HOOFDSTUK XIII.

Cesar aan den teugel, kwam Frits de officierstent voorbij.

Er stonden een groep militairen: officieren, onderofficieren en gewone

vrijwilligers. Natuurlijk ontbraken de Kafferbedienden niet.

Luitenant Harreson hield een jongen, bruinen hengst bij den kop. De

kranigste ruiters hadden hun rijkunst op den hengst geprobeerd, maar

hadden hem niet klaar kunnen krijgen. Luitenant Harreson evenmin als de

anderen.

Frits ging zwijgend voorbij. Trouwens de opgewektheid van den vroolijken

boerenzoon van Waterfontein was al lang verdwenen.

»Probeer _jij_ dat beest eens," riep Jack Williams.

Jack was ook tot een zandruiter gemaakt, en gunde aan Frits van harte

dezelfde nederlaag.

Doch Frits schudde het hoofd en ging door.

Wat raakte hem dat paard?

»Hij durft niet!" sarde Jack, luid genoeg, dat al de omstanders het

konden hooren.

»Niet durven?" vraagde Frits.

Die spot prikkelde hem toch.

Hij wenkte een Kaffer.

»Breng Cesar naar den stal," kommandeerde hij.

Nu wendde hij zich tot luitenant Harreson.

»Mag ik het paard eens probeeren, luitenant?"

»Ga je gang," zeide de luitenant, »maar pas op--het beest heeft leelijke

nukken."

Frits zat reeds in het zaâl, doch nauwelijks had de hengst den druk op

zijn rug gevoeld, of hij wierp zich van achter wild omhoog, boog den

nek, en de jonge Boer buitelde over den kop van het paard tegen den

grond.

»Daar gaan de Transvaalsche Boeren!" spotte Jack Williams, en er klonk

een luid en algemeen gelach.

Frits had zich weinig bezeerd, behalve dat hij met het voorhoofd op een

scherpen, harden steen was gevallen.

Hij had een kleine, diepe wond opgeloopen; hij voelde die wond echter

niet eens, maar _wel_ voelde hij het spottend woord van zijn kameraad,

en een hem geheel vreemd, maar machtig en onweerstaanbaar gevoel greep

hem aan en joeg het bloed door zijn aderen.

Toch, al was hij het zich nooit bewust geweest, dit gevoel had altijd

gesluimerd in zijn borst. En de spot van Jack Williams had slechts

teweeggebracht, wat de stormwind teweegbrengt, als het vuur, smeulende

onder de asch, aanblaast tot lichtelaaie.

Hij keek Jack even aan met een flikkering in de oogen.

»Ik laat de Transvaalsche Boeren niet beleedigen; ook door jóu niet,"

zeide hij met harde stem.

Vervolgens wendde hij zich tot luitenant Harreson.

»Luitenant, ik zal het nog eens probeeren!"

»Laat het maar," zeide de officier op welwillenden toon; »het beest _is_

niet te regeeren. Trouwens, Jansen, ge bloedt; ga naar de ambulance en

laat je verbinden!"

»'t Is slechts een schram van de huid," meende Frits, wien het bloed

over de wang sijpelde.

»Nu," zeide de officier, »à la bonne heure--zooals ge wilt!"

»Ik behoef hem toch niet te ontzien, luitenant?"

»Ga je gang maar--'t is een duivel!"

Frits zeide tot één der in de nabijheid staande Kaffers: »Ontdoe hem van

zaâl en stijgbeugels!"

't Ging niet gemakkelijk, maar ten slotte gelukte het toch.

De hengst stond nu met snuivende, wijdgeopende neusgaten, de kleine

ooren plat tegen den nek.

De zware, stalen gebitstang knarste tusschen zijn sterke tanden.

Frits klopte hem vriendelijk op den hals, en keek hem in de schuwe met

bloed doorloopen wild fonkelende oogen.

»Koest bruine," zeide hij met rustige maar vaste stem: »sta!"

Doch de hengst wierp den kop weerbarstig omhoog, steigerde en scheen den

jongen Boer, die hem vasthield aan den teugel, van zich af te willen

schudden.

Doch Frits begon thans warm te worden, en met een harden ruk trok hij

het paard omlaag.

»Zooals ge wilt," zeide hij tusschen de tanden door--»jij of ik!"

De kleine blauwe ader aan zijn rechterslaap zette op; hij geleek in dit

oogenblik weer sprekend op zijn vader, die wel breken maar niet buigen

kon.

»Ik zou 't maar opgeven," meende luitenant Harreson.

»Opgeven?" riep Frits Jansen, »opgeven?"

Met éénen sprong zat hij op den rug van het woeste beest.

»Uw karwats, als ik vragen mag!" zeide hij.

De luitenant wilde ze hem aanreiken, doch er was geen kans, want het

dier scheen thans wel dol geworden. Drie keeren wierp het den kop

omlaag, de achterpooten hoog in de lucht. Doch het miste zijn doel. De

vermetele ruiter scheen vastgeklonken op zijn rug. Toen steigerde het op

zijn achterpooten recht omhoog--het was een ijzingwekkend gezicht--de

Kaffers stoven als kaf op zij.

»Daar komt een ongeluk van," riep Harreson; »de hengst slaat

achterover!"

Inderdaad verloor het paard zijn evenwicht, en ros en ruiter sloegen

tegen den grond.

Frits was ongedeerd; snel was hij overeind, maar de hengst sloeg met

vreeselijke kracht zijn sterke achterpooten uit. Hij was blijkbaar van

plan, om zijn tegenstander dood te slaan, en het scheelde weinig, of hij

had hem geraakt.

Luitenant Harreson reikte aan Frits Jansen zijn karwats, eene uit zwaar

buffelleer gevlochten, harde roede, en Frits sprong weer op den rug van

het ontembare dier.

Een ritmeester naderde de toeschouwers.

»Wie is die jonge man?" vraagde hij belangstellend.

»De zoon van een Transvaalschen Boer," antwoordde Harreson.

»Er zit staal in dien kerel," zeide de ritmeester.

»Ik begrijp niet, dat hij 't niet opgeeft," zeide een tweede

luitenantje, een klein, pieperig ventje met een magere snor.

»De Transvaalsche dikkoppen zijn stijfkoppen," meende een militaire

arts.

»Binnen drie minuten heeft hij den nek gebroken," beweerde een eerste

luitenant, een groote kerel met een rooden baard, die zich bij de groep

voegde.

»Dat zit nog," zeide Harreson droogjes.

»Wedden?" vraagde de roodgebaarde; »vijftig pond tegen dertig, dat de

Boer het binnen drie minuten _moet_ opgeven!"

Luitenant Harreson antwoordde niet; het spannend tooneel daar voor hem

trok te zeer zijn aandacht.

Nogmaals trachtte de hengst zijn ruiter af te werpen, doch bij de

eerste poging kwam de buffelleeren karwats met onbarmhartige kracht

langs zijn zijden neer.

Het paard staakte zijn pogingen.

»Voorwaarts!" kommandeerde de ruiter.

De hengst bleef op de plek staan.

»Voorwaarts!" riep de ruiter nog eens, en terwijl zijn karwats door de

lucht gierde, drukte hij de sporen diep in de zijden van het dier, dat

het bloed te voorschijn kwam.

Daar deed de hengst een sprong--en nog een sprong--en daar suisde hij,

met zijn onverbiddelijken ruiter op den rug, als een pijl uit den boog

de vlakte op.

Gillend stoven de Kaffers op zij.

De hoed waaide den vermetelen ruiter van het hoofd--wat gaf die hoed?

Vol verbazing staarden de toeschouwers ros en ruiter na, totdat zij

niets meer zagen dan een kleine stip.

Frits Jansen had het woeste dier thans volkomen in bedwang; het had zijn

meester gevonden.

Hij trok aan den teugel, en liet het paard omkeeren, en toen hij weer

bij de officierstent was gekomen, liet hij den hengst een grooten kring

beschrijven: eerst langzaam, stapvoets; vervolgens in een matigen draf,

en ten slotte in galop. Doch midden in den snelsten galop pareerde hij

het paard vlak voor de groep officieren, en het gehoorzaamde met de

stiptheid van een gedresseerd paard.

Maar het schuim spatte van zijn flanken, en het trilde over al zijn

leden.

En terwijl officieren en omstanders vol bewondering losbarstten in een

luid hoera, sprong de kranige ruiter van het paard.

Het golvende haar zat vastgekleefd aan zijn voorhoofd door het bloed,

dat drupte uit de wond, en zijn wangen waren bleek. Maar zijn blauwe

oogen schitterden, en met de hand salueerend, zeide hij met zijn heldere

stem: »Mijne Heeren, ik dank u voor uwe vriendelijkheid, en," voegde hij

er bij, den vinger uitstrekkend naar Jack Williams, op dreigenden toon:

»ik laat de Transvaalsche Boeren niet beleedigen door laffe spotters!"

Toen ging hij tusschen de omstanders door, die eerbiedig ruimte maakten,

en hij verliet het terrein als een koning.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 21 / 53 题