HOOFDSTUK III.

De avond was gevallen en baas Kloppers zat bij den vlammenden haard zijn

vrouw het jongste nieuws voor te lezen uit »de Volksstem", toen zijn

scherp gehoor het geluid van drukke stemmen en van paardegetrappel

opving.

»Dat begrijp ik niet," zeide de oude Kloppers en hij ging naar buiten.

Hij zette de handen in de zijde en riep verbaasd: »Daar schijnt een heel

kommando aan te komen!"

Nu waren de ruiters op het erf aangekomen, en terwijl reeds eenige

Kaffers kwamen aanloopen, om de paarden in den stal te brengen, sprongen

de boeren snel uit het zaâl, kwamen op baas Kloppers aanhollen, alsof

zij hem omver wilden loopen, schudden zijn hand en riepen: »Oom Dirk,

we komen je van avond eens gelukwenschen met de jongste tweelingen van

Buffelskloof!"

Nu was de grijsaard er achter.

Met een vroolijken lach begroette hij de ruiters en zeide: »Dank je,

mannen, dank je! Daar doe je nu eens goed aan! Dat is echte Afrikaansche

vriendschap, die op den laten avond nog mijn hart verheugt--komt

binnen!"

»Lena, waar zit jij?" riep hij. »Haal eens gauw eenige flesschen wijn!"

Met de hulp der vrienden werd met bekwamen spoed een lange tafel in orde

gesteld, en men nam plaats.

Het leverde wel een eigenaardig gezicht op.

Daar hadt ge Hans Veen, den kleermaker, die vermaard was door zijn

onmiskenbaar talent, om op de onmogelijkste dingen een rijm te

fabriceeren, en naast hem zat--met dat leuk en effen gelaat--een

zwartgebaarde boer. Eenige zetels verder werd het oog geboeid door

den echten Nimrodskop van een vermetelen olifantenjager, die soms

zes maanden achtereen in het hooge noorden zwierf, op de jacht van

olifanten en nijlpaarden, en recht tegenover den ouden Kloppers zat Kees

Lakenvelder, evenals baas Kloppers het hoofd van een groote, geachte

familie. In het geheim werd gemompeld, dat er in zijn hart altijd een

kleine jaloezie opkwam, wanneer men hem vertelde, dat Kloppers toch

eigentlijk nog een mooieren veestapel had dan hij, doch dat daargelaten

was hij een flink Afrikaander, gul en gastvrij, en de nationale zaak met

hart en ziel toegedaan.

In het midden der tafel hadden Dirk Kloppers en zijne vrouw plaats

genomen, beiden met een glimlach van voldoening op het gelaat, en de

petroleumlamp, die reeds sedert jaren het sobere licht der vetkaars op

Vredenoord had verdrongen, wierp over al die vroolijke en lachende

menschen haar helder en rustig licht.

Intusschen bediende Lena met vaardige hand de gasten.

»Nu, neef Dirk en nicht Anna," zeide baas Lakenvelder, »op de gezondheid

van de tweelingen!" en hij dronk het glas leeg in éénen teug.

»En ik hoop, dat ze binnen het jaar mogen loopen," meende de

zwartgebaarde, terwijl hij reeds het tweede glas te pakken had.

»En dat ze wakkere Afrikaanders mogen worden en moedige jagers!" riep de

zware stem van den olifantenjager.

»'t Eene is een meisje," zeide grootmoeder Kloppers terechtwijzend,

welke opmerking met een algemeen, schaterend gelach werd begroet.

Het is inderdaad een gezellig, prettig avondfeest, en terwijl geen ruw

woord, nog minder een vloek wordt vernomen, doet menige onschuldige

kwinkslag de rondte. En juist zal de olifantenjager zijn jongste

jachtavonturen mededeelen, als hij in zijn voornemen wordt gestuit door

de komst van Geertrui en van Reinard Jansen, een zoon van grootmoeder

Kloppers' broeder Lodewijk[1].

[1] Zie »Helden van Zuid-Afrika".

Reinard Jansen is zoo pas bij Geertrui aangekomen, wil van nacht op

Vredenoord logeeren, en morgen zijn reis voortzetten naar huis.

Hij telt ruim vijftig jaren, en is, evenals de meeste Boeren een

forsche, rijzige, breedgeschouderde figuur. Zij, die zijn vader Lodewijk

Jansen, Dirk Kloppers' zwager, hebben gekend, zeggen, dat hij van al

de kinderen het meest van zijn vader weg heeft: dat breede, krachtige,

stalen voorhoofd, die zware wenkbrauwen, die strenge flikkerende oogen

en die vastberaden en onverzettelijke trek om de mondhoeken. Een

vreemdeling zou hem van hardheid beschuldigen, en in hoever deze

beschuldiging waar is, wil ik thans niet beoordeelen, doch dit durf ik

te zeggen: wat Reinard Jansen is, dat is hij geheel--geducht als vijand,

trouw als vriend! Hij houdt zich met geen praatjes op; ge weet, wat ge

aan hem hebt, en hij en zijns gelijken zijn de ruwe maar sterke en

vertrouwbare zuilen, waarop de Zuid-Afrikaansche Republiek rust.

Met verwondering gaat zijn oog over die vroolijke, lachende gezichten,

waarvan hij er verscheidene persoonlijk kent, en terwijl hij de

overgrootouders gelukwenscht met de vermeerdering der familie, zet hij

zich naast den olifantenjager neder.

Doch het is nu een oogenblik stil geworden, en van deze gelegenheid

maakt Charles Marling gebruik, om op te staan en zijn glas op te nemen.

»Geachte vrienden!" zegt hij met zijn welluidende stem.

»Wie is dat?" vraagt Jansen aan den olifantenjager, terwijl zijn

voorhoofd zich fronst, want aan het accent heeft hij onmiddellijk den

Engelschman herkend.

»Een vriend van oom Dirk," antwoordt de olifantenjager.

»Zoo," zegt Reinard Jansen.

Zijn voorhoofd effent zich weder.

»Geachte vrienden! Ik reken het mij tot een eer en voorrecht, hier als

gast van mijn hooggeschatten gastheer Dirk Kloppers en zijne wakkere

gade aan dit feest ter herinnering aan eene heugelijke

familiegebeurtenis tegenwoordig te mogen zijn."

Er gaat een goedkeurend gemompel door het ruime groote vertrek.

»Uit den grond van mijn hart verblijd ik mij in dit feest, en ik hoop,

dat mijn hooggeschatte gastheer en zijne wakkere gade hun kleinkinderen

en hun achterkleinkinderen nog mogen zien opgroeien tot waardige leden

van de Republiek, die gij liefhebt, [goed gezegd] en die ik hoogacht.

[_Luide toejuichingen._] Ik spreek dan ook den wensch uit, dat de

tweelingen, die gisteren te Buffelspoort zijn geboren--"

»Buffelskloof," verbetert de accurate overgrootmoeder.

»Of beter gezegd te Buffelskloof, niet de laatste achterkleinkinderen

mogen zijn, die aan onze geachte jubilarissen zijn geboren, en dat

Kloppers' geslachtsboom onder des Heeren zegen moge groeien en bloeien

en de takken wijd uitspreiden in de vier winden des hemels, tot in

lengte van dagen!"

Met groote geestdrift worden deze woorden toegejuicht, en Charles is

plotseling de held van den avond.

Zelfs Reinard Jansen voelt zich gedrongen tot de opmerking: »Dat

Roodbaatje heeft banjer[2] goed gesproken."

[2] Zeer.

Doch Marling verzoekt nog eens het woord.

»Waarde vrienden," begint hij opnieuw, »ik heb nog iets op het hart. Ge

weet, ik ben een Engelschman, en gij zijt Afrikaanders."

Jansen fronst opnieuw de zware wenkbrauwen.

»Ik durf nog meer te zeggen, ik heb eens tegen de boeren gevochten--bij

den Langnek."

Reinard Jansen springt op van zijn stoel, de olifantenjager slaat met

de harde vuist op de tafel, en zelfs de blauwe oogen van Dirk Kloppers

worden onrustig.

»Doch zonder dezen man"--Marling wijst op den gastheer--»zou ik

menschelijkerwijze gesproken den dag, die op het gevecht van Langnek

volgde, niet hebben gehaald. Hij, een Afrikaander, redde het leven van

mij, een Engelschman."

Jansen gaat weer zitten; de olifantenjager knikt bevredigd; de blauwe

oogen van Dirk Kloppers staan weer rustig als altijd.

»Deze zaak heeft mij intusschen veel te denken gegeven, en ik heb me

afgevraagd, of de gespannen verhouding, die tusschen het Engelsche en

het Hollandsch-Afrikaansche ras helaas bestaat, eeuwig als een vloek op

het zonnige Zuid-Afrika zal moeten blijven rusten. Ik heb mij

afgevraagd, of er geen verzoening denkbaar is."

»Neen," roept Reinard Jansen met harde stem, »ze is niet denkbaar!" doch

Dirk Kloppers zegt geen woord.

»Ik meen, dat ze wèl denkbaar is en uitvoerbaar ook," gaat Marling voort

met den gloed der overtuiging.

Hij houdt even stil; zijn oog glijdt over de vergadering heen, die met

aandacht, neen in spanning luistert, en aan het einde der tafel staat

Lena.

Hij tracht haar blik op te vangen, doch zij staat daar, de donkere

wimpers neergeslagen, vol angst en vreeze.

»Ik ben in de Kaapstad geweest, in de Kaapkolonie," gaat hij voort

met nadruk, »en ik heb waargenomen, dat de verzoening, die ik bedoel,

in de Kaapkolonie een voldongen feit zal worden. Neen, sterker nog,

die verzoening zal een verbroedering worden, en de gezegende dag

zal aanbreken, dat Efraïm Juda niet meer zal benijden. Vindt ge die

beeldspraak ongepast? Schudt ge daarom het hoofd, Reinard Jansen? Weet

ge dan niet, dat de Boeren en de Engelschen ten slotte uit denzèlfden,

Germaanschen stam zijn gesproten? Zouden wij ons dan niet verblijden in

de verzoening van de twee blanke rassen in dit zuidelijk wereldrond, op

wier schouders de almachtige God zoo'n heerlijke en gewichtige taak

heeft gelegd? Afrikaansche Boeren! Ik noem u mijne broeders, en ik hef

dit glas op gevuld met den edelen Afrikaanschen wijn--laten wij klinken

op den man die meer dan iemand anders het grootsche ideaal tracht te

verwerkelijken: verzoening tusschen Engelschen en Afrikaanders--ik

bedoel den hoogbegaafden eersten minister der Kaapkolonie--ik bedoel

Cecil Rhodes!"

Het woord is er uit.

Lena verbleekt.

Nog altijd staat Marling met het opgeheven glas, doch niemand verroert

zich.

Er heerscht een drukkende, benauwende stilte--de stilte, die storm en

onweer voorafgaat.

En dat onweer komt reeds opzetten. Reeds zwelt de blauwe ader op langs

de rechterslaap van Reinard Jansen, doch bij Charles Marling komt de

Engelschman boven.

»Is er niemand?" vraagt hij met verheffing van stem, »die met mij

drinken wil op Cecil Rhodes, dan zal ik het alleen doen--op Cecil

Rhodes! op den grootsten man van Zuid-Afrika!" en hij drinkt het glas

leeg in éénen teug.

Maar Reinard Jansen springt op, en slingert den stoel, waarop hij

gezeten had, tegen den muur.

»Laat _ik_ er op antwoorden," zegt hij, doch Dirk Kloppers, die reeds

was opgestaan, wenkt hem, om te zwijgen.

Aller oogen zijn nu beurtelings op Dirk Kloppers en den Engelschman

gevestigd.

»Jonge man," zegt de grijsaard op bedaarden toon, en zijn blauwe oogen

rusten met waardigheid op Charles Marling, »wij hebben uwe woorden

gehoord, en het spijt mij meer, dan ik zeggen kan, dat gij ze hier, bij

een familiefeest, hebt gesproken. 't Is een wanklank in ons feest!"

»Oom Kloppers," antwoordt de Engelschman met die christelijke

bescheidenheid, die zoo weldadig aandoet, »het was niet mijne bedoeling,

om een wanklank te brengen in dit feest."

»Ik weet het," zegt Dirk Kloppers, »maar gij moogt u geen oordeel

aanmatigen over toestanden, waarvan gij nauwlijks een oppervlakkige

kennis hebt. Gij spreekt van verzoening--zeker, wat is schooner dan

verzoening? Doch als er van verzoening sprake is, dan behoort toch ook

het onrecht weggenomen te worden of erkend, dat aan die verzoening

in den weg staat--vindt ge niet? Wie was hier in Afrika steeds de

verongelijkte en de vertrapte? Kent gij de geschiedenis van de vijf

Afrikaansche Boeren, die op _Slachtersnek_ hun vonnis zouden ontvangen?

Zij hadden een staatkundige dwaasheid begaan, ik erken het, een

dwaasheid, maar er kleefde aan hun handen geen bloed, en zij hadden den

strop niet verdiend. Toch werden zij tot den strop veroordeeld, maar

de barmhartige God had erbarming met die ongelukkigen en liet de galg

breken. De vrouwen en de kinderen der ongelukkigen smeekten op hun

knieën om vergiffenis,--zeg, Charles Marling, toen had Engeland het

groote woord van genade en vergiffenis moeten uitspreken, meent ge niet?

Maar weet ge, hoe de Engelsche genade en verzoening er uitziet? Als de

galg, die op dien dag ten tweeden male op Slachtersnek werd opgericht,

waaraan, voor het oog van handenwringende vrouwen en snikkende kinderen,

de vijf ongelukkigen ten tweede male werden opgehangen!"

De oude Kloppers is warm geworden; die rijzige gestalte schijnt nog te

rijzen. Toorn, droefheid en verontwaardiging flikkeren uit die blauwe

oogen. En terwijl zijn woord een machtig echo vindt in de harten der

gasten, staat Charles Marling daar, beurtelings bleek en rood. Hij bijt

zich op de lippen, dat het bloed te voorschijn komt, en hij heeft een

gevoel, alsof al de beschuldigingen, tegen Engeland uitgesproken, op

_zijne_ schouders worden neergelegd.

Hij stut zich met de hand aan de tafel, om niet te bezwijken.

»Verzoening--'t is een liefelijk woord," begint de grijze voortrekker

opnieuw, »doch wie heeft de arme Emigranten-Boeren in 1835 genoodzaakt,

om vreemde landen in te trekken, onder wilde beesten en nog wilder

kaffers? Wie heeft Natal ingepalmd, het wettig eigendom der Boeren? Wie

beroofde ons in 1877 van onze vrijheid, en gaf ze ons eerst terug, toen

wij de Engelsche huurlingen van den Amajuba hadden gehaald? Wie anders

dan Engeland?"

»Ge noemdet daar Cecil Rhodes," gaat hij voort op langzamer toon.

»Zeker, Cecil Rhodes is een man met een ijzeren wil en groote gaven,

doch als zulke menschen den verkeerden weg opgaan, dan zijn zij dubbel

gevaarlijk."

Marling kijkt even op; hij schijnt een opmerking te willen maken, doch

hij houdt ze in.

»Dubbel gevaarlijk," herneemt baas Kloppers, »en het oude spreekwoord

heeft nog niets van zijn beteekenis verloren:

Als de vos de passie spreekt,

Boer, pas op je ganzen.

Hij, Cecil Rhodes, is een sluwe vos. Reeds heeft hij onze Afrikaansche

broeders in de Kaapkolonie in het slagnet gevangen, dat hij zoo listig

heeft gesteld. Doch wij, Boeren van over de Vaal, die de voorhoede

vormen van het Afrikaansche leger, _wij_, die in kruitdamp en

oorlog zijn opgegroeid, wij, die ruim baan hebben gemaakt voor het

Hollandsch-Afrikaansch element, wij kènnen de vossensluwheid van Cecil

Rhodes. Aan hem hebben wij het te danken, dat Stellaland en het land

Gosen, die bij onze Republiek behoorden, aan de Kaapkolonie zijn

gehecht. En door ten Noorden van ons land het rijk der Matabelekaffers

voor zijne Gecharterde Compagnie op te eischen, heeft hij onze Republiek

in ijzeren kluisters vastgelegd en een slagboom laten vallen, dien wij

niet straffeloos kunnen overschrijden.

_Wij kunnen niet meer trekken._ Wij zijn door Engeland omsingeld als het

edele wild door een schaar groote honden.

Doch dit is nog niet genoeg. Luistert, vrienden, naar hetgeen ik u

zeg: Cecil Rhodes is op dit oogenblik in Engeland, maar hij zal wel

terugkomen, en niet tevreden zijn, alvorens hij de vrijheid van de

Zuid-Afrikaansche Republiek onder zijn voeten heeft vertreden, en zijn

haan koning kan kraaien op de goudvelden van den Witwaterrand."[3]

[3] In Zuidelijk Transvaal.

»En op dezen man zal ik klinken en drinken?" roept hij met dreunende

stem. »Zoo waarachtig als ik leef, ik zal het _niet_ doen. Maar

dezen wensch spreek ik uit, dat de almachtige God, Die het schild en het

betrouwen is van alle oprechte Afrikaansche Boeren, de raadslagen van

dezen Engelschen Achitofel moge verijdelen en verbrijzelen, zooals ik

dit glas verbrijzel!"

Hij neemt het glas, gevuld met den edelen, Afrikaanschen wijn, met vaste

hand op, en werpt het met een harden slag tegen den vloer, dat het in

duizend scherven vliegt.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 10 / 53 题