Marling had aan zijn patroons acht weken vakantie gevraagd en gekregen.
Was deze tijd verstreken, dan zou hij de noodige stappen doen, om in
Johannesburg de filiale op te richten.
Wel was het oorspronkelijk zijn voornemen geweest, om veertien dagen
op Vredenoord te vertoeven, en den overigen vakantietijd te besteden
voor een reis naar de belangrijkste punten in de Transvaal en de
zusterrepubliek, den Oranje-Vrijstaat. Doch de stelligste plannen kunnen
schipbreuk lijden, en reeds zes weken was de Engelschman de gast van
Vredenoord.
Lena's blauwe oogen hadden er schuld aan, en grootmoeder Kloppers,
wier oogen oud begonnen te worden, keek op dàt punt nog heel scherp,
en Marling schertsend op den schouder kloppend, had zij eens gezegd:
»Roodbaatje, ik denk, dat jij nog weleens met een Afrikaansche zult
trouwen."
Doch Marling zelf had tot op dezen morgen met niemand over de teedere
zaak gesproken, zelfs niet met Lena, die zoo even met een vollen emmer
melk in het »kookhuis", tegenover het woongebouw, was verdwenen.
De oprijlaan af naderde thans de oude Kloppers.
Hij had het geweer over den rug en den bandelier met de scherpe patronen
over den schouder.
Hem volgden, achter elkander, twee kaffers. Zij droegen een langen staak
op den schouder. Aan dien staak, met de pooten er aan vastgebonden, hing
een geschoten reebok.
De kleine Sien, op één na het jongste kind van Jan Kloppers, had haar
grootvader reeds zien aankomen, en trippelde hem, hoofd en armen
zwaaiend, met kluchtigen ijver tegemoet.
Nu had zij hem bereikt.
Zij legde het hoofdje in den nek, rukte hem aan de pilowsche broekspijp
en riep met een smeekend stemmetje: »Opa--op! op!"
Meer wist zij nog niet te zeggen, doch de oude Kloppers nam de kleine
dreumes van den grond, en beurde ze met zijn gespierde handen hoog de
lucht in, zoodat ze 't uitkraaide van plezier.
Dan nam hij ze op zijn arm, en de kleine sloeg de bloote, mollige
armpjes om zijn stevigen nek. Zij rukte en plukte met de kleine vingers
in zijn haar, en vleide de zachte, bloozende koontjes tegen het
verweerde gelaat van den ouden Voortrekker.
Marling bekeek intusschen den reebok, dien de kaffers voor de huisdeur
hadden neergelegd.
»'t Is een prachtige bok--hebt _gij_ hem geschoten?" vraagde Charles.
»Dat denk ik wel," antwoordde baas Kloppers; »ik schoot hem op drie
honderd meter afstands."
»Gij zijt een eerste schutter," meende Marling.
»Waarom?" vraagde de grijsaard droogjes.
»Wel--omdat ge den reebok op driehonderd meter hebt geschoten," zeide de
Engelschman.
»Dat is geen bewijs," hernam de oude Kloppers. »Ge moet onderzoeken, of
de reebok maar één kogel heeft gehad--dat is de hoofdzaak."
Marling onderzocht den geschoten bok.
»Ik kan slechts één wond ontdekken--tusschen de oogen."
»Ge zult ook lang kunnen zoeken naar de tweede," meende de Voortrekker
bedaard.
Vorschend liet hij den blik in 't ronde gaan.
»Ziet gij den roofvogel daar, in den top van dien gomboom?"
»Ik zie hem," zeide Charles.
»Hoe groot schat ge den afstand tusschen ons en dien roofvogel?"
»Den afstand--" zeide Marling, »den afstand--dat weet ik niet. Misschien
honderd meter."
»Honderd meter?" zeide Kloppers; »honderd meter? 't zijn ruim honderd
zestig meter, wat ik je zeg. Ge zult nooit een goed schot doen, als ge
den afstand niet kunt bepalen."
Hij keek nog eens naar den roofvogel, die met afgewenden kop zat te
loeren op een prooi.
De scherpschutter kwam weer boven.
Hij nam een scherpe patroon uit den bandelier, en schoof ze in den loop
van het geweer.
»Kijk Charles," zeide hij onderrichtend, »naar den afstand wordt het
vizier gesteld, en als gindsche roofvogel mij nog tien seconden gunt,
dan haalt mijn kogel hem uit de kroon van den gomboom, of--ik kan den
afstand niet meer schatten."
Hij legde aan--een kleine vuurstraal glipte uit den loop van het
geweer--een korte, scherpe knal--de roofvogel spreidde de zware vleugels
uit, tuimelde rond en viel dood tegen den grond.
»Die zal mijn duiven geen kwaad meer doen," zeide de Voortrekker
kalmpjes.
»Dat denk ik ook niet," zeide de Engelschman, terwijl hij vol
verwondering was over de vaste hand van dezen tachtiger, en hij was
juist van plan, om den roofvogel te halen, toen een vreemde kaffer te
paard het erf kwam oprijden.
Hij hield recht op baas Kloppers aan.
»Dat is de kafferknecht van één mijner kleinzoons, die te Buffelskloof
woont," zeide de grijsaard tot Marling.
Vervolgens wendde hij zich tot den kaffer en zeide: »Zoo Februari, wat
breng je voor nieuws?"
»Hier baas," zeide de kaffer, die Februari heette, en reikte een brief
over.
De oude Kloppers opende het couvert, en al lezende begon zijn verweerd
gelaat te stralen van blijdschap.
»Goed nieuws," zeide hij tot den Engelschman, »goed nieuws, hoor!"
»Mag ik weten, welk nieuws?" vraagde Marling.
»Raad maar eens, Charles, raad maar eens!" riep de Voortrekker op
vroolijken toon.
»Misschien is er een goudmijn ontdekt op één uwer plaatsen," meende
Marling.
»Een goudmijn," zeide de grijsaard met een minachtend gebaar, »een
goudmijn! God schenkt mij overvloed--wat geef ik om een goudmijn?"
»Goed--dan hebt ge er zeker een achterkleinzoon bij gekregen,"
schertste Charles, waarop de grijsaard, den Engelschman joviaal op den
schouder kloppend, lachend zeide: »Roodbaatje, ik geloof wezenlijk, dat
ge zoetjes aan den Boer der Afrikaansche wildernis begint te begrijpen.
Kom, wij zullen moeder de vrouw eens verrassen!"
Ze gingen samen naar binnen, en de oude Voortrekker riep met krachtvolle
stem: »De Kloppersstam bloeit nog, Anneke!"
»Van wien komt de tijding?" vraagde de oude vrouw.
»Van Buffelskloof," zeide de grijsaard.
»Kom aan," zeide zij op opgewekten toon, »en hoe maakt het de moeder?"
»Uitstekend--zij heeft zelf den brief geschreven."
»Is het een jongen?"
»Een Transvaalsche Boer--ben jij daar nu blij mee, Anneke?"
»Ik wel," zeide zij vroolijk.
»Nu ge je zoo goed houdt," meende de oude Kloppers lachend, »krijg je er
nog een meisje bij, want er zijn te Buffelskloof tweelingen geboren."
»Hoeveel kleinkinderen hebt ge nu al, oom Kloppers?" vraagde Marling.
»Wat denk je?" zeide Kloppers.
»Vijftig," meende Charles, die nu eens veel wilde raden.
»Een en zeventig," riep de oude Voortrekker met eenigen trots.
»'t Zijn er twee en zeventig," zeide de oude vrouw, die inmiddels de
hoornen bril opzocht, om den brief te lezen.
»En hoeveel achterkleinkinderen denkt ge, dat ik heb?" vraagde de
Voortrekker.
»Tachtig," zeide Marling, vast overtuigd, dat hij thans ten minste te
hoog raamde.
»En achttien er bij," riep de grijsaard met klem.
»Twintig er bij," verbeterde de accurate overgrootmoeder; »ge vergeet de
tweelingen van Buffelspoort."
»'t Is waar ook," zeide de Voortrekker lachend.
* * * * *
Lena zette den gieter met water, waarmede zij bezig was, de bloemen te
besproeien, in het pad, en wenkte Marling.
Zij had bij het feit, dat aan grootvader Kloppers het honderdste
achterkleinkind was geboren, een bijzonder plan gemaakt.
»Kijk," zeide ze, »ik wil de oude luidjes heden avond eens verrassen.
Ginds in het nieuwe dorp--van den heuvel kunt ge den kerktoren zien--wil
ik van middag eens vertellen, welk heuchelijk feit er heeft plaats gehad
in onze familie. Ge zult zien, Charles, dan komen ze van avond allen
hier, om mijn grootouders te feliciteeren."
»En wat meer?" vraagde de Engelschman.
»Wel," zeide zij, »dan moest gij heden avond eens een mooi, toepasselijk
gedicht klaar hebben, om het feest op te luisteren."
»Een gedicht," riep Charles, »een mooi, toepasselijk gedicht, en dat nog
wel een Afrikaansch--al kon ik er mijn leven mee redden, Lena, ik vrees,
dat ik het niet klaar krijg!"
»Dat spijt mij," zeide zij teleurgesteld.
»Maar misschien begint mijn dichtader wel te vloeien, als ik van middag
mee mag naar het dorp," schertste Marling.
»Goed," zeide Lena in denzelfden toon, »jij gaat mee, maar jij zorgt dan
ook voor een gedicht!"
Na het eten werden de paarden gezadeld. Lena nam den goudvos, en Charles
besteeg den langbeenigen »Vijftigponder," die in den stal van baas
Kloppers werkelijk was opgefleurd.
Zoo reden zij samen door den stillen zomernamiddag, en na een rit van
een goed uur hadden zij het doel van hun tocht bereikt, het nieuw
aangelegde dorp.
Met belangstelling maakte Marling kennis met de breede, eentoonige,
ongeplaveide straten, die elkander rechthoekig sneden, met de stevige,
uit zware balken gemaakte schutskooi, waarin een bontgevlekte os stond
te brullen, met de lage, slechts één verdieping hooge huizen, met de
watervoor, die het dorp van water voorzag, met de groepen kinderen, die
langs den weg in het zand lagen te ravotten, en met de kunstelooze,
witgeverfde kerk, die, op een heuvel gebouwd, met haar slanken toren
reeds van verre zichtbaar was.
* * * * *
Een groot aantal kennissen en vrienden zijn opgezocht, die beloofd
hebben, heden avond op Vredenoord te komen, en Lena en Marling zijn nu
op den terugweg.
Pratend, keuvelend en schertsend rijden zij door, en zij hebben den
leêren teugel los over den nek hunner paarden geworpen, die reeds
verscheidene minuten stappen.
Nu staakt het gesprek.
De zon neigt naar de westerkimme.
Het is een liefelijke avond; de drukkende hitte wordt getemperd door een
frissche koelte. Als sterren blinken de bloemen op het landschap, dat
twee dagen geleden door milde regenstroomen is verkwikt, en nauwlijks
beweegt zich het loover der opgaande boomen langs den heirweg.
»Wat schoone avond!" zegt Charles, als uit een gepeins ontwakend.
»Schoon," zegt Lena, »wonderschoon! Welk land is schooner dan ons
Afrika?"
»Ik zou, met u aan mijn zijde, heel Afrika willen doorkruisen," voegt
Charles er aan toe, Lena aanziende.
Er gaat een blos over haar gelaat--komt het van den weerschijn der
avondzon?
Doch snel gevat antwoordt zij: »Er zou een heele tijd mee gemoeid zijn,
vooral als we, zooals op dit oogenblik, slechts stapvoets vooruit
komen."
»Hoe langer het duurde, hoe liever," zegt Charles met een bijzonderen,
warmen klank in zijn stem.
»Is het u niet opgevallen, dat ik reeds zooveel weken op Vredenoord
vertoef? Begrijpt gij niet Lena, dat _gij_ er de oorzaak van zijt?"
Een hoogrood kleurt haar wangen--neen, dat komt niet van den weerschijn
der avondzon!
»Hoe zoo?" vraagt zij, doch met één grijpt zij den toom van haar paard,
en geeft het een slag met het vlak van haar hand.
De goudvos springt steigerend op, doch Marling roept dringend: »Lena,
gun mij dit oogenblik--dit éénige oogenblik!"
Lena houdt den teugel in van haar paard.
»Zie Lena," zegt hij, »ik sta hier alleen in een vreemd land; aan
een eigen haard zou ik willen zitten, in een eigen tehuis. Wanneer ik
moegesloofd het kantoor verlaat, dan zou ik aan mijn eigen haard willen
uitrusten, en mijn liefste wensch zou in vervulling gaan, indien uw
vriendelijk oog mij welkom toeriep. Hand aan hand met u, Lena, zou
ik door de wereld willen gaan, lief en leed, smart en vreugde met u
deelend, zooals een rechtschapen man dat deelt met de vrouw zijner
keuze!"
Zoo spreekt Charles Marling, en hij zegt nog veel meer, zooals het
oogenblik het hem ingeeft, doch Lena schudt droevig het hoofd.
Met vochtige oogen staart zij hem aan, den eenzamen man, en zegt:
»Charles, laten wij met elkander spreken als verstandige menschen. Gij
hebt in de kringen, waarin gij zult moeten verkeeren, eene andere vrouw
noodig dan een meisje, dat is opgegroeid in de Transvaalsche wildernis."
»O neen," herneemt hij ijverig, »in een Republiek, waar de vrouw van
den machtigen Paul Kruger eene Afrikaansche Boerendochter is, daar durf
ik het gerust met u te wagen. Bovendien, ik zou met u te Windsor durven
verschijnen, aan het hof van koningin Victoria."
»Ja durven--dat kan waar zijn," meent Lena, »maar dat zou voor u te
pijnlijker zijn, indien uw vrouw eene dwaze figuur maakte!"
»Och kom," zegt Charles half schertsend, »als dàt het grootste bezwaar
is, dan loopt het nog al los."
»Er is een grooter bezwaar," zegt Lena op langzamen, ernstigen toon.
»Ik ben een kind van Afrika, en hang met al de vezelen van mijn hart aan
mijn volk. Gij zijt een Engelschman, Charles--neen, val me nu niet in
de rede--laat mij uitspreken, want hier staat het levensgeluk van twee
menschen op het spel."
Zij houdt even op.
»Ga voort," dringt Marling in groote spanning.
»Gij zijt een Engelschman," herneemt Lena, »en gij hebt uw volk
lief als ik het mijne. Dat duid ik u niet ten kwade, Charles, want
reeds de groote Hollandsche dichter Vondel heeft gezongen: »De
liefde tot zijn land is ellek aangeboren." Doch het Engelsche en het
Hollandsch-Afrikaansche ras hier in het zuiden van ons werelddeel kunnen
elkander niet verdragen--we zullen nu laten rusten, wie er de schuld
van is--en worstelen met elkander om den voorrang. Dat baart moeite,
wrijving en strijd. Het verdeelt Zuid-Afrika in twee vijandelijke
kampen, en wij beiden trekken in dien strijd partij, want ik heb Afrika
lief, en úw hart klopt voor Engeland."
»Mijn hart klopt voor u, Lena," zegt Charles, »en dat is voor mij de
hoofdzaak. Trouwens gij weet toch ook wel, dat meer dan één Engelschman
met eene Afrikaansche is getrouwd."
Het meisje knikt bevestigend.
»En zijn dat slechte huwelijken geworden?" vraagt hij.
Zij trekt de schouders op.
»Ik weet het niet," zegt zij.
»Maar ik weet het wel," valt hij in; »het zijn gelukkige huwelijken
geworden," en terwijl een glimlach als een heldere zonnestraal
heenglijdt over zijn gelaat, gaat hij voort:
»Gij spreekt van een rassenstrijd, maar die rassenstrijd zal verhuizen
naar het schimmenrijk, en de brandende Afrikaansche kwestie zal met één
slag zijn opgelost, als Boeren en Engelschen zich verzwageren."
»Natuurlijk zoo, dat de Engelschen baas blijven," zegt Lena met een
vleugje humor in den ernstigen toon, doch Charles legt haar woorden
verkeerd uit en herneemt: »Wie denkt aan het baasschap, wanneer liefde
het hart verwarmt en de lippen opent! Ik had gehoopt, Lena, dat mijne
liefde u niet geheel onverschillig zou laten, maar gij spreekt zoo koel
en nuchter, dat ik wel tot de treurige gewisheid moet komen, dat er geen
vonkske liefde voor mij gloort in je hart."
Er ligt een onmiskenbare ontstemming, neen, meer dan dat: er ligt
zielepijn in zijn woorden, en Lena voelt er de bitterheid van.
»O Charles," barst zij uit, »dat ge dàt kunt zeggen! Geen vonkske
liefde, zegt ge? Weet ge dan niet, dat ik u liefheb?" en zij heft hare
betraande oogen en haar wonderschoon gelaat op tot den Engelschman.
»Weet ge dan niet, dat ik u liefheb?" zegt ze nog eens. »Heb ik u niet
lief--als een zuster den broeder?"
In ademlooze spanning hangt Marling's blik aan haar lippen, doch Lena
zwijgt, en peinzend gaan haar slanke vingers door de gele manen van haar
goudvos.
»O Lena," zegt hij nu met een stem, waarin hoop en vrees met elkander
worstelen, »gij spreekt van eene zusterlijke liefde, doch ik bedoel nog
eene andere liefde, die dieper gaat, en die ons over de afgronden van
den rassenhaat zal heendragen met lichten vleugelslag!"
Nog altijd spelen Lena's vingers met de manen van haar goudvos.
»Als het maar waar was!" zucht ze.
»O het is waar!" roept hij met welsprekenden mond; »ik neem de
verantwoordelijkheid op mij. En één ding vergeet ge, Lena, de hoofdzaak,
dat wij leven uit hetzelfde geloof, uit hetzelfde beginsel. Uw God is
mijn God, en deze geloofsgemeenschap zal ons scheepke veilig brengen
door alle golven en brandingen heen die gij, verstandig schepseltje,
ziet. Maar ge zult het gewaar worden, dat deze golven en brandingen
slechts in uw verbeelding bestaan, en later--later zullen wij over uw
schrikbeelden praten, zooals groote menschen praten over de spoken
hunner kinderjaren."
Hij wordt al welsprekender. Lena zegt geen woord meer, doch staart hem
in het vriendelijk gelaat, waarover thans, de lichtglans heentrekt der
scheidende avondzon. En nu hij heeft uitgesproken, houdt zij haar paard
stil, ziet hem bewogen in de lieve bruine oogen, reikt hem de hand en
zegt: »Charles, geef mij tijd, om over deze zaak te denken!"
Dan grijpt zij den teugel van haar paard en roept: »Voske, naar huis
toe!"
Het edele paard werpt den prachtigen kop omhoog, en slaat de slanke
pooten uit. Slechts met moeite kan de langbeenige »Vijftigponder" hem
bijhouden.
Wijd uit de verte klinkt, weemoedig en melodieus, het avondgelui van
het dorpstorentje, en uit de nabijheid komt het luide geblaf der groote
honden, die Kloppers' vee naar huis drijven, het geknal der zweepen, heb
geloei der beesten en het geblaat der schapen, die hun lammeren roepen.
Charles noch Lena spreken een woord.
Aan hun rechterkant breekt een hert door het bosch heen, en kruist in
snelle sprongen hun pad. En hoog boven hun hoofden kirt een boschduif,
zich wiegend in de kroon van een gomboom.
Doch de schaduwen der boomen worden langer, en de westerkimmen gloeien
als een zee van goud.