HOOFDSTUK XI.

Reeds is de morgenster verbleekt en de zon gaat op boven de verwoesting.

Een twintigtal mannelijke Kaffers--arbeiders en knechten op

Waterfontein--staan bij de gehavende doch door het vuur gespaarde

wagenschuur.

Baas Jansen heeft hen bij die schuur bescheiden, en hij zal gericht

houden over zijn volk.

Langzaam nadert hij de groep.

Zijn gelaat is een tint bleeker dan gewoonlijk; zijn rosachtige baard is

gezengd, en het grijzende hoofdhaar geschroeid.

Beide handen zijn met doeken omwonden.

»Jullie hebt den brand gezien, die Waterfontein heeft verwoest," zegt

hij; »wie kan mij de oorzaak aanwijzen van den brand?"

Niemand zegt een woord.

»De brand is niet van binnen in het huis aangekomen," gaat hij

nadrukkelijk voort, terwijl zijn blikken vorschend gaan over den groep

daar voor hem.

»De brand is van buiten ontstaan," zegt hij met groote zekerheid; »bij

het achterhuis. Er is een--misdaad in het spel!"

Hij wacht even.

Twee, drie Kaffers staan met elkander te fluisteren.

»Zeg jij het," zegt de ander.

»Doe jij het," zegt de ander.

Doch terwijl Eliëzer zich omkeert, en hen aankijkt met zijn zwarte

oogen, verstommen de fluisteraars.

Aan Jansen's scherp gehoor is dat gefluister echter niet ontgaan.

»Hector en Schaap, komt eens hier," beveelt hij op strengen toon.

Zij naderen hem, doch voor zijn flikkerenden blik slaan zij de oogen

neer.

»Wie heeft den brand veroorzaakt?" vraagt hij, en Hector antwoordt: »De

jonge baas heeft het gedaan."

»Frits?" vraagt de Boer, en Hector en Schaap antwoorden beiden: »Ja."

Jansen houdt zich vast aan den stam van den kastanjeboom naast zich,

die zijn verbrande en verkoolde takken spookachtig omhoog steekt.

Hij is van binnen als die boom--verbrand, verkoold, vernietigd.... en

met ontzetting denkt hij aan het woord van Frits van gisteravond: »Dat

geeft een ongeluk."

Maar het _kan_ niet waar zijn.

»Kaffers, ge liegt het," roept hij met ruwe stem, »ge zijt leugenaars!"

Inderdaad staan Hector en Schaap voor leugenaars bekend, doch Hector

zegt: »Ouwe baas vraag het aan Eliëzer!"

Jansen wenkt den genoemde.

Met loome schreden nadert Eliëzer zijn heer, en op zijn donker gelaat

ligt een groote droefheid.

»Eliëzer," zegt Jansen, »vertel mij, wat gij er van weet!"

»Baas," zegt de Kaffer, »als een voerman een jong, schichtig paard

heeft, behoort hij dan niet naar zijn paard te kijken?"

»Ga voort," zegt Jansen.

»En als hij niet naar dat jonge, edele paard kijkt, maar hij kijkt een

anderen weg uit, en het jonge paard slaat aan 't hollen, en de wagen

stoot tegen de klippen stuk--wiens schuld is dat dan baas?"

»Ben _ik_ die voerman?" vraagt Jansen.

Vol droefheid knikt de Kaffer.

»Dan behoef ik niet te vragen, wie het _paard_ is," steunt de Boer, en

hij bedekt zijn gelaat.

Maar de Kaffers mogen zijn ontroering niet zien, en koel en strak richt

hij zich op.

Met een gebiedend handgebaar heet hij de Kaffers heen te gaan, en

slechts Eliëzer, Hector en Schaap laat hij blijven.

»Hoe laat was het, Eliëzer, dat Frits kwam?"

»Ik weet het niet precies, baas; reeds lang hadden de sterren getinteld

aan het firmament. Het was misschien een uur of anderhalf nadat gij de

rondte hadt gedaan over het erf. Ik bespeelde op den drempel van mijn

hut mijn snareninstrument--gij kent het, baas."

Jansen knikt.

»En Hector en Schaap zaten gehurkt in de nabijheid te luisteren. Ik had

juist geëindigd en wilde naar binnen gaan, toen Hector fluisterde: »Ouwe

Kaffer, daar heb je den jongen baas." Ik verwonderde me, want ik wist--"

Eliëzer aarzelt om voort te gaan.

»Spreek door," gebiedt Reinard Jansen.

»Ik wist, wat er gebeurd was tusschen den ouden baas en den jongen

baas."

»Van welken kant kwam Frits?" werpt Jansen er tusschen in.

»Ik weet het niet," zegt Eliëzer.

»Van den linker kant," meent Hector.

»Van den rechter kant," meent Schaap.

»Laat dat maar," zegt Jansen, »het geeft ook niet. Ga voort, Eliëzer!"

»De jonge baas schrapte eenige vuurhoutjes[9] aan,--ik zag duidelijk,

dat de houtjes vuur vatten--greep snel een bos tarwestroo in de

nabijheid, stak de garf in brand en slingerde de brandende schoof op het

lage dak."

[9] Lucifers.

»Bleef Frits toen staan?" vorschte de Boer.

»Hij liep zoo gauw mogelijk weg," zegt Hector.

»Gingt gij hem niet na?" vraagt Reinard Jansen.

»Eliëzer beval ons om eerst den brand te blusschen," zegt Schaap.

»Het was ook het verstandigste," zucht de Boer.

»Maar het vuur liep zoo snel over het dak als de reebok over de vlakte,"

zegt Eliëzer, »en er was geen denken aan blusschen."

»Waaraan hebt gij den jongen baas herkend?" vraagt Jansen opnieuw.

»Aan zijn slappen, lichtbruinen hoed met de haneveer er op, en aan zijn

witten jas."

»Kunt ge dat onderscheiden op dien afstand?" vraagt Jansen.

»Baas," zegt Eliëzer, »het is een heldere nacht geweest, en de maan was

nog niet onder. Het was bijna zoo licht als over dag."

Baas Jansen vraagt nu niets meer, en hij gelast de Kaffers bedaard, om

aan hun werk te gaan.

De Kaffers gaan heen; slechts Eliëzer blijft staan.

Eliëzer mag meer doen dan de andere Kaffers. Hij is vijf jaar ouder dan

Reinard Jansen, en heeft reeds bij Jansen's vader gediend: bij den ouden

strakken Lodewijk Jansen.

Hoe menigmaal heeft hij Reinard Jansen, toen deze nog een kleine jongen

was, op zijn sterke schouders genomen, en met hem zoo snel over het veld

gerend, dat de jongen het uitgierde van pret.

Maar ach, dat is lang geleden....

Hij staart zijn meester aan met zijn trouwe, zwarte oogen.

»Vloek uw zoon niet!" zegt hij, en hij heft zijn handen smeekend omhoog.

»Ik zal hem niet vloeken," zegt baas Jansen op een eigen toon, »maar hij

is een verrader geworden van zijn vaderland, en het huis van zijn ouders

steekt hij in brand, terwijl zij zich te slapen hebben gelegd--ik ken

hem niet meer; hij is voor mij voortaan een bastaard."

Hij schijnt kalm en bedaard, terwijl hij dit zegt.

Het is een vreeselijke kalmte.

Hij rilt, alsof hij de koorts heeft, en hij voelt de koude tot in het

merg van zijn gebeente.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 19 / 53 题