Eindelijk had ik hier dan den man gebracht, onder wiens leiding

de zaak tot bloei zou kunnen komen, en op wien ik meende tenslotte

in alle opzichten te kunnen vertrouwen. Zijn belangstelling en zijn

plannen getuigden van de grootste ambitie, zijn vooruitzichten zouden

geheel met de ontwikkeling hier samenvallen, zijn toekomst zou geheel

van het welslagen hier afhangen.

Het huis met de bijgebouwen en den grooten kippenloop te midden van

de ontginning in de ruimte gelegen, stond hem wel aan. De eerste

dagen van het nieuwe leven daar liet zich goed aanzien, en toen ik

's avonds alleen huiswaarts keerde, naar het huis van den oudsten

zendeling, wiens gast ik nu was, was er een groote tevredenheid

en rust over me gekomen; want het was zeker dat het doel mijner

groote reis was bereikt, nu aan alle factoren om te kunnen slagen

was voldaan. Daarmede begon tevens mijn taak hier af te loopen.

HOOFDSTUK VII.

EEN TAAK DIE AFLOOPT.

Opwekkend was het met mijn nieuwen man, die zooveel belangstelling

toonde en zijn eigen inzichten had en opmerkingen maakte, het terrein

met de ontginningen, de kweekbedden en de onontgonnen wouden af te

loopen en plannen te maken voor het werk in de toekomst.

Waar gehakt en gebrand was, was het een chaos van stammen en kruinen

en stronken en stapels verbrand hout, waardoor het verdergaan daar zeer

werd bemoeilijkt, doch we klommen en klauterden er over en wrongen ons

er door, waar het noodig was. We liepen in het nog ongerepte woud alle

eindeloos lijkende rintissen af, die door de koelies, onder leiding van

mandoers met behulp van de equerre, met den parang lijnrecht naar alle

zijden van het terrein waren geslagen. Soms geleken die rintissen,

daar waar het onderhout dicht opeen en waar de onontwarbare glagah

stond, op lage tunnels, waar men in gebogen houding moest trachten

door te komen. Soms, tusschen de bamboe, was het onder onze voeten

een geknap en gekraak van belang en steeds moest daar op de lange

bamboekokers, die na elken doortocht opnieuw den weg versperden,

de parang weer worden gebruikt.

Springend van steen op steen, volgden we de kali in haar ganschen

kronkelenden loop over het terrein. Daarbij werden we getroffen

door de natuur van het woud, zooals zich het van den bedding dier

kali aan onze blikken voordeed. Aan de beide oevers, die soms laag,

soms een vijftal meters hoog waren, daar waar het riviertje zich een

diepen weg door den bodem had uitgeschuurd, rezen de reuzenstammen

met hun bladerendos omhoog. Elke bocht bracht een nieuwen kijk op

dien dichten groei van allerlei hout, waarvan de bebladerde takken

soms tot het midden van de kali reikten, zoodat een natuurlijke

schaduwrijke berceau ontstond. En waar zij breeder was geworden,

weken die takken terug en we zagen de strakke blauwe lucht boven ons

en de zon door het groen schijnen op de ronde lichtgrijze steenen,

waarover we onzen weg vervolgden.

Een enkele Tobelorees, ook vrouwen, die de bedding dezer kali als een

natuurlijken weg door het bosch gebruikten, ontmoetten we hier. Een

dezer Tobeloreezen, van honden vergezeld, was op wilde varkens op

de jacht geweest en knielde nu bij zijn buit neer, die door honden

opgejaagd en achtervolgd in de speer van den listigen jager was gerend.

Zoo de geheele concessie doorkruisend, kreeg de nieuwe meester hier

in korten tijd een overzicht der terreinverhoudingen en leerde het

werk kennen, dat voor hem lag.--Nieuwe heeren, nieuwe wetten--en

zoo stelde hij spoedig allerlei veranderingen en regelingen voor,

die ik hem gaarne zag invoeren.

"We kunnen wel zien, dat u een administrateur hebt", zeide op een

morgen de zendeling tot mij, toen hij mij met een boek onder de

galerij van zijn huis vond zitten.

"Och ja, hij moet het nu weten en wil het ook weten, en dat is maar

goed ook. Ik laat hem nu zoo veel mogelijk alleen scharrelen"--was

mijn antwoord. Inderdaad liet ik hem steeds meer zijn gang gaan,

zag toe en hielp waar hulp gewenscht was; doch na eenigen tijd had

hij, zooals noodig was, alle draden in handen en daarmede liep mijn

verblijf op Halmaheira ten einde.

Gedurende den tijd, welken ik nog op Tobelo vertoefde, logeerde bij

den jongsten zendeling de zendeling van Morotai met zijn huisgezin,

vrouw en vier kleine jongens van 1/2 tot 6 jaar oud. Zij hadden zich

op een goeden dag op een stoombootje, dat toevallig de door hen

bewoonde kampong had aangedaan, ingescheept, om uit een benarden

toestand van ziekte en teleurstelling te geraken en hulp in meer

bewoonde en bewoonbaarder oorden te zoeken.

Deze menschen hadden zoo afgelegen van alle beschaving en verkeer

geleefd, dat de kinderen de eenvoudigste zaken nog dikwijls niet

kenden. Zoo zagen de beide oudsten den eersten dag van hun komst de

ossenkar vol verbazing voorbijrijden en juichten en riepen, dat zij

nog nooit zulke groote bokken hadden gezien, terwijl ook de kar het

eerste voertuig was dat zij onder de oogen kregen, en een fiets voor

hen een wonderding was uit een onbekende wereld.

In de kleine samenleving, waarin we daar verkeerden, ontmoette ik

dezen zendeling en zijn familie herhaaldelijk. Dan kwam steeds de

vraag in mij op, hoe men iemand als hem, tot hulp en steun en tot

bekeering van anderen naar zulk een uithoek van de wereld had kunnen

zenden. Deze man, in een achterhoek van Holland geboren, was na zijn

opleiding voor zendeling te hebben genoten, met zijn vrouw naar de

Oostkust van Morotai vertrokken, om er het evangelie te prediken. Door

zijn leven in eenzame streken was hij een zwijgend en gedrukt mensch

geworden, die weinig of geen menschenkennis bezat en zeker allerminst

geschikt was om in afgelegen streken het evangelie te brengen en den

stoot tot een nieuw en opgewekt leven te geven.

Wat dien man bewogen had zulk een taak op zich te nemen, had wel zijn

oorzaak in een verkeerd begrepen steunen op de hulp van God. In het

gevoel van dien steun had hij zich geworpen in een leven dat hij niet

beheerschen kon en waarbij hij vastraakte. Nu moest God helpen, nu

werd in den angst naar uitredding en zelfbehoud God om alles gevraagd,

om alles gebeden.

Deze man, die als een stug boertje op de hei zijn bestaan had

moeten vinden, had hier niets anders bereikt, dan dat hij en zijn

vrouw lichamelijk en geestelijk gebroken waren, vier kinderen hadden

gekregen, terwijl geen blijvend resultaat van eenig belang door zijn

werken als zendeling was bereikt.

Zijn vrouw wilde nu met hem en het verdere gezin, op advies van

den dokter te Ternate, daar hij ook aan malaria leed, naar Holland

terug. Zeker zou dit het verstandigst zijn geweest, doch schuw voor

de wereld, bleef hij weigeren. Koppig is die man blijven weigeren

en het einde was, dat man en vrouw uiteengingen, hij naar Morotai

terug, naar Boesoe-Boesoe op de Oostkust, waar nooit een blanke kwam,

waar harde winden vaak alle verkeer over zee onmogelijk maakten, en

zij met haar vier kinderen naar Holland. Daar zit nu de man alleen,

in vrijwillige ballingschap. [3]

Nog in die laatste weken zou mijn verblijf vergald worden door den

civiel-gezaghebber, die van den eersten dag mijner komst alhier

tot nu, langs allerlei wegen en door allerlei middelen, getracht

had mij de aanmatiging van zijn veel te groot machtsbegrip te doen

gevoelen. Het was reeds in het eerste uur van mijn komst te Tobelo

begonnen. Steeds had hij sinds dien tijd tegenover mij, zooals

ook tegenover de zendelingen en de bevolking, zijn lastige natuur

bot gevierd. Hulpvaardigheid en opgedrongen diensten, waardoor

hij de menschen aan zich trachtte te verplichten, afwisselend met

willekeurige domme maatregelen en ingrijpende veranderingen, waarvoor

ieder buigen moest en waardoor de goedaardige bevolking dikwijls te

lijden had, speelde hij met de bewoners zijner afdeeling als de kat

met de muis. Even liet hij hen in 't geloof braaf en goed voor hen

te zullen zijn en hun vrijheden en rechten te eerbiedigen, om hen

later te kwellen en te onderdrukken, al naar zijn luim het hem ingaf.

Zijn entrée te Tobelo had zich indertijd gekenmerkt door een speech

tot de verzamelde bevolking, waarbij hij waarschijnlijk Multatuli's

bekende toespraak tot voorbeeld had gehad. Twee dagen later was hij

aan zijn stoel gebonden geweest, daar hij op diezelfde bevolking zijn

knie uit het lid had geschopt.

Mijn samenleven met hem te Tobelo eindigde met een onverkwikkelijke

correspondentie en met een dwaze aanklacht zijnerzijds bij den resident

en de rechtbank te Makasser.

De officier van justitie had op gevraagd advies van den resident naar

aanleiding van de op mijn verzoek inbeslaggenomen gelden, de zaak niet

voldoende kennende, ambtshalve moeten adviseeren deze gelden voorloopig

niet weer af te geven. Echter dit geld was intusschen weer in mijn

bezit gekomen en nu wenschte ik dit, om een proces te vermijden niet

weer aan hem af te geven. Hij echter eischte òf het bedrag in geld

terug òf een cheque ter waarde van dat bedrag. Gaarne wilde ik hem

en had hem reeds een schriftelijke verklaring gegeven, waarbij ik mij

aansprakelijk stelde voor alle schade, welke hij door de teruggave van

dit geld ooit zou kunnen lijden. Van deze regeling, waarbij in gemoede

een einde kwam aan een anders zeker sleepend wordende zaak, wilde hij

echter niets weten. Hij wilde en zou het geld nu eenmaal terug hebben

en zou dit op de meest krachtdadige wijze trachten door te zetten.

De eene brief na den anderen volgde en steeds in boozeren toon,

totdat hij mij schreef bij den resident en de rechtbank te Makassar

een aanklacht wegens misbruik van vertrouwen te zullen doen, waardoor

ik volgens hem met den strafrechter zou kennismaken.

Daar was nu wel om te lachen en dit gebeurde ook, maar toch voorzag

ik op mijn terugreis naar Holland te Ternate en te Makasser bij

de door hem ingelichte ambtenaren een lange uiteenzetting van een

onverkwikkelijke zaak. Door hem en met behulp van zijn vrouw werden

althans reeds ellenlange brieven en stukken voor deze ambtenaren

in gereedheid gebracht. Met zijn Indische inzichten scheen hem

mijn houding in deze zaak een misdaad, en bleek hij de hoop te

koesteren, dat ik, zoo al niet te Ternate dan toch zeker te Makasser

in hechtenis genomen zou worden. Had de vrees voor zijn meerderen

hem niet weerhouden dan zeker zou hij mij reeds te Tobelo door een

paar pradjoerits achter slot en grendel hebben gezet.

Kwam ik hem nu in de kampong of elders tegen dan keek de machtige

ernstig voor zich, zijn vrouw draaide me, wanneer ik haar

beleefdheidshalve groette den rug toe en ik zelf kon niet helpen

dat er een spotlachje op mijn gezicht kwam over de ongemoedelijke

beleedigde Indische majesteit. En nu had ik die majesteit nog wel

altijd in mijn brieven in de volledigste titulatuur en met de mooiste

phrasen aangesproken; iets waarop een Indisch opgevoed mensch verbazend

gesteld is en waaraan men alleen reeds al zijn wel en wee tegenover

hem te danken kan hebben.

Intusschen naderde de dag van mijn vertrek. Op de onderneming was

nu onder de nieuwe leiding, die met lust en ijver was opgevat, het

werk in vollen gang. Er werd gehakt en gebrand en geplant; het huis

werd steeds bewoonbaarder gemaakt, terwijl de plannen voor een groot

nieuw administrateursgebouw klaar lagen.

Zoo, terwijl ik bij een der kweekbedden stond en zag hoe rij aan rij

van nieuw aangekomen zaadnoten door het werkvolk werden uitgelegd,

hoe dichtbij en in de verte de boomen krakend en knappend vielen

en hoe aan alle zijden de rook van het brandende hout over de

opengelegde terreinen trok, klonk eensklaps luid en schel de fluit

van de binnenkomende boot, die me naar Java terug zou brengen.

Het zwerven was ik moe, en Indië en zijn ellende ook, alleen niet dit

werk, dat ik nu goddank in vertrouwde handen achterliet. Het werkvolk

zag me gaan; den opzichter en de mandoers drukte ik de hand. Voor het

laatst liep ik den rechten weg door het open veld naar de kampong

en vond in het huis van mijn gastheer de koffers door den jongen

gepakt en klaar gezet, om door de ossekar naar de aanlegplaats te

worden gebracht.

Daar lag op de reede de boot, waarop ook de zendelingen en de

administrateur zich begaven, om een laatste afscheid te nemen. Ook

keek nog eenige malen de civiel-gezaghebber, die zich met zijn vrouw

aan boord had begeven, mij gewichtig-somber voorbij en beet zich van

spijt op de lippen, dat hij den vogel niet hier reeds in zijn netten

kon vangen. Nog eenmaal keerden zij met staatsie den vertrekkende

den rug toe, en nog eenmaal moest ik een spotlachje onderdrukken over

het abnormale machtsbegrip en het gebrek aan gemoedelijkheid bij deze

menschen met hun zonderling "point d'honneur".

Toen het donker werd gingen de zendelingen en de administrateur van

boord. Wuivende met zakdoeken en hoeden, terwijl ze in de motorboot

stonden van het schip, die hen naar land terugbracht, verdwenen

zij uit het gezicht. Daarmede was de verbinding voor langen tijd

afgesneden. Eerst na maanden en in Holland teruggekeerd zou ik opnieuw

weer iets van hen kunnen vernemen.

Er was een episode in mijn leven afgesloten, waarop ik met tevredenheid

terugzag en waarvan eens de vruchten in de toekomst te plukken

zouden zijn.

Voor mij lag de lange reis over Ternate, Ambon, Banda en Makassar

naar Soerabaja; vandaar met den trein over Java, met een bezoek aan

de Preanger, om te Batavia scheep te gaan naar Genua, alwaar ik mijn

vrouw hoopte terug te zien. Dan zou een reis langs de Italiaansche

meren en door het Zwitsersche bergland de belooning wezen voor een

tijd van veel ontberen.

Europa met zijn rijke cultuur en zijn wonderen lokte; daar zou de

afgestompte geest zich weer kunnen verfrisschen aan al datgene, wat

men in dit verre land ontbeert en wat ons tenslotte hunkeren doet

naar beschaving en cultuur.

Nog lag Tobelo daar verborgen onder het zware groen, doch in den

geest was ik reeds met zevenmijlslaarzen vooruit gesneld, nu geen

zorgen en moeiten zijn vlucht meer remden.

Een lange zeereis lag voor me met al haar genoegens en lasten.

Reeds stonden de sterren eenige uren aan den hemel, toen de boot

het anker lichtte en door het gevaarlijke vaarwater van klippen en

eilandjes in het duister langzaam haar weg zocht naar de open zee.

Vaarwel Tobelo! Eens hoop ik terug te keeren om de vruchten te zien

van het werk hier verricht.

HOOFDSTUK VIII.

TERUG NAAR HUIS.

Wie, die lange bootreizen heeft ondernomen, heeft niet ondervonden

dat het gemakkelijke luie leventje van passagier in 't geheel niet

strookt met de eischen onzer bedrijvige menschelijke natuur. De eerste

dagen en vooral wanneer men uit een drukken werkkring komt en behoefte

heeft aan rust en ontspanning werkt het passagiersleventje bij mooi

weer weldadig kalmeerend. Men leeft dan aan boord van een modernen

stoomer in een roes van bedaarde feestvreugde, van 's morgens dat

men op dek verschijnt tot 's avonds dat men zijn hut opzoekt.

De goede bediening, het overvloedige eten, steeds stipt op tijd,

het gezelschap van medereizigers, het zekere weten dat men van

buitenaf niet gestoord zal worden en dat elke nieuwe dag aan boord

slechts daar is om voor zijn genoegen te leven, brengt den eersten

tijd de ontspanning, welke tot die feestelijke stemming leidt. Doch

na eenige dagen kan reeds bij velen een bedenkelijke inzinking dier

opgewektheid waargenomen worden. De behoefte aan bezigheid doet zich

gevoelen, het onafscheidelijk gezelschap begint na de eerste week

te vermoeien en te vervelen, de belangstelling voor de meegebrachte

boeken is tot het nulpunt gedaald, en reikhalzend gaat men uitzien

naar het einde der reis. De zekerheid echter, dat men nog eenige

weken op dezelfde wijze zal moeten blijven leven, doet iedereen zich

in zijn lot schikken en de gelatenheid is op aller gezicht te lezen

en in aller wezen te herkennen, en nog slechts somtijds breekt hier

en daar de ware vreugde door. Velen liggen urenlang op een dekstoel

in een doffe lethargie, anderen leunen in gezelschap in een slepend

gesprek urenlang tegen de reeling en turen over de zee, of ijsberen

twee aan twee als dagelijksche gezondheidskuur op het dek heen en

weer. Men speelt kaart en domino, wat men thuis misschien nooit deed,

drinkt meer dan zijn gewoonte is en is vatbaar voor grappen en grapjes,

waaraan men op 't land niet denken zou. De dag moet doorgebracht,

hoe ook.

Aan boord van de paketvaartbooten, die steeds weer voeling krijgen

met het land, die onderweg passagiers afzetten en nieuwe opnemen,

komt de stemming niet tot die uitersten van vreugde en verveling. Men

gevoelt zich niet zoo slachtoffer van het onvermijdelijke, daar men

in alle plaatsen die men aandoet, telkens van boord kan om zich eens

vrij te bewegen; men wordt niet een wekenlang afgesloten gezelschap,

waar nooit een nieuw gezicht tusschen te verwachten is.

De eerste drie weken mijner reis tot Batavia beloofden dan ook,

met het bezoek aan de Preanger, niet zonder opwekkende afwisseling

te zijn, altijd voor zoover Indië zulk een afwisseling kan geven.

Van Ternate over Ambon en Makasser naar Soerabaja gaande, moge

er in de opeenvolging dier plaatsen in grootte en fraaiheid van

aanleg een sterke climax te vinden zijn, de witte huizen onder

het zware geboomte mogen steeds grooter en comfortabeler worden;

de sociëteiten mogen wat inrichting betreft of als bouwwerk, van

een ongezellig wit gebouwtje met keukenvloertegels en eenige wrakke

tafels met wat wrakke schommelstoelen tot een monumentaal gebouw met

moderne inrichting wisselen, de hotels mogen op dezelfde pijlsnelle

manier van oud-Indisch tot modern-geriefelijk naar boven schieten,

een waarachtig interesse, iets wat ons oog treft als een werk van

kunst, levert die reis ons niet op.

Eer treft ons, verwende Europeanen, het oude Indië het meest, zooals

we dat nog onvervalscht op Ambon en Ternate vinden, waar we door den

primitieven bouw der huizen, die met witte muurtjes zijn omgeven en

door de ouderwetsche forten met hooge bastions en diepe grachten aan

den ouden tijd der Compagnie herinnerd worden. Eer worden we op Banda

getroffen, waar de herinnering aan den rijken tijd der perkeniers,

de eigenaars der eertijds schatten opbrengende notemuskaattuinen, uit

de talrijke groote, geheel verlaten en bouwvallig geworden huizen ons

tegemoet treedt. Eer treffen ons die telkens weer opdoemende talrijke

eilanden met hun eindelooze dichtbegroeide groene kusten, eer staan

we verstomd over al hetgeen in deze dun bevolkte eilanden nog door

menschenhand eens tot stand kan worden gebracht en droomen we, als

echte westerlingen, van een florissante, maar nog verre toekomst dier

vruchtbare streken.

Doch laat ik niet vooruitloopen op mijn reis, maar eens afwachten

wat ik bij het aandoen van die havens te vertellen heb en welke

ontmoetingen ik er nog zou hebben.

Met mijn vroegeren gastheer van Ternate, die met deze boot weer

een lange reis langs de noordkust van Nieuw-Guinea had gemaakt en

teleurgesteld over zijn guano-concessie terugkeerde, deelde ik dien

eersten nacht, terwijl wij om de noordpunt van Halmaheira voeren,

de hut, die door hem reeds meer dan drie weken was gebruikt en in

dien tijd in den toestand van een uitdragerswinkel was geraakt. De

kooi, waarin ik slapen moest, was ingenomen door schoenen, scheer- en

kapgerei, papieren, sigaren, sigaretten enz., de kapstokken hingen vol

met kleeren, in de kleine ruimte op den grond stonden halfuitgepakte

koffers, vuile wasch slingerde overal rond; het was er een janboel,

zooals alleen een heer en dan een verindischte celibatair kan maken.

Dien eersten nacht aan boord was verre van aangenaam, en toen ook de

wind zich verhief en de boot haar bekende beweging op de lange deining

der hooge golven aannam, verwenschte ik zeereizen en al haar gevolgen,

en voelde ik mij ziek en ellendig toen we den volgenden dag onder de

beschutting van den vulkaan van Ternate in kalmer water aankwamen.

In Ternate aan wal gestapt, wandelde ik nog eens langs den

strandboulevard onder de oude tamarindeboomen, door de Chineesche

wijk, langs het fort met zijn lange en hooge blauwgrijze muren en

zijn typische Hollandsche poort, door de Arabische kampong tot bij den

kedaton van den sultan. In lange rijen, soms twee, soms drie, soms vier

achter elkaar, waartusschen straten en straatjes, liggen de huisjes

en de grootere gebouwen langs de zeekust aan den oostelijken voet van

den dichtbegroeiden vulkaan met zijn kaal uitstekenden grauwen top,

waarover zich een rookwolk kronkelt.

Nog één nacht sliep ik aan den wal en bracht den avond door in een

kring van bekenden, die mij benijdden nu ik terugging naar Holland,

naar het prikkelender leven der noordelijke stranden. En toch daar

teruggekeerd, wacht den meesten een groote teleurstelling. Zij voelen

zich daar in bekrompener enger omgeving ook niet aanstonds op hun

plaats en eerst na langen tijd schikken zij zich geleidelijk weer in

het leven in het vaderland, dat zij dikwijls geheel ontgroeid waren.

Na een langdurig onderhoud met den resident, met wien ik nu tot mijn

spijt over den strijd met zijn civiel-gezaghebber voor het eerst een

onaangename woordenwisseling had, waarbij hij werd ondersteund door

zijn nieuwen gewestelijken secretaris, die niet binnen de parlementaire

perken wist te blijven, nam ik voor goed afscheid van Ternate en van

de achterblijvenden, die op de vertrekkende boot nog een kijkje kwamen

nemen. Voor het laatst zag ik, terwijl we de Moluksche Zee instoomden,

de vulkanen van Ternate en Tidore in al hun grootheid rechts en links

en daartusschen het eilandje Maitara met zijn klapperboomen tot den

top. We gingen de beschaving tegemoet.

Een hut alleen en deze gezellig inrichten, rustig zitten op het

achterdek en turen over de blauwe Indische wateren en over het groene

Indische land, over de onmetelijke rimboe, die ik voor goed achter me

liet, was een genot dat vergezeld ging met de droomen over de toekomst,

die voor me lag. Zoo tusschen de open zee en eilandjes en 't groote

eiland doorvarend kwamen we te Batjan. Naar nadere kennismaking

verlangde ik niet, ondanks het goede dat ik er gevonden had. Bij

't uitstoomen der wijde baai passeerden we dicht den oever, waar

't eenzame witte huisje, waar ik mijn administrateur had gevonden,

nu onbewoond, tusschen de palmen lag. Adieu ook hier!

Namlea en Kajeli op het eiland Boeroe, waar prauwen vol flesschen

kajapoetiholie, netjes verpakt in gaba-gaba kistjes, werden ingeladen.

Toen naar Ambon met zijn door zendelingen en dominee's gevleide en

over 't paard getilde bevolking, die, wijl zij christelijk is, zich

ver boven den gewonen inlander verheven acht en in haar vereering

en liefde voor het Vorstenhuis en de Regeering, waarin zij den

besten Hollander overtreft, een steunpilaar is voor ons gezag in den

Oost. Een volbloed Ambonees van de hoofdplaats is een verschijning,

die door zijn verkeerd geplaatst gevoel van eigenwaarde in den

beginne eenigszins op de lachspieren werkt. Wanneer men des Zondags

of op feestdagen deze menschen in stroomen naar de kerk ziet gaan,

de vrouwen in witte kabaja's het zwarte haar glad over het hoofd van

achteren in een stijven wrong, de kondé, door spelden vastgehouden,

op mooie gestikte muiltjes, de tjenilla's, met naar boven gebogen

punten, dan maken deze vrouwen een waardig gedeelte uit van dien

stoet; alleen haar al te groote voorliefde voor zwarte kleeren,

zeker wijl deze kleur deftig is zooals ook het kerkgaan onder deze

menschen deftig is, behoort niet in dit heete zonneland; de mannen

echter in zwarte broeken, zwarte jassen, liefst diplomaten, zwarte

hoeden en schoenen, met een boordje om den hals en manchetten over

de zwarte handen maken door die kleeren en door de wijze waarop zij

om hun figuur hangen een allerkomieksten indruk. Men ziet het hen

aan, dat zij zich in die zwarte kleeren met het witte vest, waarop

liefst een dikke horlogeketting bungelt, trots gevoelen en meenen er

uit te zien als een Engelschman, die naar de Derby of de Ascot gaat,

terwijl in werkelijkheid die hoeden en jassen en broeken van slechten

snit een staalkaart geven van lang vergeten modes.

Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 10 / 12 段