»Geen ander man in de wereld zou mij hebben overgehaald, om met hem de
diamantmijnen te ontginnen, doch Cecil Rhodes heeft een overwicht op
de menschen, en hij bewoog mij, om bijna alles te doen, wat hij wilde.
Hij palmde mij in zooals hij iedereen inpalmde. Natuurlijk, ik wil niet
ontkennen, dat ik door hem goede zaken maakte, doch ik was altoos zoo
gekant geweest tegen de diamantmijnen, dat ik er zelf over verbaasd
stond, dat hij mijn tegenzin had kunnen overwinnen. Doch zoo is Rhodes'
manier. Gij zijt onmogelijk tegen hem opgewassen, en ten slotte merkt
ge, dat gij er voordeel bij hebt--zijn zin te doen."
Dat is het oordeel van den koelberekenenden millioenenkoning Barnato[4],
die, menschen en zaken beoordeelend, steeds met den éénen voet op het
goud stond en met den andere op de diamanten.
[4] In 1897 sprong Barnato, Rhodes' boezemvriend, op zijn terugreis naar
Engeland in een plotselingen aanval van waanzin over boord, en vond zijn
graf in den Atlantischen Oceaan.
Cecil Rhodes _is_ een buitengewoon man. Ge ziet het bij den eersten
oogopslag aan dat breede, hooge voorhoofd, dat verstand en vernuft, aan
die scherpe, doordringende oogen, die geestkracht, aan die haviksneus,
die sluwheid verraadt.
't Is een stevige, sterke man in de kracht van zijn jaren: gloeiend van
eerzucht, doortastend en practisch--een man, die een groot geluk of een
groote ramp brengt over de menschheid een zegen--of een vloek voor
Zuid-Afrika!
Bijna spelenderwijs is hij langs de staatkundige ladder opgeklommen
tot eerste minister der Kaapkolonie, en een Vereenigde Statenbond van
Zuid-Afrika met hem op den presidentszetel--'t was zijn droom, en is het
nòg.
Eene zelfstandige Zuid-Afrikaansche Unie, even machtig zich ontwikkelend
als de Amerikaansche Unie, en evenals deze met een Engelschen
stempel--hij heeft dat idee gekweekt en gekoesterd.
En als er ooit een man in staat was, om dat doel te bereiken, dan was
hij het, want er ligt iets in dezen man, dat de menschen betoovert en
begoochelt.
Jaren lang zwierf hij als jager door Zuid-Afrika, werd een beroemd
scherpschutter, raakte met de toestanden volkomen op de hoogte en werd
op en top een Afrikaander.
Ten minste zoo scheen het.
Hij vestigde zich te Kimberley, waar de rijke diamantmijnen zijn.
Aan die diamantmijnen heeft Kimberley het te danken, dat het van den
Oranje-Vrijstaat werd afgescheurd, en aan de Engelsche Kaapkolonie werd
gehecht.
Zonder die diamantmijnen zou de streek, waar thans Kimberley ligt, nog
wel tot den huidigen dag tot den Oranje-Vrijstaat hebben behoord.
Kimberley is den Oranje-Vrijstaat ontstolen.
Cecil Rhodes' rustelooze geest sloeg intusschen zijn slag. Hij wist
de verschillende maatschappijen, die uit de mijnen van Kimberley
het kostbare edelgesteente opdolven, tot ééne Maatschappij, »de
Beers-Maatschappij", te versmelten, en hij werd tot levenslangen
directeur benoemd.
Hier legde hij den grond voor zijn reusachtig, vele millioenen tellend
vermogen, en thans begon hij zijn vleugels uit te slaan naar het groot
staatkundig doel, dat hem voor oogen zweefde.
Neen, dat reusachtig kapitaal, dat hij had opgelegd, was niet het doel
van zijn leven, maar slechts het instrument, de brug, die hem moest
brengen in het rijk zijner idealen. Niet de _hebzucht_, maar de
_eerzucht_ deed het hart van dezen geldkoning sneller kloppen, en dit
veelzeggend woord is eens in een onbewaakt oogenblik over zijn lippen
gekomen: »Ieder mensch is te koop, maar de prijs verschilt."
Met dit woord heeft hij echter zijn eigen vonnis geveld.
Toen hij tot lid van het Kaapsche parlement werd gekozen, wist Cecil
Rhodes ter dege goed, dat het Hollandsch-Afrikaansche element in de
Kaapkolonie een overwegenden invloed heeft.
Hij rekende er mede.
Hij streelde de Afrikaanders; hij lokte en vleide hen, en voor hun
verbaasden blik stak hij een vuurwerk af van schitterende beloften.
»Het is onzin," riep hij uit, hard genoeg, dat heel Zuid-Afrika het kon
hooren, »het is onzin, dat de Kaapkolonie van uit Londen, zesduizend
mijlen ver, zou worden bestuurd. Het is ongehoord. Wij moeten een eigen
bestuur hebben, doch een eigen bestuur is niet voldoende. Ge moet
markten hebben voor uw produkten, en bij de uitbreiding uwer bevolking
nieuwe boerenhoeven voor uwe zonen. Wel nu, wij zullen de grenzen der
Kaapkolonie uitbreiden naar het noorden, en gij zult voortdurende
markten vinden voor uwe produkten en grond voor uwe kinderen tot aan de
rivier de Zambezie toe, die ver in het noorden stroomt."
Was het wonder, dat deze taal als muziek in de ooren der Kaapsche
Afrikaanders klonk? Stal Rhodes niet het hart van het volk, gelijk
Absalom weleer het hart der kinderen Israëls?
Hij spande den Afrikaander-bond voor zijn zegekar, en zelfs de
schranderste der Kapenaren, Jan Hendrik Hofmeijer, wist zich aan den
invloed van dien machtigen geest niet te onttrekken.
Rhodes voegde de daad bij het woord.
De Matabele-kaffers van Lobengula deden een strooptocht, en Rhodes
gelastte den Kaffervorst, zijn onderdanen onmiddelijk terug te laten
trekken.
Dit geschiedde, maar Lobengula's afgezanten werden tegen alle
volkenrecht in gedood, en de terugtrekkende Kaffers konden niet zoo hard
loopen als de paarden van Rhodes' soldeniers, en werden bij tien- en
honderdtallen neergelegd.
Zoo veroverde Cecil Rhodes Bechuanaland, Matabeleland en Mashonaland, en
sloot de Zuid-Afrikaansche Republiek volkomen in.
Hij deed meer.
Hij werd de wig, die den Afrikaanschen volksstam in tweeën spleet,
het mes, dat de band, die de Afrikaanders der Kaapkolonie met de
Afrikaanders van de Transvaal en van den Oranje-Vrijstaat vereenigde,
doorsneed.
Hij zaaide wantrouwen, achterdocht en bitterheid, en de Afrikaanders
raakten verdeeld in twee vijandelijke kampen, waarvan het ééne den
rijkbegaafden, eerzuchtigen Cecil Rhodes, en het andere den niet minder
begaafden, stroeven Paul Kruger als staatkundig hoofd erkende.
Als een trouwe schildwacht stond Paul Kruger op zijn post, en hij was
één der weinigen, die Rhodes' spel doorzagen. Maar omdat hij de eerste
man was in de zich krachtig ontwikkelende Zuid-Afrikaansche Republiek,
wierp zijn stem een groot gewicht in de schaal, en al wie niet verblind
was door den glans, die uitstraalde van den diamantkoning van Kimberley,
schaarde zich om den geliefden Staatspresident.
Als een voorzichtig stuurman vermeed Oom Paul een botsing met den
avonturier, en al was het met een bitter wee in de ziel, wijze
bedachtzaamheid dwong hem, om meer dan eens toe te geven. Zoo kwam de
Swazieland-conventie tot stand, die een onoverkomelijken slagboom liet
vallen tusschen de Transvaal en het noorden, en zwijgend duldde Kruger
het, dat Jameson in 1891 een trek van Transvaalsche Boeren over de
rivier de Limpopo met geweld opkeerde.
Hij kon niet anders, want de Kaapsche Afrikaanders bewierrookten Cecil
Rhodes, en een uitbarstende oorlog zou de velden van Zuid-Afrika hebben
gedrenkt met broederbloed....
Slechts bleef de hoop, dat Cecil Rhodes met zijn ware bedoelingen te
morgen of te avond voor den dag zou komen, en de blinddoek zou scheuren,
die den Kaapschen Afrikaander voor de oogen was gebonden.
Het behoeft intusschen wel niet gezegd, dat Rhodes' pogingen, om Paul
Kruger tot een tolverbond en nieuwe spoorwegtarieven over te halen,
mislukten, want Rhodes had even goed kunnen probeeren, om het
Drakengebergte van zijn plek te dragen.
De eenvoudige, ongeletterde Voortrekker liet zich door den geslepen vos
niet beetnemen, en de voltooiing van den spoorweg, die het hart van zijn
land met de Delagoa-baai zou verbinden, werd thans voor Paul Kruger een
ware hartstocht.
Zijn ijzeren wilskracht kreeg er dien spoorweg ook door, en nu begon
hij de sporen van Cecil Rhodes te dwarsboomen, waar hij kon. En daar
de band met het grootere vaderland--Zuid-Afrika--op dit oogenblik was
verbroken, waakte hij te zorgvuldiger voor de belangen van zijn enger
vaderland--de Transvaal of Zuid-Afrikaansche Republiek.