Er was misschien een uur verloopen--Jansen noch zijn vrouw hadden nog
een oog gesloten--toen luid en angstig het geroep van »brand, brand!"
over het erf weerklonk.
Onmiddelijk rees Jansen overeind, schoot eenige kleedingstukken aan en
liep naar buiten.
Reeds in den gang merkte hij walm en rook.
Nu was hij buiten.
In de nabijheid stonden een paar Kaffers, hieven de handen weeklagend
omhoog en riepen: »O baas, nu brandt Waterfontein af."
Het rieten dak stond in brand, en hulde het huis als in een reuzenmantel
van vuur.
Uit het achterhuis sloegen de vlammen reeds hoog uit.
»Haalt de ossenwagens uit de schuren, en rijdt ze op het open veld!"
beval Jansen aan de Kaffers, terwijl hij hen voorbijsnelde, terug naar
het voorhuis.
Zijn vrouw kwam hem reeds tegen, met eenig huisraad in haar handen.
»Zijn onze kinderen in veiligheid?" vraagde Jansen.
Tante Martje knikte bevestigend.
»En het meesterke?"
»Ja," zeide zij.
Toen ijlde Jansen in groote sprongen naar de stal, vanwaar het angstig
gehinnik der paarden hem tegenklonk.
De staldeur was van binnen gesloten. Met één voettred had hij ze
ingetrapt. Hij sprong naar binnen, op den voet gevolgd door Eliëzer,
zijn meest vertrouwden Kaffer.
De paarden gingen vreeselijk te keer; zij sloegen met de pooten, rukten
wild aan hun helsters, en de rook en de neervallende vuurvonken maakten
hen razend van angst.
Met levensgevaar drongen baas Jansen en zijn knecht tusschen de paarden
in, sneden de helsters met hun zakmessen door en joegen de woest
geworden dieren naar buiten.
Met buitengewone snelheid greep het vuur intusschen om zich heen. Het
had in geen weken geregend, en het gebouw was kurkdroog. Een regen van
vonken daalde neder en maakte den naasten omtrek onveilig. De vlammen
sprongen over op twee kleinere schuren en bedreigden het wagenhuis,
terwijl de met stroo gedekte, achter op het erf staande Kafferhutten bij
een gering draaien van den wind een prooi moesten worden van het
vernielende element.
Er heerschte op het erf, verlicht door den rossigen gloed der stijgende
vlammen, een onbeschrijfelijk tooneel.
De uit de kralen[8] losgelaten beesten joegen, loeiend en bulkend,
schuimbekkend van angst, voorbij, in hun loop gestuit door wild geworden
paarden, die met wijd opgesperde neusgaten en rillende flanken telkens
tegen het vuur indrongen. Daartusschen klonk het geblaat van schapen,
het gegil van kleine Kafferkinderen, het luid geschreeuw der Kaffers en
de knal der lange ossenzweep.
[8] Veestallen, van boven open.
Baas Jansen had intusschen geen oogenblik zijn koelbloedigheid verloren,
en boven het geschreeuw der Kaffers en het knetteren der vlammen klonk
zijn geweldige stem.
Daar naderden een achttal Transvaalsche boerenzonen. Zij waren op den
terugweg van een schietwedstrijd, en hadden in de verte den brand
bemerkt.
Ofschoon hun weg niet langs Waterfontein liep, hadden zij toch
onmiddelijk den teugel gewend, en waren dwars over het open veld in
den snelsten draf op het vuur aangereden. Aan de windvrije zijde van
de brand hadden zij op behoorlijken afstand hun paarden vastgebonden,
en kwamen nu, om baas Jansen in zijn nood bij te staan.
Dat was gewenschte hulp, en helder straalde het oog van baas Jansen,
toen hij die wakkere jongens in het gezicht staarde.
»Ziet de schuur te houden!" zeide hij, op het wagenhuis wijzend.
Reeds had ze vuur gevat.
Twee man klauterden het dak op, en de anderen droegen het water aan uit
den nabij gelegen vijver.
Een zee van vonken daalde neder op de moedige Boeren, maar zij gaven
het niet op, doofden het vuurvattende riet met water, of sloegen de
beginnende vlam uit met lange stokken, en kropen, toen hun kleeren
begonnen te smeulen, als waterratten in den vijver.
»Zoo gaat het goed--uitstekend!" riep baas Jansen moed scheppend, doch
plotseling pakte hem de angst.
»Waar is mijn vrouw?" vraagde hij aan een in de nabijheid staanden
Kaffer.
»Ik wilde u juist zeggen," antwoordde deze, »dat zij zoo pas het
voorhuis is ingegaan en nog niet is teruggekomen."
Op dit oogenblik kwam Kasper, een der jonge Boeren, aanloopen.
»Oom," zeide hij, terwijl hij zich het zweet van het gezicht veegde,
»het wagenhuis kunnen we houden, en er zijn nu manschappen genoeg--hebt
ge nog iets voor mij te doen?"
Doch baas Jansen hoorde het niet.
Juist rende Eliëzer voorbij.
»Eliëzer, hebt gij mijn vrouw niet gezien?" vraagde hij in klimmende
ongerustheid.
»Is ze nog niet terug uit het voorhuis?" vraagde de knecht.
»Ik kan ze niet vinden," zeide Jansen.
Ook zijn kinderen wisten niet, waar zij was.
»Dan zal ik ze halen," zei Jansen vastberaden; »zij moet in het voorhuis
zijn."
Reeds lekten de vlammen aan de deurposten.
Op dit oogenblik trad Kasper den Boer in den weg.
»Laat mij uw vrouw zoeken," smeekte de dappere jongen, doch Jansen
schudde het hoofd.
»Ik ken uw huis evengoed als gij," zeide Kasper.
Baas Jansen keek hem aan en zeide met bewogen stem: »Neen, mijn jongen,
dat moogt ge niet doen. Ik zal het doen."
Tegelijkertijd ijlde hij reeds den gang in, die vol rook was. Doch die
rook hinderde hem nog niet zooveel, daar deze de eigenschap heeft,
omhoog te stijgen, en de Boer kruipende zijn weg zocht.
Op den tast vond hij de trap naar het slaapkamertje, waaronder de kelder
was.
»Martje," riep hij, »Martje!" doch hij kreeg geen antwoord.
Hij zocht het kamertje al tastende af, want zien was onmogelijk.
Daar greep hij een bundel kleeren, en daarnaast--de kleeren in den
arm--lag zijn bewustelooze vrouw.
Baas Jansen had wel een juichkreet kunnen slaken, want hij voelde het
kloppen van haar hart.
Snel nam hij haar op, om van deze gevaarlijke plek te komen. Reeds
vielen stukken vuur op hen neer; slechts met moeite kon hij de
vuurvattende kleeren dooven.
Nu was hij weer in de gang.
Nog eenige stappen en--hij was gered.
Daar hoorde hij boven het geruisch der vlammen uit een vreeselijken
angstkreet, en de waggelende voormuur stortte voor zijn verbijsterden
blik tegen den grond.
Waar anders de deur was, gloeide en vlamde nu een zee van vuur. Hij
moest terug, om de gangdeur van het woonvertrek te vinden, daar het raam
van het woonvertrek gelegenheid bood om naar buiten te komen.
Hij bereikte de gangdeur en opende ze. Doch hij had zich in de deur
vergist, en staarde in het achterhuis, van waar de vlammen hem in het
gezicht sloegen.
Hij sloeg de deur dicht en verbrandde zich de handen aan het reeds
smeulende hout.
Doch ook in dit vreeselijke oogenblik behield hij zijn tegenwoordigheid
van geest. Kruipend tastte hij met de vrije hand langs den
muur--rechts--de rook dreigde hem thans te verstikken--maar hij bereikte
de gewenschte deur.
Zij was op de klink en gauw geopend.
En dáár was het reddende raam!
Maar zijn gedachten begonnen zich thans te verwarren; hij begon te
duizelen.
»Almachtige God, help mij!" kwam het steunend uit zijn breede borst.
De dichte rook dreigde hem het bewustzijn te ontnemen; hij voelde zijn
krachten verlammen, doch twee sterke handen grepen thans van buiten in
de houten spijlen van het raam, en rukten hen uit hun sponningen.
In het volgende oogenblik hadden die handen baas Jansen en zijn
kostbaren schat gegrepen, en Jansen en zijn vrouw waren gered.
De ijzersterke natuur van den Boer was door de buitenlucht weer
onmiddellijk op haar verhaal, en hij staarde zijn redder in het gelaat.
»Kasper," zeide hij bewogen, »God zal het je loonen, ja, dat zal hij!"
en hij reikte hem de hand.
Nu bracht de Boer zijn vrouw in veiligheid, die spoedig haar bewustzijn
terug had. Hij wierp een blik op de kleeren, die hij bij haar had
gevonden--het waren de kleeren van haar zoon Frits, waarvoor zij haar
leven had gewaagd.
Jansen riep zijn vertrouwden knecht.
»Eliëzer," zeide hij bedaard, »ik denk, dat binnen vijf minuten het
buskruit in het achterhuis vuur zal vatten. Het is wel gedekt met zware
ossenhuiden, doch die huiden zullen niet langer weerstand kunnen
bieden."
»Ik heb er daar straks nog vier ossenhuiden over heen gesjord,"
antwoordde de Kaffer.
»Laat me je handen eens zien," zeide baas Jansen.
Eliëzer liet ze zien--ze waren bedekt met brandwonden.
Zelfs zijn haar was verschroeid.
Toen strekte baas Jansen zijn eigen verschroeide handen omhoog en riep:
»Zoo waarachtig als ik leef, Eliëzer, ik zal dezen nacht en jouw trouw
niet vergeten!"
Nu gaf hij bevel, dat alle man zich van het erf terug zou trekken.
»Als het dak instort," zeide Jansen, »dan gaat het buskruit ook!"
Men verzamelde zich achter in den boomgaard; moeder Jansen rustte op een
snel in gereedheid gebracht bed in een ossenwagen, door haar dochters
opgepast.
Zwijgend gingen eenige minuten voorbij.
Daar stortte het dak van Waterfontein in....
Er volgden twintig seconden van ademlooze spanning, en daar--daar kwam
een slag, alsof de aarde zou barsten en de hemel zou scheuren--tien
duizend vlammende vuurgarven schoten omhoog--de gansche omtrek baadde
zich in een zee van licht--Waterfontein was herschapen in een
vuurfontein--en luid donderend antwoordde de echo der bergen!