HOOFDSTUK VIII.

Baas Jansen stond in de schaduw, buiten de schuur, den ossenwagen te

repareeren.

Met gespierde hand hanteerde hij den zwaren, ijzeren hamer, en met

krachtige slagen dreef hij den spijker in de loslatende schotten.

Frits kwam juist van Williams, naderde zijn vader en zeide: »Morgen

komt er een koopman, of liever een agent, om uw plaats »Elandsvallei"

te koopen."

»Zoo," zeide zijn vader, den arbeid ijverig voortzettende.

Hij keek niet eens op van zijn arbeid.

»Ge kunt er veel geld voor maken," zeide Frits.

»Van wien weet ge 't?" vraagde Jansen bedachtzaam.

»Meester Williams heeft het mij zoo even verteld," zeide Frits.

Jansen fronste even zijn zware wenkbrauwen.

»Voor wien komt de agent?" vraagde hij plotseling.

»Voor een Engelsche Maatschappij," antwoordde Frits.

De plooi tusschen Jansen's wenkbrauwen werd dieper.

»Nu ja, een Engelsche maatschappij--is dat zoo erg?" vraagde Frits.

»Ik verkoop aan geen Engelschman mijn land," zeide de oude Jansen

kortaf.

Hij wierp den hamer weg en nam de nijptang, om een verbogen draadnagel

uit de plank te halen.

»En waarom aan geen Engelschman?" vraagde Frits.

»Omdat wij Transvaalsche Boeren eigenaren moeten blijven van den grond,"

zeide Jansen met nadruk.

Hij had er den draadnagel uitgetrokken, en nam opnieuw den hamer.

»'t Zou me wat kunnen schelen, als ik goed werd betaald!" riep Frits

luchthartig, doch 't ware beter geweest, zoo hij deze woorden had

ingehouden.

Boer Jansen liet den hamer vallen en wierp een toornigen blik op zijn

zoon.

»Is het zoover met je gekomen," zeide hij langzaam, »dat het je koud

laat, of ons land aan een Transvaalschen Boer of aan den Engelschman

toekomt? Die reis van verleden jaar naar Kaapstad heeft je geen goed

gedaan--waarlijk niet!"

»Zijn de Engelschen dan onze vijanden?" wierp Frits in het midden.

»Zouden dat onze vrienden zijn, die er op loeren, om onze duurgekochte

vrijheid te morgen of te avond te vernietigen?" was de verontwaardigde

wedervraag.

Frits antwoordde niet.

»Die drukke omgang met de familie Williams doet je kwaad; je zuigt er

het Engelsche vergif in."

»We kunnen nog genoeg van de Engelschen leeren," meende Frits.

»Dat geloof ik ook," zeide Jansen met een schamperen lach; »bij

voorbeeld, om door list en bedrog zwakke volken onder de knie te

krijgen!"

»Maar ik waarschuw je," liet hij er dreigend op volgen--»wees op je

hoede!"

En zijn zoon den rug toekeerend, nam hij opnieuw den zwaren ijzeren

hamer.

Ontstemd verwijderde zich Frits.

Neen, het ging niet goed tusschen vader en zoon. Tante Martje, de stille

goeie ziel, had het reeds sedert verleden jaar zien aankomen; het had

haar al tranen en zuchten gekost.

Laat in den namiddag van den volgenden dag, van het veld huiswaarts

keerende, ontmoette Frits drie van zijns vaders Kaffers, bezig, om de

beesten aan een beek te drenken.

»Jonge baas," riep de eerste, de naakte, zwarte armen opgewonden in de

hoogte stekend, »hebt ge reeds gehoord van het verschrikkelijk ongeluk?"

»Wat is er gebeurd?" vraagde Frits onthutst, den teugel van Cesar

inhoudend.

»De ouwe baas heeft een Engelschen koopman in de lucht geslingerd," riep

de Kaffer; »hij heeft hem door de ruiten gesmeten, en 't is zonde, dat

ik het dure woord zeg: het roodbaatje was in eens morsdood."

»Zoo dood als een pier," vulde de tweede Kaffer aan.

»De ouwe baas is ook vreeselijk sterk," zeide de derde Kaffer, met zijn

witte tanden grijnzend.

»Hij slingerde het roodbaatje als een aap door de ruiten, en hij kwakte

als een buffel," hernam de eerste Kaffer, die van beeldspraak hield.

»Het roodbaatje brak den nek," verduidelijkte de tweede Kaffer.

»Ja, 't is een ijselijkheid," zeide de derde opnieuw met zijn witte

tanden grijnzend.

»Van wien weet ge 't?" vraagde Frits, die wel wist, dat de Kaffers van

overdrijving houden.

Nu, zij hadden 't uit een vertrouwbare bron.

Raversbol, die op de kalveren paste, had het van Bonaparte, en Bonaparte

van Zaterdag, en Zaterdag van Spoelkom, en Spoelkom had het uit den

eigen mond van Kil de kaffermeid.

Kil was bezig geweest aan het uitwieden van den bloementuin, toen

plotseling de Engelschman, die zij een uur geleden door de voordeur naar

binnen had zien gaan, door de ruiten naar buiten vloog. In 't eerst had

zij nog gedacht aan een nieuwe Engelsche uitvinding, omdat de Engelschen

zoo glad zijn in 't uitvinden, maar toen hij bleef liggen, begreep zij,

dat er wat anders achter stak dan een Engelsche uitvinding, en zij had

bijna een beroerte gekregen van schrik, toen zij merkte, dat hij daar

lag met gebroken nek en morsdood.

Frits gaf zijn paard de sporen en snelde naar huis.

In de voordeur stond zijn vader.

Hij rookte bedaard zijn pijp, en staarde naar de avondwolken, die als

reusachtige vogels met uitgespreide vleugels langzaam voorbij dreven aan

het hooge firmament.

»Vader, wat is er gebeurd?" vraagde Frits vol spanning; »wat is er

gebeurd met dien Engelschen agent?"

* * * * *

Wat was er gebeurd?

Heden voormiddag was een deftig mijnheer, gekleed naar den nieuwsten

smaak, met een pakje onder den arm, een rotting in de hand en een gouden

lorgnet op den neus, op »Waterfontein" gekomen.

Baas Jansen was juist bij de knechten geweest, die bezig waren eenige

ossenhuiden te looien, en zat thans de jas uit, in zijn hemdsmouwen heel

gemoedelijk zijn pijpje te rooken in de voorkamer.

Door het raam had hij over den bloementuin heen een vrij gezicht op zijn

landerijen, en hij genoot bij het gezicht van den rijken oogst, die zijn

velden beloofden.

Daar werd aan de deur geklopt.

We weten, dat het temperament en het karakter van den mensch een neiging

heeft, om zich in al zijn handelingen te weerspiegelen.

De driftige klopt forsch, haastig, brutaal.

Hij schijnt te willen zeggen: »Doe je gauw open of moet ik de deur

intrappen?"

De tik van den schuchtere klinkt bescheiden, aarzelend, vreesachtig--mag

ik of mag ik niet?

Komt u iemand om een aalmoes vragen, dan hoort ge 't reeds aan dat

vragend, klagend, smeekend kloppen, en een vertoornde, die je een

standje wil schoppen, bonst tegen de deur.

Een predikant tikt weer anders dan een schoenmaker, en een horlogemaker

doet het voorzichtiger dan een smid.

Den man van zaken kunt ge onmiddellijk herkennen aan zijn kloppen--één,

twee drie; den eersten keer zacht, den tweeden keer wat sterker, den

derden keer beslist en krachtig.

Reeds in zijn kloppen wil hij zeggen: »Ik kom over geen beuzelingen

praten; ik wil spijkers met koppen slaan."

Zóó was dan ook het getik van onzen Engelschen agent: één--twee--drie!

»In!" riep de boer met forsche stem.

»Mijnheer Jansen, als ik vragen mag?" zeide de reiziger met een diepe

buiging.

De stoere Boer knikte zonder op te staan met den stevigen kop, en het

stompje pijp, dat hij in zijn hand had, wees naar een stoel.

Dat stompje pijp scheen te willen zeggen: »Jij kunt gaan zitten, als je

wilt, maar je kunt ook blijven staan voor mijn part."

De gewikste reiziger koos het eerste, nam een stoel en zette zich in de

nabijheid van den Boer, die hem met schuine blikken opnam.

Hij trok doodbedaard de witte handschoenen van zijn blanke handen, en

deelde in welgekozen woorden het doel en streven mee der

landbouw-maatschappij voor welke hij thans werkte.

Nu, dat doel was even practisch als schoon. De maatschappij wilde aan

hare aandeelhouders een veilige geldbelegging met billijke rente

verzekeren, en tevens de belangen van arme Transvaalsche Boeren

behartigen, door aan hen tegen zeer matige huur landerijen af te staan,

die de Maatschappij van plan was in de Transvaal te koopen.

»'t Is een bescheidene maar ernstige poging," zeide de welbespraakte,

»om de sociale kwestie uit de wereld te krijgen," en hij draaide

zelfbewust de punten op van zijn bruinen knevel.

Doch het doel _was_ niet zoo mooi, als de agent--_de agent van Cecil

Rhodes_--den eenvoudigen Boer zat voor te liegen.

Deze Engelsche christelijk-philantropische landbouw-maatschappij

was maar een schepping van Cecil Rhodes' ondernemingsgeest, en de

op te koopen landerijen werden uitsluitend gezocht in de nabijheid

van den weg, die van het Engelsche fort Mafeking (op de Transvaalsche

grenzen) naar Johannesburg liep. Immers op deze landerijen konden

pleisterplaatsen en voorraadschuren worden opgericht voor Rhodes'

ruiterij, als zij bij een inval in het Transvaalsche grondgebied zich in

verbinding trachtte te stellen met Johannesburg, waar de brandstoffen

voor een revolutie reeds voorzichtig en behoedzaam werden

bijeenvergaderd.

Van de _ware_ bedoeling der Engelsche Maatschappij wist Jansen

intusschen niets af, maar zijn gezond boerenverstand zeide hem toch, dat

de mooie voorspiegelingen van den gladden prater daar voor hem, zeker,

niet waar konden zijn.

Hij liet dus den welbespraakte uitpraten, sloeg het rechterbeen over het

linker, en zeide: »Ik heb er geen zin in, om Elandsvallei te verkoopen;

ik verkoop je geen land."

»Wil u mij geen land verkoopen?" riep de welbespraakte op den toon der

hoogste verbazing. »Maar mijnheer Jansen, is het mogelijk, dat u op die

manier uw eigen geluk met voeten wilt schoppen? Mijnheer Jansen, ik reis

voor een Maatschappij, die, waar het een soliede geldbelegging geldt,

met een zeer matige rente tevreden is, en op geen vijftig pond kijkt.

Wel mijnheer, bedenk toch eens! vraag geld--weet u niet, hoeveel u

vragen zult? Ik zal het u gemakkelijk maken--zie daar, ik bied u drie

honderd souvereinen[6]! Schudt u van neen?--wel nu, men zegt niet

onmiddellijk zijn laatste woord--dat zal u ook niet doen, als u een

paard koopt. Ik bied u nog twintig pond er boven. Heeft u me goed

begrepen, mijnheer Jansen? Ik bied u drie honderd twintig zegge drie

honderd twintig blanke gouden souvereins. Geen mensch, die 't er u voor

bieden zal--geen sterveling! Want lieve schepsel, wat is Elandsvallei?

Een stuk woestijn--de ware Sahara!"

[6] Een souverein of een pond = f 12.

De welbespraakte staakte zijn rede een oogenblik, wierp een

onderzoekenden blik op het breede gelaat daar voor hem, en sloeg met de

witte handschoenen naar de vliegen, die hem plaagden.

Doch dat gelaat bleef onbewegelijk, en terwijl baas Jansen machtige

rookwolken blies uit zijn korte pijp, rustten zijn grijze oogen met

klimmenden achterdocht op den welbespraakte.

»Een stuk woestijn is het--de ware Sahara!" herhaalde de agent van Cecil

Rhodes met den gloed der overtuiging--»mij den hals af, als het meer

waard is dan twee honderd vijftig pond!"

Hij nam het gouden lorgnet van den neus, veegde het af met zijn

handschoenen en zette het met een gracieuse beweging op nieuw op den

neus.

»Dan ben je een zot, om meer te bieden dan het waard is," zeide baas

Jansen droogjes.

»Er zit muziek in, mijnheer Jansen, muziek!" antwoordde de

welbespraakte.

»Ik begin het ook te gelooven," meende Jansen, terwijl hij de

uitgerookte pijp naast zich neerlegde op de vensterbank.

»Ja, maar in een anderen zin dan u waarschijnlijk bedoelt, mijnheer

Jansen," ging de ijverige reiziger voort. »Ik bied namelijk--op mijn

eigen risico--honderd twintig pond meer dan ik besteden mag. Maar het

geldt een weddenschap, mijnheer Jansen, een weddenschap!"

»Zóó," zeide Jansen koeltjes.

»Ik heb namelijk een weddenschap van tweehonderd pond aangegaan, dat

ik »Elandsvallei" zou koopen, terwijl mijn tegenstander, met wien ik de

weddenschap aanging, verzekerde, dat u »Elandsvallei" niet zou willen

verkoopen. Wanneer ik u honderd twintig pond boven den prijs bied, dien

ik mag besteden, dan steek ik met de weddenschap toch nog tachtig pond

in mijn zak, en onze belangen gaan dus dezen keer samen. Gelooft u mij

niet, mijnheer Jansen? Kijk mij eens flink in de oogen--zie ik er uit

als een bedrieger?"

Inderdaad kon een pas geboren kind er niet onschuldiger uitzien dan

deze handige agent, doch boer Jansen zeide op ruwen toon: »Zulke lompe

leugens moet je een ander vertellen, maar niet aan Reinard Jansen."

»Je denkt misschien, dat je met een kind bezig bent?" ging hij voort,

terwijl zijn grijze oogen onheilspellend begonnen te flikkeren.

De welbespraakte, wiens welsprekendheid en brutaliteit grooter waren dan

zijn menschenkennis, had toch zooveel begrip, dat hij de weddenschap

verder wijselijk liet rusten.

»Mijnheer Jansen," zeide hij, »vraag dan eens geld!"

»Ik vraag niets," antwoordde de boer.

Zijn geduld raakte uitgeput.

»Vraag driehonderd vijftig pond!" zeide de welbespraakte.

»Ik vraag niets!" herhaalde Jansen met klem.

»Nu, dan bied ik het u!" riep de onverschrokken man plotseling,

oprijzende van zijn stoel, met vervaarlijke stem. »Drie honderd vijftig

pond bied ik--sla in, mijnheer Jansen, sla in!"

Hij deed een poging, om de groote, ruwe hand van den landeigenaar te

grijpen, maar deze poging mislukte hem volkomen.

»Ben je nu uitgepraat?" vraagde Jansen koeltjes.

»Nog niet," zeide de welbespraakte, en hij ging waarlijk weer zitten.

Hij haalde een sierlijken sigarenkoker uit zijn zak.

»Een sigaar aansteken?" vraagde hij minzaam; »echte Havanna?"

Jansen maakte een afwerende beweging.

»Ik vraag je, of je nu uitgepraat zijt?" zeide hij toornig.

»Als de koop gesloten is--ja," zeide de agent met bewonderenswaardige

volharding; »heb ik »Elandsvallei"--ja of neen?"

Jansen zeide geen woord, en de welbespraakte ging voort:

»U krijgt vijftig souvereins als handgeld tegen de onderteekening van

een klein koopcontractje."

Hij haalde een handvol goudstukken voor den dag, en begon ze neer te

tellen op de eikenhouten tafel.

Maar de stoere Boer sloeg thans met zijn harde vuist op de tafel, dat de

prachtige goudstukken rammelden, en barstte los: »Ik bewonder mijn eigen

geduld, dat ik jou, sinjeur, nog niet de deur heb uitgesmeten."

»Steek dien rommel op--daar is de deur," riep hij met een gebiedend

gebaar.

De Engelsche agent was wel genoodzaakt, om het geld weer op te steken,

maar hij dacht nog niet aan heengaan.

Was hij vroeger in kwaliteit van wijnreiziger op den wenk van een

lastigen, ouden heer door diens bediende niet twee keeren al de trappen

afgegooid, en had hij er later toch nog geen zaken gedaan? Had men hem

in de dagen, toen hij sigarenhandelaar was, niet eens de voordeur voor

den neus op het nachtslot geworpen, en was hij niet door de achterdeur

weer binnengeslopen, en tot zaken gekomen? En zou hij 't nu tegen zoo'n

Boer moeten afleggen, tegen zoo'n ongelikten beer?

»Mijnheer Jansen," zeide hij met waardigheid, »maak u niet driftig.

Laten wij als verstandige menschen met elkaar praten. Ik bied u

driehonderd vijftig souvereins, zegge drie honderd vijftig, al is het

schandelijk veel. Denkt ge, dat er misschien een goud- of koperader door

Elandsvallei loopt? Wel nu, we zullen in het koopcontract de bepaling

inlasschen, dat alle mogelijke ertsen in den bodem uw eigendom

blijven--wat wilt u nog meer?"

»Er uit!" bulderde Jansen.

De welbespraakte stond op, nam zijn grijzen cylinderhoed van de tafel,

draalde een oogenblik, en--ging weer zitten.

»Ik zal dien brombeer nog wel klein krijgen," dacht hij in zijn

buitensporig zelfvertrouwen, maar het was een vreeselijke vergissing.

Jansen stond op, ging naar de deur, draaide ze op slot en stak den

sleutel in zijn wijden broekzak.

[Illustratie: Reinard Jansen en de Engelsche reiziger.]

De blauwe ader aan zijn rechterslaap zette op, en slechts met moeite

bewaarde hij zijn zelfbeheersching.

Hij zette de handen in de zijden en zeide: »Roodbaatje, ik heb je

verzocht de deur uit te gaan, maar je wildet niet, nu moet je dièn kant

uit."

»Welken kant?" riep de welbespraakte, in groote verbazing.

»Dièn kant!" zeide de Boer, in een bepaalde richting wijzend.

»Door dat raam?" vraagde de agent twijfelend, maar hij schepte moed en

dacht aan een grap.

»'t Is altijd nog beter dan door den schoorsteen," zeide hij en lachte.

»Ik denk het ook," zei Jansen--»vooruit!"

Nu keek de welbespraakte den Boer weer aan door zijn gouden lorgnet--zou

het toch meenens zijn? Of leed de Boer aan vlagen van tijdelijken

waanzin?

»Nu, ga je of moet ik je een handje helpen?" zeide Jansen.

»Help me maar een handje," zeide de agent van Cecil Rhodes, die voor den

eersten keer van zijn leven de kluts totaal kwijt was, en niet meer wist

wat hij zeide.

Daar had je 't!

De gespierde Boer greep met zijn armen van staal den welbespraakte,

en slingerde hem--de beenen vooruit--met een bewonderenswaardige

vaardigheid door de rinkelende, kletterende glasruiten den tuin in.

Langs denzelfden weg volgde het pakje, de rotting en de cylinderhoed.

»Die komt vooreerst niet terug!" meende de Boer.

Neen, dat zou waar zijn!

De reiziger werkte zich omhoog, zocht het gouden lorgnet op, dat hem van

den neus was gevlogen, nam zijn verdere bezittingen tot zich, en holde

met lange stappen, zonder om te kijken, het erf af.

Doch toen hij aan het houten hek, aan het einde der oprijlaan, was

gekomen, keek hij nog eenmaal om en brulde: »Stikken kan hij voor mijn

part--hij kan stikken, de rekel!"

En met deze even onbetamelijke als onchristelijke uitdrukking verliet

hij Waterfontein, om er nooit terug te komen.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 16 / 53 题