Hij wendde zich naar de woning, doch het jonge paar wandelde langzaam
naar den hoogen heuvel, vanwaar men een ruim vergezicht had. Reeds was
het licht der morgenzon onderschept door een groote, grillig gevormde
wolk, en in het westen, boven de bergen, pakten zich nu donkere
wolkgevaarten samen.
Peinzend staarde Lena het westen in.
Dacht zij bij het staren naar die onweerswolken aan de donderkoppen van
dat andere onweer, waarvan grootvader Kloppers had gesproken?
Marling vermoedde het.
»Hoe zwaarder het onweer, hoe dichter wij bij elkander zullen schuilen,"
zeide hij teeder, haar eigen woorden van daar straks herhalend.
»Wij zullen elkander liefhebben, niet waar Charles?" zeide zij, »en op
den Heere vertrouwen, opdat wij geen schipbreuk lijden?"
Doch Marling werd bedroefd, omdat zij van schipbreuk sprak.
»Liefste," zeide hij, »twijfelt gij aan mijne liefde?"
»Neen," antwoordde zij warm en innig, »gij zijt mijn Charles--mijn
Charlie!"
»Maar waarom beeft uwe stem dan?" vraagde hij bezorgd, »ge staart naar
de verte als een schuw vogelke, dat onheil ducht--heeft het woord van uw
grootvader zoo'n indruk op u gemaakt?"
»Ik weet het niet," zeide ze, worstelend tegen de bange voorgevoelens,
die haar ziel bestormden.
»O Charles," riep ze uit, »mijn liefde behoorde u gelukkig te maken, en
ze begint, met uw hart week te maken!"
»'t Is slechts een schaduw," zeide hij troostend, »een wolk voor de
zon, die snel voorbijdrijft, en dan zult gij mijn nachtegaal zijn en
morgenster!"
»Ach ik ben een onverstandig schepseltje," zeide zij nederig, »maar
_gij_ zult mijn leermeester zijn," en zij hief het lieftallig gelaat vol
vertrouwen tot hem op.
Zij reikte hem de hand, en hand aan hand wandelden zij den heuvel af
naar huis.
Doch zij moesten zich haasten, want reeds vielen de eerste zware
regendruppelen, en een plotseling opgestoken stormwind gierde over het
open veld en zweepte de reusachtige gomboomen op baas Kloppers' erf. De
hemel verduisterde zich, en een machtige donderslag rolde als de heraut
van het naderende onweer vol majesteit hoog boven Vredenoord heen.
Aan de huisdeur stond de oude Kloppers het paar reeds op te wachten.
»Hebt ge 't al gehoord?" riep hij; »hebt ge 't al gehoord? Cecil Rhodes
is op de terugreis naar Afrika!"