Frits was innig verheugd, dat het verhaal, door de Kaffers opgedischt,
vreeselijk overdreven was, en hij moest om de geschiedenis zelf
hartelijk lachen, doch de »onpartijdige" blik, dien hij aan de familie
Williams had te danken, liet den lach spoedig verstommen. Immers ware de
agent een Afrikaansche Boer geweest, zijn vader zou hem niet door de
ruiten naar buiten hebben geloodst. O neen, een Afrikaansche Boer kon op
Waterfontein geen kwaad doen. 't Is waar, de Engelsche agenten konden
iemand door hun onuitstaanbaar gezanik het bloed uit de teenen halen,
maar een Afrikaansche Boer deed er ook zijn tijd over, als hij op
Waterfontein een klepper ging koopen of een paar struisvogels of een
koppel schapen.
Doch dat hinderde niet. Zoo'n Afrikaansche Boer moest de pijp stoppen,
koffie drinken, mee deelnemen aan het middagmaal, en al bleef hij
veertien dagen, het zou den ouden Jansen niet verdrieten.
Geen gastvrijer huisheer was er te vinden tusschen den Atlantischen en
den Indischen oceaan dan baas Jansen, wel te verstaan als de gast een
Afrikaander was. Bij zoo'n bezoek ontdooide het strak en streng gelaat
van Reinard Jansen, en iets als zonneschijn begon te schemeren op dat
door de zon verbrand gelaat.
Een Engelsche Boer--dat kon er ook nog zoo wat mee door, maar in den
Engelschen koopman zag baas Jansen den spion, den verrader, die het land
ging verkennen voor Engeland. Hij was voor baas Jansen een tollenaar,
een Samaritaan, een heiden, met wien hij geen gemeenschap wilde hebben.
Maar dit standpunt van zijn vader vond Frits partijdig, bekrompen en
onbarmhartig, en terwijl bij den ouden Jansen de evenaar doorsloeg naar
den Transvaalschen kant, sloeg hij bij zijn zoon door naar den
Engelschen kant.
Zoo werd het verschil tusschen Frits Jansen en zijn vader bij den dag
grooter, en zij konden elkander niet meer verstaan. Heftige tooneelen
hadden er plaats, en baas Jansen uitte ernstige bedreigingen, waarnaar
Frits niet luisterde.
Jansen behandelde zijn zoon met klimmend wantrouwen, wat dezen
prikkelde tot ongepaste uitdrukkingen, doch ten slotte werd over de
brandende kwestie niet meer gerept.
Zwijgend gingen vader en zoon elkander voorbij, en spraken met elkander
niet meer dan hoog noodig was met het oog op de boerderij.
Doch daardoor werd de treurige verhouding nog slechter; het verschil
werd een kloof--een afgrond....
Als een ban lag deze wanverhouding op al de huisgenooten. Tante Martje
ging stil haars weegs, zuchtende en biddende, en het meesterke sneed het
door de ziel, dat in de familie, waaraan hij zooveel te danken had, de
demon van den tweedracht zijn intrek had genomen.
Natuurlijk was deze tweedracht geen geheim gebleven voor den omtrek.
Praatzieke kaffermeiden hadden meer dan eens met hun groote ooren tegen
het sleutelgat van de deur staan luisteren, als er hooge woorden vielen,
en in hun babbelzucht het verteld aan wie het hooren wilde.
Zoo werd de familie Williams met den twist bekend, en het kon wel niet
anders, of de Williams' trokken luid en warm partij voor Frits. Doch
daardoor kreeg zijn ontevredenheid voortdurend nieuw voedsel, en de
toestand op Waterfontein werd onhoudbaar.
Nu gebeurde het op zekeren dag, dat Frits naar zijn gewoonte Jack
Williams ging opzoeken, en bij hem, aan den kapstok in den gang, eene
militaire uniform zag hangen.
»Wat is dat?" vraagde Frits.
»Eene militaire uniform der vrijwilligers in Rhodesia," antwoordde Jack.
»Die onder Jameson dienen?"
Jack knikte bevestigend.
Frits bekeek de eenvoudige maar practische kleeding.
»Hoe kom je daaraan Jack?"
»Van mijn neef te Buluwayo," antwoordde de aangesprokene.
Buluwayo was de nieuwe hoofdstad van Rhodesia,[7] door Rhodes gesticht
op de puinhoopen van koning Lobengula's kafferkralen, en telde 4000
inwoners.
[7] Rhodesia is genoemd naar Cecil Rhodes.
»Wat moet je er mee doen?" vraagde Frits, die al maar naar die militaire
uniform keek.
»Wel, mijn neef heeft me een heel rooskleurigen brief geschreven,
noodigt mij uit, om ook een jaartje vrijwilliger te worden en zendt mij
al vast een pak."
Frits bekeek het pak opnieuw.
»Trek het eens aan," zeide Jack.
Frits liet zich dat geen twee keer zeggen. Hij deed het. Het pak stond
hem als aangegoten.
»Neem jij 't voorstel aan van je neef, Jack?"
»Ik denk er ernstig over--ga je mee?"
Als een lichtstraal viel deze vraag in het gemoed van Frits.
»Ja," zei hij kort en bondig; »ik ga mee."
De vrouw van Williams was een verstandige vrouw, en dit gesprek
aanhoorend, zeide zij: »Frits, doe het niet! Het zal je vader
verbitteren!"
»'t Is beter, dat ik ga," zeide Frits na een oogenblik nadenkens.
»Verbitterd is mijn vader toch reeds, en kom ik over een of twee jaren
terug, dan wordt de verhouding van zelf weer gezond."
»Ik weet het niet," zeide vrouw Williams twijfelend en ging weer aan
haar huiselijk werk.
Frits ging nu naar huis; in het gezelschap van Jack.
Tante Martje was bezig aan het kousen stoppen, en het meesterke, dat er
sterker uitzag dan vroeger, trad, daar de namiddagschool juist uit was,
tegelijk met Frits en Jack het woonvertrek binnen.
Van buiten kwam het getrap en gestamp van paardenhoeven en de luide
kreten der Transvaalsche jeugd, die hun paarden bestegen en onder een
groot lawaai naar huis reden.
»Moeder, ik ga naar Rhodesia," zeide Frits zoo kalm mogelijk.
»Frits!" zeide zijn moeder verbaasd en bedroefd, »naar Rhodesia?"
»Nu, wat zou dat?" zeide hij zoo luchthartig mogelijk.
»In dienst van Cecil Rhodes?" vraagde zij in stijgenden angst.
Hij knikte met het hoofd.
»O mijn jongen," smeekte zij, »doe dat niet!"
»En waarom niet?" vraagde hij.
»Omdat het verraad is aan uw eigen vaderland," zeide zij ernstig.
»Daar heb je 't weer," riep hij wrevelig. »Nu kan ik wel zeggen, dat het
geen verraad is, doch wat schieten we daarmee op?"
Het meesterke sloeg het geschiedkundig boek, waarin hij las, dicht, en
richtte zijn zachte weemoedige oogen op Frits.
»Wilt ge ons verlaten?" vraagde hij droevig.
»Ja, meesterke," antwoordde Frits eenigszins scherp; »ik ga voor een
of twee jaren dienst nemen. Daar behoef je nu zoo bedrukt niet voor te
kijken, want met zuchten en huilen, zooals jij doet, kunnen we ook niet
door de wereld komen."
»Over een jaar ben ik misschien al weer terug," zeide hij iets
vriendelijker.
»Als alles goed gaat," liet hij er op volgen.
»Als alles goed gaat," zeide zijn moeder zuchtend.
»Natuurlijk, als de hemel instort, dan zijn we allemaal dood," lachte
Jack.
Doch deze onverschillige lach was nog pijnlijker dan de geprikkelde toon
van den jongen Jansen. Die geprikkelde toon was trouwens te verklaren.
De stem van zijn geweten zeide hem, dat hij een verkeerd pad insloeg, en
dat geweten kreeg bijstand in het stille verwijt, dat er in de woorden
van zijn moeder en van het meesterke lag. Maar dat stille verwijt maakte
hem wrevelig en ontstemd, want hij wilde zijn plan niet opgeven.
»Cecil Rhodes schenkt aan elken vrijwilliger drie duizend morgen land
als zijn wettig eigendom," begon hij opnieuw; »dat moet je niet
uitvlakken."
»Cecil Rhodes is een vijand van ons volk," zeide tante Martje, en door
de woorden der zachte vrouw klonk toorn.
»Dat zegt Vader tenminste," meende Frits, maar zich omkeerende zag hij
zijn vader achter zich staan.
't Was nog geen acht dagen geleden, dat baas Jansen terug was
gekeerd van een reis naar het noorden, waar wij hem ontmoetten op
het familiefeest bij zijn ouden oom Dirk Kloppers. En aan de wijze
raadgevingen van den grijsaard was het wel te danken, dat Jansen de
laatste dagen spraakzamer was geworden. Vooral van daag was hij in een
mildere stemming, en huiswaarts keerend van het veld, had hij na een
ernstig gebed het voornemen opgevat, om zich met zijn kind te verzoenen.
Met deze goede voornemens bezield, trad hij het woonvertrek binnen, en
hoorde het plan van zijn zoon. Doch sneller kan de wreedste hagelslag de
heerlijkste bloesems niet vernietigen, dan hier de bloesems der
verzoening werden vernietigd.
De oude Jansen was zoo bleek geworden als de gekalkte muur.
»Wilt ge naar Cecil Rhodes," zeide hij met schorre stem, »ga dan maar op
staanden voet!"
Reeds hief hij den arm op en wees naar de deur.
»Vader!" riep Frits.
»Noem mij geen vader meer," riep hij vol toorn, »want ik schaam me voor
mijn volk, dat ik zulk een zoon heb verwekt!"
Het meesterke nam zijn boek, ging naar het thans ledige schoollokaal,
knielde bij den ouden lessenaar neer en bad tot God om uitkomst.
»Heb ik dan een moord op mijn geweten?" riep Frits.
»Ja," zeide zijn vader, »een moord--een moord aan je vaderland! Gij zijt
in mijn oog een Engelschman--een verrader!"
»Een verrader?" riep de zoon, »een verrader?"
Hij stond thans recht voor zijn vader, en moeder Jansen heeft later
wel eens aan haar man gezegd, dat zij in dit vreeselijk oogenblik werd
getroffen door de zeldzame overeenkomst tusschen vader en zoon. Zij
hadden beiden de handen tot vuisten gebald van pijn en toorn; diezelfde
onverzettelijkheid en strakheid lag op hun gelaat, die oogen vlamden van
denzelfden toorn, en evenals bij zijn vader werd de blauwe ader aan de
rechterslaap bij Frits zichtbaar.
Er volgde een angstwekkende pauze.
Jack draaide, niet wetende of hij gaan of blijven zou, zijn hoed rond
tusschen zijn handen.
»Wel nu," zeide Jansen plotseling, »wat wilt ge? Hier blijven als een
gehoorzame zoon, en ik zal er niet verder over spreken, of wilt ge gaan?
Ge moet kiezen--kies tusschen mij en Cecil Rhodes!"
Frits scheen te aarzelen; luide sprak zijn geweten. Doch daar viel zijn
oog op Jack, en hij zag een spotlach op die lippen.
Die spotlach besliste.
»Ik ga naar Rhodesia," zeide hij.
»Is dat je laatste woord?" vraagde de oude Jansen.
»Ja," zeide hij met harde stem.
»Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in
het land, dat de Heere, uw God, u geven zal!" zeide tante Martje met
plechtige stem, doch haar woord verwaaide in den storm der hartstochten
als het woord in de wijde wildernis, waar het geen echo vindt.
»Dan er uit," riep Jansen, »en kom niet meer onder mijn oogen!"
Reeds strekte hij de hand uit naar zijn zoon, maar deze wendde zich
haastig om, en terwijl hij luide riep: »Dat geeft een ongeluk!" verliet
hij Waterfontein in hittigheid des toorns.
Jack wilde hem na, doch Reinard Jansen keerde hem op.
»Ik wil je nog even zeggen," zeide hij op gedempten toon, tusschen de
tanden door, »dat ik jouw spotlach wel heb opgemerkt, en het hindert me
vreeselijk, dat Frits meer ontzag heeft voor jouw spot, dan voor mijn
vaderlijk woord. Jij, _jij_ bent zijn ongeluk, zijn Judas--zijn duivel!
Jij hebt mij een kind armer gemaakt--_jij huichelaar_!"
Jack, door deze uitdrukkingen in zijn hoogmoed diep beleedigd,
antwoordde op onbeschoften toon:
»Ik heb met jouw praatjes niks te maken; laat me door!"
»Kijk," zei baas Jansen met snijdenden hoon, »zoo hoor ik je liever dan
met die vriendelijke woordjes, die je toch niet meent. Maar gij zijt
tienmaal slechter dan Frits, ja tien- en twintigmaal slechter, want
_gij_ hebt hem verleid. En jij verdiende met de ossenzweep afgeranseld
te worden, zooals jij je Kaffers afranselt, maar ik zal mijn handen niet
aan je vuil maken. Hier--maak dat je weg komt! En kom nooit meer over
mijn drempel!"
Hij greep Jack bij den schouder, en slingerde hem, onder de oogen van
eenige Kaffers, die in den boomgaard bezig waren met vruchten te plukken
naar buiten.
»Nooit weer over mijn drempel!" riep Jansen nog eens.
»Neen," zeide Jack Williams met een grimmigen vloek, »over dien drempel
zal ik nooit meer komen--dat zweer ik!"
* * * * *
Er zat geen vroolijk gezelschap aan het avondeten.
Tante Martje had roodgekreten oogen, en op het gelaat van baas Jansen
lag een diepe plooi van smart en verontwaardiging.
De twee oudste dochters bedienden zwijgend, nu en dan tersluiks een
bezorgden blik werpend op hun ouders, de tafel, en de kleine Cornelia
vermaakte zich met den grooten Sultan, dien zij nu en dan een stuk brood
in den breeden muil wierp.
Toen het avondeten was geëindigd, zette het meesterke zich aan het
orgel, om zooals gewoonlijk een psalmvers te spelen, doch niemand zong
mee.
De tafel was spoedig afgeruimd. Baas Jansen ging nog even naar buiten,
keek om het huis, of alles in orde was, en schoof den zwaren grendel
voor de huisdeur.
Reeds vroegtijdig ging men ter ruste.
Het was, alsof er een doode was uitgedragen....
De schaduw van Cecil Rhodes viel op Waterfontein....