Charles Marling stond op het achtererf van Vredenoord, bij de schamele,
ronde kafferhutten, en staarde verstrooid naar de kleine, zwarte
kroeskoppen, die luid kraaiend in het mulle, gele zand lagen te
wentelen.
Geen slaap had dezen nacht zijn oogen gelooken.
Nog hoorde hij het rinkelen van het glas tegen den harden, steenen
vloer.
Hij moest zich bekennen, dat hij eerst sedert gisteravond een diepen
blik had geslagen in den waren aard van den Afrikaanschen Boer, en onder
die kalme, effen oppervlakte sluimerde een kracht en hartstocht, die,
oprijzend, alle dammen en dijken moest scheuren.
Inderdaad, hij had een slecht voorbeeld gegeven van christelijke
voorzichtigheid, door over een verzoening te spreken, waarvoor de tijd
nog niet rijp was, en door hulde te brengen aan een man, wiens naam te
noemen reeds voldoende was, om den vonk in het kruit te slingeren.
Doch het woord was er uit en niet meer te herroepen. En in begrijpelijke
spanning hoopte Marling op het oogenblik, dat hij Lena, die hij sedert
gisternamiddag niet had gesproken, zou ontmoeten.
Ook Lena had in dezen nacht geen oog gesloten, doch nu wist zij, dat zij
Charles Marling liefhad. Reeds gisteravond wist zij 't, toen Charles
daar stond, beurtelings bleek en rood, zich de lippen tot bloed bijtend,
en zich vasthoudend aan de tafel, om niet te bezwijken onder den last
der beschuldigingen, die haar grootvader op _zijn_ schouders wentelde.
Had Charles op dàt oogenblik zijn oog naar de zijde geslagen, waar
Lena stond, dan zou hij hebben gezien, hoe die donkere wimpers waren
opgeslagen en hoe uit die oogen hem een volheid van medegevoel--maar ook
van liefde had tegengeblonken.
En had maagdelijke schuchterheid haar niet weerhouden, zij zou
zich naast hem hebben geplaatst, en met luide stem hebben geroepen:
»Afrikaansche Boeren, Charles Marling heeft een dwaasheid begaan, door
van verzoening te spreken, doch ik acht hem hoog, omdat hij den moed
had, die dwaasheid te begaan!"
Hij was voor zijn christelijke overtuiging uitgekomen, zonder angstig
te wikken of te wegen, zonder aarzelen, een ridder zonder vrees of
blaam--»mijn ridder!" zeide zij in zoet gepeins.
Zeer zeker, zij stond onverdeeld aan de zijde van haar grootvader, waar
hij vol toorn en verontwaardiging de politiek van Engeland geeselde,
maar dat hinderde toch niet, om het hoog en heilig beginsel te erkennen,
dat Charles Marling had gedreven om te spreken.
Zij had hem lief--nu wist zij het. Niet alleen met die zusterlijke
liefde, waarvan zij tot hém had gesproken, maar ook met die andere
liefde, waarvan hij tot haar had gesproken; niet met het spotbeeld der
liefde: die ziekelijke, overspannen hartstocht, die in dwaasheid wortelt
en in dwaasheid uitbot, die met vergoding begint en met verguizing
eindigt, neen, maar met die andere, gezonde, sterke, kuische liefde, die
onmisbaar is in een huwelijk, waar schaduwen en zonneschijn wisselen, en
waar, ach! zoo dikwijls de zonneschijn door de wolken wordt onderschept;
met die liefde, die met elkanders zwakheden rekent, die goedertieren is,
verstandig en bedachtzaam; die koestert en warmt; die groot is en
uitblinkt in al wat edel is, groot bovenal in christelijke
zelfverloochening....
Charles Marling ontroerde, toen hij Lena zag naderen--frisch als de
dauw, die in de kelken der bloemen parelde, en vlug als de hinde op de
bergen van Afrika....
Zij legde de hand op Marling's schouder, keek hem in de droeve oogen, in
het bleek en somber gelaat, en terwijl er tranen opwelden in haar oogen,
kwam er toch een heldere zonneschijn op haar gelaat, toen zij zeide:
»Charles--Charlie!"
»Lena," zeide hij, »ik heb gisteravond een groote dwaasheid begaan."
»Ik ben er blij om, dat gij die dwaasheid hebt begaan," zeide zij op een
eigenaardigen toon.
Hij verstond die raadselachtige woorden niet.
»Hoe zoo?" vraagde hij.
Maar zij antwoordde niet op die vraag.
»Kom," zeide ze, »we zullen Grootvader opzoeken."
»Waarom?" vraagde hij.
»Waarom--" herhaalde ze. »Moet ge dát nog vragen?"
Er ging een plotselinge lichtstraal door zijn ziel--hij greep haar hand.
»Stil," zeide ze, »Grootvader vervult voor mij de plaats van mijn vader,
en ik doe niets zonder zijn toestemming."
De plotselinge lichtstraal verbleekte in Marling's ziel.
»En als uw grootvader geen toestemming geeft, Lena?"
»Dan zult gij van Vredenoord gaan met de verzekering, dat ik aan u in
trouwe vriendschap zal blijven denken mijn leven lang."
»En meer niet, Lena?"
Zij schudde het hoofd.
»Meer niet," zeide zij.
»Maar het loopt misschien beter af dan gij vermoedt," liet zij er op
volgen, en zij zag Charles Marling aan met een blik vol hoop en moed.
Zoo gingen zij dan te samen den grijsaard opzoeken.
Met den ouden Staten-bijbel op een tafeltje voor zich, zat baas Kloppers
te lezen in het priëel.
Hij zag het paar naderen, en sloeg den bijbel bedachtzaam dicht.
Mild en vriendelijk ontving hij den Engelschman.
»Is dat nu de ijzeren Voortrekker van gisteren avond?" dacht Charles en
hij verwonderde zich.
Intusschen noodigde de grijsaard Marling uit, om op de andere bank
plaats te nemen.
Deze gaf aan dien wenk gevolg, doch Lena zette zich naast haar
grootvader.
En nu verhaalde Marling in korte, eenvoudige woorden de zaak, waarover
het ging. En de oude Kloppers stutte het breede, hooge voorhoofd met
zijn rechterhand, zooals hij placht te doen, wanneer hij voor een
moeilijk vraagstuk stond. Hij staarde de opening uit van het priëel, en
slechts éénen keer wierp hij een vluchtigen blik op zijn kleindochter.
Nu zweeg Charles Marling, en wachtte vol innerlijke spanning het
antwoord af.
Hij vreesde een uitbarsting van toorn, omdat hij, de Engelschman, het
oog durfde opslaan op de kleindochter van Dirk Kloppers, maar die
uitbarsting bleef weg.
Het gelaat van den grijsaard bleef mild en vriendelijk als deze
zomermorgen, die vol vrede zich uitstrekte over het landschap.
Baas Kloppers wachtte eenige oogenblikken, alvorens hij antwoordde.
Toen stond hij op en zeide tot Lena: »Durft ge met dezen Engelschman de
reize aan door de woestijn van het leven?"
»Ja," zeide ze, »ik durf het."
»En waarom durft gij het?" vraagde hij ernstig.
»Omdat ik hem liefheb," zeide ze.
»Maar is dat genoeg?" vraagde hij.
»Neen," zeide ze, »dat is niet genoeg, maar wij belijden hetzelfde
geloof."
»'t Is een moeilijke bezwaarlijke reis, een reis door de woestijn--ze
zal u niet meevallen, Lena," zeide hij nu bezorgd.
»Wij zullen hand in hand reizen, Grootvader," zeide ze, »en als de ééne
moede wordt, dan zal de andere hem verkwikken, en zoo zullen wij samen
reizen bergopwaarts, naar Jeruzalem, hetwelk is ons aller moeder."
De grijsaard wendde zich tot Marling, en keek hem aan met dien scherpen,
vorschenden blik, die hem eigen was, wanneer hij een mensch wilde
doorgronden tot in de diepte van zijn ziel.
»Hebt gij uw hart goed onderzocht, Charles," vraagde hij, »toen gij tot
dit meisje van liefde spraakt?"
»Dat heb ik, oom Kloppers," antwoordde Marling met een vrijmoedigen
opslag van zijn oog.
»Er is goud en er is verguld blik," zeide de grijsaard ernstig:
»liefde en schijnliefde. De liefde kan tegen de beproeving, en ze wordt
gelouterd in de hitte van het vuur. Doch de schijnliefde is wuft en
ijdel, en verstuift bij den eersten tegenspoed als kaf voor den
dwarrelwind!"
Hij maakte een korte pauze, doch Charles noch Lena zeiden een woord.
»Hier in Afrika," ging de spreker voort, »dringt alles tot een
staatkundige crisis, en hoe zwaar het onweer zal zijn, dat boven onze
hoofden zal losbarsten, weet God alleen. Maar dit is wel zeker, dat die
storm niet ongemerkt aan uw huwelijksscheepke voorbij zal trekken. Hij
zal uw scheepke schudden en slingeren--moge het voor schipbreuk bewaard
blijven!"
»Hoe zwaarder het onweer is, hoe dichter wij bij elkaar zullen
schuilen," meende Lena met omfloersde oogen, doch Marling stond op en
zeide: »Wat God samengevoegd heeft, dat scheide de mensch niet!"
»Ja waarlijk, dat is goed gezegd!" riep de grijsaard. »Wat God
samengevoegd heeft--maar zijt gij er zeker van, Charles, dat God u
beiden samenvoegt?"
»Ik geloof het!" zeide Marling.
»Moge het waar zijn!" hernam Kloppers. »Maar het is een groote zaak, om
Gods leidingen te verstaan. Ik ben een oud man, en heb meer ervaringen
dan gij--ge zult me dat op mijn woord wel willen gelooven--maar hoe
dikwijls moet ik nog vragen: Waar ligt de weg, dien ik behoor in te
slaan? Hebt gij in deze zaak het aangezicht des Heeren gezocht? Hebt gij
van Hem licht en wijsheid gevraagd?"
»Ik heb het gedaan," antwoordde Marling bescheiden doch vrijmoedig.
»Ik wou, dat gij een Afrikaander waart!" zuchtte de grijsaard.
»Ik kan het niet helpen, dat ik een Engelschman ben," zeide Marling.
»Ik verwijt het u ook niet," hernam Kloppers met iets als een glimlach
op zijn gelaat, »maar," voegde hij er aan toe met een flikkering in zijn
blauwe oogen, »waart gij een Engelschman, dien ik niet kende--gij kreegt
mijn kleindochter _nooit_!"
»O Lena," zeide hij, »mijn veldbloemke! Ik had gehoopt, dat ge in
het vrije veld zoudt blijven, en de wakkere huisvrouw worden van een
rechtschapen Afrikaanschen Boer, maar ik laat u vrij--ge kunt zelf
beslissen. Wilt ge echter waarlijk met dien Engelschman mee? Zult ge
niet verkwijnen in de muffe lucht van de goudstad?"
»O neen, oom Kloppers," zeide Marling met warmte; »zij zal niet
verkwijnen in de goudstad. Ik zal over uw veldbloemke de wacht houden,
en het beschutten voor de hitte van den dag en de koude van den nacht.
En gij komt elk jaar in Johannesburg eenige weken logeeren, en gij zult
u verkwikken aan den glans van uw veldbloemke!"
Maar de oude Voortrekker schudde het hoofd.
»Langer dan een dag zou ik het in Johannesburg niet uithouden," zeide
hij. »De vrije lucht van het open veld, die wil ik ademen, zoolang ik
leef!"
Toen staarde hij Lena weer aan.
»Mijn veldbloemke," zeide hij, terwijl zijn oude handen liefkoozend
heengingen over haar dicht, gitzwart haar, »mijn lief veldbloemke!"
Maar Lena kon zich thans niet meer goed houden.
Zij stond op, sloeg de armen om den hals van haar grootvader en kuste
hem.
»Ik heb u lief, mijn kind," zeide de grijsaard met de teederheid van een
vader, »en daarom ben ik zoo vol zorgen!"
»O Grootvader," snikte zij, »bid voor ons; voor mij en voor Charles!"
»Dat zal ik doen," zeide de grijsaard mild en zacht.