HOOFDSTUK II.

Marling had aan zijn patroons acht weken vakantie gevraagd en gekregen.

Was deze tijd verstreken, dan zou hij de noodige stappen doen, om in

Johannesburg de filiale op te richten.

Wel was het oorspronkelijk zijn voornemen geweest, om veertien dagen

op Vredenoord te vertoeven, en den overigen vakantietijd te besteden

voor een reis naar de belangrijkste punten in de Transvaal en de

zusterrepubliek, den Oranje-Vrijstaat. Doch de stelligste plannen kunnen

schipbreuk lijden, en reeds zes weken was de Engelschman de gast van

Vredenoord.

Lena's blauwe oogen hadden er schuld aan, en grootmoeder Kloppers,

wier oogen oud begonnen te worden, keek op dàt punt nog heel scherp,

en Marling schertsend op den schouder kloppend, had zij eens gezegd:

»Roodbaatje, ik denk, dat jij nog weleens met een Afrikaansche zult

trouwen."

Doch Marling zelf had tot op dezen morgen met niemand over de teedere

zaak gesproken, zelfs niet met Lena, die zoo even met een vollen emmer

melk in het »kookhuis", tegenover het woongebouw, was verdwenen.

De oprijlaan af naderde thans de oude Kloppers.

Hij had het geweer over den rug en den bandelier met de scherpe patronen

over den schouder.

Hem volgden, achter elkander, twee kaffers. Zij droegen een langen staak

op den schouder. Aan dien staak, met de pooten er aan vastgebonden, hing

een geschoten reebok.

De kleine Sien, op één na het jongste kind van Jan Kloppers, had haar

grootvader reeds zien aankomen, en trippelde hem, hoofd en armen

zwaaiend, met kluchtigen ijver tegemoet.

Nu had zij hem bereikt.

Zij legde het hoofdje in den nek, rukte hem aan de pilowsche broekspijp

en riep met een smeekend stemmetje: »Opa--op! op!"

Meer wist zij nog niet te zeggen, doch de oude Kloppers nam de kleine

dreumes van den grond, en beurde ze met zijn gespierde handen hoog de

lucht in, zoodat ze 't uitkraaide van plezier.

Dan nam hij ze op zijn arm, en de kleine sloeg de bloote, mollige

armpjes om zijn stevigen nek. Zij rukte en plukte met de kleine vingers

in zijn haar, en vleide de zachte, bloozende koontjes tegen het

verweerde gelaat van den ouden Voortrekker.

Marling bekeek intusschen den reebok, dien de kaffers voor de huisdeur

hadden neergelegd.

»'t Is een prachtige bok--hebt _gij_ hem geschoten?" vraagde Charles.

»Dat denk ik wel," antwoordde baas Kloppers; »ik schoot hem op drie

honderd meter afstands."

»Gij zijt een eerste schutter," meende Marling.

»Waarom?" vraagde de grijsaard droogjes.

»Wel--omdat ge den reebok op driehonderd meter hebt geschoten," zeide de

Engelschman.

»Dat is geen bewijs," hernam de oude Kloppers. »Ge moet onderzoeken, of

de reebok maar één kogel heeft gehad--dat is de hoofdzaak."

Marling onderzocht den geschoten bok.

»Ik kan slechts één wond ontdekken--tusschen de oogen."

»Ge zult ook lang kunnen zoeken naar de tweede," meende de Voortrekker

bedaard.

Vorschend liet hij den blik in 't ronde gaan.

»Ziet gij den roofvogel daar, in den top van dien gomboom?"

»Ik zie hem," zeide Charles.

»Hoe groot schat ge den afstand tusschen ons en dien roofvogel?"

»Den afstand--" zeide Marling, »den afstand--dat weet ik niet. Misschien

honderd meter."

»Honderd meter?" zeide Kloppers; »honderd meter? 't zijn ruim honderd

zestig meter, wat ik je zeg. Ge zult nooit een goed schot doen, als ge

den afstand niet kunt bepalen."

Hij keek nog eens naar den roofvogel, die met afgewenden kop zat te

loeren op een prooi.

De scherpschutter kwam weer boven.

Hij nam een scherpe patroon uit den bandelier, en schoof ze in den loop

van het geweer.

»Kijk Charles," zeide hij onderrichtend, »naar den afstand wordt het

vizier gesteld, en als gindsche roofvogel mij nog tien seconden gunt,

dan haalt mijn kogel hem uit de kroon van den gomboom, of--ik kan den

afstand niet meer schatten."

Hij legde aan--een kleine vuurstraal glipte uit den loop van het

geweer--een korte, scherpe knal--de roofvogel spreidde de zware vleugels

uit, tuimelde rond en viel dood tegen den grond.

»Die zal mijn duiven geen kwaad meer doen," zeide de Voortrekker

kalmpjes.

»Dat denk ik ook niet," zeide de Engelschman, terwijl hij vol

verwondering was over de vaste hand van dezen tachtiger, en hij was

juist van plan, om den roofvogel te halen, toen een vreemde kaffer te

paard het erf kwam oprijden.

Hij hield recht op baas Kloppers aan.

»Dat is de kafferknecht van één mijner kleinzoons, die te Buffelskloof

woont," zeide de grijsaard tot Marling.

Vervolgens wendde hij zich tot den kaffer en zeide: »Zoo Februari, wat

breng je voor nieuws?"

»Hier baas," zeide de kaffer, die Februari heette, en reikte een brief

over.

De oude Kloppers opende het couvert, en al lezende begon zijn verweerd

gelaat te stralen van blijdschap.

»Goed nieuws," zeide hij tot den Engelschman, »goed nieuws, hoor!"

»Mag ik weten, welk nieuws?" vraagde Marling.

»Raad maar eens, Charles, raad maar eens!" riep de Voortrekker op

vroolijken toon.

»Misschien is er een goudmijn ontdekt op één uwer plaatsen," meende

Marling.

»Een goudmijn," zeide de grijsaard met een minachtend gebaar, »een

goudmijn! God schenkt mij overvloed--wat geef ik om een goudmijn?"

»Goed--dan hebt ge er zeker een achterkleinzoon bij gekregen,"

schertste Charles, waarop de grijsaard, den Engelschman joviaal op den

schouder kloppend, lachend zeide: »Roodbaatje, ik geloof wezenlijk, dat

ge zoetjes aan den Boer der Afrikaansche wildernis begint te begrijpen.

Kom, wij zullen moeder de vrouw eens verrassen!"

Ze gingen samen naar binnen, en de oude Voortrekker riep met krachtvolle

stem: »De Kloppersstam bloeit nog, Anneke!"

»Van wien komt de tijding?" vraagde de oude vrouw.

»Van Buffelskloof," zeide de grijsaard.

»Kom aan," zeide zij op opgewekten toon, »en hoe maakt het de moeder?"

»Uitstekend--zij heeft zelf den brief geschreven."

»Is het een jongen?"

»Een Transvaalsche Boer--ben jij daar nu blij mee, Anneke?"

»Ik wel," zeide zij vroolijk.

»Nu ge je zoo goed houdt," meende de oude Kloppers lachend, »krijg je er

nog een meisje bij, want er zijn te Buffelskloof tweelingen geboren."

»Hoeveel kleinkinderen hebt ge nu al, oom Kloppers?" vraagde Marling.

»Wat denk je?" zeide Kloppers.

»Vijftig," meende Charles, die nu eens veel wilde raden.

»Een en zeventig," riep de oude Voortrekker met eenigen trots.

»'t Zijn er twee en zeventig," zeide de oude vrouw, die inmiddels de

hoornen bril opzocht, om den brief te lezen.

»En hoeveel achterkleinkinderen denkt ge, dat ik heb?" vraagde de

Voortrekker.

»Tachtig," zeide Marling, vast overtuigd, dat hij thans ten minste te

hoog raamde.

»En achttien er bij," riep de grijsaard met klem.

»Twintig er bij," verbeterde de accurate overgrootmoeder; »ge vergeet de

tweelingen van Buffelspoort."

»'t Is waar ook," zeide de Voortrekker lachend.

* * * * *

Lena zette den gieter met water, waarmede zij bezig was, de bloemen te

besproeien, in het pad, en wenkte Marling.

Zij had bij het feit, dat aan grootvader Kloppers het honderdste

achterkleinkind was geboren, een bijzonder plan gemaakt.

»Kijk," zeide ze, »ik wil de oude luidjes heden avond eens verrassen.

Ginds in het nieuwe dorp--van den heuvel kunt ge den kerktoren zien--wil

ik van middag eens vertellen, welk heuchelijk feit er heeft plaats gehad

in onze familie. Ge zult zien, Charles, dan komen ze van avond allen

hier, om mijn grootouders te feliciteeren."

»En wat meer?" vraagde de Engelschman.

»Wel," zeide zij, »dan moest gij heden avond eens een mooi, toepasselijk

gedicht klaar hebben, om het feest op te luisteren."

»Een gedicht," riep Charles, »een mooi, toepasselijk gedicht, en dat nog

wel een Afrikaansch--al kon ik er mijn leven mee redden, Lena, ik vrees,

dat ik het niet klaar krijg!"

»Dat spijt mij," zeide zij teleurgesteld.

»Maar misschien begint mijn dichtader wel te vloeien, als ik van middag

mee mag naar het dorp," schertste Marling.

»Goed," zeide Lena in denzelfden toon, »jij gaat mee, maar jij zorgt dan

ook voor een gedicht!"

Na het eten werden de paarden gezadeld. Lena nam den goudvos, en Charles

besteeg den langbeenigen »Vijftigponder," die in den stal van baas

Kloppers werkelijk was opgefleurd.

Zoo reden zij samen door den stillen zomernamiddag, en na een rit van

een goed uur hadden zij het doel van hun tocht bereikt, het nieuw

aangelegde dorp.

Met belangstelling maakte Marling kennis met de breede, eentoonige,

ongeplaveide straten, die elkander rechthoekig sneden, met de stevige,

uit zware balken gemaakte schutskooi, waarin een bontgevlekte os stond

te brullen, met de lage, slechts één verdieping hooge huizen, met de

watervoor, die het dorp van water voorzag, met de groepen kinderen, die

langs den weg in het zand lagen te ravotten, en met de kunstelooze,

witgeverfde kerk, die, op een heuvel gebouwd, met haar slanken toren

reeds van verre zichtbaar was.

* * * * *

Een groot aantal kennissen en vrienden zijn opgezocht, die beloofd

hebben, heden avond op Vredenoord te komen, en Lena en Marling zijn nu

op den terugweg.

Pratend, keuvelend en schertsend rijden zij door, en zij hebben den

leêren teugel los over den nek hunner paarden geworpen, die reeds

verscheidene minuten stappen.

Nu staakt het gesprek.

De zon neigt naar de westerkimme.

Het is een liefelijke avond; de drukkende hitte wordt getemperd door een

frissche koelte. Als sterren blinken de bloemen op het landschap, dat

twee dagen geleden door milde regenstroomen is verkwikt, en nauwlijks

beweegt zich het loover der opgaande boomen langs den heirweg.

»Wat schoone avond!" zegt Charles, als uit een gepeins ontwakend.

»Schoon," zegt Lena, »wonderschoon! Welk land is schooner dan ons

Afrika?"

»Ik zou, met u aan mijn zijde, heel Afrika willen doorkruisen," voegt

Charles er aan toe, Lena aanziende.

Er gaat een blos over haar gelaat--komt het van den weerschijn der

avondzon?

Doch snel gevat antwoordt zij: »Er zou een heele tijd mee gemoeid zijn,

vooral als we, zooals op dit oogenblik, slechts stapvoets vooruit

komen."

»Hoe langer het duurde, hoe liever," zegt Charles met een bijzonderen,

warmen klank in zijn stem.

»Is het u niet opgevallen, dat ik reeds zooveel weken op Vredenoord

vertoef? Begrijpt gij niet Lena, dat _gij_ er de oorzaak van zijt?"

Een hoogrood kleurt haar wangen--neen, dat komt niet van den weerschijn

der avondzon!

»Hoe zoo?" vraagt zij, doch met één grijpt zij den toom van haar paard,

en geeft het een slag met het vlak van haar hand.

De goudvos springt steigerend op, doch Marling roept dringend: »Lena,

gun mij dit oogenblik--dit éénige oogenblik!"

Lena houdt den teugel in van haar paard.

»Zie Lena," zegt hij, »ik sta hier alleen in een vreemd land; aan

een eigen haard zou ik willen zitten, in een eigen tehuis. Wanneer ik

moegesloofd het kantoor verlaat, dan zou ik aan mijn eigen haard willen

uitrusten, en mijn liefste wensch zou in vervulling gaan, indien uw

vriendelijk oog mij welkom toeriep. Hand aan hand met u, Lena, zou

ik door de wereld willen gaan, lief en leed, smart en vreugde met u

deelend, zooals een rechtschapen man dat deelt met de vrouw zijner

keuze!"

Zoo spreekt Charles Marling, en hij zegt nog veel meer, zooals het

oogenblik het hem ingeeft, doch Lena schudt droevig het hoofd.

Met vochtige oogen staart zij hem aan, den eenzamen man, en zegt:

»Charles, laten wij met elkander spreken als verstandige menschen. Gij

hebt in de kringen, waarin gij zult moeten verkeeren, eene andere vrouw

noodig dan een meisje, dat is opgegroeid in de Transvaalsche wildernis."

»O neen," herneemt hij ijverig, »in een Republiek, waar de vrouw van

den machtigen Paul Kruger eene Afrikaansche Boerendochter is, daar durf

ik het gerust met u te wagen. Bovendien, ik zou met u te Windsor durven

verschijnen, aan het hof van koningin Victoria."

»Ja durven--dat kan waar zijn," meent Lena, »maar dat zou voor u te

pijnlijker zijn, indien uw vrouw eene dwaze figuur maakte!"

»Och kom," zegt Charles half schertsend, »als dàt het grootste bezwaar

is, dan loopt het nog al los."

»Er is een grooter bezwaar," zegt Lena op langzamen, ernstigen toon.

»Ik ben een kind van Afrika, en hang met al de vezelen van mijn hart aan

mijn volk. Gij zijt een Engelschman, Charles--neen, val me nu niet in

de rede--laat mij uitspreken, want hier staat het levensgeluk van twee

menschen op het spel."

Zij houdt even op.

»Ga voort," dringt Marling in groote spanning.

»Gij zijt een Engelschman," herneemt Lena, »en gij hebt uw volk

lief als ik het mijne. Dat duid ik u niet ten kwade, Charles, want

reeds de groote Hollandsche dichter Vondel heeft gezongen: »De

liefde tot zijn land is ellek aangeboren." Doch het Engelsche en het

Hollandsch-Afrikaansche ras hier in het zuiden van ons werelddeel kunnen

elkander niet verdragen--we zullen nu laten rusten, wie er de schuld

van is--en worstelen met elkander om den voorrang. Dat baart moeite,

wrijving en strijd. Het verdeelt Zuid-Afrika in twee vijandelijke

kampen, en wij beiden trekken in dien strijd partij, want ik heb Afrika

lief, en úw hart klopt voor Engeland."

»Mijn hart klopt voor u, Lena," zegt Charles, »en dat is voor mij de

hoofdzaak. Trouwens gij weet toch ook wel, dat meer dan één Engelschman

met eene Afrikaansche is getrouwd."

Het meisje knikt bevestigend.

»En zijn dat slechte huwelijken geworden?" vraagt hij.

Zij trekt de schouders op.

»Ik weet het niet," zegt zij.

»Maar ik weet het wel," valt hij in; »het zijn gelukkige huwelijken

geworden," en terwijl een glimlach als een heldere zonnestraal

heenglijdt over zijn gelaat, gaat hij voort:

»Gij spreekt van een rassenstrijd, maar die rassenstrijd zal verhuizen

naar het schimmenrijk, en de brandende Afrikaansche kwestie zal met één

slag zijn opgelost, als Boeren en Engelschen zich verzwageren."

»Natuurlijk zoo, dat de Engelschen baas blijven," zegt Lena met een

vleugje humor in den ernstigen toon, doch Charles legt haar woorden

verkeerd uit en herneemt: »Wie denkt aan het baasschap, wanneer liefde

het hart verwarmt en de lippen opent! Ik had gehoopt, Lena, dat mijne

liefde u niet geheel onverschillig zou laten, maar gij spreekt zoo koel

en nuchter, dat ik wel tot de treurige gewisheid moet komen, dat er geen

vonkske liefde voor mij gloort in je hart."

Er ligt een onmiskenbare ontstemming, neen, meer dan dat: er ligt

zielepijn in zijn woorden, en Lena voelt er de bitterheid van.

»O Charles," barst zij uit, »dat ge dàt kunt zeggen! Geen vonkske

liefde, zegt ge? Weet ge dan niet, dat ik u liefheb?" en zij heft hare

betraande oogen en haar wonderschoon gelaat op tot den Engelschman.

»Weet ge dan niet, dat ik u liefheb?" zegt ze nog eens. »Heb ik u niet

lief--als een zuster den broeder?"

In ademlooze spanning hangt Marling's blik aan haar lippen, doch Lena

zwijgt, en peinzend gaan haar slanke vingers door de gele manen van haar

goudvos.

»O Lena," zegt hij nu met een stem, waarin hoop en vrees met elkander

worstelen, »gij spreekt van eene zusterlijke liefde, doch ik bedoel nog

eene andere liefde, die dieper gaat, en die ons over de afgronden van

den rassenhaat zal heendragen met lichten vleugelslag!"

Nog altijd spelen Lena's vingers met de manen van haar goudvos.

»Als het maar waar was!" zucht ze.

»O het is waar!" roept hij met welsprekenden mond; »ik neem de

verantwoordelijkheid op mij. En één ding vergeet ge, Lena, de hoofdzaak,

dat wij leven uit hetzelfde geloof, uit hetzelfde beginsel. Uw God is

mijn God, en deze geloofsgemeenschap zal ons scheepke veilig brengen

door alle golven en brandingen heen die gij, verstandig schepseltje,

ziet. Maar ge zult het gewaar worden, dat deze golven en brandingen

slechts in uw verbeelding bestaan, en later--later zullen wij over uw

schrikbeelden praten, zooals groote menschen praten over de spoken

hunner kinderjaren."

Hij wordt al welsprekender. Lena zegt geen woord meer, doch staart hem

in het vriendelijk gelaat, waarover thans, de lichtglans heentrekt der

scheidende avondzon. En nu hij heeft uitgesproken, houdt zij haar paard

stil, ziet hem bewogen in de lieve bruine oogen, reikt hem de hand en

zegt: »Charles, geef mij tijd, om over deze zaak te denken!"

Dan grijpt zij den teugel van haar paard en roept: »Voske, naar huis

toe!"

Het edele paard werpt den prachtigen kop omhoog, en slaat de slanke

pooten uit. Slechts met moeite kan de langbeenige »Vijftigponder" hem

bijhouden.

Wijd uit de verte klinkt, weemoedig en melodieus, het avondgelui van

het dorpstorentje, en uit de nabijheid komt het luide geblaf der groote

honden, die Kloppers' vee naar huis drijven, het geknal der zweepen, heb

geloei der beesten en het geblaat der schapen, die hun lammeren roepen.

Charles noch Lena spreken een woord.

Aan hun rechterkant breekt een hert door het bosch heen, en kruist in

snelle sprongen hun pad. En hoog boven hun hoofden kirt een boschduif,

zich wiegend in de kroon van een gomboom.

Doch de schaduwen der boomen worden langer, en de westerkimmen gloeien

als een zee van goud.

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 9 / 53 题