaffer.
»Breng Cesar naar den stal," kommandeerde hij.
Nu wendde hij zich tot luitenant Harreson.
»Mag ik het paard eens probeeren, luitenant?"
»Ga je gang," zeide de luitenant, »maar pas op--het beest heeft leelijke
nukken."
Frits zat reeds in het zaâl, doch nauwelijks had de hengst den druk op
zijn rug gevoeld, of hij wierp zich van achter wild omhoog, boog den
nek, en de jonge Boer buitelde over den kop van het paard tegen den
grond.
»Daar gaan de Transvaalsche Boeren!" spotte Jack Williams, en er klonk
een luid en algemeen gelach.
Frits had zich weinig bezeerd, behalve dat hij met het voorhoofd op een
scherpen, harden steen was gevallen.
Hij had een kleine, diepe wond opgeloopen; hij voelde die wond echter
niet eens, maar _wel_ voelde hij het spottend woord van zijn kameraad,
en een hem geheel vreemd, maar machtig en onweerstaanbaar gevoel greep
hem aan en joeg het bloed door zijn aderen.
Toch, al was hij het zich nooit bewust geweest, dit gevoel had altijd
gesluimerd in zijn borst. En de spot van Jack Williams had slechts
teweeggebracht, wat de stormwind teweegbrengt, als het vuur, smeulende
onder de asch, aanblaast tot lichtelaaie.
Hij keek Jack even aan met een flikkering in de oogen.
»Ik laat de Transvaalsche Boeren niet beleedigen; ook door jóu niet,"
zeide hij met harde stem.
Vervolgens wendde hij zich tot luitenant Harreson.
»Luitenant, ik zal het nog eens probeeren!"
»Laat het maar," zeide de officier op welwillenden toon; »het beest _is_
niet te regeeren. Trouwens, Jansen, ge bloedt; ga naar de ambulance en
laat je verbinden!"
»'t Is slechts een schram van de huid," meende Frits, wien het bloed
over de wang sijpelde.
»Nu," zeide de officier, »à la bonne heure--zooals ge wilt!"
»Ik behoef hem toch niet te ontzien, luitenant?"
»Ga je gang maar--'t is een duivel!"
Frits zeide tot één der in de nabijheid staande Kaffers: »Ontdoe hem van
zaâl en stijgbeugels!"
't Ging niet gemakkelijk, maar ten slotte gelukte het toch.
De hengst stond nu met snuivende, wijdgeopende neusgaten, de kleine
ooren plat tegen den nek.
De zware, stalen gebitstang knarste tusschen zijn sterke tanden.
Frits klopte hem vriendelijk op den hals, en keek hem in de schuwe met
bloed doorloopen wild fonkelende oogen.
»Koest bruine," zeide hij met rustige maar vaste stem: »sta!"
Doch de hengst wierp den kop weerbarstig omhoog, steigerde en scheen den
jongen Boer, die hem vasthield aan den teugel, van zich af te willen
schudden.
Doch Frits begon thans warm te worden, en met een harden ruk trok hij
het paard omlaag.
»Zooals ge wilt," zeide hij tusschen de tanden door--»jij of ik!"
De kleine blauwe ader aan zijn rechterslaap zette op; hij geleek in dit
oogenblik weer sprekend op zijn vader, die wel breken maar niet buigen
kon.
»Ik zou 't maar opgeven," meende luitenant Harreson.
»Opgeven?" riep Frits Jansen, »opgeven?"
Met éénen sprong zat hij op den rug van het woeste beest.
»Uw karwats, als ik vragen mag!" zeide hij.
De luitenant wilde ze hem aanreiken, doch er was geen kans, want het
dier scheen thans wel dol geworden. Drie keeren wierp het den kop
omlaag, de achterpooten hoog in de lucht. Doch het miste zijn doel. De
vermetele ruiter scheen vastgeklonken op zijn rug. Toen steigerde het op
zijn achterpooten recht omhoog--het was een ijzingwekkend gezicht--de
Kaffers stoven als kaf op zij.
»Daar komt een ongeluk van," riep Harreson; »de hengst slaat
achterover!"
Inderdaad verloor het paard zijn evenwicht, en ros en ruiter sloegen
tegen den grond.
Frits was ongedeerd; snel was hij overeind, maar de hengst sloeg met
vreeselijke kracht zijn sterke achterpooten uit. Hij was blijkbaar van
plan, om zijn tegenstander dood te slaan, en het scheelde weinig, of hij
had hem geraakt.
Luitenant Harreson reikte aan Frits Jansen zijn karwats, eene uit zwaar
buffelleer gevlochten, harde roede, en Frits sprong weer op den rug van
het ontembare dier.
Een ritmeester naderde de toeschouwers.
»Wie is die jonge man?" vraagde hij belangstellend.
»De zoon van een Transvaalschen Boer," antwoordde Harreson.
»Er zit staal in dien kerel," zeide de ritmeester.
»Ik begrijp niet, dat hij 't niet opgeeft," zeide een tweede
luitenantje, een klein, pieperig ventje met een magere snor.
»De Transvaalsche dikkoppen zijn stijfkoppen," meende een militaire
arts.
»Binnen drie minuten heeft hij den nek gebroken," beweerde een eerste
luitenant, een groote kerel met een rooden baard, die zich bij de groep
voegde.
»Dat zit nog," zeide Harreson droogjes.
»Wedden?" vraagde de roodgebaarde; »vijftig pond tegen dertig, dat de
Boer het binnen drie minuten _moet_ opgeven!"
Luitenant Harreson antwoordde niet; het spannend tooneel daar voor hem
trok te zeer zijn aandacht.
Nogmaals trachtte de hengst zijn ruiter af te werpen, doch bij de
eerste poging kwam de buffelleeren karwats met onbarmhartige kracht
langs zijn zijden neer.
Het paard staakte zijn pogingen.
»Voorwaarts!" kommandeerde de ruiter.
De hengst bleef op de plek staan.
»Voorwaarts!" riep de ruiter nog eens, en terwijl zijn karwats door de
lucht gierde, drukte hij de sporen diep in de zijden van het dier, dat
het bloed te voorschijn kwam.
Daar deed de hengst een sprong--en nog een sprong--en daar suisde hij,
met zijn onverbiddelijken ruiter op den rug, als een pijl uit den boog
de vlakte op.
Gillend stoven de Kaffers op zij.
De hoed waaide den vermetelen ruiter van het hoofd--wat gaf die hoed?
Vol verbazing staarden de toeschouwers ros en ruiter na, totdat zij
niets meer zagen dan een kleine stip.
Frits Jansen had het woeste dier thans volkomen in bedwang; het had zijn
meester gevonden.
Hij trok aan den teugel, en liet het paard omkeeren, en toen hij weer
bij de officierstent was gekomen, liet hij den hengst een grooten kring
beschrijven: eerst langzaam, stapvoets; vervolgens in een matigen draf,
en ten slotte in galop. Doch midden in den snelsten galop pareerde hij
het paard vlak voor de groep officieren, en het gehoorzaamde met de
stiptheid van een gedresseerd paard.
Maar het schuim spatte van zijn flanken, en het trilde over al zijn
leden.
En terwijl officieren en omstanders vol bewondering losbarstten in een
luid hoera, sprong de kranige ruiter van het paard.
Het golvende haar zat vastgekleefd aan zijn voorhoofd door het bloed,
dat drupte uit de wond, en zijn wangen waren bleek. Maar zijn blauwe
oogen schitterden, en met de hand salueerend, zeide hij met zijn heldere
stem: »Mijne Heeren, ik dank u voor uwe vriendelijkheid, en," voegde hij
er bij, den vinger uitstrekkend naar Jack Williams, op dreigenden toon:
»ik laat de Transvaalsche Boeren niet beleedigen door laffe spotters!"
Toen ging hij tusschen de omstanders door, die eerbiedig ruimte maakten,
en hij verliet het terrein als een koning.