Frits Jansen en Jack Williams waren al maanden in Rhodesia, dat ten
noorden der Zuid-Afrikaansche Republiek zich uitstrekt, ingedeeld bij de
vrijwillige ruiterij, die feitelijk den wil van Cecil Rhodes had uit te
voeren.
Het was een gemakkelijk, doch ook een tamelijk vervelend leven, dat
beide jonge mannen hier leidden, en de eentoonigheid werd slechts
afgebroken door plotselinge, kleine kafferopstanden, die uitsloegen als
het vuur uit een smeulenden puinhoop.
Maar de arme Kaffers, die de dwaasheid hadden, om te rebelleeren tegen
Rhodes' ijzeren vuist, hadden het zwaar te verantwoorden. Met hun
eenvoudige speeren konden zij niet op tegen de goed gedresseerde, vlugge
ruiters, die tevens scherpschutters waren, en met zijn snelvurende
Maximkanonnen was Rhodes in staat, om binnen vijftien minuten een heelen
kafferstam uit te roeien.
Het gevecht was dan ook in den regel maar een menschenjacht, en de
zwarte, naakte ruggen der vluchtelingen boden een uitnemende schijf voor
den scherpschutter.
Het was dan ook geen bluf, dat Jack Williams beweerde, dat zijn kogel
reeds vijfentwintig zwarten had neergelegd, doch Frits Jansen was niet
begeerig naar dien roem. Hij vond het wreed en onmenschelijk, om op die
schepsels, die als afgejaagde herten over de vlakten renden, jacht te
maken, en het vloekte met zijn rechtsbewustzijn, om menschen te dooden,
als het niet was in wettige zelfverdediging.
Overigens was Frits een der kranigste cavaleristen, die luitenant
Harreson, de zoon van een hooggeplaatst ambtenaar uit Schotland, onder
zijn bevelen had, en door zijn open en rondborstig karakter stond hij
zoowel bij zijn kameraden als bij den luitenant goed aangeschreven.
Het moest Jack wel hinderen, dat Frits Jansen zóó in de gunst stond, en
inwendig kookte hij van jaloezie, toen Frits de streepen kreeg en tot
onderofficier werd benoemd. En al was het een balsem op de wond, dat hij
weinige weken later eveneens de strepen kreeg, het ergerde den
eerzuchtige toch, dat Frits hem was voorgegaan.
In spijt van zijn bevordering viel het Frits echter niet mee in
Rhodesia. De glorie, die het hoofd van Cecil Rhodes had omschitterd,
verbleekte, en de hand van dezen geweldige had niet den zegen gebracht,
waarvan Frits had gedroomd. Hij bevond, dat het voor wreed uitgekreten
bestuur der Transvaalsche Boeren zacht was als een vaderhand tegenover
het harde juk, dat Rhodes de zwarten op de schouders drukte, en hij
begon te vreezen, dat de verbroedering der twee blanke rassen, indien
Cecil Rhodes ze moest bewerken, zou uitloopen op een groote Engelsche
leugen.
Toch gaf hij de hoop op die verbroedering, dien schoonen en heerlijken
droom, nog niet op, en al was Cecil Rhodes voor zijn oog van zijn
glanzend voetstuk gevallen, het woord door hem tot Frits Jansen in de
»Groote Schuur" bij Kaapstad gesproken, behield toch zijn waarde.
* * * * *
Gelukkig was Frits Jansen niet.
De teleurstelling, die Rhodesia bracht, was nog het ergste niet. Er
knaagde nog iets anders aan zijn hart--een worm, die hem pijn deed.
Met vlammende letteren stond het afscheid van Waterfontein hem voor den
geest, en al luider kwam het verlangen en een schreiende zielekreet om
verzoening met zijn vader bij hem op.
Hij kon het ten slotte niet meer uithouden, en op een der militaire
tochten in het binnenland begon hij, terwijl zijn kameraden reeds
sliepen, bij het sobere licht van een waskaars aan zijn ouders een brief
te schrijven. En hoe langer hij schreef, hoe warmer het werd in zijn
hart. Hij stortte dat hart uit in zijn brief, en hij kon niet eindigen
met schrijven, alvorens de laatste, de achtste bladzijde, vol was.
Middernacht was lang voorbij, toen de brief gereed was, en Frits haastte
zich naar de volgende tent, de tent van Jack Williams.
Hij wekte den slaper.
»Gij gaat morgen naar Buluwayo?" vraagde Frits.
»Waarom?" vraagde Jack, wiens voorzichtige en achterdochtige natuur hem
de onhebbelijke gewoonte had aangeleerd, bij elke vraag, zelfs bij de
nietigste zaken, bij beuzelingen, naar de reden der vraag te vorschen,
alvorens hij bescheid gaf.
»Ik heb hier een brief aan mijn ouders," zeide Frits, »en ik wilde je
verzoeken, dien brief te Buluwayo voor mij op de post te doen."
»Begint het zoontje naar Moeders pappot te verlangen?" zeide Jack
geeuwend.
Frits voelde zich door deze uitdrukking, bovenal door den toon, waarop
zij werd geuit, in zijn teederste gevoelens beleedigd, doch hij
beheerschte zich en zeide schijnbaar bedaard: »Ik wil mij met mijn vader
verzoenen, Jack!"
»Geef den brief maar," zeide Jack iets vriendelijker, »ik ga heel vroeg
naar Buluwayo."
* * * * *
Ging alles voorspoedig en viel de brief naar zijn vurigen wensch in
goede aarde, dan hoopte Frits binnen een achttal dagen een brief terug
te hebben, en het trof wel bijzonder mooi, dat hij met eenige andere
kameraden tegen dien tijd naar Buluwayo werd verplaatst. Hij zag er een
beschikking des Hemels in, en met een kloppend hart ging hij naar het
postkantoor.
Er was geen brief.
Nu, het kon nog moeilijk, en hij troostte zich, steeds hopende op de
volgende post.
Doch er kwam geen brief.
Hij sprak er over met Jack.
»Gij zijt veel te heet gebakerd," zeide Jack schouderophalend; »zijt gij
dan vergeten, dat Waterfontein bijna een halve dagreis van het naaste
postkantoor afligt, en dat er soms weken overheen gaan, voordat uw vader
naar brieven laat informeeren op het postkantoor?"
Frits was weer eenigzins gerustgesteld.
»Gij denkt toch om alles," zeide hij hartelijk.
Een week later was er werkelijk een brief.
Het hart van Frits bonsde van inspanning, doch toen hij de hand zag van
het adres, was hij diep teleurgesteld.
Het was een schrijven van een zijner kennissen uit de Kaapkolonie, die
om eenige inlichtingen vroeg omtrent de vooruitzichten als vrijwilliger
in Rhodesia.
»Ik hoor," schreef hij in den brief, »dat jullie zoo'n lui en lekker
leven hebt in Rhodesia, en zoo iets lijkt mij."
Frits nam het papier en scheurde het in duizend stukken. Zijn hart
versmachtte hier in Rhodesia en dat heette »een lui en lekker leven."
Elken keer dat de post aankwam, hield hij intusschen vol om naar een
brief te vragen.
Hij hield het tien weken vol.
Toen gaf hij het op.
»Jack," zeide hij diep bedroefd, »mijn moeite is te vergeefs geweest."
»Ik heb het wel gedacht," lachte Jack; »je ouwe heeft een harden kop.
Hij zou liever den nek breken dan jou terugzien--kom ga mee!"
»Waarheen?" vraagde Frits.
»Naar de kroeg van Tom--jenever is goed, om het verdriet te verzetten."
»Gij zegt daar zoo wat," meende Frits in plotselinge, onnatuurlijke
luidruchtigheid, en hij volgde Jack Williams naar de kroeg, waaruit de
afschuwelijke geur van jenever en tabakswalm hem reeds tegen kwam.
»Mij een borrel whiskey!"[10] riep Jack tot den kroeghouder, een grooten
Kaffer, die achter de toonbank allerlei grimassen stond te maken.
[10] Sterke jenever.
»Ik geloof, dat het luie schepsel leelijk aangeschoten is," meende Jack,
den borrel aannemend, en voor zich op een ruw tafeltje nederzettend.
»U ook een borrel, sergeant?" vraagde de kroeghouder.
»Een borrel? Neen, een bierglas vol en gauw wat!" beval Frits, »een
groot bierglas--tot den rand gevuld!"
Jack keek zijn kameraad, die altijd zeer matig was, toch verwonderd
aan.
»Je behoeft me niet zoo aan te kijken," zeide Frits met een wilden lach;
»wat helpt een borrel? Ik moet een bierglas vol hebben! We willen
vroolijk zijn, Jack, en drinken en ons verdriet verdrinken!"
Zoo had Arthur Bremer ook gesproken, die uit Kaapstad was gekomen, en
als vrijwilliger had dienst genomen.
Wat er eigenlijk aan hem haperde, wist niemand, maar dat hij dronk, om
zijn verdriet te verzetten, dat was zeker.
En John Harvee, van wien men fluisterde, dat hij een moord op zijn
geweten had, en die eveneens als vrijwilliger in dienst was gegaan, had
ook zoo gesproken. En als die Harvee dan in lange teugen den whiskey
dronk, begon dat strak en menschenschuw gelaat, waarop het Kainsteeken
zichtbaar was, te ontdooien, en hij had dol pleizier tot hij stomdronken
was, en als een meelzak tegen den grond sloeg.
»Een glas whiskey, een groot glas, en gauw wat!" riep Frits, terwijl hij
met de vuist op de tafel sloeg.
Tom, de dronken Kaffer, zocht een groot glas, doch kon het niet vinden.
Maar ginds in die oude kast, die tegen den muur hing, had hij nog een
paar blikken bekers liggen.
Hij zocht naar een sleutel, want de kast was op slot.
»Zul je voortmaken, Kaffer?" bulderde Frits.
»Geduld, baassie, geduld!" zeide de kroeghouder met dubbel slaande tong,
»en pas maar op, dat je niet van je stoel valt, baassie! want jij zit te
draaien met je stoel, en de tafel draait, en de kroeg draait en de heele
ratteplan begint te draaien!"
Jack Williams schaterde het uit, en Frits lachte mede. De jenever, dien
hij nog niet had geproefd, scheen al te werken.
De Kaffer had echter den sleutel eindelijk gevonden en zeide: »Nu zal
ik je helpen, baassie, maar nu moet je nog even geduld hebben, want de
ouwe kast draait ook. Kijk, nu zal ik den sleutel zoo lang voor het slot
houden, totdat het sleutelgat vlak voor den sleutel gedraaid is, en dan
steekt Tom er den sleutel dekselsgauw in."
Hij had den sleutel eindelijk in het slot, grinnekte van pleizier, en
haalde uit de ontsloten kast een blikken beker, dien hij met whiskey
vulde en voor Frits Jansen neerzette.
»Nu, op je gezondheid," riep hij, de dikke, vuile lippen aan zijn eigen
glaasje zettend, »op je gezondheid, baassie!"
Frits nam den beker en deed een teug.
Hij moest al weer aan dien ongelukkigen Arthur Bremer denken, die ook
jenever dronk, om het verdriet te verzetten. Maar het gelukte Arthur
Bremer niet, want al dronk hij veel, hij kon toch de pijn van binnen
niet meester worden, en op zekeren keer, midden in het gevecht,
sprong hij vooruit met de armen omhoog tegen den vijand in, en drie
kafferspeeren maakten een einde aan het kloppen van dat onrustig
kloppend hart.
Maar John Harvee had er toch beter slag van, om zijn hart tot rust te
brengen. Hij zorgde er voor, dat hij niet nuchter werd, en hij stierf in
delirium tremens.
Frits had hem zien sterven--nu twee maanden geleden.
Hij had daar gelegen in zijn krib met gebalde vuisten, woest rollende
oogen en schuimbekkenden mond--neen, 't was geen sterven! Hij was _dood
gegaan_ als een wild beest!
En Frits nam den beker op, en slingerde hem met zijn afschuwelijk
mengsel ver van zich, in den hoek van het vertrek.
»Wat doe je nu?" vraagde Jack verbaasd.
»Kan ik het vuur, dat hier binnen brandt, blusschen met vuur?" was de
wedervraag van Frits Jansen.
Hij wierp den dronken Kaffer een geldstuk toe, en zeide tot zijn
kameraad, die zijn gedrag onbegrijpelijk vond: »Blijf!" En de
eenzaamheid opzoekend, zette hij zich midden in het open veld neder op
een harde klip, en snikte, dat het een steen zou roeren.
* * * * *
Op den brief aan zijn ouders heeft Frits Jansen nooit een antwoord
ontvangen.
Het kon ook niet.
Toen Jack met den brief van Frits te Buluwayo was aangekomen, had
hij den brief niet in de bus gestopt, maar--in de kachel. In dezèlfde
kachel, waarin hij eenige weken vroeger een brief van tante Martje, aan
Frits geadresseerd, doch door Jack aan het postkantoor afgehaald, had
laten verdwijnen.
En toen hij den tweeden brief aan het vuur had prijsgegeven, had hij bij
zich zelve gezegd: »De vromen zouden het wel een bijzondere bestiering
noemen, dat beide brieven in mijne handen terecht moest komen," en hij
had geschaterlacht.