HOOFDSTUK IX.

Frits was innig verheugd, dat het verhaal, door de Kaffers opgedischt,

vreeselijk overdreven was, en hij moest om de geschiedenis zelf

hartelijk lachen, doch de »onpartijdige" blik, dien hij aan de familie

Williams had te danken, liet den lach spoedig verstommen. Immers ware de

agent een Afrikaansche Boer geweest, zijn vader zou hem niet door de

ruiten naar buiten hebben geloodst. O neen, een Afrikaansche Boer kon op

Waterfontein geen kwaad doen. 't Is waar, de Engelsche agenten konden

iemand door hun onuitstaanbaar gezanik het bloed uit de teenen halen,

maar een Afrikaansche Boer deed er ook zijn tijd over, als hij op

Waterfontein een klepper ging koopen of een paar struisvogels of een

koppel schapen.

Doch dat hinderde niet. Zoo'n Afrikaansche Boer moest de pijp stoppen,

koffie drinken, mee deelnemen aan het middagmaal, en al bleef hij

veertien dagen, het zou den ouden Jansen niet verdrieten.

Geen gastvrijer huisheer was er te vinden tusschen den Atlantischen en

den Indischen oceaan dan baas Jansen, wel te verstaan als de gast een

Afrikaander was. Bij zoo'n bezoek ontdooide het strak en streng gelaat

van Reinard Jansen, en iets als zonneschijn begon te schemeren op dat

door de zon verbrand gelaat.

Een Engelsche Boer--dat kon er ook nog zoo wat mee door, maar in den

Engelschen koopman zag baas Jansen den spion, den verrader, die het land

ging verkennen voor Engeland. Hij was voor baas Jansen een tollenaar,

een Samaritaan, een heiden, met wien hij geen gemeenschap wilde hebben.

Maar dit standpunt van zijn vader vond Frits partijdig, bekrompen en

onbarmhartig, en terwijl bij den ouden Jansen de evenaar doorsloeg naar

den Transvaalschen kant, sloeg hij bij zijn zoon door naar den

Engelschen kant.

Zoo werd het verschil tusschen Frits Jansen en zijn vader bij den dag

grooter, en zij konden elkander niet meer verstaan. Heftige tooneelen

hadden er plaats, en baas Jansen uitte ernstige bedreigingen, waarnaar

Frits niet luisterde.

Jansen behandelde zijn zoon met klimmend wantrouwen, wat dezen

prikkelde tot ongepaste uitdrukkingen, doch ten slotte werd over de

brandende kwestie niet meer gerept.

Zwijgend gingen vader en zoon elkander voorbij, en spraken met elkander

niet meer dan hoog noodig was met het oog op de boerderij.

Doch daardoor werd de treurige verhouding nog slechter; het verschil

werd een kloof--een afgrond....

Als een ban lag deze wanverhouding op al de huisgenooten. Tante Martje

ging stil haars weegs, zuchtende en biddende, en het meesterke sneed het

door de ziel, dat in de familie, waaraan hij zooveel te danken had, de

demon van den tweedracht zijn intrek had genomen.

Natuurlijk was deze tweedracht geen geheim gebleven voor den omtrek.

Praatzieke kaffermeiden hadden meer dan eens met hun groote ooren tegen

het sleutelgat van de deur staan luisteren, als er hooge woorden vielen,

en in hun babbelzucht het verteld aan wie het hooren wilde.

Zoo werd de familie Williams met den twist bekend, en het kon wel niet

anders, of de Williams' trokken luid en warm partij voor Frits. Doch

daardoor kreeg zijn ontevredenheid voortdurend nieuw voedsel, en de

toestand op Waterfontein werd onhoudbaar.

Nu gebeurde het op zekeren dag, dat Frits naar zijn gewoonte Jack

Williams ging opzoeken, en bij hem, aan den kapstok in den gang, eene

militaire uniform zag hangen.

»Wat is dat?" vraagde Frits.

»Eene militaire uniform der vrijwilligers in Rhodesia," antwoordde Jack.

»Die onder Jameson dienen?"

Jack knikte bevestigend.

Frits bekeek de eenvoudige maar practische kleeding.

»Hoe kom je daaraan Jack?"

»Van mijn neef te Buluwayo," antwoordde de aangesprokene.

Buluwayo was de nieuwe hoofdstad van Rhodesia,[7] door Rhodes gesticht

op de puinhoopen van koning Lobengula's kafferkralen, en telde 4000

inwoners.

[7] Rhodesia is genoemd naar Cecil Rhodes.

»Wat moet je er mee doen?" vraagde Frits, die al maar naar die militaire

uniform keek.

»Wel, mijn neef heeft me een heel rooskleurigen brief geschreven,

noodigt mij uit, om ook een jaartje vrijwilliger te worden en zendt mij

al vast een pak."

Frits bekeek het pak opnieuw.

»Trek het eens aan," zeide Jack.

Frits liet zich dat geen twee keer zeggen. Hij deed het. Het pak stond

hem als aangegoten.

»Neem jij 't voorstel aan van je neef, Jack?"

»Ik denk er ernstig over--ga je mee?"

Als een lichtstraal viel deze vraag in het gemoed van Frits.

»Ja," zei hij kort en bondig; »ik ga mee."

De vrouw van Williams was een verstandige vrouw, en dit gesprek

aanhoorend, zeide zij: »Frits, doe het niet! Het zal je vader

verbitteren!"

»'t Is beter, dat ik ga," zeide Frits na een oogenblik nadenkens.

»Verbitterd is mijn vader toch reeds, en kom ik over een of twee jaren

terug, dan wordt de verhouding van zelf weer gezond."

»Ik weet het niet," zeide vrouw Williams twijfelend en ging weer aan

haar huiselijk werk.

Frits ging nu naar huis; in het gezelschap van Jack.

Tante Martje was bezig aan het kousen stoppen, en het meesterke, dat er

sterker uitzag dan vroeger, trad, daar de namiddagschool juist uit was,

tegelijk met Frits en Jack het woonvertrek binnen.

Van buiten kwam het getrap en gestamp van paardenhoeven en de luide

kreten der Transvaalsche jeugd, die hun paarden bestegen en onder een

groot lawaai naar huis reden.

»Moeder, ik ga naar Rhodesia," zeide Frits zoo kalm mogelijk.

»Frits!" zeide zijn moeder verbaasd en bedroefd, »naar Rhodesia?"

»Nu, wat zou dat?" zeide hij zoo luchthartig mogelijk.

»In dienst van Cecil Rhodes?" vraagde zij in stijgenden angst.

Hij knikte met het hoofd.

»O mijn jongen," smeekte zij, »doe dat niet!"

»En waarom niet?" vraagde hij.

»Omdat het verraad is aan uw eigen vaderland," zeide zij ernstig.

»Daar heb je 't weer," riep hij wrevelig. »Nu kan ik wel zeggen, dat het

geen verraad is, doch wat schieten we daarmee op?"

Het meesterke sloeg het geschiedkundig boek, waarin hij las, dicht, en

richtte zijn zachte weemoedige oogen op Frits.

»Wilt ge ons verlaten?" vraagde hij droevig.

»Ja, meesterke," antwoordde Frits eenigszins scherp; »ik ga voor een

of twee jaren dienst nemen. Daar behoef je nu zoo bedrukt niet voor te

kijken, want met zuchten en huilen, zooals jij doet, kunnen we ook niet

door de wereld komen."

»Over een jaar ben ik misschien al weer terug," zeide hij iets

vriendelijker.

»Als alles goed gaat," liet hij er op volgen.

»Als alles goed gaat," zeide zijn moeder zuchtend.

»Natuurlijk, als de hemel instort, dan zijn we allemaal dood," lachte

Jack.

Doch deze onverschillige lach was nog pijnlijker dan de geprikkelde toon

van den jongen Jansen. Die geprikkelde toon was trouwens te verklaren.

De stem van zijn geweten zeide hem, dat hij een verkeerd pad insloeg, en

dat geweten kreeg bijstand in het stille verwijt, dat er in de woorden

van zijn moeder en van het meesterke lag. Maar dat stille verwijt maakte

hem wrevelig en ontstemd, want hij wilde zijn plan niet opgeven.

»Cecil Rhodes schenkt aan elken vrijwilliger drie duizend morgen land

als zijn wettig eigendom," begon hij opnieuw; »dat moet je niet

uitvlakken."

»Cecil Rhodes is een vijand van ons volk," zeide tante Martje, en door

de woorden der zachte vrouw klonk toorn.

»Dat zegt Vader tenminste," meende Frits, maar zich omkeerende zag hij

zijn vader achter zich staan.

't Was nog geen acht dagen geleden, dat baas Jansen terug was

gekeerd van een reis naar het noorden, waar wij hem ontmoetten op

het familiefeest bij zijn ouden oom Dirk Kloppers. En aan de wijze

raadgevingen van den grijsaard was het wel te danken, dat Jansen de

laatste dagen spraakzamer was geworden. Vooral van daag was hij in een

mildere stemming, en huiswaarts keerend van het veld, had hij na een

ernstig gebed het voornemen opgevat, om zich met zijn kind te verzoenen.

Met deze goede voornemens bezield, trad hij het woonvertrek binnen, en

hoorde het plan van zijn zoon. Doch sneller kan de wreedste hagelslag de

heerlijkste bloesems niet vernietigen, dan hier de bloesems der

verzoening werden vernietigd.

De oude Jansen was zoo bleek geworden als de gekalkte muur.

»Wilt ge naar Cecil Rhodes," zeide hij met schorre stem, »ga dan maar op

staanden voet!"

Reeds hief hij den arm op en wees naar de deur.

»Vader!" riep Frits.

»Noem mij geen vader meer," riep hij vol toorn, »want ik schaam me voor

mijn volk, dat ik zulk een zoon heb verwekt!"

Het meesterke nam zijn boek, ging naar het thans ledige schoollokaal,

knielde bij den ouden lessenaar neer en bad tot God om uitkomst.

»Heb ik dan een moord op mijn geweten?" riep Frits.

»Ja," zeide zijn vader, »een moord--een moord aan je vaderland! Gij zijt

in mijn oog een Engelschman--een verrader!"

»Een verrader?" riep de zoon, »een verrader?"

Hij stond thans recht voor zijn vader, en moeder Jansen heeft later

wel eens aan haar man gezegd, dat zij in dit vreeselijk oogenblik werd

getroffen door de zeldzame overeenkomst tusschen vader en zoon. Zij

hadden beiden de handen tot vuisten gebald van pijn en toorn; diezelfde

onverzettelijkheid en strakheid lag op hun gelaat, die oogen vlamden van

denzelfden toorn, en evenals bij zijn vader werd de blauwe ader aan de

rechterslaap bij Frits zichtbaar.

Er volgde een angstwekkende pauze.

Jack draaide, niet wetende of hij gaan of blijven zou, zijn hoed rond

tusschen zijn handen.

»Wel nu," zeide Jansen plotseling, »wat wilt ge? Hier blijven als een

gehoorzame zoon, en ik zal er niet verder over spreken, of wilt ge gaan?

Ge moet kiezen--kies tusschen mij en Cecil Rhodes!"

Frits scheen te aarzelen; luide sprak zijn geweten. Doch daar viel zijn

oog op Jack, en hij zag een spotlach op die lippen.

Die spotlach besliste.

»Ik ga naar Rhodesia," zeide hij.

»Is dat je laatste woord?" vraagde de oude Jansen.

»Ja," zeide hij met harde stem.

»Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in

het land, dat de Heere, uw God, u geven zal!" zeide tante Martje met

plechtige stem, doch haar woord verwaaide in den storm der hartstochten

als het woord in de wijde wildernis, waar het geen echo vindt.

»Dan er uit," riep Jansen, »en kom niet meer onder mijn oogen!"

Reeds strekte hij de hand uit naar zijn zoon, maar deze wendde zich

haastig om, en terwijl hij luide riep: »Dat geeft een ongeluk!" verliet

hij Waterfontein in hittigheid des toorns.

Jack wilde hem na, doch Reinard Jansen keerde hem op.

»Ik wil je nog even zeggen," zeide hij op gedempten toon, tusschen de

tanden door, »dat ik jouw spotlach wel heb opgemerkt, en het hindert me

vreeselijk, dat Frits meer ontzag heeft voor jouw spot, dan voor mijn

vaderlijk woord. Jij, _jij_ bent zijn ongeluk, zijn Judas--zijn duivel!

Jij hebt mij een kind armer gemaakt--_jij huichelaar_!"

Jack, door deze uitdrukkingen in zijn hoogmoed diep beleedigd,

antwoordde op onbeschoften toon:

»Ik heb met jouw praatjes niks te maken; laat me door!"

»Kijk," zei baas Jansen met snijdenden hoon, »zoo hoor ik je liever dan

met die vriendelijke woordjes, die je toch niet meent. Maar gij zijt

tienmaal slechter dan Frits, ja tien- en twintigmaal slechter, want

_gij_ hebt hem verleid. En jij verdiende met de ossenzweep afgeranseld

te worden, zooals jij je Kaffers afranselt, maar ik zal mijn handen niet

aan je vuil maken. Hier--maak dat je weg komt! En kom nooit meer over

mijn drempel!"

Hij greep Jack bij den schouder, en slingerde hem, onder de oogen van

eenige Kaffers, die in den boomgaard bezig waren met vruchten te plukken

naar buiten.

»Nooit weer over mijn drempel!" riep Jansen nog eens.

»Neen," zeide Jack Williams met een grimmigen vloek, »over dien drempel

zal ik nooit meer komen--dat zweer ik!"

* * * * *

Er zat geen vroolijk gezelschap aan het avondeten.

Tante Martje had roodgekreten oogen, en op het gelaat van baas Jansen

lag een diepe plooi van smart en verontwaardiging.

De twee oudste dochters bedienden zwijgend, nu en dan tersluiks een

bezorgden blik werpend op hun ouders, de tafel, en de kleine Cornelia

vermaakte zich met den grooten Sultan, dien zij nu en dan een stuk brood

in den breeden muil wierp.

Toen het avondeten was geëindigd, zette het meesterke zich aan het

orgel, om zooals gewoonlijk een psalmvers te spelen, doch niemand zong

mee.

De tafel was spoedig afgeruimd. Baas Jansen ging nog even naar buiten,

keek om het huis, of alles in orde was, en schoof den zwaren grendel

voor de huisdeur.

Reeds vroegtijdig ging men ter ruste.

Het was, alsof er een doode was uitgedragen....

De schaduw van Cecil Rhodes viel op Waterfontein....

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 17 / 53 题