De boerderij van Henry Williams lag slechts een half uur van
Waterfontein verwijderd.
Williams was in de Kaapkolonie uit Engelsche ouders geboren, en had
eenige jaren geleden, om zijne maatschappelijke positie te verbeteren,
deze boerderij gekocht, die even als Waterfontein drie duizend morgen
groot was.
Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat de staatkundige ideeën van
Williams en van Jansen ver uiteen liepen, doch overigens was Williams
een rechtschapen man en een goede buur. Waar Jansen en Williams elkander
konden bijstaan, daar deden zij 't. Viel een paard van Williams in den
sloot, dan haalde Jansen, was hij in de nabijheid, het er uit, en bleef
Jansen's ossenwagen in een der driften[5] steken, dan was Williams
steeds gereed, om met tien span ossen dien wagen op den oever te
trekken.
[5] Ondiepe overgangen of veeren der rivier.
Frits Jansen en Jack Williams, een van Henry Williams' zonen, waren
kameraden.
Had Frits dien Jack nooit ontmoet, dan zou hij zich en zijn ouders
waarschijnlijk veel bitter harteleed hebben bespaard, doch zulke dingen
ziet men gewoonlijk eerst van achteren. Trouwens oppervlakkig bekeken,
pasten zij wel bij elkander. Ze waren van denzelfden leeftijd, gezond,
gespierd, en beiden voortreffelijke scherpschutters en uitstekende
ruiters.
Ook bij een andere vluchtige kennismaking viel die Jack nog niet tegen.
Hij had iets innemends, plooibaars, vleiënds over zich; hij wist zich te
schikken naar de omstandigheden. Frits was ronder, meer open, doch
beliep daardoor juist de kans, om bij een eerste kennismaking minder
aangenaam te zijn.
Zoo kreeg het wel den schijn, alsof Jack meer gevoel, meer
ridderlijkheid bezat dan Frits, en toch was niets minder waar dan dat.
Onder dat schoone masker was wreedheid verborgen en valschheid. Reeds
als jongen had hij er behagen in geschept om kleine dieren te plagen,
en de Kaffers kon hij met de lange, buffelleeren zweep slaan, dat de
bloedige striemen duidelijk zichtbaar werden op hun naakte ruggen.
Een beleediging vergat hij nooit, en hij had een wraakzuchtig karakter.
Ook was hij eerzuchtig. Hij kon het eigenlijk moeielijk verkroppen, als
Frits bij een schietwedstrijd met den hoogsten prijs ging strijken, en
hij beet zich van jaloerschheid het bloed uit de lippen, toen het hem
bleek, dat de hengst van Frits sneller kon loopen dan zijn rijpaard.
Doch zulke gewaarwordingen liet hij zoo min mogelijk uit; zijn bedekte
natuur schuwde de openbaarheid. Evenmin kende men zijn staatkundige
gevoelens. Zijn vader en zijn broers staken het onder geen stoelen of
banken, dat de Engelsche taal verdiende de wereldtaal te worden, en
dat nergens welvaart kon gedijen, waar de roode Engelsche vlag niet
wapperde. Jack was het daar zeer zeker mede eens, doch hij liet het
niet merken; daarvoor was hij te voorzichtig. Frits had er geen flauw
besef van, met welk een verachting Jack eigentlijk neerzag op die
»domme" Transvaalsche Boeren in hun pilowsche broeken, en juist daarom
was hij niet op zijn hoede. Hij hield van Jack; hij bewonderde zijn
»vriendelijk" karakter, en zou voor hem door het vuur zijn gegaan.
Het ontbrak Frits Jansen nog aan ervaring en menschenkennis, en niets
deed hij liever dan met Jack dagenlang over de jachtvelden te zwerven,
achter den buffel en den vluggen reebok, en het was een lust, die twee
ruiters over de golvende grasvlakte te zien heensuizen, snel als de wind
der prairiën.
Want al kon de bruine van Jack het paard van Frits niet bijhouden, het
was toch een uitstekende renner, een edel, prachtig dier.
Maar welk paard kon het ook uithouden tegen den koolzwarten hengst van
Frits!
Als veulen had Reinard Jansen het dier voor zwaar geld gekocht, en het
aan Frits op zijn verjaardag gegeven. En Frits had het veulen met
teedere zorg opgekweekt, en zoo veel hield hij van het paard, dat hij
niet slapen kon, als het dier iets mankeerde. Hij had het Cesar genoemd,
en het allerlei vaardigheden geleerd. Maar hij was voor zijne zorg ook
beloond geworden, want het dier hing aan zijn jongen meester met de
trouw van een waakhond.
Cesar kende zijn meester aan den klank van zijn stem, aan den stap van
zijn voet, en kwam Frits in den stal, dan spitste hij zijn ooren, en
legde Frits den arm om zijn hals, dan schuurde het edele dier den ruigen
kop tegen zijn borst, sloeg de slanke voorpooten uit en hinnikte.
Neen, zijns gelijke was niet te vinden, op honderd mijlen afstands niet.
* * * * *
Intusschen trok Frits zich het diep ingrijpend staatkundig verschil,
dat tusschen de familie Jansen en de familie Williams bestond, niet
bijzonder aan. Integendeel nam dat verschil in zijn oog al geringer
afmetingen aan, ja hij waande de kloof reeds overbrugd. Hij begon te
lachen om dat verschil; hij begon het te beschouwen voor een even dwaas
als nietig misverstand. Door den omgang met de familie Williams dronk
hij de staatkundige lucht der Kaapkolonie in, en ademde den wierook, die
opsteeg voor den grooten Napoleon van Kaapstad--Cecil Rhodes.
In deze gevoelens was Frits Jansen slechts versterkt geworden, sinds hij
verleden jaar met Jack Williams een reis had gemaakt naar de Kaapstad.
Hij had bij die gelegenheid met Jack ook den eersten minister der
Kaapkolonie bezocht op diens buitenplaats »de groote Schuur", vroeger de
woning van den gouverneur van der Stelt, toen de Kaapkolonie nog bij
Nederland behoorde.
Met die betooverende hartelijkheid, die hij ten toon kon spreiden,
had Cecil Rhodes de jonge Boeren ontvangen, had hun zijn kostbaar
Zuid-Afrikaansch Museum laten zien, en bij het vertrek had hij Frits
vertrouwelijk op den schouder geklopt en tot hem gezegd: »Niet waar,
neef? Wij blanken hebben wel iets beters te doen dan ons onderling te
verteeren in een onvruchtbare rassenstrijd?"
»Dat is een man!" had Frits Jansen bewonderend uitgeroepen tot Jack,
toen zij de »Groote Schuur" achter den rug hadden.
Het woord klonk hem nog van daag in de ooren!
Waarvoor die haat, die onvruchtbare rassenstrijd?
Hadden de blanken niet iets beters te doen?
Wis en zeker!