HOOFDSTUK XII.

Frits Jansen en Jack Williams waren al maanden in Rhodesia, dat ten

noorden der Zuid-Afrikaansche Republiek zich uitstrekt, ingedeeld bij de

vrijwillige ruiterij, die feitelijk den wil van Cecil Rhodes had uit te

voeren.

Het was een gemakkelijk, doch ook een tamelijk vervelend leven, dat

beide jonge mannen hier leidden, en de eentoonigheid werd slechts

afgebroken door plotselinge, kleine kafferopstanden, die uitsloegen als

het vuur uit een smeulenden puinhoop.

Maar de arme Kaffers, die de dwaasheid hadden, om te rebelleeren tegen

Rhodes' ijzeren vuist, hadden het zwaar te verantwoorden. Met hun

eenvoudige speeren konden zij niet op tegen de goed gedresseerde, vlugge

ruiters, die tevens scherpschutters waren, en met zijn snelvurende

Maximkanonnen was Rhodes in staat, om binnen vijftien minuten een heelen

kafferstam uit te roeien.

Het gevecht was dan ook in den regel maar een menschenjacht, en de

zwarte, naakte ruggen der vluchtelingen boden een uitnemende schijf voor

den scherpschutter.

Het was dan ook geen bluf, dat Jack Williams beweerde, dat zijn kogel

reeds vijfentwintig zwarten had neergelegd, doch Frits Jansen was niet

begeerig naar dien roem. Hij vond het wreed en onmenschelijk, om op die

schepsels, die als afgejaagde herten over de vlakten renden, jacht te

maken, en het vloekte met zijn rechtsbewustzijn, om menschen te dooden,

als het niet was in wettige zelfverdediging.

Overigens was Frits een der kranigste cavaleristen, die luitenant

Harreson, de zoon van een hooggeplaatst ambtenaar uit Schotland, onder

zijn bevelen had, en door zijn open en rondborstig karakter stond hij

zoowel bij zijn kameraden als bij den luitenant goed aangeschreven.

Het moest Jack wel hinderen, dat Frits Jansen zóó in de gunst stond, en

inwendig kookte hij van jaloezie, toen Frits de streepen kreeg en tot

onderofficier werd benoemd. En al was het een balsem op de wond, dat hij

weinige weken later eveneens de strepen kreeg, het ergerde den

eerzuchtige toch, dat Frits hem was voorgegaan.

In spijt van zijn bevordering viel het Frits echter niet mee in

Rhodesia. De glorie, die het hoofd van Cecil Rhodes had omschitterd,

verbleekte, en de hand van dezen geweldige had niet den zegen gebracht,

waarvan Frits had gedroomd. Hij bevond, dat het voor wreed uitgekreten

bestuur der Transvaalsche Boeren zacht was als een vaderhand tegenover

het harde juk, dat Rhodes de zwarten op de schouders drukte, en hij

begon te vreezen, dat de verbroedering der twee blanke rassen, indien

Cecil Rhodes ze moest bewerken, zou uitloopen op een groote Engelsche

leugen.

Toch gaf hij de hoop op die verbroedering, dien schoonen en heerlijken

droom, nog niet op, en al was Cecil Rhodes voor zijn oog van zijn

glanzend voetstuk gevallen, het woord door hem tot Frits Jansen in de

»Groote Schuur" bij Kaapstad gesproken, behield toch zijn waarde.

* * * * *

Gelukkig was Frits Jansen niet.

De teleurstelling, die Rhodesia bracht, was nog het ergste niet. Er

knaagde nog iets anders aan zijn hart--een worm, die hem pijn deed.

Met vlammende letteren stond het afscheid van Waterfontein hem voor den

geest, en al luider kwam het verlangen en een schreiende zielekreet om

verzoening met zijn vader bij hem op.

Hij kon het ten slotte niet meer uithouden, en op een der militaire

tochten in het binnenland begon hij, terwijl zijn kameraden reeds

sliepen, bij het sobere licht van een waskaars aan zijn ouders een brief

te schrijven. En hoe langer hij schreef, hoe warmer het werd in zijn

hart. Hij stortte dat hart uit in zijn brief, en hij kon niet eindigen

met schrijven, alvorens de laatste, de achtste bladzijde, vol was.

Middernacht was lang voorbij, toen de brief gereed was, en Frits haastte

zich naar de volgende tent, de tent van Jack Williams.

Hij wekte den slaper.

»Gij gaat morgen naar Buluwayo?" vraagde Frits.

»Waarom?" vraagde Jack, wiens voorzichtige en achterdochtige natuur hem

de onhebbelijke gewoonte had aangeleerd, bij elke vraag, zelfs bij de

nietigste zaken, bij beuzelingen, naar de reden der vraag te vorschen,

alvorens hij bescheid gaf.

»Ik heb hier een brief aan mijn ouders," zeide Frits, »en ik wilde je

verzoeken, dien brief te Buluwayo voor mij op de post te doen."

»Begint het zoontje naar Moeders pappot te verlangen?" zeide Jack

geeuwend.

Frits voelde zich door deze uitdrukking, bovenal door den toon, waarop

zij werd geuit, in zijn teederste gevoelens beleedigd, doch hij

beheerschte zich en zeide schijnbaar bedaard: »Ik wil mij met mijn vader

verzoenen, Jack!"

»Geef den brief maar," zeide Jack iets vriendelijker, »ik ga heel vroeg

naar Buluwayo."

* * * * *

Ging alles voorspoedig en viel de brief naar zijn vurigen wensch in

goede aarde, dan hoopte Frits binnen een achttal dagen een brief terug

te hebben, en het trof wel bijzonder mooi, dat hij met eenige andere

kameraden tegen dien tijd naar Buluwayo werd verplaatst. Hij zag er een

beschikking des Hemels in, en met een kloppend hart ging hij naar het

postkantoor.

Er was geen brief.

Nu, het kon nog moeilijk, en hij troostte zich, steeds hopende op de

volgende post.

Doch er kwam geen brief.

Hij sprak er over met Jack.

»Gij zijt veel te heet gebakerd," zeide Jack schouderophalend; »zijt gij

dan vergeten, dat Waterfontein bijna een halve dagreis van het naaste

postkantoor afligt, en dat er soms weken overheen gaan, voordat uw vader

naar brieven laat informeeren op het postkantoor?"

Frits was weer eenigzins gerustgesteld.

»Gij denkt toch om alles," zeide hij hartelijk.

Een week later was er werkelijk een brief.

Het hart van Frits bonsde van inspanning, doch toen hij de hand zag van

het adres, was hij diep teleurgesteld.

Het was een schrijven van een zijner kennissen uit de Kaapkolonie, die

om eenige inlichtingen vroeg omtrent de vooruitzichten als vrijwilliger

in Rhodesia.

»Ik hoor," schreef hij in den brief, »dat jullie zoo'n lui en lekker

leven hebt in Rhodesia, en zoo iets lijkt mij."

Frits nam het papier en scheurde het in duizend stukken. Zijn hart

versmachtte hier in Rhodesia en dat heette »een lui en lekker leven."

Elken keer dat de post aankwam, hield hij intusschen vol om naar een

brief te vragen.

Hij hield het tien weken vol.

Toen gaf hij het op.

»Jack," zeide hij diep bedroefd, »mijn moeite is te vergeefs geweest."

»Ik heb het wel gedacht," lachte Jack; »je ouwe heeft een harden kop.

Hij zou liever den nek breken dan jou terugzien--kom ga mee!"

»Waarheen?" vraagde Frits.

»Naar de kroeg van Tom--jenever is goed, om het verdriet te verzetten."

»Gij zegt daar zoo wat," meende Frits in plotselinge, onnatuurlijke

luidruchtigheid, en hij volgde Jack Williams naar de kroeg, waaruit de

afschuwelijke geur van jenever en tabakswalm hem reeds tegen kwam.

»Mij een borrel whiskey!"[10] riep Jack tot den kroeghouder, een grooten

Kaffer, die achter de toonbank allerlei grimassen stond te maken.

[10] Sterke jenever.

»Ik geloof, dat het luie schepsel leelijk aangeschoten is," meende Jack,

den borrel aannemend, en voor zich op een ruw tafeltje nederzettend.

»U ook een borrel, sergeant?" vraagde de kroeghouder.

»Een borrel? Neen, een bierglas vol en gauw wat!" beval Frits, »een

groot bierglas--tot den rand gevuld!"

Jack keek zijn kameraad, die altijd zeer matig was, toch verwonderd

aan.

»Je behoeft me niet zoo aan te kijken," zeide Frits met een wilden lach;

»wat helpt een borrel? Ik moet een bierglas vol hebben! We willen

vroolijk zijn, Jack, en drinken en ons verdriet verdrinken!"

Zoo had Arthur Bremer ook gesproken, die uit Kaapstad was gekomen, en

als vrijwilliger had dienst genomen.

Wat er eigenlijk aan hem haperde, wist niemand, maar dat hij dronk, om

zijn verdriet te verzetten, dat was zeker.

En John Harvee, van wien men fluisterde, dat hij een moord op zijn

geweten had, en die eveneens als vrijwilliger in dienst was gegaan, had

ook zoo gesproken. En als die Harvee dan in lange teugen den whiskey

dronk, begon dat strak en menschenschuw gelaat, waarop het Kainsteeken

zichtbaar was, te ontdooien, en hij had dol pleizier tot hij stomdronken

was, en als een meelzak tegen den grond sloeg.

»Een glas whiskey, een groot glas, en gauw wat!" riep Frits, terwijl hij

met de vuist op de tafel sloeg.

Tom, de dronken Kaffer, zocht een groot glas, doch kon het niet vinden.

Maar ginds in die oude kast, die tegen den muur hing, had hij nog een

paar blikken bekers liggen.

Hij zocht naar een sleutel, want de kast was op slot.

»Zul je voortmaken, Kaffer?" bulderde Frits.

»Geduld, baassie, geduld!" zeide de kroeghouder met dubbel slaande tong,

»en pas maar op, dat je niet van je stoel valt, baassie! want jij zit te

draaien met je stoel, en de tafel draait, en de kroeg draait en de heele

ratteplan begint te draaien!"

Jack Williams schaterde het uit, en Frits lachte mede. De jenever, dien

hij nog niet had geproefd, scheen al te werken.

De Kaffer had echter den sleutel eindelijk gevonden en zeide: »Nu zal

ik je helpen, baassie, maar nu moet je nog even geduld hebben, want de

ouwe kast draait ook. Kijk, nu zal ik den sleutel zoo lang voor het slot

houden, totdat het sleutelgat vlak voor den sleutel gedraaid is, en dan

steekt Tom er den sleutel dekselsgauw in."

Hij had den sleutel eindelijk in het slot, grinnekte van pleizier, en

haalde uit de ontsloten kast een blikken beker, dien hij met whiskey

vulde en voor Frits Jansen neerzette.

»Nu, op je gezondheid," riep hij, de dikke, vuile lippen aan zijn eigen

glaasje zettend, »op je gezondheid, baassie!"

Frits nam den beker en deed een teug.

Hij moest al weer aan dien ongelukkigen Arthur Bremer denken, die ook

jenever dronk, om het verdriet te verzetten. Maar het gelukte Arthur

Bremer niet, want al dronk hij veel, hij kon toch de pijn van binnen

niet meester worden, en op zekeren keer, midden in het gevecht,

sprong hij vooruit met de armen omhoog tegen den vijand in, en drie

kafferspeeren maakten een einde aan het kloppen van dat onrustig

kloppend hart.

Maar John Harvee had er toch beter slag van, om zijn hart tot rust te

brengen. Hij zorgde er voor, dat hij niet nuchter werd, en hij stierf in

delirium tremens.

Frits had hem zien sterven--nu twee maanden geleden.

Hij had daar gelegen in zijn krib met gebalde vuisten, woest rollende

oogen en schuimbekkenden mond--neen, 't was geen sterven! Hij was _dood

gegaan_ als een wild beest!

En Frits nam den beker op, en slingerde hem met zijn afschuwelijk

mengsel ver van zich, in den hoek van het vertrek.

»Wat doe je nu?" vraagde Jack verbaasd.

»Kan ik het vuur, dat hier binnen brandt, blusschen met vuur?" was de

wedervraag van Frits Jansen.

Hij wierp den dronken Kaffer een geldstuk toe, en zeide tot zijn

kameraad, die zijn gedrag onbegrijpelijk vond: »Blijf!" En de

eenzaamheid opzoekend, zette hij zich midden in het open veld neder op

een harde klip, en snikte, dat het een steen zou roeren.

* * * * *

Op den brief aan zijn ouders heeft Frits Jansen nooit een antwoord

ontvangen.

Het kon ook niet.

Toen Jack met den brief van Frits te Buluwayo was aangekomen, had

hij den brief niet in de bus gestopt, maar--in de kachel. In dezèlfde

kachel, waarin hij eenige weken vroeger een brief van tante Martje, aan

Frits geadresseerd, doch door Jack aan het postkantoor afgehaald, had

laten verdwijnen.

En toen hij den tweeden brief aan het vuur had prijsgegeven, had hij bij

zich zelve gezegd: »De vromen zouden het wel een bijzondere bestiering

noemen, dat beide brieven in mijne handen terecht moest komen," en hij

had geschaterlacht.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 20 / 53 题