HOOFDSTUK X.

Er was misschien een uur verloopen--Jansen noch zijn vrouw hadden nog

een oog gesloten--toen luid en angstig het geroep van »brand, brand!"

over het erf weerklonk.

Onmiddelijk rees Jansen overeind, schoot eenige kleedingstukken aan en

liep naar buiten.

Reeds in den gang merkte hij walm en rook.

Nu was hij buiten.

In de nabijheid stonden een paar Kaffers, hieven de handen weeklagend

omhoog en riepen: »O baas, nu brandt Waterfontein af."

Het rieten dak stond in brand, en hulde het huis als in een reuzenmantel

van vuur.

Uit het achterhuis sloegen de vlammen reeds hoog uit.

»Haalt de ossenwagens uit de schuren, en rijdt ze op het open veld!"

beval Jansen aan de Kaffers, terwijl hij hen voorbijsnelde, terug naar

het voorhuis.

Zijn vrouw kwam hem reeds tegen, met eenig huisraad in haar handen.

»Zijn onze kinderen in veiligheid?" vraagde Jansen.

Tante Martje knikte bevestigend.

»En het meesterke?"

»Ja," zeide zij.

Toen ijlde Jansen in groote sprongen naar de stal, vanwaar het angstig

gehinnik der paarden hem tegenklonk.

De staldeur was van binnen gesloten. Met één voettred had hij ze

ingetrapt. Hij sprong naar binnen, op den voet gevolgd door Eliëzer,

zijn meest vertrouwden Kaffer.

De paarden gingen vreeselijk te keer; zij sloegen met de pooten, rukten

wild aan hun helsters, en de rook en de neervallende vuurvonken maakten

hen razend van angst.

Met levensgevaar drongen baas Jansen en zijn knecht tusschen de paarden

in, sneden de helsters met hun zakmessen door en joegen de woest

geworden dieren naar buiten.

Met buitengewone snelheid greep het vuur intusschen om zich heen. Het

had in geen weken geregend, en het gebouw was kurkdroog. Een regen van

vonken daalde neder en maakte den naasten omtrek onveilig. De vlammen

sprongen over op twee kleinere schuren en bedreigden het wagenhuis,

terwijl de met stroo gedekte, achter op het erf staande Kafferhutten bij

een gering draaien van den wind een prooi moesten worden van het

vernielende element.

Er heerschte op het erf, verlicht door den rossigen gloed der stijgende

vlammen, een onbeschrijfelijk tooneel.

De uit de kralen[8] losgelaten beesten joegen, loeiend en bulkend,

schuimbekkend van angst, voorbij, in hun loop gestuit door wild geworden

paarden, die met wijd opgesperde neusgaten en rillende flanken telkens

tegen het vuur indrongen. Daartusschen klonk het geblaat van schapen,

het gegil van kleine Kafferkinderen, het luid geschreeuw der Kaffers en

de knal der lange ossenzweep.

[8] Veestallen, van boven open.

Baas Jansen had intusschen geen oogenblik zijn koelbloedigheid verloren,

en boven het geschreeuw der Kaffers en het knetteren der vlammen klonk

zijn geweldige stem.

Daar naderden een achttal Transvaalsche boerenzonen. Zij waren op den

terugweg van een schietwedstrijd, en hadden in de verte den brand

bemerkt.

Ofschoon hun weg niet langs Waterfontein liep, hadden zij toch

onmiddelijk den teugel gewend, en waren dwars over het open veld in

den snelsten draf op het vuur aangereden. Aan de windvrije zijde van

de brand hadden zij op behoorlijken afstand hun paarden vastgebonden,

en kwamen nu, om baas Jansen in zijn nood bij te staan.

Dat was gewenschte hulp, en helder straalde het oog van baas Jansen,

toen hij die wakkere jongens in het gezicht staarde.

»Ziet de schuur te houden!" zeide hij, op het wagenhuis wijzend.

Reeds had ze vuur gevat.

Twee man klauterden het dak op, en de anderen droegen het water aan uit

den nabij gelegen vijver.

Een zee van vonken daalde neder op de moedige Boeren, maar zij gaven

het niet op, doofden het vuurvattende riet met water, of sloegen de

beginnende vlam uit met lange stokken, en kropen, toen hun kleeren

begonnen te smeulen, als waterratten in den vijver.

»Zoo gaat het goed--uitstekend!" riep baas Jansen moed scheppend, doch

plotseling pakte hem de angst.

»Waar is mijn vrouw?" vraagde hij aan een in de nabijheid staanden

Kaffer.

»Ik wilde u juist zeggen," antwoordde deze, »dat zij zoo pas het

voorhuis is ingegaan en nog niet is teruggekomen."

Op dit oogenblik kwam Kasper, een der jonge Boeren, aanloopen.

»Oom," zeide hij, terwijl hij zich het zweet van het gezicht veegde,

»het wagenhuis kunnen we houden, en er zijn nu manschappen genoeg--hebt

ge nog iets voor mij te doen?"

Doch baas Jansen hoorde het niet.

Juist rende Eliëzer voorbij.

»Eliëzer, hebt gij mijn vrouw niet gezien?" vraagde hij in klimmende

ongerustheid.

»Is ze nog niet terug uit het voorhuis?" vraagde de knecht.

»Ik kan ze niet vinden," zeide Jansen.

Ook zijn kinderen wisten niet, waar zij was.

»Dan zal ik ze halen," zei Jansen vastberaden; »zij moet in het voorhuis

zijn."

Reeds lekten de vlammen aan de deurposten.

Op dit oogenblik trad Kasper den Boer in den weg.

»Laat mij uw vrouw zoeken," smeekte de dappere jongen, doch Jansen

schudde het hoofd.

»Ik ken uw huis evengoed als gij," zeide Kasper.

Baas Jansen keek hem aan en zeide met bewogen stem: »Neen, mijn jongen,

dat moogt ge niet doen. Ik zal het doen."

Tegelijkertijd ijlde hij reeds den gang in, die vol rook was. Doch die

rook hinderde hem nog niet zooveel, daar deze de eigenschap heeft,

omhoog te stijgen, en de Boer kruipende zijn weg zocht.

Op den tast vond hij de trap naar het slaapkamertje, waaronder de kelder

was.

»Martje," riep hij, »Martje!" doch hij kreeg geen antwoord.

Hij zocht het kamertje al tastende af, want zien was onmogelijk.

Daar greep hij een bundel kleeren, en daarnaast--de kleeren in den

arm--lag zijn bewustelooze vrouw.

Baas Jansen had wel een juichkreet kunnen slaken, want hij voelde het

kloppen van haar hart.

Snel nam hij haar op, om van deze gevaarlijke plek te komen. Reeds

vielen stukken vuur op hen neer; slechts met moeite kon hij de

vuurvattende kleeren dooven.

Nu was hij weer in de gang.

Nog eenige stappen en--hij was gered.

Daar hoorde hij boven het geruisch der vlammen uit een vreeselijken

angstkreet, en de waggelende voormuur stortte voor zijn verbijsterden

blik tegen den grond.

Waar anders de deur was, gloeide en vlamde nu een zee van vuur. Hij

moest terug, om de gangdeur van het woonvertrek te vinden, daar het raam

van het woonvertrek gelegenheid bood om naar buiten te komen.

Hij bereikte de gangdeur en opende ze. Doch hij had zich in de deur

vergist, en staarde in het achterhuis, van waar de vlammen hem in het

gezicht sloegen.

Hij sloeg de deur dicht en verbrandde zich de handen aan het reeds

smeulende hout.

Doch ook in dit vreeselijke oogenblik behield hij zijn tegenwoordigheid

van geest. Kruipend tastte hij met de vrije hand langs den

muur--rechts--de rook dreigde hem thans te verstikken--maar hij bereikte

de gewenschte deur.

Zij was op de klink en gauw geopend.

En dáár was het reddende raam!

Maar zijn gedachten begonnen zich thans te verwarren; hij begon te

duizelen.

»Almachtige God, help mij!" kwam het steunend uit zijn breede borst.

De dichte rook dreigde hem het bewustzijn te ontnemen; hij voelde zijn

krachten verlammen, doch twee sterke handen grepen thans van buiten in

de houten spijlen van het raam, en rukten hen uit hun sponningen.

In het volgende oogenblik hadden die handen baas Jansen en zijn

kostbaren schat gegrepen, en Jansen en zijn vrouw waren gered.

De ijzersterke natuur van den Boer was door de buitenlucht weer

onmiddellijk op haar verhaal, en hij staarde zijn redder in het gelaat.

»Kasper," zeide hij bewogen, »God zal het je loonen, ja, dat zal hij!"

en hij reikte hem de hand.

Nu bracht de Boer zijn vrouw in veiligheid, die spoedig haar bewustzijn

terug had. Hij wierp een blik op de kleeren, die hij bij haar had

gevonden--het waren de kleeren van haar zoon Frits, waarvoor zij haar

leven had gewaagd.

Jansen riep zijn vertrouwden knecht.

»Eliëzer," zeide hij bedaard, »ik denk, dat binnen vijf minuten het

buskruit in het achterhuis vuur zal vatten. Het is wel gedekt met zware

ossenhuiden, doch die huiden zullen niet langer weerstand kunnen

bieden."

»Ik heb er daar straks nog vier ossenhuiden over heen gesjord,"

antwoordde de Kaffer.

»Laat me je handen eens zien," zeide baas Jansen.

Eliëzer liet ze zien--ze waren bedekt met brandwonden.

Zelfs zijn haar was verschroeid.

Toen strekte baas Jansen zijn eigen verschroeide handen omhoog en riep:

»Zoo waarachtig als ik leef, Eliëzer, ik zal dezen nacht en jouw trouw

niet vergeten!"

Nu gaf hij bevel, dat alle man zich van het erf terug zou trekken.

»Als het dak instort," zeide Jansen, »dan gaat het buskruit ook!"

Men verzamelde zich achter in den boomgaard; moeder Jansen rustte op een

snel in gereedheid gebracht bed in een ossenwagen, door haar dochters

opgepast.

Zwijgend gingen eenige minuten voorbij.

Daar stortte het dak van Waterfontein in....

Er volgden twintig seconden van ademlooze spanning, en daar--daar kwam

een slag, alsof de aarde zou barsten en de hemel zou scheuren--tien

duizend vlammende vuurgarven schoten omhoog--de gansche omtrek baadde

zich in een zee van licht--Waterfontein was herschapen in een

vuurfontein--en luid donderend antwoordde de echo der bergen!

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 18 / 53 题