HOOFDSTUK IV.

Charles Marling stond op het achtererf van Vredenoord, bij de schamele,

ronde kafferhutten, en staarde verstrooid naar de kleine, zwarte

kroeskoppen, die luid kraaiend in het mulle, gele zand lagen te

wentelen.

Geen slaap had dezen nacht zijn oogen gelooken.

Nog hoorde hij het rinkelen van het glas tegen den harden, steenen

vloer.

Hij moest zich bekennen, dat hij eerst sedert gisteravond een diepen

blik had geslagen in den waren aard van den Afrikaanschen Boer, en onder

die kalme, effen oppervlakte sluimerde een kracht en hartstocht, die,

oprijzend, alle dammen en dijken moest scheuren.

Inderdaad, hij had een slecht voorbeeld gegeven van christelijke

voorzichtigheid, door over een verzoening te spreken, waarvoor de tijd

nog niet rijp was, en door hulde te brengen aan een man, wiens naam te

noemen reeds voldoende was, om den vonk in het kruit te slingeren.

Doch het woord was er uit en niet meer te herroepen. En in begrijpelijke

spanning hoopte Marling op het oogenblik, dat hij Lena, die hij sedert

gisternamiddag niet had gesproken, zou ontmoeten.

Ook Lena had in dezen nacht geen oog gesloten, doch nu wist zij, dat zij

Charles Marling liefhad. Reeds gisteravond wist zij 't, toen Charles

daar stond, beurtelings bleek en rood, zich de lippen tot bloed bijtend,

en zich vasthoudend aan de tafel, om niet te bezwijken onder den last

der beschuldigingen, die haar grootvader op _zijn_ schouders wentelde.

Had Charles op dàt oogenblik zijn oog naar de zijde geslagen, waar

Lena stond, dan zou hij hebben gezien, hoe die donkere wimpers waren

opgeslagen en hoe uit die oogen hem een volheid van medegevoel--maar ook

van liefde had tegengeblonken.

En had maagdelijke schuchterheid haar niet weerhouden, zij zou

zich naast hem hebben geplaatst, en met luide stem hebben geroepen:

»Afrikaansche Boeren, Charles Marling heeft een dwaasheid begaan, door

van verzoening te spreken, doch ik acht hem hoog, omdat hij den moed

had, die dwaasheid te begaan!"

Hij was voor zijn christelijke overtuiging uitgekomen, zonder angstig

te wikken of te wegen, zonder aarzelen, een ridder zonder vrees of

blaam--»mijn ridder!" zeide zij in zoet gepeins.

Zeer zeker, zij stond onverdeeld aan de zijde van haar grootvader, waar

hij vol toorn en verontwaardiging de politiek van Engeland geeselde,

maar dat hinderde toch niet, om het hoog en heilig beginsel te erkennen,

dat Charles Marling had gedreven om te spreken.

Zij had hem lief--nu wist zij het. Niet alleen met die zusterlijke

liefde, waarvan zij tot hém had gesproken, maar ook met die andere

liefde, waarvan hij tot haar had gesproken; niet met het spotbeeld der

liefde: die ziekelijke, overspannen hartstocht, die in dwaasheid wortelt

en in dwaasheid uitbot, die met vergoding begint en met verguizing

eindigt, neen, maar met die andere, gezonde, sterke, kuische liefde, die

onmisbaar is in een huwelijk, waar schaduwen en zonneschijn wisselen, en

waar, ach! zoo dikwijls de zonneschijn door de wolken wordt onderschept;

met die liefde, die met elkanders zwakheden rekent, die goedertieren is,

verstandig en bedachtzaam; die koestert en warmt; die groot is en

uitblinkt in al wat edel is, groot bovenal in christelijke

zelfverloochening....

Charles Marling ontroerde, toen hij Lena zag naderen--frisch als de

dauw, die in de kelken der bloemen parelde, en vlug als de hinde op de

bergen van Afrika....

Zij legde de hand op Marling's schouder, keek hem in de droeve oogen, in

het bleek en somber gelaat, en terwijl er tranen opwelden in haar oogen,

kwam er toch een heldere zonneschijn op haar gelaat, toen zij zeide:

»Charles--Charlie!"

»Lena," zeide hij, »ik heb gisteravond een groote dwaasheid begaan."

»Ik ben er blij om, dat gij die dwaasheid hebt begaan," zeide zij op een

eigenaardigen toon.

Hij verstond die raadselachtige woorden niet.

»Hoe zoo?" vraagde hij.

Maar zij antwoordde niet op die vraag.

»Kom," zeide ze, »we zullen Grootvader opzoeken."

»Waarom?" vraagde hij.

»Waarom--" herhaalde ze. »Moet ge dát nog vragen?"

Er ging een plotselinge lichtstraal door zijn ziel--hij greep haar hand.

»Stil," zeide ze, »Grootvader vervult voor mij de plaats van mijn vader,

en ik doe niets zonder zijn toestemming."

De plotselinge lichtstraal verbleekte in Marling's ziel.

»En als uw grootvader geen toestemming geeft, Lena?"

»Dan zult gij van Vredenoord gaan met de verzekering, dat ik aan u in

trouwe vriendschap zal blijven denken mijn leven lang."

»En meer niet, Lena?"

Zij schudde het hoofd.

»Meer niet," zeide zij.

»Maar het loopt misschien beter af dan gij vermoedt," liet zij er op

volgen, en zij zag Charles Marling aan met een blik vol hoop en moed.

Zoo gingen zij dan te samen den grijsaard opzoeken.

Met den ouden Staten-bijbel op een tafeltje voor zich, zat baas Kloppers

te lezen in het priëel.

Hij zag het paar naderen, en sloeg den bijbel bedachtzaam dicht.

Mild en vriendelijk ontving hij den Engelschman.

»Is dat nu de ijzeren Voortrekker van gisteren avond?" dacht Charles en

hij verwonderde zich.

Intusschen noodigde de grijsaard Marling uit, om op de andere bank

plaats te nemen.

Deze gaf aan dien wenk gevolg, doch Lena zette zich naast haar

grootvader.

En nu verhaalde Marling in korte, eenvoudige woorden de zaak, waarover

het ging. En de oude Kloppers stutte het breede, hooge voorhoofd met

zijn rechterhand, zooals hij placht te doen, wanneer hij voor een

moeilijk vraagstuk stond. Hij staarde de opening uit van het priëel, en

slechts éénen keer wierp hij een vluchtigen blik op zijn kleindochter.

Nu zweeg Charles Marling, en wachtte vol innerlijke spanning het

antwoord af.

Hij vreesde een uitbarsting van toorn, omdat hij, de Engelschman, het

oog durfde opslaan op de kleindochter van Dirk Kloppers, maar die

uitbarsting bleef weg.

Het gelaat van den grijsaard bleef mild en vriendelijk als deze

zomermorgen, die vol vrede zich uitstrekte over het landschap.

Baas Kloppers wachtte eenige oogenblikken, alvorens hij antwoordde.

Toen stond hij op en zeide tot Lena: »Durft ge met dezen Engelschman de

reize aan door de woestijn van het leven?"

»Ja," zeide ze, »ik durf het."

»En waarom durft gij het?" vraagde hij ernstig.

»Omdat ik hem liefheb," zeide ze.

»Maar is dat genoeg?" vraagde hij.

»Neen," zeide ze, »dat is niet genoeg, maar wij belijden hetzelfde

geloof."

»'t Is een moeilijke bezwaarlijke reis, een reis door de woestijn--ze

zal u niet meevallen, Lena," zeide hij nu bezorgd.

»Wij zullen hand in hand reizen, Grootvader," zeide ze, »en als de ééne

moede wordt, dan zal de andere hem verkwikken, en zoo zullen wij samen

reizen bergopwaarts, naar Jeruzalem, hetwelk is ons aller moeder."

De grijsaard wendde zich tot Marling, en keek hem aan met dien scherpen,

vorschenden blik, die hem eigen was, wanneer hij een mensch wilde

doorgronden tot in de diepte van zijn ziel.

»Hebt gij uw hart goed onderzocht, Charles," vraagde hij, »toen gij tot

dit meisje van liefde spraakt?"

»Dat heb ik, oom Kloppers," antwoordde Marling met een vrijmoedigen

opslag van zijn oog.

»Er is goud en er is verguld blik," zeide de grijsaard ernstig:

»liefde en schijnliefde. De liefde kan tegen de beproeving, en ze wordt

gelouterd in de hitte van het vuur. Doch de schijnliefde is wuft en

ijdel, en verstuift bij den eersten tegenspoed als kaf voor den

dwarrelwind!"

Hij maakte een korte pauze, doch Charles noch Lena zeiden een woord.

»Hier in Afrika," ging de spreker voort, »dringt alles tot een

staatkundige crisis, en hoe zwaar het onweer zal zijn, dat boven onze

hoofden zal losbarsten, weet God alleen. Maar dit is wel zeker, dat die

storm niet ongemerkt aan uw huwelijksscheepke voorbij zal trekken. Hij

zal uw scheepke schudden en slingeren--moge het voor schipbreuk bewaard

blijven!"

»Hoe zwaarder het onweer is, hoe dichter wij bij elkaar zullen

schuilen," meende Lena met omfloersde oogen, doch Marling stond op en

zeide: »Wat God samengevoegd heeft, dat scheide de mensch niet!"

»Ja waarlijk, dat is goed gezegd!" riep de grijsaard. »Wat God

samengevoegd heeft--maar zijt gij er zeker van, Charles, dat God u

beiden samenvoegt?"

»Ik geloof het!" zeide Marling.

»Moge het waar zijn!" hernam Kloppers. »Maar het is een groote zaak, om

Gods leidingen te verstaan. Ik ben een oud man, en heb meer ervaringen

dan gij--ge zult me dat op mijn woord wel willen gelooven--maar hoe

dikwijls moet ik nog vragen: Waar ligt de weg, dien ik behoor in te

slaan? Hebt gij in deze zaak het aangezicht des Heeren gezocht? Hebt gij

van Hem licht en wijsheid gevraagd?"

»Ik heb het gedaan," antwoordde Marling bescheiden doch vrijmoedig.

»Ik wou, dat gij een Afrikaander waart!" zuchtte de grijsaard.

»Ik kan het niet helpen, dat ik een Engelschman ben," zeide Marling.

»Ik verwijt het u ook niet," hernam Kloppers met iets als een glimlach

op zijn gelaat, »maar," voegde hij er aan toe met een flikkering in zijn

blauwe oogen, »waart gij een Engelschman, dien ik niet kende--gij kreegt

mijn kleindochter _nooit_!"

»O Lena," zeide hij, »mijn veldbloemke! Ik had gehoopt, dat ge in

het vrije veld zoudt blijven, en de wakkere huisvrouw worden van een

rechtschapen Afrikaanschen Boer, maar ik laat u vrij--ge kunt zelf

beslissen. Wilt ge echter waarlijk met dien Engelschman mee? Zult ge

niet verkwijnen in de muffe lucht van de goudstad?"

»O neen, oom Kloppers," zeide Marling met warmte; »zij zal niet

verkwijnen in de goudstad. Ik zal over uw veldbloemke de wacht houden,

en het beschutten voor de hitte van den dag en de koude van den nacht.

En gij komt elk jaar in Johannesburg eenige weken logeeren, en gij zult

u verkwikken aan den glans van uw veldbloemke!"

Maar de oude Voortrekker schudde het hoofd.

»Langer dan een dag zou ik het in Johannesburg niet uithouden," zeide

hij. »De vrije lucht van het open veld, die wil ik ademen, zoolang ik

leef!"

Toen staarde hij Lena weer aan.

»Mijn veldbloemke," zeide hij, terwijl zijn oude handen liefkoozend

heengingen over haar dicht, gitzwart haar, »mijn lief veldbloemke!"

Maar Lena kon zich thans niet meer goed houden.

Zij stond op, sloeg de armen om den hals van haar grootvader en kuste

hem.

»Ik heb u lief, mijn kind," zeide de grijsaard met de teederheid van een

vader, »en daarom ben ik zoo vol zorgen!"

»O Grootvader," snikte zij, »bid voor ons; voor mij en voor Charles!"

»Dat zal ik doen," zeide de grijsaard mild en zacht.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 11 / 53 题