In het zuiden des lands ligt »Waterfontein", de hoeve van Reinard
Jansen.
Jansen heeft acht kinderen; vijf zonen en drie dochters. Drie zijner
zonen zijn reeds gehuwd, terwijl een vierde samenboert met een gehuwden
zoon. Er zijn dus nog vier kinderen thuis: een zoon met drie dochters.
Frits is de oudste der nog tehuis zijnde kinderen, en telt thans
negentien jaar. De drie dochters zijn jonger.
De vrouw van Jansen is ongeveer 45 jaar: eene godvreezende vrouw, die
stil haar weg bewandelt.
Behalve de familie Jansen telt het huisgezin nog een onderwijzer.
Men noemt hem in de wandeling gewoonlijk het meesterke: zijn herkomst is
onbekend.
Op zekeren avond laat huiswaarts keerende, hoorde Reinard Jansen,
bij een tweesprong gekomen, een geschrei. Hij meende, dat het geluid
afkomstig was van het één of ander roofdier, en wilde doorrijden. Doch
een sterker schreien deed hem twijfelen; hij wendde het paard en steeg
af. Bij het heldere maanlicht was de omtrek goed te onderscheiden en
onder een doornstruik vond hij een klein, kermend wicht, in armoedige
doeken gewonden.
Jansen was in den omgang een strak en streng man, van wien men niet
veel meewarigheid zou verwachten, doch achter de ruwe schors klopte een
_hart_. Hij nam het schreiende wicht voorzichtig op, plaatste het voor
zich op het zaâl en reed snel naar huis.
Het kindje werd door moeder Jansen met liefderijke zorg opgenomen, en
daar niemand anders vraagde naar den armen vondeling, bleef hij op
»Waterfontein."
Het was een zwak, teer wurmpje, die vondeling. Hij groeide heel
langzaam, bleef zwak en tenger, en vormde een heele tegenstelling met
Jansen's forsch opgeschoten, van gezondheid blozende kinderen.
Hij was een achterblijver, en de jongens keken hem aan met een mengeling
van medelijden en verachting.
Nu had hij een teergevoelig hart ontvangen, en reeds als kind dronk
hij uit den beker van het lijden. Zwak en ziekelijk als hij was, kon
hij niet tegen de andere jongens op, en aan hun spelen kon hij niet
deelnemen, want hij was kortademig en licht vermoeid.
Daarbij kwam een nieuwe ziekte, waaruit hij wel genas, maar om voor
altijd een stijf been te houden. Bittere tranen werden door het kleine
ventje geschreid, want nu was de kloof tusschen hem en zijn makkers naar
zijn meening niet meer te overbruggen.
Tevens werd de sluier, die over zijn verleden hing, voor hem allengs
in zoover weggetrokken, dat zijn door het lijden vroeg gerijpte geest
het begon te verstaan, wat het zeggen wil, als een vondeling en een
verschoppeling in de wereld te komen.
Doch bij moeder Jansen vond het gewonde kinderhart steeds rust en
schuiling. Meer dan eens, als hij snikkend bij haar zijn toevlucht
zocht, troostte zij: »Mijn jongen, al hebben uw vader en uw moeder u
verlaten, de Heere zal u niet verlaten." En dan kuste zij hem op het
voorhoofd, en zeide tot hem, zoover als zijn kinderlijk begrip het
vatten kon, dat God hem misschien later zou willen gebruiken, om vele
tranen te droogen, daar hij zoovele tranen moest storten. En daarop gaf
zij hem dan gewoonlijk den bijbel, waaruit hij voor haar het een of
ander treffend hoofdstuk moest voorlezen.
Nu lezen, dat kon hij. Trouwens in 't leeren muntte hij uit. Dat was
zijn gebied, zijn domein; daar versloeg het fijne, teêre ventje al zijn
makkers.
»'t Is een mirakel, zooals het ventje leeren kan!" zeide Jansen meer dan
eens; »hoe krijgt hij 't in zijn hersens!"
»Ik denk, dat bij onze jongens de hersenpan te dik is," meende een
buurman; »de geleerdheid kan er niet door."
Intusschen was Franske (zoo noemde men het ventje, want hij moest toch
een naam hebben) zestien jaar geworden, en baas Jansen verklaarde, dat
hij onderwijzer moest worden, omdat hij zoo ijselijk knap was. En
Franske had er niet op tegen, want leeren, onderzoeken, studeeren was
zijn lust en zijn leven.
Op zekeren dag nu nam Jansen Franske mee naar de stad, kocht in den
voornaamsten boekhandel de boeken, die de aanstaande onderwijzer
verklaarde noodig te hebben, om zich zelve verder te ontwikkelen, en
zeide, toen zij weer thuis kwamen: »Zie zoo, Neefje, nu begin je
aanstaanden Maandag school te houden!"
Er was in den omtrek, waar »Waterfontein" lag, inderdaad een groote
behoefte aan een onderwijzer, en het was van baas Jansen nog zoo'n domme
zet niet, om den armen vondeling schoolmeester te maken.
De vorige onderwijzer, een gewezen kleermaker, die bij gebrek aan
werk zijn scheepke bijtijds bij baas Jansen de veilige haven had
binnengeloodst, was reeds sedert een jaar vertrokken. De stilte en de
eentonigheid van het Afrikaansche veld was den onrustigen kleermaker
namelijk onverdragelijk geworden, en op een goeien dag was hij met een
voorbij trekkenden ossenwagen meegegaan naar Johannesburg, om in de
goudmijnen zijn »geluk" te beproeven.
Nu, er was aan dien kleermaker-onderwijzer niet veel verloren, want zijn
onderwijs was beneden de meest bescheiden eischen gebleven.
Franske moest nu zijn plaats innemen, en met angst en vreeze begon
hij zijn taak voor een twintigtal Transvaalsche jongens en meisjes,
die elken morgen uit de omringende boerenplaatsen te paard kwamen
aanstuiven, om door het meesterke in nuttige wetenschappen te worden
onderwezen.
Het schoollokaal bestond uit eene met ruwe planken afgetimmerde ruimte
in Jansen's achterhuis, met één raam, dat uitzicht gaf op den boomgaard,
terwijl eenige verweerde landkaarten en twee zwarte borden aan den muur
hingen.
Voor de gladgeschaafde maar ongeverfde, zeer primitieve banken stond
een half vermolmde lessenaar, en achter dezen lessenaar was de gewone
standplaats van het meesterke.
De jongens waren in het eerst verbaasd, doch vonden het ten slotte
koddig en grappig, door zoo'n teer, bleek ventje te worden onderwezen,
en het lijden van den armen vondeling kreeg thans, bij deze
veelbeteekenende wending in zijn leven, een nieuwen vorm.
Natuurlijk, onderwijzen was zijn lust, maar zijn aangeboren
schuchterheid en schroomvalligheid beletten hem, om onder die wilde
levenslustige republikeinen het noodig ontzag en respect te handhaven.
Zij meenden het wel niet zoo kwaad met het meesterke, maar het jeugdige
bloed, gedrenkt en bedauwd met de frissche Afrikaansche berglucht,
prikkelde hen, en de onderwijzer werd dikwijls de dupe van hun grappen.
Natuurlijk werden die voorvallen door de aanvallige jeugd uitgegierd van
pret, maar het meesterke stond het schreien nader dan het lachen.
Er waren er misschien twee of drie, die goed leerden, omdat zij het
wilden, doch de andere jongens keken met souvereine minachting neer op
de wetenschap, en beschouwden paardrijden, jagen en schieten de
hoofdpunten van het Afrikaansche leven.
De tranen kwamen het meesterke meer dan eens in de oogen, doch in dezen
nood kwam er plotseling redding van een zijde, waarvan hij het niet had
verwacht.
Frits namelijk, Jansen's jongste zoon, een jaar ouder dan het meesterke,
had iets van het verdriet van het meesterke begrepen, en een edele trek
in zijn karakter spoorde hem aan, om voor den zwakke partij te trekken.
Drie keeren, telkens als de school in een Poolschen landdag dreigde te
ontaarden, kwam hij plotseling tusschenbeide, pakte de ergste belhamels
met zijn gespierde vuisten aan, en gaf hun een geduchte aframmeling.
Dat hielp; nu kwam er orde.
Frits bracht er den schrik in, en daar de jongens nooit wisten, of de
nieuwbakken schoolopziener niet op den loer lag, verging hen de lust, om
rumoer te maken.
»Kijk meesterke," zeide Frits, »ge moet die rakkers maar eens goed op de
huid komen, dan worden ze wel handelbaar!"
* * * * *
De Zaterdagen en Zondagen had het meesterke vrij, en die dagen waren
oasen in zijn leven.
Des Zaterdags placht hij bij mooi weer, met een boek in den zak, naar
het bosch te wandelen, dat drie kwartier van Jansen's woning was
verwijderd, doch tot Jansen's woning behoorde.
Midden in het bosch stoeide een driftig beekje over rotsen en klippen
zijn water naar de diepte, en op een der bekoorlijkste plekjes bij die
beek had Frits voor het meesterke een houten bank getimmerd, en hier, in
de vredige en plechtige stilte van het woud, was het meesterke gewoon
zich neer te zetten en te lezen. En had hij geen lust meer om te lezen,
dan strekte hij zich languit neder op het gras, staarde met zijn zachte,
weemoedige oogen naar de toppen der boomen, die langzaam werden bewogen
door den wind, en naar het diepblauwe firmament, dat zich majestueus
boven de hoogste boomen heenwelfde, of blikte in het kristalheldere
water van het beekje, dat zonder ophouden, rusteloos voorbijstroomde,
rusteloos als ons leven, dat geen stilstand kent....
En meer dan eens was het gebeurd, dat een dorstig hert, het water
zoekend, met zijn schoonen kop nieuwsgierig over de schouders van het
meesterke had heengegluurd, of dat een haas met snelle sprongen over hem
was heengegaan.
Des Zondags echter was het meesterke niet in het bosch, want dan rustte
op hem de eervolle taak, in het ruime woonvertrek voor de familie Jansen
een preek van den een of anderen geliefden, ouden schrijver voor te
lezen, want de kerk was veraf, en slechts bij bizonder plechtige
gelegenheden, vier of vijf maal per jaar, haalde Jansen den stevigen
wagen uit den schuur, spande er acht juk sterke ossen voor en ging met
de familie naar de kerk. In den regel was er met zoo'n reis, heen en
terug, een week gemoeid, en daarom was er geen denken aan, de kerk
geregeld te bezoeken.
De familie Jansen had intusschen in het meesterke een uitstekenden
voorlezer, want hij las natuurlijk, duidelijk en met gevoel, en tante
Martje, Jansen's huisvrouw, die weinig zeide, placht, toch wel eens tot
haar man te zeggen: »Dat meesterke, dat meesterke! Hij leest als een
dominé!" waarop Jansen dan gewoonlijk antwoordde: »'t Is een mirakel,
dat zoo'n nietig ventje zoo lezen kan!"
De heer des huizes zat bij de godsdienstoefeningen gewoonlijk in een
hoek van het vertrek, de uitgedoofde pijp naast zich op de vensterbank,
het stevige hoofd eerbiedig ontbloot, en nu en dan een strengen blik
werpend op zijn kinderen, wanneer zij naar zijne meening niet oplettend
luisterden.
Bij een pauze in de preek werd een psalmvers gezongen. Het meesterke
nam dan plaats voor een harmoniumorgel, werkelijk een uitstekend
Amerikaansch fabrikaat, en sloeg met zijn tengere vingers de toetsen
aan.
Hij _sprak_ door die toetsen; hij _goot_ zijn ziel _uit_ in die toonen,
en waar de inhoud van het vers het meebracht, kon zijn voorspel zoo
roerend en aangrijpend zijn, dat men tusschen de toonen door het klagen
en het lijden, het snikken en het worstelen van een arm menschenhart
meende te hooren.
Was de huisgodsdienst afgeloopen, dan vleide het meesterke zich
gewoonlijk neder in de schaduw van den boomgaard, of ging naar het
schoolvertrek, nam den bijbel of een godsdienstig boek, en las en
peinsde tot het avond werd.
Zoo leefde het meesterke met en in de familie Jansen mede, en alles ging
zijn gewonen, regelmatigen gang, totdat de wonderboom, die Cecil Rhodes
werd genoemd, en die van Kaapstad uit zijn schaduw wierp tot aan de
rivier de Zambezie toe, zijn onheilspellende schaduw begon te spreiden
over Waterfontein.