Over een der breede, stoffige heirwegen, die heuvel op en heuvel
af de Transvaalsche wildernissen doorkruisen, reed, vroeg in den
voormiddag--het was in het jaar 1894--een eenzaam ruiter.
Hij telde, op het gezicht te zien, 32 à 33 jaar, en zijn kleeding
verraadde den Engelschman.
Zijn voorkomen was vriendelijk en welwillend; zijn gelaatstrekken
regelmatig. Er lag iets sympathieks in het gelaat van dezen Engelschman.
Op een heuvel komende, hield hij de hand voor de oogen, want de zon
brandde op het zanderige, onbeschaduwde »transportpad", en tuurde
aandachtig recht voor zich uit, naar den horizon.
Duidelijk zag hij thans, wat hij zocht; een groep hoog opgeschoten
gomboomen en een lange, rechte oprijlaan.
Tusschen die hoog opgeschoten gomboomen lag de hoeve »Vredenoord", waar
baas Dirk Kloppers woonde.
Hij zag reeds het blinken der zinken daken tusschen het groene loover
door.
Er werd een zekere spanning zichtbaar op het gelaat van den Engelschman.
Misschien sproot ze voort uit innerlijke ontroering. Immers hij kende
»Vredenoord".
Veertien jaar geleden had hij als koloniaal dienst genomen bij het
Engelsche leger, en in den Transvaalschen vrijheidsoorlog was hij--bij
Lang-Nek--zwaar gewond op het slagveld achtergebleven. Doch een
barmhartige Samaritaan had hem gevonden, en voorzichtige handen hadden
hem opgenomen en zijn wond verbonden.
Nu was die barmhartige Samaritaan een Transvaalsche Boer--Dirk Kloppers,
de eigenaar van gindsche hoeve.
Op een ossenwagen was hij naar »Vredenoord" vervoerd geworden, langs
denzelfden weg, dien hij thans is ingeslagen.
Een treurig leven lag achter zijn rug, toen bij Lang-Nek de Boerenkogel
hem tegen den grond sloeg.
Als een schipbreukeling had hij, Charles Marling, dienst genomen bij de
kolonialen, in oorlog met God en de gansche wereld.
Doch daar--te Vredenoord--vond de schipbreukeling de ware en eeuwige
haven. Vredenoord werd voor hem waarlijk een oord des vredes. Zijn arm,
verscheurd hart vond rust, en in zijn leven kwam een gewichtig, voor
tijd en eeuwigheid beslissend keerpunt.
Zijn moeder en zijn eenige broeder Eduard, die in Londen woonden, kwamen
hem te Vredenoord afhalen, en thans begon voor hem een nieuw leven.
Wel had hij de twee eerste jaren in Londen een harden dienst, doch
toen kreeg hij in zijn nieuwen patroon, den heer Harley, een edel en
rechtschapen principaal, en door zijn ijver, beleid en werkzaamheid klom
hij in verloop van jaren tot eene even eervolle als verantwoordelijke
positie op het groote kassierskantoor der firma C. Harley & Co.
Hij had niet gedacht, dat hij Vredenoord ooit weer zou zien, en zie--nu
was hij er geen uur meer van daan!
Zoo wonderlijk kan het gaan met den mensch.
De mensch wikt, doch God beschikt.
Twee maanden geleden zat Marling nog op een Londensche kantoorkruk, en
nu is hij in het hartje der Transvaalsche wildernissen.
En toch heeft alles zijn natuurlijk verloop gehad.
Immers de heer Harley heeft als praktisch koopman en met het oog op de
snelle en reusachtige ontwikkeling der Transvaalsche goudmijnen het plan
gevormd, om in Johannesburg eene filiale op te richten. En wie is nu, om
aan het hoofd der filiale te staan, geschikter dan Charles Marling?
De ruiter rukt het magere, langbeenige beest, dat hij berijdt, aan den
teugel, roept op vroolijken toon: »Vooruit paardje!" en heeft thans een
kruispunt bereikt, waar een andere heirweg den zijne rechthoekig snijdt.
Drie kastanjeboomen, langs den weg geplant, werpen hun breede en
verkwikkende schaduw over den viersprong.
Marling heeft die boomen meer gezien; hij groet ze als oude bekenden.
Hoe dikwijls heeft hij zich in hun schaduw neergevleid, terwijl zijn oog
de eigenaardige bekoorlijkheid indronk van het Transvaalsche landschap
met zijn tienduizenden, in de heerlijkste kleuren schitterende bloemen!
Aan een plotselinge opwelling gevolg gevend, springt hij uit het zaâl en
schrijdt naar den middelsten stam.
Werkelijk, daar staan de voorletters van zijn naam nog duidelijk in de
ruwe schors: C. M.
Den morgen voor zijn vertrek uit Vredenoord had hij er die letters met
zijn zakmes ingesneden--'t was, alsof het gisteren was gebeurd, en toch
waren er dertien jaren over heen gegaan.
Zoo snel gaat de tijd.
Nu staart hij den weg uit, die den zijne snijdt; eerst links, dan
rechts.
Links is niets te zien, doch rechts nadert een ruiter.
Hij vermoedt ten minste, dat het een ruiter is, en nu hij zoo dicht bij
Vredenoord is, wekt alles, ook die ruiter, zijn belangstelling.
Hij slaat den teugel van het paard om zijn arm, en het dier rukt met
zijn lange, gele tanden aan de bladeren van de kastanjeboomen.
Met eenig ongeduld wacht Marling op den ruiter.
Doch hij heeft zich vergist: 't is geen ruiter; 't is eene rijdster.
Nu, dat is geen ongewone verschijning in Zuid-Afrika. De vrouwen rijden
er even goed te paard als de mannen.
De rijdster is intusschen naderbij gekomen, en Marling kan reeds den
grooten, strooien hoed onderscheiden op het weelderige, zwarte haar.
Thans heeft ook het meisje den vreemdeling waargenomen. Zij houdt haar
paard even in, doch dan geeft zij het een tik met het vlak van haar hand
op zijn blinkenden hals, en snel heeft zij den viersprong bereikt.
De Engelschman echter heeft haar reeds herkend, en in blijde verrassing
zich tot haar wendend, roept hij: »Lena--ken je me nog, Lena?"
Een aarzeling gaat over haar vriendelijk gelaat, doch dan springt zij
van haar goudvos, en reikt, niet minder verblijd, den vreemdeling de
hand.
»Charles," roept ze, »Charles Marling, jij hier? Waar kom je van daan?"
»Ik kom zóó uit de lucht gevallen," schertst hij; »dat wil zeggen, ik
kom zoo kersversch uit Londen."
»Hoe is het mogelijk?" roept ze, een en al verwondering.
»De bergen ontmoeten elkander niet, doch de menschen wel," zegt Charles
met een vroolijken glimlach.
»En je zijt nu zeker op reis naar ons?" vraagt Lena.
»Goed geraden," antwoordt Charles.
»Wel, wel, dat is heel aardig van je! En wat voor oogen zullen mijn
grootouders opzetten, als ze je zien!" roept Lena, nog nauwlijks bekomen
van haar verbazing.
»Kom, ouwe Tyras," wendt ze zich tot den grooten hond, die met de
tong uit den bek zich lang uit heeft uitgestrekt in de schaduw der
kastanjeboomen, »kom eens hier, Tyras--ken je Charles den Engelschman
nog?"
De oude hond komt dichterbij, doch laat een onheilspellend knorren
hooren, en grijnst met de scherpe tanden.
»Kijk," zegt ze, »dat is een onhebbelijkheid van Tyras, waarop ik niet
bedacht ben geweest. Maar 't is de schuld van broer Arie, die hem in der
tijd heeft geleerd, om telkens bij het woord »Engelschman" de tanden te
laten zien."
»Aardig vind ik het niet," meent Marling, terwijl een lichte wolk over
zijn voorhoofd gaat.
»Ik evenmin," zegt Lena, »en Grootvader heeft het Arie ook zeer kwalijk
genomen."
»Maar het zit nu eenmaal in den hond," laat zij er op volgen, »en dat
gaat er niet zoo gemakkelijk meer uit."
»Neen," zegt Marling op langzamen toon; »het blijft er lang in zitten,
bij honden en--bij menschen."
»Hoe bedoelt ge dat?" vraagt Lena met een verwonderden opslag van haar
blauwe oogen.
»Wanneer den menschen haat en afkeer wordt ingepompt, zooals ik het nu
sedert acht dagen reeds voor den derden keer ondervind, dan blijft hij
er lang in zitten," zegt Marling ernstig.
»Voor dien afkeer kunnen soms deugdelijke redenen bestaan," antwoordt
Lena op fermen toon.
»Ook voor dien afkeer der Boeren tegen al wat Engelsch is?" vraagt
Marling geprikkeld.
»Zeer zeker," zegt Lena beslist.
Het gesprek dreigt een onaangename wending te nemen.
Tyras knort tusschen de tanden door, doch Lena maakt er met den haar
eigen takt een snel einde aan.
»Tyras," roept ze, »'t is Charles Marling--Charles, hoor!"
»Kijk," zegt ze op schalkschen toon, »nu bedaart hij al. Als de
Engelschman maar niet boven komt, Charles, dan raakt alles gauw in
orde."
Marling moet er zelf om lachen, en met welgevallen rust zijn oog op de
frissche, veerkrachtige gestalte en het aanvallig en schrander gelaat
van deze dochter der wildernis.
»En hoe maakt het de oude Dirk Kloppers?" vraagt hij op den ouden,
hartelijken toon.
»Uitstekend," zegt ze; »hij is nog even kras als jaren geleden, en
Grootmoeder maakt het ook nog goed. Ik kom juist van Grootvader; achter
gindsche heuvelen houdt hij toezicht bij het scheren van onze schapen."
Terwijl wijst zij met de hand den kant uit, van waar zij gekomen is.
»En Jan Kloppers, uw oom?"
»Hij is al sedert elf jaar getrouwd, en woont ook op Vredenoord. Hij
heeft reeds een huis vol kinderen; ge zult ze straks wel zien--de
beelderigste en gezondste kinderen, die ge je kunt voorstellen."
»En je broer Arie?"
»Die is verleden jaar getrouwd en woont in het Lijdenburgsche. Hij heeft
het reeds tot adsistent-veldkornet gebracht."
»Wat beteekent dat: veldkornet?"
»Zooveel als officier als er oorlog uitbreekt."
»En hoe maakt het Herman Hoogerhuis de Hollander?"
»Hij is niet meer te onderscheiden van een echten Afrikaanschen Boer."
»Hij is zeker ook al gehuwd?"
»Natuurlijk," zegt Lena lachend; »hij is nog wel in onze familie
getrouwd."
»En hij heeft zeker ook al een hoop kinderen?" vraagt Charles op
vroolijken toon.
»Dat spreekt van zelf," schertst Lena.
»De Boeren zijn zeker in hun schik met een hoop kinderen?"
»Moet ge dàt nog vragen!" roept Lena werkelijk verwonderd uit.
»In Europa," herneemt de Engelschman, »luidt het spreekwoord: kinderen
houden de noppen van de kleeren."
»Daar heb ik geen verstand van," zegt Lena hoofdschuddend, »doch dat zie
ik wel bij Oom Jan, dat kinderen vreugde en zonneschijn brengen in het
huishouden."
»En Barend Jansen is zeker ook al getrouwd?" vraagt Charles op nieuw.
»Natuurlijk," zegt ze, »wat anders?"
»Alle menschen!" roept de Engelschman verwonderd uit; »dat trouwt er
hier in Transvaal maar op los."
»Jij bent zeker ook al getrouwd?" vraagt hij lachend.
»Ik--neen," zegt ze; »nog niet."
»Dan trouw je zeker binnen zes weken?"
»Ik zou niet weten met wien," antwoordt ze met een luiden schaterlach.
Marling kijkt haar zwijgend aan.
Hij is getroffen door de ongekunstelde, frissche bekoorlijkheid in haar
stem en houding.
»Ben je niet blij, me weer te zien?" vraagt hij plotseling.
»Ja," zegt ze met een vollen blik uit haar vriendelijke oogen, »daar ben
ik zeer blij om."
Er volgt eene pauze.
Tyras heeft zich weer neergevleid bij den stam van een kastanjeboom,
en snapt met open bek naar de vliegen, die hem plaagziek om de ooren
gonzen. Maar Lena's goudvos, dien zij bij den teugel houdt, slaat met de
slanke pooten ongeduldig in het mulle zand.
»En waar heb je dien mageren knol toch opgevischt?" vraagt Lena, terwijl
ze op Marling's langbeenigen rossinant wijst.
»Ik heb hem te Johannesburg gekocht," zegt Marling.
»Wat heb je er voor besteed?"
»Vijftig pond."
»Vijftig pond--dan hebben ze je leelijk beet gehad. Zie je dan niet,
Charles, dat het beest dood versleten is?"
»Hoe moet ik dat zien?" is zijn wedervraag.
»Heb je hem dan niet in den bek gekeken?"
»Wel neen," zegt hij met grappige onbeholpenheid, »daar heb ik geen
verstand van."
»Je hebt hem zeker van een Engelschman gekocht?" vraagt Lena, terwijl de
schalk om haar lippen speelt.
»Of van een onvervalschten Transvaalschen Boer," antwoordt Marling
lachend.
»En hoe maakt het je moeder?" vraagt Lena, doch bij deze vraag verdwijnt
de lach op Marling's gelaat.
»Moeder is verleden jaar overleden; ik heb aan haar eene trouwe zorgende
moeder verloren, Lena."
»Dat hebt ge," zegt ze met hartelijke deelneming.
Zwijgend tuurt Marling naar de verte; de oude droefheid komt weer
boven, en er parelen tranen in zijn bruine oogen.
»En hoe maakt het uw broeder Eduard?" vraagt Lena na eene nieuwe pauze.
»Eduard is een groot en beroemd oogenarts geworden," antwoordt Marling,
»en ik moet u en de familie Kloppers zijne bizondere groete overbrengen.
Hij heeft het nog dikwijls over zijn operatie aan uw oogen, nu dertien
jaar geleden."
»Hoe gaat het tegenwoordig met je oogen?" vraagt hij; »zijn ze goed
gebleven?"
Lena strekt haar arm omhoog.
»Ziet gij dien roofvogel daar hoog in de lucht, Charles, vlak bij die
kleine, grijze wolk?"
»Een kleine stip zie ik," zegt hij, omhoog starend; »anders niets."
»'t Is een roofvogel," zegt Lena; »ik kan zelfs zijn vleugelslag
onderscheiden."
»En blijf je nu in de Transvaal?" vraagt het meisje plotseling.
»Dat is mijn voorloopig voornemen," antwoordt Marling.
»Bij ons?" vraagt zij; »op Vredenoord?"
»Bij jullie?" lacht hij--»zeker om een Transvaalsche Boer te worden?
Neen, ik heb de opdracht, om eene filiale op te richten voor het
kassierskantoor der firma C. Harley & Co."
»Wat is een filiale?" vraagt Lena.
»Een hulpkantoor," zegt Charles.
»En waar richt je die filiale op?" vraag Lena op nieuw.
»In Johannesburg."
Er komt een kleine plooi op haar blank voorhoofd.
»In Johannesburg," zegt ze, »in Johannesburg!"
»Natuurlijk--in Johannesburg," herneemt Marling; »dacht jij soms in
Vredenoord?"
Doch Lena antwoordt niet op die vraag en zegt: »Kom Charles, we zullen
maken, dat we spoedig thuis komen, en Grootmoeder verrassen. Dat ouwe
beest van jou zal ook wel naar den stal verlangen--hoe heet het toch
eigenlijk, Charles?"
»Weet ik het?" zegt hij lachend.
»Dan zullen wij 't maar den »Vijftigponder" noemen," zegt Lena in een
opwelling van onschuldige plagerij.
Beiden bestijgen hun paarden; luid blaffend stuift de hond vooruit en de
magere Vijftigponder maakt met zijn oude, stijve pooten een armzalige
figuur naast Lena's jongen, trappelenden goudvos.
»Wat is dat daar?" vraagt Marling, naar een soort molen wijzend aan hun
linkerhand.
»Dat is onze korenmolen," zegt Lena met zekere deftigheid; »Grootvader
heeft hem vijf jaar geleden laten bouwen. Hij kan door wind en water
worden gedreven--kijk maar! Is er water genoeg in de beek, die van de
heuvelen neerstroomt, dan komen de groote schepraderen in beweging, die
de steenen doen draaien, en is er geen water, dan moeten de molenroeden
het kunnen."
»'t Is vernuftig uitgedacht," zegt Marling, »maar de molen staat te
laag; hij kan geen wind genoeg vangen."
»En als hij op den heuvel stond," antwoordt Lena, »dan zou het water de
schepraderen niet kunnen bereiken. Zoo hapert het altijd hier of daar."
»Goed gezegd," meent Marling meesmuilend.
»Maar het is toch in elk geval beter dan het koren in een koffiemolen te
malen--vind je niet Charles?" zegt Lena vroolijk.
»Ja zeker," lacht hij, »dat geef ik je gewonnen."
Nu slaan ze de lange oprijlaan in, rijden de hutten der Kaffers voorbij,
die bij baas Kloppers in dienst zijn, en komen op het erf.
Er staan thans twee flinke woongebouwen. Links van Dirk Kloppers' huis
is dat van zijn zoon, van Jan, gebouwd.
En dáár staat de oude, welbekende lindeboom met de verweerde bank er
onder. En dáár, tegen den knoestigen stam geleund, stond Lena bij het
afscheid. Zij zwaaide tot een laatst vaarwel met haar zakdoek, toen
Charles met zijn moeder en broeder van Vredenoord vertrok.
Marling weet het nog zoo goed alsof het gisteren gebeurd is--zou Lena
het ook nog weten?
»Columbus," roept Lena op luiden, vroolijken toon, »kom eens hier!"
Een oude, donkerkleurige kaffer komt uit den boomgaard aanloopen.
»Hier--bezorg de paarden," zegt zij.
Columbus staart intusschen den Engelschman aan.
»Kent gij dien heer?" vraagt zij.
»Dat is baas Roodbaatje," meent hij, »wis en zeker; het gewonde
Roodbaatje uit Engeland."
»Goed geraden," zegt Marling, en reikt hem de hand, doch slechts
aarzelend en verwonderd neemt de oude kaffer die hand aan.
Ook Lena is verwonderd, want het is in Zuid-Afrika geen gewoonte, dat
een blanke, een witmensch, aan een kaffer de hand reikt.
Nu begeven Marling en Lena zich naar binnen. De oude vrouw Kloppers is
reeds opgestaan en de binnentredenden tegemoet komende, neemt zij door
den hoornen bril den vreemdeling op, die zwijgend wacht, of zij hem
herkennen zal.
»Wie is dat?" vraagt ze aan Lena.
»Raad eens!" zegt Charles.
Nu heeft ze hem herkend.
»Charles, ben jij het jongen?" roept ze. »Wees welkom op Vredenoord!
Mijn oogen zien zoo goed niet meer als twintig jaar geleden, doch aan je
stem herken ik je onmiddelijk. Wees welkom, hartelijk welkom!"
Charles is getroffen door de hartelijkheid in haar toon.
»En ge zult wel honger hebben en dorst? Toe Lena, zorg eens, dat onze
gast zich verkwikken kan!"
Maar Lena is reeds met de vlugheid van een antilope naar de provisiekast
gegaan, haalt het bruine, voedzame brood, zoekt het fijnste
schapevleesch uit, hangt den ketel over het open vuur en maalt de
koffie.
Aan het groote raam, vlak tegenover grootmoeder Kloppers, daar zet
Charles zich neder. En nu doet hij zijn verhaal van al hetgeen de
laatste jaren met hem en zijn familie is voorgevallen, en grootmoeder
Kloppers zit naar hem te luisteren, terwijl zij de breinaalden hanteert,
als een moeder, die naar haar kind zit te luisteren, dat eene verre reis
heeft gedaan.
Hoe gezellig vindt Charles het hier--hoe prettig! En de lindeboom werpt
zijn breede schaduw door het raam, en de zangvogel in zijn takken zingt
zijn schoonste liederen, en helder klinkt het gejoel van een schaar
vroolijke kinderen uit den bloementuin vóór het huis.
Maar Lena zit aan de tafel en bedient hem, zooals een zuster een broeder
bedient, die hongerig en dorstig is thuis gekomen.
»En zijt ge nog niet getrouwd?" vraagt grootmoeder Kloppers.
»Wel neen," zegt hij lachend--»denkt ge soms, grootmoeder Kloppers, dat
ik mijn vrouw in Engeland heb gelaten?"
De oude vrouw Kloppers lacht zelf hartelijk mede.
»En waarom ben je dan nog niet getrouwd, Charles?"
»Wel," zegt hij, een kop geurige Javakoffie nemend, »trouwen is toch een
gewichtiger ding, dan een kop koffie uit te drinken."
»Ja," antwoordt zij ernstig, »dat geloof ik ook. 't Is beter nièt
getrouwd dan slècht getrouwd."
Het gesprek neemt nu eene andere wending, en grootmoeder Kloppers en de
vreemdeling zitten met elkander te praten, zooals menschen kunnen doen,
die elkander liefhebben.
De tafel wordt gedekt, het eten loopt af, Charles gaat weer zitten aan
het groote raam, de koffie wordt opnieuw gezet, de zon begint te dalen
in het westen, reeds wordt het geloei der beesten gehoord en het gebel
der metalen klokjes aan den nek der melkkoeien, die door trage kaffers
naar de kralen, de stallingen, worden gedreven, en nog altijd zit
Charles op de zelfde plaats.
Doch thans wordt aan de huisdeur een zware, mannelijke stap gehoord, en
met de gedachte: dat moet de huisheer zijn! springt Marling op van zijn
stoel.
't Is baas Kloppers.
Zijn baard is grijzer geworden sedert Charles hem den laatsten keer
heeft gezien, en sneeuwwitte lokken golven van onder zijn bruinen,
breedgeranden hoed.
Rechtop staat de forsche, breedgeschouderde gestalte op den drempel der
kamerdeur: frisch en lenig als een palmboom.
Tachtig heete, Afrikaansche zomers zijn over zijn hoofd gegaan, doch
zijn spieren zijn niet verzwakt, en zijn oog is niet donker geworden.
Het is hem gegaan als den boom, van welken de psalmdichter heeft gezegd,
dat hij was geplant aan frissche waterbeken.
Nog àltijd verraadt dat verweerd en door de zon gebruind gelaat
bedachtzaamheid, verstand, scherpzinnigheid en beleid; nog àltijd
zetelt om die lippen de oude vastberadenheid en onverschrokkenheid,
die hem heeft gestempeld tot een held zijns volks, en nog àltijd is
het lidteeken zichtbaar, vlak boven zijn oogen, dat hij zes en vijftig
jaar geleden heeft opgedaan in een eerlijken strijd, toen hij met zijn
kameraden in Natal, het land der duizend heuvelen, de Engelsche kanonnen
bestormde.
Hij treedt op den Engelschman toe, legt de breede hand op zijn
schouders en staart hem in de oogen.
Het licht van het avondrood speelt op het gelaat van den vreemdeling, en
zonder te aarzelen roept de grijsaard met zijn klankvolle stem: »Charles
Marling, mijn vriend, wees welkom!"