De avond was gevallen en baas Kloppers zat bij den vlammenden haard zijn
vrouw het jongste nieuws voor te lezen uit »de Volksstem", toen zijn
scherp gehoor het geluid van drukke stemmen en van paardegetrappel
opving.
»Dat begrijp ik niet," zeide de oude Kloppers en hij ging naar buiten.
Hij zette de handen in de zijde en riep verbaasd: »Daar schijnt een heel
kommando aan te komen!"
Nu waren de ruiters op het erf aangekomen, en terwijl reeds eenige
Kaffers kwamen aanloopen, om de paarden in den stal te brengen, sprongen
de boeren snel uit het zaâl, kwamen op baas Kloppers aanhollen, alsof
zij hem omver wilden loopen, schudden zijn hand en riepen: »Oom Dirk,
we komen je van avond eens gelukwenschen met de jongste tweelingen van
Buffelskloof!"
Nu was de grijsaard er achter.
Met een vroolijken lach begroette hij de ruiters en zeide: »Dank je,
mannen, dank je! Daar doe je nu eens goed aan! Dat is echte Afrikaansche
vriendschap, die op den laten avond nog mijn hart verheugt--komt
binnen!"
»Lena, waar zit jij?" riep hij. »Haal eens gauw eenige flesschen wijn!"
Met de hulp der vrienden werd met bekwamen spoed een lange tafel in orde
gesteld, en men nam plaats.
Het leverde wel een eigenaardig gezicht op.
Daar hadt ge Hans Veen, den kleermaker, die vermaard was door zijn
onmiskenbaar talent, om op de onmogelijkste dingen een rijm te
fabriceeren, en naast hem zat--met dat leuk en effen gelaat--een
zwartgebaarde boer. Eenige zetels verder werd het oog geboeid door
den echten Nimrodskop van een vermetelen olifantenjager, die soms
zes maanden achtereen in het hooge noorden zwierf, op de jacht van
olifanten en nijlpaarden, en recht tegenover den ouden Kloppers zat Kees
Lakenvelder, evenals baas Kloppers het hoofd van een groote, geachte
familie. In het geheim werd gemompeld, dat er in zijn hart altijd een
kleine jaloezie opkwam, wanneer men hem vertelde, dat Kloppers toch
eigentlijk nog een mooieren veestapel had dan hij, doch dat daargelaten
was hij een flink Afrikaander, gul en gastvrij, en de nationale zaak met
hart en ziel toegedaan.
In het midden der tafel hadden Dirk Kloppers en zijne vrouw plaats
genomen, beiden met een glimlach van voldoening op het gelaat, en de
petroleumlamp, die reeds sedert jaren het sobere licht der vetkaars op
Vredenoord had verdrongen, wierp over al die vroolijke en lachende
menschen haar helder en rustig licht.
Intusschen bediende Lena met vaardige hand de gasten.
»Nu, neef Dirk en nicht Anna," zeide baas Lakenvelder, »op de gezondheid
van de tweelingen!" en hij dronk het glas leeg in éénen teug.
»En ik hoop, dat ze binnen het jaar mogen loopen," meende de
zwartgebaarde, terwijl hij reeds het tweede glas te pakken had.
»En dat ze wakkere Afrikaanders mogen worden en moedige jagers!" riep de
zware stem van den olifantenjager.
»'t Eene is een meisje," zeide grootmoeder Kloppers terechtwijzend,
welke opmerking met een algemeen, schaterend gelach werd begroet.
Het is inderdaad een gezellig, prettig avondfeest, en terwijl geen ruw
woord, nog minder een vloek wordt vernomen, doet menige onschuldige
kwinkslag de rondte. En juist zal de olifantenjager zijn jongste
jachtavonturen mededeelen, als hij in zijn voornemen wordt gestuit door
de komst van Geertrui en van Reinard Jansen, een zoon van grootmoeder
Kloppers' broeder Lodewijk[1].
[1] Zie »Helden van Zuid-Afrika".
Reinard Jansen is zoo pas bij Geertrui aangekomen, wil van nacht op
Vredenoord logeeren, en morgen zijn reis voortzetten naar huis.
Hij telt ruim vijftig jaren, en is, evenals de meeste Boeren een
forsche, rijzige, breedgeschouderde figuur. Zij, die zijn vader Lodewijk
Jansen, Dirk Kloppers' zwager, hebben gekend, zeggen, dat hij van al
de kinderen het meest van zijn vader weg heeft: dat breede, krachtige,
stalen voorhoofd, die zware wenkbrauwen, die strenge flikkerende oogen
en die vastberaden en onverzettelijke trek om de mondhoeken. Een
vreemdeling zou hem van hardheid beschuldigen, en in hoever deze
beschuldiging waar is, wil ik thans niet beoordeelen, doch dit durf ik
te zeggen: wat Reinard Jansen is, dat is hij geheel--geducht als vijand,
trouw als vriend! Hij houdt zich met geen praatjes op; ge weet, wat ge
aan hem hebt, en hij en zijns gelijken zijn de ruwe maar sterke en
vertrouwbare zuilen, waarop de Zuid-Afrikaansche Republiek rust.
Met verwondering gaat zijn oog over die vroolijke, lachende gezichten,
waarvan hij er verscheidene persoonlijk kent, en terwijl hij de
overgrootouders gelukwenscht met de vermeerdering der familie, zet hij
zich naast den olifantenjager neder.
Doch het is nu een oogenblik stil geworden, en van deze gelegenheid
maakt Charles Marling gebruik, om op te staan en zijn glas op te nemen.
»Geachte vrienden!" zegt hij met zijn welluidende stem.
»Wie is dat?" vraagt Jansen aan den olifantenjager, terwijl zijn
voorhoofd zich fronst, want aan het accent heeft hij onmiddellijk den
Engelschman herkend.
»Een vriend van oom Dirk," antwoordt de olifantenjager.
»Zoo," zegt Reinard Jansen.
Zijn voorhoofd effent zich weder.
»Geachte vrienden! Ik reken het mij tot een eer en voorrecht, hier als
gast van mijn hooggeschatten gastheer Dirk Kloppers en zijne wakkere
gade aan dit feest ter herinnering aan eene heugelijke
familiegebeurtenis tegenwoordig te mogen zijn."
Er gaat een goedkeurend gemompel door het ruime groote vertrek.
»Uit den grond van mijn hart verblijd ik mij in dit feest, en ik hoop,
dat mijn hooggeschatte gastheer en zijne wakkere gade hun kleinkinderen
en hun achterkleinkinderen nog mogen zien opgroeien tot waardige leden
van de Republiek, die gij liefhebt, [goed gezegd] en die ik hoogacht.
[_Luide toejuichingen._] Ik spreek dan ook den wensch uit, dat de
tweelingen, die gisteren te Buffelspoort zijn geboren--"
»Buffelskloof," verbetert de accurate overgrootmoeder.
»Of beter gezegd te Buffelskloof, niet de laatste achterkleinkinderen
mogen zijn, die aan onze geachte jubilarissen zijn geboren, en dat
Kloppers' geslachtsboom onder des Heeren zegen moge groeien en bloeien
en de takken wijd uitspreiden in de vier winden des hemels, tot in
lengte van dagen!"
Met groote geestdrift worden deze woorden toegejuicht, en Charles is
plotseling de held van den avond.
Zelfs Reinard Jansen voelt zich gedrongen tot de opmerking: »Dat
Roodbaatje heeft banjer[2] goed gesproken."
[2] Zeer.
Doch Marling verzoekt nog eens het woord.
»Waarde vrienden," begint hij opnieuw, »ik heb nog iets op het hart. Ge
weet, ik ben een Engelschman, en gij zijt Afrikaanders."
Jansen fronst opnieuw de zware wenkbrauwen.
»Ik durf nog meer te zeggen, ik heb eens tegen de boeren gevochten--bij
den Langnek."
Reinard Jansen springt op van zijn stoel, de olifantenjager slaat met
de harde vuist op de tafel, en zelfs de blauwe oogen van Dirk Kloppers
worden onrustig.
»Doch zonder dezen man"--Marling wijst op den gastheer--»zou ik
menschelijkerwijze gesproken den dag, die op het gevecht van Langnek
volgde, niet hebben gehaald. Hij, een Afrikaander, redde het leven van
mij, een Engelschman."
Jansen gaat weer zitten; de olifantenjager knikt bevredigd; de blauwe
oogen van Dirk Kloppers staan weer rustig als altijd.
»Deze zaak heeft mij intusschen veel te denken gegeven, en ik heb me
afgevraagd, of de gespannen verhouding, die tusschen het Engelsche en
het Hollandsch-Afrikaansche ras helaas bestaat, eeuwig als een vloek op
het zonnige Zuid-Afrika zal moeten blijven rusten. Ik heb mij
afgevraagd, of er geen verzoening denkbaar is."
»Neen," roept Reinard Jansen met harde stem, »ze is niet denkbaar!" doch
Dirk Kloppers zegt geen woord.
»Ik meen, dat ze wèl denkbaar is en uitvoerbaar ook," gaat Marling voort
met den gloed der overtuiging.
Hij houdt even stil; zijn oog glijdt over de vergadering heen, die met
aandacht, neen in spanning luistert, en aan het einde der tafel staat
Lena.
Hij tracht haar blik op te vangen, doch zij staat daar, de donkere
wimpers neergeslagen, vol angst en vreeze.
»Ik ben in de Kaapstad geweest, in de Kaapkolonie," gaat hij voort
met nadruk, »en ik heb waargenomen, dat de verzoening, die ik bedoel,
in de Kaapkolonie een voldongen feit zal worden. Neen, sterker nog,
die verzoening zal een verbroedering worden, en de gezegende dag
zal aanbreken, dat Efraïm Juda niet meer zal benijden. Vindt ge die
beeldspraak ongepast? Schudt ge daarom het hoofd, Reinard Jansen? Weet
ge dan niet, dat de Boeren en de Engelschen ten slotte uit denzèlfden,
Germaanschen stam zijn gesproten? Zouden wij ons dan niet verblijden in
de verzoening van de twee blanke rassen in dit zuidelijk wereldrond, op
wier schouders de almachtige God zoo'n heerlijke en gewichtige taak
heeft gelegd? Afrikaansche Boeren! Ik noem u mijne broeders, en ik hef
dit glas op gevuld met den edelen Afrikaanschen wijn--laten wij klinken
op den man die meer dan iemand anders het grootsche ideaal tracht te
verwerkelijken: verzoening tusschen Engelschen en Afrikaanders--ik
bedoel den hoogbegaafden eersten minister der Kaapkolonie--ik bedoel
Cecil Rhodes!"
Het woord is er uit.
Lena verbleekt.
Nog altijd staat Marling met het opgeheven glas, doch niemand verroert
zich.
Er heerscht een drukkende, benauwende stilte--de stilte, die storm en
onweer voorafgaat.
En dat onweer komt reeds opzetten. Reeds zwelt de blauwe ader op langs
de rechterslaap van Reinard Jansen, doch bij Charles Marling komt de
Engelschman boven.
»Is er niemand?" vraagt hij met verheffing van stem, »die met mij
drinken wil op Cecil Rhodes, dan zal ik het alleen doen--op Cecil
Rhodes! op den grootsten man van Zuid-Afrika!" en hij drinkt het glas
leeg in éénen teug.
Maar Reinard Jansen springt op, en slingert den stoel, waarop hij
gezeten had, tegen den muur.
»Laat _ik_ er op antwoorden," zegt hij, doch Dirk Kloppers, die reeds
was opgestaan, wenkt hem, om te zwijgen.
Aller oogen zijn nu beurtelings op Dirk Kloppers en den Engelschman
gevestigd.
»Jonge man," zegt de grijsaard op bedaarden toon, en zijn blauwe oogen
rusten met waardigheid op Charles Marling, »wij hebben uwe woorden
gehoord, en het spijt mij meer, dan ik zeggen kan, dat gij ze hier, bij
een familiefeest, hebt gesproken. 't Is een wanklank in ons feest!"
»Oom Kloppers," antwoordt de Engelschman met die christelijke
bescheidenheid, die zoo weldadig aandoet, »het was niet mijne bedoeling,
om een wanklank te brengen in dit feest."
»Ik weet het," zegt Dirk Kloppers, »maar gij moogt u geen oordeel
aanmatigen over toestanden, waarvan gij nauwlijks een oppervlakkige
kennis hebt. Gij spreekt van verzoening--zeker, wat is schooner dan
verzoening? Doch als er van verzoening sprake is, dan behoort toch ook
het onrecht weggenomen te worden of erkend, dat aan die verzoening
in den weg staat--vindt ge niet? Wie was hier in Afrika steeds de
verongelijkte en de vertrapte? Kent gij de geschiedenis van de vijf
Afrikaansche Boeren, die op _Slachtersnek_ hun vonnis zouden ontvangen?
Zij hadden een staatkundige dwaasheid begaan, ik erken het, een
dwaasheid, maar er kleefde aan hun handen geen bloed, en zij hadden den
strop niet verdiend. Toch werden zij tot den strop veroordeeld, maar
de barmhartige God had erbarming met die ongelukkigen en liet de galg
breken. De vrouwen en de kinderen der ongelukkigen smeekten op hun
knieën om vergiffenis,--zeg, Charles Marling, toen had Engeland het
groote woord van genade en vergiffenis moeten uitspreken, meent ge niet?
Maar weet ge, hoe de Engelsche genade en verzoening er uitziet? Als de
galg, die op dien dag ten tweeden male op Slachtersnek werd opgericht,
waaraan, voor het oog van handenwringende vrouwen en snikkende kinderen,
de vijf ongelukkigen ten tweede male werden opgehangen!"
De oude Kloppers is warm geworden; die rijzige gestalte schijnt nog te
rijzen. Toorn, droefheid en verontwaardiging flikkeren uit die blauwe
oogen. En terwijl zijn woord een machtig echo vindt in de harten der
gasten, staat Charles Marling daar, beurtelings bleek en rood. Hij bijt
zich op de lippen, dat het bloed te voorschijn komt, en hij heeft een
gevoel, alsof al de beschuldigingen, tegen Engeland uitgesproken, op
_zijne_ schouders worden neergelegd.
Hij stut zich met de hand aan de tafel, om niet te bezwijken.
»Verzoening--'t is een liefelijk woord," begint de grijze voortrekker
opnieuw, »doch wie heeft de arme Emigranten-Boeren in 1835 genoodzaakt,
om vreemde landen in te trekken, onder wilde beesten en nog wilder
kaffers? Wie heeft Natal ingepalmd, het wettig eigendom der Boeren? Wie
beroofde ons in 1877 van onze vrijheid, en gaf ze ons eerst terug, toen
wij de Engelsche huurlingen van den Amajuba hadden gehaald? Wie anders
dan Engeland?"
»Ge noemdet daar Cecil Rhodes," gaat hij voort op langzamer toon.
»Zeker, Cecil Rhodes is een man met een ijzeren wil en groote gaven,
doch als zulke menschen den verkeerden weg opgaan, dan zijn zij dubbel
gevaarlijk."
Marling kijkt even op; hij schijnt een opmerking te willen maken, doch
hij houdt ze in.
»Dubbel gevaarlijk," herneemt baas Kloppers, »en het oude spreekwoord
heeft nog niets van zijn beteekenis verloren:
Als de vos de passie spreekt,
Boer, pas op je ganzen.
Hij, Cecil Rhodes, is een sluwe vos. Reeds heeft hij onze Afrikaansche
broeders in de Kaapkolonie in het slagnet gevangen, dat hij zoo listig
heeft gesteld. Doch wij, Boeren van over de Vaal, die de voorhoede
vormen van het Afrikaansche leger, _wij_, die in kruitdamp en
oorlog zijn opgegroeid, wij, die ruim baan hebben gemaakt voor het
Hollandsch-Afrikaansch element, wij kènnen de vossensluwheid van Cecil
Rhodes. Aan hem hebben wij het te danken, dat Stellaland en het land
Gosen, die bij onze Republiek behoorden, aan de Kaapkolonie zijn
gehecht. En door ten Noorden van ons land het rijk der Matabelekaffers
voor zijne Gecharterde Compagnie op te eischen, heeft hij onze Republiek
in ijzeren kluisters vastgelegd en een slagboom laten vallen, dien wij
niet straffeloos kunnen overschrijden.
_Wij kunnen niet meer trekken._ Wij zijn door Engeland omsingeld als het
edele wild door een schaar groote honden.
Doch dit is nog niet genoeg. Luistert, vrienden, naar hetgeen ik u
zeg: Cecil Rhodes is op dit oogenblik in Engeland, maar hij zal wel
terugkomen, en niet tevreden zijn, alvorens hij de vrijheid van de
Zuid-Afrikaansche Republiek onder zijn voeten heeft vertreden, en zijn
haan koning kan kraaien op de goudvelden van den Witwaterrand."[3]
[3] In Zuidelijk Transvaal.
»En op dezen man zal ik klinken en drinken?" roept hij met dreunende
stem. »Zoo waarachtig als ik leef, ik zal het _niet_ doen. Maar
dezen wensch spreek ik uit, dat de almachtige God, Die het schild en het
betrouwen is van alle oprechte Afrikaansche Boeren, de raadslagen van
dezen Engelschen Achitofel moge verijdelen en verbrijzelen, zooals ik
dit glas verbrijzel!"
Hij neemt het glas, gevuld met den edelen, Afrikaanschen wijn, met vaste
hand op, en werpt het met een harden slag tegen den vloer, dat het in
duizend scherven vliegt.