HOOFDSTUK VII.

De boerderij van Henry Williams lag slechts een half uur van

Waterfontein verwijderd.

Williams was in de Kaapkolonie uit Engelsche ouders geboren, en had

eenige jaren geleden, om zijne maatschappelijke positie te verbeteren,

deze boerderij gekocht, die even als Waterfontein drie duizend morgen

groot was.

Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat de staatkundige ideeën van

Williams en van Jansen ver uiteen liepen, doch overigens was Williams

een rechtschapen man en een goede buur. Waar Jansen en Williams elkander

konden bijstaan, daar deden zij 't. Viel een paard van Williams in den

sloot, dan haalde Jansen, was hij in de nabijheid, het er uit, en bleef

Jansen's ossenwagen in een der driften[5] steken, dan was Williams

steeds gereed, om met tien span ossen dien wagen op den oever te

trekken.

[5] Ondiepe overgangen of veeren der rivier.

Frits Jansen en Jack Williams, een van Henry Williams' zonen, waren

kameraden.

Had Frits dien Jack nooit ontmoet, dan zou hij zich en zijn ouders

waarschijnlijk veel bitter harteleed hebben bespaard, doch zulke dingen

ziet men gewoonlijk eerst van achteren. Trouwens oppervlakkig bekeken,

pasten zij wel bij elkander. Ze waren van denzelfden leeftijd, gezond,

gespierd, en beiden voortreffelijke scherpschutters en uitstekende

ruiters.

Ook bij een andere vluchtige kennismaking viel die Jack nog niet tegen.

Hij had iets innemends, plooibaars, vleiënds over zich; hij wist zich te

schikken naar de omstandigheden. Frits was ronder, meer open, doch

beliep daardoor juist de kans, om bij een eerste kennismaking minder

aangenaam te zijn.

Zoo kreeg het wel den schijn, alsof Jack meer gevoel, meer

ridderlijkheid bezat dan Frits, en toch was niets minder waar dan dat.

Onder dat schoone masker was wreedheid verborgen en valschheid. Reeds

als jongen had hij er behagen in geschept om kleine dieren te plagen,

en de Kaffers kon hij met de lange, buffelleeren zweep slaan, dat de

bloedige striemen duidelijk zichtbaar werden op hun naakte ruggen.

Een beleediging vergat hij nooit, en hij had een wraakzuchtig karakter.

Ook was hij eerzuchtig. Hij kon het eigenlijk moeielijk verkroppen, als

Frits bij een schietwedstrijd met den hoogsten prijs ging strijken, en

hij beet zich van jaloerschheid het bloed uit de lippen, toen het hem

bleek, dat de hengst van Frits sneller kon loopen dan zijn rijpaard.

Doch zulke gewaarwordingen liet hij zoo min mogelijk uit; zijn bedekte

natuur schuwde de openbaarheid. Evenmin kende men zijn staatkundige

gevoelens. Zijn vader en zijn broers staken het onder geen stoelen of

banken, dat de Engelsche taal verdiende de wereldtaal te worden, en

dat nergens welvaart kon gedijen, waar de roode Engelsche vlag niet

wapperde. Jack was het daar zeer zeker mede eens, doch hij liet het

niet merken; daarvoor was hij te voorzichtig. Frits had er geen flauw

besef van, met welk een verachting Jack eigentlijk neerzag op die

»domme" Transvaalsche Boeren in hun pilowsche broeken, en juist daarom

was hij niet op zijn hoede. Hij hield van Jack; hij bewonderde zijn

»vriendelijk" karakter, en zou voor hem door het vuur zijn gegaan.

Het ontbrak Frits Jansen nog aan ervaring en menschenkennis, en niets

deed hij liever dan met Jack dagenlang over de jachtvelden te zwerven,

achter den buffel en den vluggen reebok, en het was een lust, die twee

ruiters over de golvende grasvlakte te zien heensuizen, snel als de wind

der prairiën.

Want al kon de bruine van Jack het paard van Frits niet bijhouden, het

was toch een uitstekende renner, een edel, prachtig dier.

Maar welk paard kon het ook uithouden tegen den koolzwarten hengst van

Frits!

Als veulen had Reinard Jansen het dier voor zwaar geld gekocht, en het

aan Frits op zijn verjaardag gegeven. En Frits had het veulen met

teedere zorg opgekweekt, en zoo veel hield hij van het paard, dat hij

niet slapen kon, als het dier iets mankeerde. Hij had het Cesar genoemd,

en het allerlei vaardigheden geleerd. Maar hij was voor zijne zorg ook

beloond geworden, want het dier hing aan zijn jongen meester met de

trouw van een waakhond.

Cesar kende zijn meester aan den klank van zijn stem, aan den stap van

zijn voet, en kwam Frits in den stal, dan spitste hij zijn ooren, en

legde Frits den arm om zijn hals, dan schuurde het edele dier den ruigen

kop tegen zijn borst, sloeg de slanke voorpooten uit en hinnikte.

Neen, zijns gelijke was niet te vinden, op honderd mijlen afstands niet.

* * * * *

Intusschen trok Frits zich het diep ingrijpend staatkundig verschil,

dat tusschen de familie Jansen en de familie Williams bestond, niet

bijzonder aan. Integendeel nam dat verschil in zijn oog al geringer

afmetingen aan, ja hij waande de kloof reeds overbrugd. Hij begon te

lachen om dat verschil; hij begon het te beschouwen voor een even dwaas

als nietig misverstand. Door den omgang met de familie Williams dronk

hij de staatkundige lucht der Kaapkolonie in, en ademde den wierook, die

opsteeg voor den grooten Napoleon van Kaapstad--Cecil Rhodes.

In deze gevoelens was Frits Jansen slechts versterkt geworden, sinds hij

verleden jaar met Jack Williams een reis had gemaakt naar de Kaapstad.

Hij had bij die gelegenheid met Jack ook den eersten minister der

Kaapkolonie bezocht op diens buitenplaats »de groote Schuur", vroeger de

woning van den gouverneur van der Stelt, toen de Kaapkolonie nog bij

Nederland behoorde.

Met die betooverende hartelijkheid, die hij ten toon kon spreiden,

had Cecil Rhodes de jonge Boeren ontvangen, had hun zijn kostbaar

Zuid-Afrikaansch Museum laten zien, en bij het vertrek had hij Frits

vertrouwelijk op den schouder geklopt en tot hem gezegd: »Niet waar,

neef? Wij blanken hebben wel iets beters te doen dan ons onderling te

verteeren in een onvruchtbare rassenstrijd?"

»Dat is een man!" had Frits Jansen bewonderend uitgeroepen tot Jack,

toen zij de »Groote Schuur" achter den rug hadden.

Het woord klonk hem nog van daag in de ooren!

Waarvoor die haat, die onvruchtbare rassenstrijd?

Hadden de blanken niet iets beters te doen?

Wis en zeker!

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 15 / 53 题