besteedt, graag goeroe is, of in 't leger dient, maar die van gewoon
aanpakken niet veel weten wil. Een zwaren koffer dragen weigert hij
beslist en staat raar te kijken, wanneer men zich als blanke niet
geneert, na zijn weigering, dit zelf te doen.
Ambon met zijn rechte straten en nette huisjes en zijn ligging aan
een diep-ingesneden baai door bergen omringd, maakt een vriendelijk
en prettigen indruk en een wandeling de bergen op over veel beloopen
paadjes naar Sojadiatas met een uitzicht over het plaatsje en de wijde
baai en met een korte kennismaking met het achterland, dat heuvel op,
heuvel af gaat met diep inliggende valleien daartusschen, is zeer
aan te bevelen. Op mijn heenreis had ik er van genoten.
Nu zou een uitnoodiging van een Chinees Tjia Ke Beng om zijn
klapperaanplant in oogenschouw te nemen een welkome aanleiding geven
om den morgen van den dag, dien we in Ambon stillagen aan land te
gaan en beweging te nemen. We gingen met zijn vieren, de Chinees,
twee medepassagiers en ik, 's morgens reeds vroeg op stap. Eerst Ambon
door, door de hoofdstraat met toko's en cafétjes aan weerszijden,
dan langs het fort, het plaatsje uit, de kust volgend met een ruim
uitzicht over de baai tot de bergen aan de overzij. Langs den weg
dien we wandelden kwamen we reeds spoedig onder de klapperboomen,
die landwaarts in op het heuvelachtig terrein overal te zien waren. Op
den harden koraalbodem waarop somtijds maar weinig aarde en humus lag,
groeiden die boomen toch, met hun wortels in de vele spleten en gaten
der karang vastgehecht, welig. Het was in den aanplant gekomen een
lastig terrein, hoog en laag met weinig vlakke stukken, waardoor we
na eenige uren te hebben rondgeloopen en rondgekeken blij waren toen
de Chinees ons bij een huis in het midden van dien aanplant bracht,
waar tot onze verrassing onder een ruime pendoppe met een wonderlijk
mooi en vrij uitzicht over de gansche baai van Ambon een uitstekend
ontbijt klaar stond. Vriendelijker en beter gastheer dan dezen Chinees
heb ik nog niet leeren kennen. Zelf nauwelijks iets gebruikende zorgde
hij dat zijn gasten van alles volop uit blikken en blikjes tot zich
namen, totdat de huisjongen met gefrappeerde champagne verscheen
en we daar in den morgen reeds den roes van dien kostelijken koelen
drank over ons lieten komen. Onder de vrijgelegen pendoppe, waar het
minste zuchtje wind doorstreek, bleef het koel. Door de wellevendheid
van onzen uitmuntenden gastheer, rekte dat ontbijt zich ongemerkt en
ging over tot eenige uren van vroolijk samenzijn terwijl we van het
zeldzame uitzicht op de Indische natuur genoten.
Toen ik dien middag voor het gewone middagslaapje mijn benauwde hut
in de stilliggende boot opzocht sliep ik in alsof het voor den nacht
was geweest.
's Avonds werden we aan boord getracteerd op den in Ambon veel
voorkomenden mangistan, een vrucht met een dikken blauwrooden bast,
waarbinnen, om de pitten, een smakelijk zuurachtig wit vruchtvleesch
zit. Deze vrucht, met den geurigen mangga, wordt van het eerste
oogenblik, dat men Indische vruchten leert eten, door een ieder
lekker gevonden.
Van Ambon koerste de boot Zuid-Oost naar de eens zoo rijke Banda-groep,
de specerij-eilanden bij uitnemendheid, die als overblijfselen van
een reusachtigen, onder de zee gezonken vulkaankegel waarop weer
nieuwe kegels zich vormden als een vijftal eilandjes midden in de
Bandazee liggen. Vroeg in den morgen stoomden we den nauwen ingang
tusschen den Goenoeng Api en Banda Neira binnen, zwenkten in het
nauwe maar diepe Zonnegat tusschen die eilandjes en meerden vlak aan
den oever voor het plaatsje Banda. Een uitgestorven doode plaats,
waar van de vele groote huizen nog slechts een enkele was bewoond,
de rest was verlaten en zag er vervuild en verwaarloosd uit; zelfs
daar waar eens de rijkdom dezer eilanden zich op een uitgezochte
plek had saamgetrokken, waar van een grootschen aanleg aan een wijde
binnenbaai tusschen Banda Neira en Groot Banda, een heerlijk uitzicht
op dit laatste eiland was te zien, zelfs daar waren de huizen verlaten
en bouwvallig geworden. Toch waren van daar, ver aan den overkant
tusschen het groen der notenperken, die tegen het gebergte waren
aangelegd, nog witte landhuizen der perkeniers te ontdekken.
Tijdens een bezoekje aan de soos, waar we de nieuwste dagbladen vonden,
kwam ik op de kegelbaan, waar de namen der kegelaars van den vorigen
avond nog op het zwarte bord stonden vermeld, tot de ontdekking dat
Verster zich op het eiland moest bevinden, want tusschen die namen
stond de zijne met de mij bekende voorletters. Op een weerzien was
ik niet gesteld, maar op dit kleine plekje grond zouden we elkaar
moeilijk kunnen ontwijken en inderdaad toen we het hotel passeerden
zat daar in de binnengalerij Verster in pyjama alleen, naar buiten
te staren. Ik zag bij hem den reflex der emotie van het onverwachte
weerzien en was me bewust, hoe hij tot 't laatste oogenblik het
voorbijwandelende groepje nakeek.
Hoe zou het hem te moede zijn, nu hij, zooals ik vernam, op weg
naar de Key-eilanden was, waar hij een ondergeschikt baantje bij de
Paketvaart had gekregen.
Nauwelijks waren we aan boord terug en in afwachting van vertrek, of
op zijn mooist uitgedost verscheen Verster op het dek in gezelschap van
den controleur en wandelde mij brutaliseerend op de campagne rakelings
voorbij om zich met den bestuurs-ambtenaar in mijn nabijheid neer te
zetten. Hij had dezen heer schijnbaar ingelicht en was nog bezig hem
in te lichten, want ik werd van het hoofd tot de voeten bekeken alsof
het signalement van een misdadiger moest worden opgenomen. Prettig
was de situatie niet, doch er zat voor mij niets anders op dan
me dat zoo leuk mogelijk te laten welgevallen en te doen alsof ik
zeer geinteresseerd was bij het boek, dat ik in mijn handen had. Elk
oogenblik moest ik echter verwachten door den zeer nerveuzen Verster
op minder aangename wijze te zullen worden aangesproken, doch het
bleef bij een zwijgende manifestatie en toen na een pijnlijk uurtje de
laatste fluit voor 't vertrok weerklonk, gingen de heeren van boord,
zooals zij gekomen waren. Op den steiger zag ik hem nog staan, toen
we tusschen den Goenoeng Api en Banda Neira het Zonnegat verlieten
en door den nauwen uitgang het ruime sop instoomden.
Als hij geweten had hoe de gevolgen zijner booze intenties mij nog
steeds niet hadden losgelaten, en er straks te Makassar nog rekenschap
van me zou worden gevraagd, dan kon hij zich over het gelukken dier
gevolgen zijner kwaadwilligheid vrij tevreden in de handen wrijven.
Doch nu we het land weer vaarwel hadden gezegd, waren we voor
het oogenblik weer gevrijwaard voor de wereld en haar ontelbare
misverstanden, want onder het kleine clubje passagiers aan
boord heerschte die vriendelijke rustige stemming van menschen,
die voor hun genoegen den korten tijd dat zij samen zijn willen
doorbrengen. En daarbuiten om het ijlende schip sprak alles van een
harmonisch wereldgebeuren; daar spoelden bedachtzaam in lange rijen
de blauwe golven van de Banda Zee, waarboven nu de overlichte heete
middaghemel der tropen stond. De verblindende zon zond hare stralen
loodrecht op dat watervlak waar het duizelde van licht, de vliegende
visschen sprongen bij scholen uit het water, de lijnrechte zoglijn gaf
de eenige teekening over die vlakte tot waar lucht en water elkaar
schijnbaar raakten en een onafzienbaar lange pluim van rook scheen
in die kalme atmosfeer in hare afmetingen naar de eindeloosheid van
zee en lucht te willen dingen.
Naar Tifoe, waar aan de Zuidkust van Boeroe een eenzame zendingspost
was gevestigd, stoomden we nu en hoopten daar morgenmiddag aan te
komen. Toen we den volgenden dag Boeroe in 't zicht kregen, en langs
de kust voeren om eindelijk op een afstand te stoppen voor den nauwen
ingang van de baai van Tifoe, bleek het, dat het met de zee, die
hier op de kust stond niet geraden was onder deze omstandigheden dit
gevaarlijke vaarwater binnen te varen. De kapitein liet de stoomfluit
met volle kracht haar doffe doordringende stooten naar het land zenden,
zoodat het van de bergen weerkaatste. Na eenigen tijd verscheen daarop
een prauwtje aan den ingang der baai doch dit kon blijkbaar ondanks
alle moeite die de roeiers aanwendden niet tegen den wind en de golven
inkomen. Wij zagen hen worstelen en terugkeeren en telkens opnieuw een
poging wagen, doch het scheen niet doenlijk. Nog een half uur bleef
onze boot wachten, toen bleek het dat geen communicatie met den wal
mogelijk was en post en goederen voor den zendeling en anderen bleef
aan boord en ging mee naar Makasser.
Twee onafgebroken zeedagen lagen voor ons, alvorens we die haven zouden
bereiken. De eilanden Wangi-Wangi, Boeton en de Saleier kwamen in die
dagen als schemerachtige landen in de verte het eentonige gezicht op
den waterplas verbreken. De dagen aan boord gingen heen met lezen en
schaken en domineeren en met een wandeling over het dek der gansche
boot, die, nu terugkeerend, slechts weinig passagiers der derde en
vierde klasse aldaar herbergde. Maar die weinige, die aan boord waren,
hadden allen hun papagaaien en kakatoe's uit de Papoe meegenomen,
zoodat het er een geslinger en gekrijsch was van belang. Den tweeden
dag kwam de kust van Celebes aan stuurboord boven den horizont
en de vele booten, die we passeerden en die we in de verte zagen,
gaven te kennen, dat we in een drukker vaarwater waren gekomen en een
belangrijke haven naderden. Tenslotte verrieden in den vroegen morgen
van den volgenden dag bakens en oorlogsschepen en paketvaartbooten,
die voor anker lagen, dat Makasser, de groote doorvoerhaven der
Molukken, was bereikt. Nauwelijks was de boot binnen of een vriend
uit mijn jongensjaren van mijn komst verwittigd, stapte me tegemoet
en noodigde me voor de dagen, die ik hier verblijven zou te gast.
In zijn auto ging het langs de ruime pleinen, waaromheen de woningen
der Europeanen stonden tot we op het erf van zijn geriefelijke woning
uitstapten. Eindelijk voelde ik me meer thuis en veiliger dan ooit,
onder menschen die ik langer en beter kende dan allen, die ik tot nu
in Indië had ontmoet. De indruk in de beschaafde wereld terug te komen
was hier, waar, door het Indische droomleven, de polsslag klopte van
een zich snel ontwikkelde havenstad, zeer sterk.
Dien avond aan een gezellig souper, waar gastheer en gastvrouw nog
meerdere gasten samenbrachten, ontbrak een der genoodigden en wel
hij die als ambtenaar, met de post door dezelfde boot aangebracht,
welke ook mij tot Makasser had vervoerd, een schrijven van den
civiel-gezaghebber van Tobelo had ontvangen, waarin deze een klacht
tegen mij had ingediend. Om praatjes te vermijden meende deze ambtenaar
alvorens mij te hebben gehoord, elke particuliere samenkomst met den
aangeklaagde te moeten vermijden. Reeds spoedig vernam ik ook dat een
der advocaten te Makasser door den civiel-gezaghebber verzocht was
hem in deze zaak in rechten bij te staan. Er werden dien avond onder
vroolijk gelach talrijke glossen over het gedwongen bezoek aan het
parket gemaakt en mijn hupsche gastvrouw beloofde mij den volgenden
morgen te zullen vergezellen om met vrouwelijke welbespraaktheid een
goed woordje voor me te doen.
Onder den behagelijken invloed van teruggevonden comfort werd nog
lang onder den blooten hemel op het erf, terwijl de zwoele Indische
nacht om ons henen lag en het onophoudelijk gesjirp en gezang der
insectenwereld zich overal uit het geboomte deed hooren, genoten van
de stemming der nachtelijke uren.
Den volgenden morgen meldde ik mij aan het parket om een eind te maken
aan de vervolging van den ambtenaar te Tobelo. Ik was, om eerlijk te
zijn, toen ik daar binnentrad in een zeer kwaadaardig humeur over
de wijze, waarop men ook hier naar ik meende, een zaak van weinig
beteekenis opvatte. Na een korte uiteenzetting der feiten, waarbij ik
door mijn geprikkelde stemming niet altijd even vriendelijk bleef, nam
de advocaat van mijn tegenpartij, die ook bij dit onderhoud aanwezig
was, tot mijn groote voldoening terstond genoegen met de mondelinge
verzekering, die ik den civiel-gezaghebber reeds lang schriftelijk
had gegeven, terwijl de betrokken ambtenaar geen aanleiding vond
tot een verder onderzoek over te gaan. Zoo wist ik den betrekkelijk
rechtloozen Staat verlaten te hebben, die daar achter Makasser lag
en was binnen een half uur bevrijd van een vervolging, die daarginds
reeds maanden had geduurd.
Toen ik nu in vriendschappelijk gesprek met den advocaat dankbaar
en gelukkig door de teruggevonden redelijkheid het parket verliet,
vertelde deze mij, dat Verster zich indertijd na zijn terugkomst
uit Ternate om rechtskundige hulp tot hem had gewend, doch dat hij
na door hem ingelicht te zijn en de bedoeling begrepen te hebben,
voor de eer daarvan had bedankt.
Reeds op mijn heenreis had ik te Makasser geprofiteerd van de
gelegenheid, die hier geboden werd om met een auto een tochtje het
binnenland in te maken over Maros naar den waterval van Bantimoeroe,
waar het gebergte van het binnenland begint en waar steil het
conglomeraat gesteente uit de vlakte rijst. Daar bij dien waterval, bij
een pasangrahan had ik voor het eerst een weldadige ontroering voor de
natuur van dit land ondervonden. De steile muur van begroeide rotsen
waarvan het water neerstortte was als een machtigen onbeklimbaren
bergwand geweest, en, daar boven dien val waar het riviertje kalm
door het hooger gelegen woud gleed en waar talrijke kleurige groote
vlinders over het water zweefden, was voor het eerst iets geweest, dat
mij met het Indische landschap met zijn zware groen en te overmachtige
natuur had verzoend.
Geen heerlijker vervoermiddel door dit land en in dit klimaat dan
de snelle auto. Haar snelheid wekt op en doet het eentonige van
het landschap niet zoo sterk gevoelen, terwijl zij een verkoelenden
luchtstroom brengt in de warme stille atmosfeer.
Naast mijn gastheer deed ik nu een toertje in den donkeren avondstond
over de goede wegen achter Makasser, langs bosschen en velden, door
kampongs en langs eenzame huisjes, waar de inlanders bij lichtjes
zaten. Het voortsnellende schijnsel der hel-brandende lantaarns in
het duister vooruit over den weg en tegen de boomen en het bladerendak
daarboven, het gesnor en gebrom van den motor, het getoeter bijwijlen,
wanneer er menschen in den lichtbundel waren te zien, verbrak op de
meest schreeuwende wijze 't geheimzinnige van den donkeren Indischen
nacht en gaf een gewaarwording of we brutale heiligschenners waren,
die het ontzag voor de demonische macht der aloude geesten trotseerden.
Toen ik den volgenden dag naar de haven wandelde, waar de beschikbare
kaderuimte geheel door lossende en ladende schepen werd ingenomen
terwijl daar buiten op de reede nog de paketboot, die me tot hier
had gebracht, wachtende was op een plaatsje om ook tot lossen en
laden over te kunnen gaan, begreep ik hier nog ettelijke dagen te
kunnen blijven. Echter een kleine paketboot, die een wekelijkschen en
directen dienst met Soerabaja onderhield zou morgen vertrekken en zoo
besloot ik daarmede naar Java over te steken en zeide Makasser en haar
ruime pleinen, haar drukke handelswijk, waar statige kantoorgebouwen
verrezen, haar bedrijvige haven, die door haar gunstige ligging een
groote toekomst tegemoet ging, vaarwel. Weer hoorde ik de golven
ruischen om het schip dat met den sterken bries mee, klein als het
was danste op de lange deining van de rumoerige Java Zee. Het was
propvol aan boord en benauwd in het smalle warme eetsalon, waarvan
aan beide zijde de kleine hutten der passagiers waren. Men at,
die benauwenis ontvluchtend, aan dek waar het slingerende schip in
zijn hevigste slingeringen de borden en de glazen van de tafel deed
glijden tot groote consternatie van de slap neerliggende zeezieke
menschen. 'k Gevoelde me als een held nu ik na al dat zeevaren bemerkte
onverschillig te zijn geworden voor die gevreesde ziekte en aan de
goede tafel mee-at met hen, die ik vroeger, als lijder onder die
omstandigheden, altijd in stilte had benijd. Nu werkten die hooge
zeeën, die het galopeerend schip in zijn snelle vaart voor wind en
golven naijlden als een vreugdevolle opwekking, als een ontspanning,
om in het nietsdoen op het volle dek uren naar te zitten kijken.
Elke naijlende zware zee, waaraan we ontsnapten bracht dichter bij
het doel, bij Java eerst en dan... Europa! O, hoe nam het verlangen
toe, nu het zoo snel voorwaarts ging, terug naar het mooiste deel der
wereld, waar wij Hollanders van nature, van geboorte en van aanleg
hooren. Italië, Zwitserland, Duitschland, mijn vaderland! Spoedig
zou ik terugzien de landen, waarvan ik zoo innig hield, van welk
weerzien men in den Indischen angst altijd als van een lenteontwaken
droomt. Dan zou ik van me af kunnen schudden de Indische sfeer van
matheid en loomheid en illusieloos leven die me te pakken kreeg en
weer wakker kunnen worden voor het hoogere, het betere, van Europa's
leven en natuur, 'k Zou van Indië weer langzaam kunnen herstellen,
van dat land welks rijk bezit we betalen met zoo veel ziele- en
geesteslijden van duizenden onzer.
Zeker, 't is onze eigen schuld, een schuld die we vrijwillig betalen,
niet de schuld van het land, dat voor de geaardheid van den Inlander
en niet voor de onze is, welke niet kan zonder de tinteling van kou
en de prikkeling van afwisselend leven. Wel is de Inlander behept met
al onze gebreken en deugden, welke hij dan ook zeer spoedig bij ons
herkent en te onderscheiden weet, zooals de leerling zijn meester voor
de klas in korten tijd doorschouwt, doch hij is weer niet als wij, in
zooverre hij nog kinderlijker en droomiger is en met een veel geringere
mate van energie, vooral van geestelijke energie, is toegerust. Ja,
zelfs de Alfoer, de nog half wilde, staat veel minder ver van ons af
dan veel Europeanen in hun waanwijsheid wel willen aannemen, ook hij
doorziet ons in een oogenblik, met den kijk der aangeboren slimheid
van het natuurvolk. De Minahasser is zelfs, althans wat zijn uiterlijk
aangaat, meer Hollander dan menige Indo, en de Javaan?.... ik leerde
er weinigen kennen, doch wanneer men de brieven van Kartini leest,
wordt het ons duidelijk dat de volbloed Javaansche, die zelfs nooit van
haar eiland kwam, kan voelen en denken als het ontwikkeldste edelste
Hollandsche meisje. Hare uitingen zijn als zoovele openbaringen over
het eenmaal mogelijke geestes- en zieleleven van haar volk.
De volbloed Inlander is een sympathiek menschentype uit een ras bestemd
voor de heete luchtstreek, zooals wij het zijn voor de gematigde. Het
is niet anders, doch wat in Indië het leelijkste is onder de menschen
komt van den Hollander, die wel tegen veel inlandsche misbruiken
streed en veel goeds bracht, doch die daarbij tevens zooveel leelijks
verwekte, dat men er versteld van staat.
Ons leven in Indië is tegen onze natuur, is gedwongen en zal eeuwig
zoo blijven, en zoo min als de Inlander in Holland zou aarden,
zoo min aardt ooit de Hollander en zijn nageslacht in Indië, tenzij
dit laatste verinlandscht en daaraan ontkomt dit nageslacht dan op
den duur ook niet. En toch in Holland teruggekeerd verlangt hij,
die Indië leerde kennen, soms onbestemd naar dit land terug. 't Is
het vrijere, zorgeloozere en ook grootschere leven daar, dat hem
dat verlangen influistert en dan "all times when old are good"; en
't waren immers ook zijn beste levensjaren, die hij hier doorbracht.
De golven vervolgden het schip niet meer met de woede van den vorigen
dag, het was onder de beschutting van eilanden en eilandjes gekomen
en Madoera's kust lag in de verte reeds aan stuurboord en Java's
kust zou spoedig aan bakboord zichtbaar worden. Doch we ijlden snel
door een steeds smaller wordende vaargeul tusschen ondiepten aan
weerszijden. We hadden een loods aan boord gekregen. Steeds meer
schepen werden gepasseerd en eindelijk tegen den middag van dien dag
zagen we voor ons veel schepen op de reede liggen en boven Java's
lage kust, die reeds geruimen tijd was te zien, staken masten en
seinpalen uit en omtrekken van daken waren tegen de lucht zichtbaar.
We hadden Soerabaja bereikt.
De ontscheping alhier, waar de groote booten op de reede moeten
blijven liggen, duurde langen tijd, en aan den wal gekomen gaf de
bagage door gebrek aan koelies weer een langdurig oponthoud, alvorens
de troostelooze Oedjong, de benedenstad van Soerabaja, een hel van
stof en zon om leelijke pakhuizen, oude huisjes en vunzige kantoren,
waartusschen schreeuwende koelies, ratelende sado's en toeterende
auto's, verlaten werd en ik goed en wel in het Simpanghotel onder
mijn galerijtje zat.
Daar was ik nu weer in het volle leven terug, het leven van jagen en
haasten naar geld in deze drukke handelsstad. 's Morgens reeds tijdig
begonnen de auto's met employé's en chefs over de gladde breede wegen
te vliegen, allen één kant uit het hotel voorbij; van de bovenstad
naar de benedenstad, waar de handelskantoren zijn. Tegen den avond
keerden diezelfde auto's weer vol terug naar de woonstad met weer
dezelfde menschen van den morgen.
Na inkoopen en bestellingen te hebben gedaan, na met vrienden uit
mijn kinderjaren te hebben gedineerd en onder de hooge boomen voor
de societeit te hebben nagepraat, verliet ik Soerabaja om vóór het
vertrek van Batavia nog iets van den Preanger te zien, waarvan men
mij zooveel had verteld.
De Hollanders zijn nu eenmaal geen bergvolk en dus op dit punt over
't algemeen niet verwend, wie onzer echter de zegen is deelachtig
geworden de Zwitsersche dalen met hun schilderachtige dorpjes, de
meren met hun bekoorlijke oevers en diep kleurig water, de alpenweiden
met haar bloemenschat, de heldere stroomen en vele watervallen, de
steile rotswanden en diepe afgronden, de gletschers en de eeuwige
sneeuwtoppen goed te leeren kennen zal in een vulkanisch bergland,
zooals het gebergte op Java uitsluitend is, veel van dit schoons geheel
missen. Slechts een hooggebergte, dat uit het massale oergesteente
door plooiingen van den aardkorst is opgebouwd, zal dit overweldigend
grootsche en schoone kunnen geven.
In onzen Archipel zal men alleen op Nieuw-Guinea in het Sneeuwgebergte
bij de Wilhelmina- en de Carstens-toppen naar een werkelijk grootsch
bergland te zoeken hebben. Reeds hebben ons de eerste berichten bereikt
over de pracht van dat binnenland daar onder den aequator en reeds
zijn er plannen gemaakt voor een herstellings- en ontspanningsoord in
deze koele hooge streken op de wijze als Darjeeling aan den voet van
den Himalaya. Dan zal men inderdaad vernemen van een bergnatuur zoo
schoon en grootsch, dat ook de verwende toerist en de alpinist hier
hun hart vol bewondering voor een indrukwekkend hooggebergte zullen
voelen kloppen.
Eenige uitstapjes in de Preanger, die ik van Garoet uit maakte naar de
heete bronnen van den Kawa-Kamodjan, naar het meer van Bagendit, een
avondwandeling over den weg naar Tjikoeray leerden mij een liefelijk
berglandschap kennen, waarin de helgroene sawah's en de begroeide
berghellingen afwisselden met de vulkanen, die aan alle zijden uit
dat land oprezen. De morgen- en avondkoelte door de hoogere ligging
(710 M.) deden, na de eeuwige warmte, heerlijk aan en verkwikten
geest en lichaam als een bad. Het goede hotel van Horck met zijn
gezellige paviljoentjes deed het overige om het verblijf er aangenaam
te maken. Het vele volk uit de omliggende dessa's, dat 's morgens de
landwegen opvroolijkte op weg naar de markt te Garoet, de menschen in
kleurige dracht in troepen aan 't werk in de sawah's bij 't snijden
der padi, gaf een levendig, vroolijk en vredig beeld.
Doch wat ik ook op Java en in het verdere Indië aan natuurtafereelen
zag, het kon me slechts bij uitzondering brengen tot het groote geluk
van het natuurgenot, dat ik zoo dikwijls in Europa had gevonden.
En nu, nu de wegen steeds gebaander zouden worden, die ik te volgen
had, eindig ik mijn verhaal als zwerver, moe en verreisd, verlangend
naar het vaderland.
In Europa kwam ik terug anders dan ik was gegaan, loomer, doch rijker
aan ervaringen, aan bittere ervaringen soms, die harder waren geweest
dan hier mochten blijken. Doch ondanks dat gevoelde ik mij dankbaar
nu mijn zending was geslaagd.