Voor voldoend eten en drinken had mijn jongen gezorgd, en zoo op een

vouwstoel half zittend, half liggend, naast een miniatuur kajuitje,

op een plaatsje waar ik me nauwelijks verroeren kon, liet ik het

panorama van het landschap langs me heengaan. Zwaarbegroeid waren

de bergen op het groote eiland rechts, eveneens waren de eilandjes

links dicht met oerwoud bezet, soms met klapperboomen daar tusschen;

somtijds lag er een huisje aan het strand en een prauwtje op het

stille water tusschen de beschuttende eilanden.

Nu eens spiegelde een groote watervlakte als een meer voor ons oog,

dan voeren we door een nauwe geul en leek het vaarwater als afgesloten,

doch op het laatste oogenblik werd een doorgang gevonden. Door een

wisseling van vergezichten over het water en op het landschap, voeren

we verder en zoo werd bij mij de indruk wakker of we stoomden in de

Noorsche wateren, tusschen het vastland rechts en de scheren links,

daar, waar ook het landschap voor den boeg bij het varen door engten

en wijdten, in eenzelfde eentonigheid toch telkens wisselt.

Hoe dwaas het schijne Noorwegen te vergelijken met deze omgeving, toch

moet hier ook lang voor mij reeds iemand getroffen zijn geworden door

de toevallige overeenkomst van die ver uiteenliggende landen. Waarom

anders zou aan dat eiland tusschen Ternate en Tidore, aan dien ronden

kop, overblijfsel van een scherpen vulkaankegel, de Maleische naam

van Noorwegen, van Maitara, gegeven zijn?

Paarlvisschers, als Noorsche kust- en fjordenbewoners met hun scheepjes

op de spiegelende watervlakten, waren hier met hun witte schoenertjes

op zoek naar de kostbaarheden op den bodem der zee. Een bedrijf,

dat steeds moeilijker en riskanter was geworden, daar men steeds

dieper naar die schatten moest zoeken, wijl de gunstigst gelegen en

ondiepste banken reeds lang waren leeggehaald. Maar tot nu toe waren

in deze verre residentie met haar exotische wonderen, als parelen,

koralen, amber, schildpad en paradijsvogelhuiden, nog niet veel

Europeanen rijk geworden met het zoeken naar die schatten. Bedrog en

slechte organisatie en moeilijk te houden toezicht, en somtijds een

onverwacht en ongehoord fluctueeren der prijzen, bleken nog steeds

onoverkomelijke bezwaren voor een rustig, winstgevend bedrijf.--

Toen het tegen den avond was geworden spreidden eenige hadji's naast

me hun kleedjes uit en met hun gezichten naar Mekka, hier naar het

Westen gekeerd, begonnen ze, zonder zich in 't minst aan hun omgeving

te storen hun eindelooze gebeden en wierpen zich met het voorhoofd

ootmoedig tegen den grond. De wijze waarop ze aanbaadden was oostersch

extatisch; hun vervoering (gekunsteld of niet) maakte indruk door hun

levendige gebaren van wijduitgespreide armen tot gevouwen handen, door

de expressie dier scherpe gezichten, die onder den witten tulband met

gesloten oogen naar den hemel wezen of zich ter aarde bogen in diepste

verootmoediging. Dat Allah voor hen groot was, heel groot, oneindig,

onbegrijpelijk groot, hoog boven de menschelijke sfeer en ons weten,

zeiden ze zoo duidelijk in hun gebarentaal en door den klank hunner

stemmen, dat men de taal zelve niet behoefde te verstaan.

In het midden hunner voorhoofden waren twee eeltplekken, ontstaan

door de geregelde soms vrij onzachte aanraking met den grond. Ook bij

den Sultan van Batjan had ik die eeltplekken daar als twee wratten

opgemerkt. Of bij velen dat eelt als bewijs hunner vroomheid alleen

door die vrome handelingen is gegroeid en niet door een of andere

kunstbewerking, blijft voor den twijfelaar altijd nog een vraag.

Toen de avond viel, werden de lichten aan boord opgestoken en zocht

ieder een zoo gemakkelijk mogelijk plaatsje. Overal aan dek lagen

de menschen languit op matrassen en matjes, zoodat men zich niet

verplaatsen kon zonder over lichamen heen te moeten stappen. Op mijn

vouwstoeltje ging ik, als al de anderen, onder den blooten hemel

den nacht in, dommelend en droomend onder het eentonig gestamp der

machine. Den ganschen nacht stampte zij door, den ganschen nacht lag ik

daar, soms wakend en naar de heldere sterren kijkend en naar de zwarte

silhouetten der bergen tegen de lichtere lucht, soms droomend van

huis en van Europa, in het zalige visioen van een spoedigen terugkeer.

Toen het morgen werd en de zon achter de bergen van Halmaheira verrees,

bleek het dat we nog steeds tusschen eilanden stoomden, doch nu met

de piek van Tidore in groote verte reeds op den achtergrond. Geheel

er door bedekt, moest daarachter de vulkaan van Ternate liggen, die,

na Tidore gepasseerd te zijn, van dichtbij hoog boven het zeevlak

zou verrijzen.

Het duurde nog uren alvorens we het hoofdplaatsje Soa-Sioe aan den

oostelijken voet van Tidore's vulkaan voorbij voeren. In schroeiende

tropische hitte lag het daar, onbeschut tegen de hoogstaande zon,

op de morgenzijde van die helling te blakeren, en ik herinnerde mij

weer de vreeselijke hitte, die ik hier bij mijn vroeger bezoek reeds

vóór den middag had meegemaakt.

De zon zou weldra in het zenith komen, toen we, Tidore voorbij,

Ternate met den vulkaan voor ons zagen en een bries uit het Westen

over de wijde watervlakte tusschen Halmaheira en dien kegel eenige

afkoeling bracht, na de hitte in de nauwere doorgangen tusschen de

eilanden geleden.

Nu had ik Ternate weer voor me, waar op de eerstkomende boot zou moeten

gewacht worden en waar ik nog steeds vóór mijn terugkeer naar Holland

met het langzaam werkende residentiekantoor allerlei te regelen had.

Het scheepje deed tegen één uur zijn stoomfluit hooren en weer

wist iedereen te Ternate terstond, dat het de Adrienne van Batjan

was, die haar anker op de reede had uitgeworpen. Landende aan den

residentssteiger, een kleine pier met een seinlicht, die de vorige

resident hier had laten bouwen, kwam ik weldra mijn vroegeren

gastheer te gemoet, die me aan land had zien gaan en me nu weer

op de vriendelijkste wijze uitnoodigde bij hem te komen logeeren,

daar er in het hotel geen plaats meer te krijgen was. En zoo zaten

we spoedig weer onder zijn voorgalerij, nu in gezelschap van een der

officieren van het kleine garnizoen, die den laatsten tijd bij hem

inwoonde. Weer kon ik gaan tennissen en kegelen en 's avonds op bezoek

gaan of, om den tijd te verdrijven, gaan kaartspelen; weer was het

bij mijn gastheer het breedopgevatte jonggezellenleven, en weer was

het afwachten tot de boot kwam, die mij naar Tobelo terug zou brengen.

Intusschen was het met mijn oude liefde tot bergbestijgen reeds

lang mijn plan geweest, indien de omstandigheden het mij toelieten,

de piek van Ternate (1579 M.) te beklimmen. Die omstandigheden waren

nu gekomen.

Na informatie was het me gebleken, dat een bestijging van dien top

bij groote uitzondering werd ondernomen. De sultan leverde dan gidsen

en dragers, de eersten om den langen weg door het oerbosch te wijzen

en ten slotte een pad te kappen door het hoogste, geheel onbegane

gedeelte, de tweeden om een vrij belangrijke bagage te dragen,

waaronder eenige flinke plaids, daar steeds een bivak aan den tocht

verbonden is en het daar boven koud is in den nacht. Ook moet er water

worden meegenomen daar dit op den ganschen berg niet is te vinden, wijl

het losse vulkanische gesteente den gevallen regen te spoedig doorlaat.

Aan elkeen, dien ik te Ternate leerde kennen en die eenige geschiktheid

voor zulk een tocht in dit klimaat bezat, stelde ik voor dien

goenoeng-api (vuurberg) te bestijgen. Maar Europeanen in Indië en

bergbestijgen zijn twee, en geen wonder, waar groote inspanning in

dit klimaat bij velen als uit den booze wordt beschouwd en waar de

bergsport zeker zonder de eigenaardige groote bekoring is, die haar

in Europa nog steeds populairder doet worden.

Eindelijk leerde ik iemand kennen, die deze bestijging tweemaal had

ondernomen, maar die mij verzekerde dat na de laatste uitbarsting, in

1907, deze tocht de moeite niet meer loonde, daar een groote wal van

losse steenen, die toen om den krater was gevormd en die van Ternate

uit achter den hoogsten met alang-alang begroeiden top was te zien,

elke poging om in den kratermond te zien, verijdelde. Buitendien

werd het uitzicht onder het stijgen en dalen door zwaar hout geheel

belemmerd, terwijl het wanneer men boven was gekomen zeer tegenviel.

Dit zette den domper op mijn plan om desnoods alleen te gaan, te meer

daar de terugkomst in de daghitte een toenemende kwelling zou moeten

zijn en een nachtelijke afdaling door het donkere, slecht begaanbare

bosch niet doenlijk was.

Doch tusschen de piek van Tidore en die van Ternate rees die ronde

kop, dien men Maitara had gedoopt, omhoog. Slechts 360 M. hoog, tot

boven met eenige klapperboomen begroeid, zou ik voor dat tochtje toch

allicht gezelschap kunnen vinden.

Het was op een morgen tegen achten, dat ik aan het strand zocht naar

een vlerkprauwtje met eenige roeiers om mijn metgezel en mij, want ik

had er een gevonden, naar dat eilandje te brengen. Maar met dat luie

volk duurde het een goed uur alvorens we eindelijk met de beenen onder

ons gevouwen, meer op dan in het prauwtje zaten, terwijl een roeier

voor en achter het lichte ding door het water deed schieten. Toch

duurde het anderhalf uur, eer we den voet zetten aan het witte strand

van Maitara, waar vredig een kleine kampong onder palmen lag verscholen

en waar prauwtjes schilderachtig lagen op het zand.

Het was elf uur geworden, alvorens we het paadje insloegen, dat naar

den top leidde. De hitte was reeds groot, maar zou nog toenemen

en zeker heel erg zijn, toen we, onder de palmen vandaan gekomen

een schaduwlooze helling met alang-alang begroeid voor ons zagen

liggen. Mijn kennis ging voorop met haastigen pas, zooals ieder doet,

die nog nooit een helling voor zich zag. 't Paadje, door de bloote

voeten van inlanders gemaakt, was glad en ging niet in zigzag naar

boven; we hadden linnen schoenen aan met gladde zolen, zeer ongeschikt

voor die helling.

Zeker is er moeilijk een warmere positie denkbaar dan tegen den middag

te klimmen op een berghelling onder de tropen, terwijl de zon bijna

loodrecht boven ons hoofd staat en daarbij de weg door het manshooge

alang-alang leidt, dat elk zuchtje wind tegenhoudt. Mijn kennis gaf

reeds spoedig verdachte teekenen erg aan dien hitte-invloed onderhevig

te zijn; hij keek reeds met eerbied en telkens naar boven, bleef soms

even staan, keek dan nog eerbiediger naar boven onder het fronsen

van zijn voorhoofd, zette zijn zonnehoed achter op het hoofd en greep

naar zijn zakdoek, die in zijn hand bleef en lachte, half verlegen,

zijn figuur verliezend door die plotselinge onverwachte nederlaag.

Nu kon ik de hitte verdragen als een inlander, maar toch ook begonnen

zich op mijn lichtbruine kakipak reeds donkerbruine natte plekken

te vertoonen. Mijn kennis, die echter eenmaal een haastigen pas had

aangegeven en dien ondanks de kleine rustpauzen steeds weer aannam,

had mij aan dien pas gewend, dien men dan dikwijls volhoudt tot men

het op moet geven.

Zoo nam ik weldra de leiding. Lang kon het immers niet duren, maar

toch in die smoorhitte tijdens het zware werk, waardoor ook het hart

meesprak, scheen het een werk van uren; totdat ik boven was en op mijn

horloge ziende zag, dat het 40 minuten had geëischt. Mijn tochtgenoot

zat halverwege onder de weinige schaduw van een papajaboompje met de

handen onder het gebogen hoofd en met den hoed in den nek naar de zee

te turen, waarschijnlijk peinzend over den vreeselijken onzin om op

bergen te klimmen, waar toch immers niets te halen viel.

Toch viel er iets te halen daarboven en wel een uitzicht over den

grooten waterplas door het bergland van Halmaheira, Ternate en Tidore

begrensd, terwijl westelijk het uitzicht vrij was op de Moluksche

Zee, waar lucht en water in het onafzienbare wegdeinden. Ook was

het uitzicht vrij over de breede met zwaar woud begroeide voeten

dier kegels, terwijl een lichtgroene band onder water om het gansche

strand van Maitara, zuiver en rein als de kleur van het gletscherijs,

wees op banken van koraal, dat zich hier om de eilanden had vastgezet.

Al rondkijkende in het wijde panorama kwam ik langzamerhand bij en

bemerkte toen, hoe een hevige dorst door het groote vochtverlies

mij kwelde, maar water zou hier nergens te vinden zijn, doch eenige

klapperboomen, hoe schaarsch ook, stonden op den top en even daaronder

op de berghelling. Aan deze laatste hingen een paar jonge klappers, die

met een zakmes gemakkelijk konden worden geopend om het dorstlesschende

klapperwater er uit te kunnen drinken. Maar hoe ze te krijgen? Wel

waren de boomen nog jong en was de kroon niet meer dan acht meter boven

de helling, doch juist dit laatste maakte het plukken bezwaarlijk,

daar de noten met versnelde beweging naar beneden zouden huppelen,

indien ze na losgemaakt te zijn naar beneden werden geworpen. Het zou

dus zaak zijn de noot na den pluk bij het neerglijden langs den stam

in den arm te houden.

De opdracht was moeilijk, maar het vooruitzicht den dorst te kunnen

lesschen in een tropische hitte verleidelijk en zoo begon ik in den

rechten stam te klimmen. Waarlijk de kroon werd bereikt; nu de beenen

krampachtig vastgeklemd om den stam en door den rechterarm met alle

kracht omhelsd. De linker was nu vrij en kon een der gladde dikke noten

bereiken, die door draaien van links naar rechts eindelijk losliet

en in de holte van den gekromden elleboog terechtkwam. Zonder op mijn

kleeren te letten, die men in Indië bij het dozijn telt, liet ik me,

langs den ruwen stam schurend, naar beneden glijden. Daar stond ik,

wel opnieuw oververhit, maar nu triomfeerend met mijn schat; nu nog het

zakmes gekregen, maar o! schrik! bij die beweging viel de onhandige

noot op de helling, waarop ik nog stond.... ik stortte me voorover,

nog eens weer voorover de helling af, nog eens weer en... greep voor

de derde maal mis. Met steeds grootere sprongen verdween mijn schat

in de diepte.

Daar stond ik te braden, kletsnat, met de tong aan het gehemelte

gekleefd, met hevig bonzend hart en kloppende slapen.

Wat nu? doch dit kwam slechts een moment bij me boven. Een

bergbestijger geeft den moed niet op, en waren het nu al geen

duizelingwekkende afgronden en duistere gletscherspleten die

dreigden, het dreigement dat nu gekomen was, was niet minder erg en

de overwinning zou misschien kostelijker zijn.

Weer ging het in den stam naar een tweede noot die iets verder hing,

ook deze raakte los, maar de inspanning van het laatste uur had me

niet handiger gemaakt, zij viel.... en bleef liggen. De goden hadden

schijnbaar medelijden gekregen met dien worstelaar diep onder hen.

Onder de noot zette ik mij neer en voorzichtig, alsof het een goudklomp

was, vatte ik haar aan en dronk haar voor viervijfde leeg. De rest

bracht ik uit naastenliefde aan mijn tochtgenoot, die nog iets hooger

was gestegen, maar die het eindpunt niet bereikte. Hoe gretig ging

ook bij hem dat eene slokje naar binnen.

Het neerdalen langs het gladde steile paadje op het heetst van

den dag terwijl de hitte naar beneden gaand steeds toenam, was een

kortstondige marteling en was ons daar beneden niet een inlander

tegemoet gekomen, die als een kat tegen een 20 M. hoogen palmboom

opwandelde, waaruit hij ons een zestal noten toewierp, dan waren er

allicht nog ongelukken gebeurd.

Mijn tochtgenoot klaagde 3 dagen later nog over pijn in zijn

beenspieren door de krampachtige wijze van dalen langs het gladde

paadje, waarop de gladde schoenen zoo weinig vat hadden gehad.

Ik zeide niets, maar leed in stilte. Ik, die de piek van Ternate

(1579 M.) had willen bestijgen.

De tijd kroop voorbij, ondanks het zoeken naar ontspanning in

dagelijksche wandelingen langs het strand van het eiland en ondanks

de verstrooiing die de Europeesche samenleving bracht. Eindelijk brak

de dag aan, waarop de boot van Batjan met den jongen administrateur

en zijn huisgezin aan boord, verwacht mocht worden. De dag verstreek

zonder dat er iets gebeurde, de volgende dag eveneens, de dag daarop

weer; alleen bracht de middag toen even de emotie, dat een boot op

de reede aankwam, doch het bleek de Chineesche te zijn, die eens in

de zes weken Ternate met een bezoek vereerde.

De dagen die wachtende heengingen waren reeds tot een week geklommen,

toen zich eensklaps het gerucht verbreidde, dat de verwachte

boot tusschen Batjan en Ternate, even na het verlaten van het

eerstgenoemde plaatsje, op een blinde klip was geloopen en daar

vastzat en assistentie van andere booten noodig had.

Daar zat ik nu weer. Mijn administrateur met zijn heele hebben en

houden aan boord van een gestrande boot en het vertrek van Ternate naar

Tobelo voorloopig op losse schroeven gezet. Afwachten, geduld oefenen,

dagen en weken misschien was het parool! Mogelijk zouden we eerst,

wanneer deze niet vlot kwam of ernstig beschadigd bleek te zijn, met

de volgende boot, die een maand later kwam, naar Tobelo kunnen gaan.

Wie hier niet gelaten, in betrekkelijk nietsdoen, wachten kon, terwijl

toch ernstige bezigheden elders riepen, bereikte hier niets, dan dat

hij op verkeerde wijze zich leerde verstrooien en zijn zenuwen in

de war bracht. Dus bleef ik den toestand leuk opnemen, zooals mij

de omstandigheden in het afgeloopen jaar wel hadden geleerd. Tot

mijn geluk heerschte er in die dagen onder de Hollandsche families

een aangename geest en ook bij mijn gastheer was het leven en

de huishouding geregelder dan het vroeger was geweest. De bij hem

inwonende officier was daarvan de goede genius en ook hijzelf bevond

zich bij die regelmaat in eigen huis niet slecht. Daarbij kwam,

dat zijn illusieloos bestaan den laatsten tijd verhelderd werd

door een verwachting in de toekomst. Hij maakte zich namelijk een

illusie over de voordeelen der exploitatie van guano-concessies, die

hij op eilanden ten noorden van Nieuw-Guinea wilde aanvragen. Deze

kostbare vogelmest moest daar sinds eeuwen in holen en spelonken voor

het opgraven liggen. Op zijn reizen per paket-vaartboot langs de

noordkust van Nieuw-Guinea was hem door een zendeling op dien buit

gewezen en nu verkneuterde hij zich in de rijkdommen, die daar voor

hem lagen opgestapeld. Dit vooruitzicht--een droom, een Indische

droom en zooals zooveel Indische droomen niet voor verwezenlijking

vatbaar, althans niet voor zijn verslapte energie--gaf hem toch een

zekere flinkheid terug, door de hoop, in de toekomst, Indië nog eens

als nabob vaarwel te kunnen zeggen en dan, in Holland teruggekeerd,

de menschen daar als richard te kunnen imponeeren. Dit stokpaardje,

door mijn gastheer bij voorkeur in de avonduren bereden, gaf door

tegenwerpingen onzerzijds en door het opwerpen van de moeilijkheden

en bezwaren, die hem op dezen langen weg nog tegemoet zouden komen,

aanleiding tot heel wat hilariteit, maar met zijn fantasie overwon

hij die moeilijkheden gemakkelijk, en het eind was steeds, dat hij

zichzelven als een bewierookt rijkaard in de aangename weelde van de

grootste hotels door de hoofdsteden van Europa zag zwerven. De ironie

van het leven had er voor gezorgd, dat de opgestapelde vogelmest het

'm dan zou moeten doen.

De groote gouvernementsstoomer was naar Menado vertrokken, om

meerdere assistentie te halen en zou, teruggekeerd over Batjan, de

passagiers van het vastgeraakte schip meenemen. Eenige dagen verliepen

zonder dat er iets vernomen werd; toen verscheen tegen den avond

de gouvernementsstoomer, de Zwaluw, weer op de reede, krioelend van

passagiers van het veel grootere schip, die allen op dien stoomer waren

overgegaan. Onder hen waren ook de enkele eerste klasse passagiers,

waaronder mijn administrateur met zijn huisgezin. De verhalen van het

ongeval waren zeer eensluidend. Het schip had in den vroegen morgen

Batjan verlaten en was onder bevel van zijn gezagvoerder een route

gevolgd, die alleen door dezen kapitein werd genomen en wel door de

zeestraten tusschen Halmaheira en de daarvoor liggende eilanden,

terwijl de andere kapiteins steeds buiten de eilanden om de open

zee namen.

Het was ongeveer dezelfde route geweest, die de Adrienne had gevolgd

en die wel voor kleine, doch niet voor groote schepen aangewezen

was. Bij een bocht tusschen de eilanden, die door dezen gezagvoerder

reeds herhaaldelijk was genomen, was het schip zonder schokken op een

rif geschoven en zat daar nu zoo vast, dat het waarschijnlijk geheel

ontladen moest worden, om dan bij hoog water met behulp van eenige

andere schepen te worden vlot gemaakt.

Voor allen die aan boord waren was het een schrik geweest te

bemerken, dat het schip eensklaps stil en scheef was gaan liggen. Het

administrateursvrouwtje had een oogenblik het ergste gevreesd en

vertelde nu nog opgewonden welk een angst zij met haar kind had

doorgemaakt. De dagen aan boord van het scheef- en stilliggende schip

waren daarop in een steeds toenemende verveling gesleten, totdat

tenslotte de Zwaluw uitkomst had gebracht door hen allen over te

nemen. Doch wegens de vele passagiers aan boord hadden zij slechts

verlof kunnen krijgen de allernoodzakelijkste bagage mee te nemen,

zoodat het huisgezin nu te Ternate, van het noodigste verstoken, zat.

Dagen verliepen, waarin ik met mijn administrateur toch eenig werk in

besprekingen en allerlei regelingen had gevonden, en steeds kwamen

van de boot betere berichten binnen. Eerst, dat zij met vereende

krachten van twee assisteerende schepen vlot was geraakt; toen, dat

zij waarschijnlijk weinig averij had bekomen en dat men bezig was de

lading stukgoederen, die op de naburige eilanden was gelost weer in

te laden. Tenslotte kwam ook de boot zelve, en nu kon binnen een dag

de reis naar Tobelo worden voortgezet.

Het was in den morgen van den 4den Augustus, nadat we 's nachts de

noordpunt van Halmaheira waren omgestoomd, dat ik den administrateur

van het dek der boot op een zware rookpluim wees, die, een eind

landwaarts in van de Oostkust van Halmaheira, zich statig in het

luchtruim verhief. Daar moest het terrein der jonge onderneming liggen,

waar men nu in den drogen tijd met het branden der boomstammen en

houtresten van het reeds omgehakte gedeelte van het oerwoud bezig

was. De schoorsteen rookte dus nog; een goed voorteeken.

De boot naderde de kust en de reede. Men had haar van het strand

reeds ontdekt, zooals bleek uit prauwtjes en prauwen, die vlot

werden gemaakt om de langverwachte, die zooveel over haar tijd was,

te ontvangen. Welk een spanning moest er nu steeds meer op al die

plaatsen van Ternate af langs de kust van Halmaheira en Nieuw-Guinea

tot het uiterste station aan de Humboldtbaai zijn ontstaan door het

wekenlange uitblijven dezer boot, waarvan men de reden niet gissen

kon en, wegens het ontbreken van elk ander verkeersmiddel, ook van

telegraaf en telefoon, niets gewaar kon worden. Alleen reeds doordat

de aanvoer van rijst, waarop men met den voorraad rekende, uitbleef,

moest hier en daar reeds ernstige zorg zijn ontstaan, terwijl zij die

familieleden wachtten in de grootste ongerustheid moesten verkeeren.

De administrateur en zijn vrouw keken met spanning naar de

dichtbegroeide kust, die aan onze blikken voorbijgleed, doch waaraan

voor een nadere kennismaking met hun toekomstige verblijfplaats nog

niets bijzonders te bespeuren viel.

Als altijd gaf de landing hier een drukte van belang. Menschen en

goederen moesten in prauwen en sloepen en motorbooten aan land worden

gebracht, terwijl de boot buiten de koraalriffen eenige kilometers

uit de kust bleef liggen. Aan land was het de oudste zendeling met

zijn vrouw, die ik het eerst ontmoette en die als altijd bereid

waren hulp te verleenen, en ons, die daar aan den wal werden gezet,

terwijl niemand voor onze ontvangst toebereidselen had kunnen maken,

aan de middagtafel noodigden. Dat was een uitkomst, want zooals ik daar

een oogenblik te voren het jonge vrouwtje met een wanhopig gezicht

tusschen bagage en rommel voor een vervallen goedang en tusschen

inlanders van allerlei rassen, met haar kind op den arm in de felle

zon had zien staan, vreesde ik voor een eersten slechten indruk, dien

zij daar moest ontvangen. Doch zij kende Indië en in 't bijzonder de

toestanden der buitenposten reeds voldoende, om weer spoedig op haar

verhaal te komen en dien indruk onder de koele galerij van het huis

van den zendeling te vergeten.

Dien middag wandelden we, de kinderwagen door de baboe geschoven

voorop, den rechten weg af naar het emplacement. Hoe groot leek daar

reeds het terrein tijdens mijn afwezigheid in het oerwoud opengelegd

en hoe prachtig waren die duizenden bibits op de kweekbedden aan

weerszijden van het emplacement opgekomen.

Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 9 / 12 段