interesseerde, en dat hij tijdens mijn afwezigheid lange gesprekken
met hen hield; voorts dat de aanwezige gereedschappen en voorraden door
hem in oogenschouw waren genomen, want weldra kwam hij met aanmerkingen
over de veel te geringe hoeveelheden, die hij had gevonden. Daarop werd
door hem een lijst gemaakt van alles wat hij wenschte te bestellen. Die
bestellingen liepen echter zoo de spuigaten uit dat, ik hem hier en
daar wel attent moest maken op de al te buitensporige hoeveelheden,
die hij nu wenschte te laten komen. Daar zouden, onder meer, 300 kilo
spijkers en 100 kilo schroeven door hem worden besteld, verder blikken
lijnolie en roode menie, verf, ijzergaas en prikkeldraad enz. in
zulke hoeveelheden, dat we een aparte loods voor dien noodeloozen en
kostbaren opslag zouden moeten bouwen. De verzending der brieven met
deze bestellingen zou echter voorloopig op de terugkomst der boot
moeten wachten.
Intusschen vermeerderden van zijne zijde de aanmerkingen met den dag,
waarvan de diepere oorzaak was, dat de man geen energie en geen lust
had tot het opbouwende werk dat hier gedaan moest worden.
Daarenboven was hij door 't vernemen der praatjes van Verster op
zijn lange reis naar hier vergiftigd. Deze had namelijk van Makassar
tot Tobelo alle plaatsen die door de boot werden aangedaan, met zijn
laster besmet. Hij had dit zoo bont weten te maken, dat zelfs onder
de zendelingen op de verafgelegen posten, door hem op zijn terugreis
bezocht, een tijdelijke verkoeling was ontstaan.
Intusschen zat ik met mijn nieuwen titularis, die mij met telkens
hernieuwd wantrouwen lastig viel, die steeds meer aanmerkingen begon
te maken, steeds meer cognac begon te drinken, waarvan hij met andere
spiritualiën een goeden voorraad bij zich had, die steeds onbeschaamder
werd en als administrateur meer bedierf dan goed deed.
In zijn huis hingen verscheiden portretten zijner vrouw, een
zeer wereldsche dame, een vrouw die het hier geen twee weken zou
uithouden. Zijn geschiktheid voor deze positie, die hij als getrouwd
man anders zou hebben, werd daardoor ook niet beter. Zijn praatjes
over allerlei perkara's (wat ruzie of kwestie beteekent, een der
eerste woorden die men in Indië leert kennen), waarin hij gewikkeld
was geweest, gaven mij al spoedig de zekerheid, dat ik binnen niet
al te langen tijd ook dezen man zijn ontslag zou moeten geven.
Doch wat dan?
Op een morgen maakte hij het zoo bont en toonde zich, met zijn
verzwakten geest en zijn ondermijnd lichaam, zoo in 't geheel niet
opgewassen voor zijn taak, dat hij zelf door den last, die hem nu
reeds scheen te drukken, het woord ontslag noemde. Het was de tiende
dag van zijn verblijf te Tobelo.
Toen hij eenmaal het fatale woord ontslag genoemd had, moest hij
vernemen, dat dit des te eerder des te beter gewenscht was.
Dien middag verscheen ik met twee getuigen in zijn huis en reikte hem
in hun bijzijn zijn ontslagbrief over. Hij kon dan met dezelfde boot,
waarmede hij gekomen was en die binnen zeven dagen terug zou keeren,
naar Java teruggaan. De brutaliteit van mijnheer en zijn eischen over
het uit te keeren salaris kenden nu evenwel geen grenzen, hoewel hij
vrije passage heen had gehad en ik hem vrije passage terug plus een
bedrag in contanten waarborgde.
Men moet zelf in een bijna rechtloozen staat, zooals die verre posten
in de Buitenbezittingen, wanneer goede ambtenaren ontbreken, practisch
nog zijn, met dergelijke desperado's of hoe men zulke menschen
noemen wil, te doen hebben gehad, om te weten hoe moeilijk men zulke
patienten, die daarbij nog altijd met recht en wet schermen, tot rede
kan brengen. Slechts het dreigement hem op staanden voet uit het huis
en van de onderneming te laten zetten, kon hem dwingen tot het teekenen
van een stuk, waarin hij, na ontvangst van zijn salaris, zijn passage
en nog een extra uitkeering, afstand deed van alle eischen, die hij
volgens zijn contract misschien nog eens meende te kunnen laten gelden.
Kreunend en bijna jankend als een geslagen hond gaf de man, die nooit
iets had uitgevoerd of van plan was geweest iets uit te voeren, ten
slotte toe. Ik liet hem in het huis, waar hij kon blijven tot de boot
zou komen.
Zie zoo, dat was afgeloopen. Doch nu een derde administrateur! Hiervoor
zou ik zelf moeten zorgen. Het was mij bekend, dat bij de
Batjan-maatschappij ten Zuid-Westen van Halmaheira een jonge
getrouwde assistent, een Hollander, naar verbetering van zijn positie
haakte. Hij had reeds door bemiddeling van anderen zijn diensten,
die ik toentertijd niet gebruiken kon, aan mij aangeboden. Zeer
waarschijnlijk was deze jonge man nog daar ter plaatse en allicht zou
hij nog gaarne voor deze betrekking in aanmerking komen. Ik zou van
geluk mogen spreken, indien ik er in slagen kon hem te engageeren,
daar ik in het andere geval naar Java zou moeten reizen. Men bedenke
daarbij wat zulk een reis, die slechts eens in de maand te doen is
en waarvan de duur even lang is als van Europa naar Java, terwijl ik
hier onmisbaar was, voor mij moest beteekenen.
Ook deze reis reeds, naar Batjan en terug, zou door de slechte
verbindingen reeds weken kunnen duren.
Nog een week had ik voor me, om mij op mijn langdurige afwezigheid
voor te bereiden. Het was weer de oudste zendeling die mij hielp,
door zich genegen te toonen gedurende mijn afwezigheid den opzichter
en de mandoers te controleeren, wat voor mij van onschatbare waarde
was. Onder dien zedelijken invloed, hoopte ik, zou het ontginningswerk
niet te veel te lijden hebben; maar in elk geval, nood breekt wet en
zoo maakte ik mij weer gereed tot een zwerftocht, waarvan het einde
nog niet te overzien was. Weer werden een paar koffers gepakt en werd
alles voor het vertrek gereed gemaakt.
Op de onderneming ging ondanks die strubbelingen het werk geregeld
zijn gang. Van der Molen ontweek mij door ook overdag veel te bed te
blijven of in zijn achtergalerijtje weg te kruipen, wanneer ik in
het kantoortje verscheen, dat reeds gedurende eenigen tijd naar de
binnengalerij van dit huis was verplaatst.
Het was op een Zondagmorgen, dat ik plotseling verrast werd door de
ontvangst van een schrijven van zijn hand, waarin hij mij mededeelde
den avond te voren, terwijl hij in de ontginning wandelde, van een
boomstam te zijn gegleden, waarbij hij zich ernstig in de zijde had
gewond en nu met ondragelijke pijnen te bed lag.
Met den oudsten zendeling, die eenige medicijnen medenam, spoedde
ik mij daarheen en vond hem in zijn slaapkamer te bed krimpend
van pijn. Uiterlijke teekenen van een verwonding waren niet te
constateeren, doch hij deed ons een omstandig verhaal, hoe hij den
avond te voren om zes uur dat ongeluk had gekregen en sedert dien tijd
hier met die pijnen lag. Bij navraag aan zijn Javaanschen jongen bleek,
dat de Toewan om zeven uur 's avonds nog springlevend was geweest. We
begrepen nu niets meer van dien man, die daar waarschijnlijk den
zieke speelde. Hij deed het echter zoo natuurlijk, dat we in twijfel
verkeerden, te meer daar we volstrekt geen reden voor simuleeren
konden ontdekken.
Den dag daarop lag hij nog evenzoo. Hij at niet, kreunde maar en
dronk soms wat koffie en cognac. Het werd mij in dat huis steeds
ongemoedelijker, tot ik den derden dag van zijn ziekte eens weer in
zijn slaapkamer kwam en niet wist of ik lachen of huilen moest. Met een
verwilderd gezicht, in een vuil geworden pyjama, onder een vuile deken
lag hij daar nog steeds in een donkere, benauwde kamer, waarin alleen
door reten in den gaba-gabawand eenig licht drong. Met een zwakke
stem zuchtte hij slechts. "Wanneer komt die boot nou?" Tranen had
hij in zijn oogen, ongeschoren waren zijn kin en wangen, het magere
gezicht was nog magerder dan anders en om zijn hoofd had hij, als
een tulband, natte doeken gewikkeld. Hij was, zooals hij daar lag en
zich gedroeg, een toonbeeld van de diepste menschelijke ellende. Toen
dacht ik een oogenblik dat hij niet toerekenbaar meer was en kreeg
medelijden met hem. Weer klaagde hij over pijn in de zijde. Tegen
zijn zin werd bij nu op een langen dekstoel naar buiten gedragen,
waar hij frisschere lucht had en naar de groene boomen, de zon en de
blauwe lucht kon kijken. Misschien zou hem dat wat opkwikken. Een
aanbod om geneeskundige hulp van den zendeling te halen, sloeg hij
zeer beslist af en zoo liet ik hem liggen met de verzekering, dat
hij mij elk oogenblik kon laten roepen, als hij hulp noodig had.
Zoo bracht ik eenige uren per dag in dit "unheimisch" geworden huis
door. Hij, kreunend op zijn bed, ik werkend aan de schrijftafel. Het
weergalmen van de fluit der verwachte stoomboot maakte hieraan
plotseling een einde. Iedereen kwam in beweging, ik zelf niet het
minst, want weer heette het vertrekken en nog laatste orders geven
en een laatste hand leggen hier en daar.
HOOFDSTUK VI.
NAAR BATJAN. OPNIEUW TE TERNATE.
Voor Van der Molen was een draagbaar in gereedheid gebracht, om den
zwaar zieken man naar boord te kunnen dragen, daar hij dien afstand
toch onmogelijk te voet zou kunnen afleggen. Tot mijn niet geringe
verbazing bedankte hij er hooghartig voor. Na uit zijn bed te zijn
gestapt, kleedde hij zich aan en legde met zijn vier fox-terriers den
driekwartier gaans langen weg naar de aanlegplaats te voet af. Of
ik om hem of om mijzelf weer lachen of huilen moest wist ik niet,
maar tragikomisch was het geval nu zeker geworden.
Aan boord vernam ik van den kapitein en den stuurman en van eenige
passagiers, die met hem hadden gereisd, hoe zonderling hij zich reeds
op de heenreis had gedragen en hoe men mij algemeen beklaagd had met
de aanwinst van zulk een nieuwen administrateur, terwijl men overtuigd
was geweest, dat hij met dezelfde boot ontslagen teruggestuurd zou
worden. En met zulke menschen sluit men in Indië contracten van 5
jaren, met een aanvangsalaris van f 500.- in de maand. Zoo weinig
stellen deze menschen, die geen cent bezitten, dergelijke posities
op prijs.
Zoo kwam ik weer, na maanden, te Ternate terug met mijn tweeden
afgedankten administrateur op weg naar een derden. Vele bekenden der
Hollandsche kolonie trof ik aan, die allen min of meer begaan waren
met het noodlot, dat mij achtervolgde.
Na een etmaal aan den steiger te hebben gelegen, vertrok de boot
tegen den nacht naar Batjan, de eerste haven die nu door haar zou
worden aangedaan.
Ik had mij altijd voorgesteld, wanneer ik eens weer tusschen de
vulkanen van Ternate en Tidore door zou varen, de Moluksche Zee in,
dat ik dit zou doen met bestemming naar het vaderland, een heerlijke
toekomst in het verschiet, terwijl het welslagen van de onderneming
op Halmaheira, overgelaten aan vertrouwde handen, verzekerd zou zijn.
Niets van dat alles! Met een bezwaard hart had ik mijn werk half
voltooid moeten achterlaten, en een geheel, onzekere toekomst lag voor
me. Zou ik op Batjan slagen? En zoo niet, wat dan? Dan wachtte mij een
zwerftocht door den Archipel en een tijdverlies van dagen en weken,
dat zich tot maanden zou rekken. En zou het op Java gelukken?
Van Batjan zou ik, als ik daar niet slaagde, op een of andere wijze
moeten trachten Ternate weer te bereiken, vanwaar dan over Menado en
Makassar naar Java gereisd zou moeten worden.
Wat zou men in Holland moeten denken? In Holland, waar men zich de
moeiten en de bezwaren, die de toestanden in de Buitenbezittingen
opleveren, niet kon voorstellen. Daar zou men immers binnen een
enkelen dag den stroom van goede sollicitanten naar zulk een goed
gesalarieerde betrekking niet kunnen weren.
Later kreeg ik op Java eens inzage van sollicitatiebrieven naar een
betrekking van assistent op een groote onderneming. Het was leerzaam
zulk een collectie eens door te snuffelen en teekenend voor Indië,
op welk een wijze vele sollicitanten zich zelven trachtten aan te
bevelen. De een schreef, als aanbeveling: ik ben wettig getrouwd;
een ander dat hij getrouwd was, doch dat het hem onverschillig was
of hij zijn vrouw zou kunnen meenemen of niet; een derde, dat hij
geen geld meer had en dus nu wel verdienen moest--want er waren geen
veeren meer te plukken van een geplukte kip; een vierde.... dat hij
het wel eens probeeren wilde, enz.
Het was reeds geheel dag, toen we de ruime baai van Batjan, omgeven
door een kring van bergen, binnenstoomden. Tot mijn verwondering had
ik dezen morgen reeds tijdig aan de ontbijttafel in het eetsalon den
heer Van der Molen zien verschijnen, die zich de vorige dagen aan
boord bijna niet had laten zien. Hij zag er weer beter verzorgd uit
en scheen zich wat monterder te gevoelen. Dit was 't laatste wat ik
van dezen man zag, van wien ik de dupe was geworden, en die van den
beginne en ook nu nog een raadsel voor mij was gebleven.
Het eerste wat ik, aan den wal gekomen, vernam was dat de assistent,
die door mij werd gezocht nog te Batjan vertoefde, echter op een
eenzaam gelegen landpunt aan het eind van de baai, op een afstand
van ruim twee uren per prauw van hier.
Met den civiel-gezaghebber wandelde ik het plaatsje binnen, dat
veel grooter dan Tobelo, maar onaanzienlijker dan Ternate, echter
de residentie is van een sultan, van den Sultan van Batjan, wiens
witte woning met atappen dak wij bij het binnenvaren van de baai
hadden opgemerkt. Kleine toko's wisselden af met grootere en kleinere
inlandsche huisjes langs den grooten weg en langs de zijwegen. Na
een tijdje zoo te hebben gewandeld bereikten we een groot plein,
waaraan een ruim woonhuis lag, dat een uitzicht had op zee, het huis
van den kapitein-civiel-gezaghebber.
Al spoedig had ik het er goed. De vrouw van den civiel-gezaghebber
noodigde mij aan de middagtafel, en in het paviljoen van het huis van
een vermogenden planter en zakenman vond ik een uitstekend onderdak.
Deze laatste, een Hollander dien ik te Ternate reeds had leeren
kennen, was, zooals jaarlijks voor een half jaar zijn gewoonte was,
naar Europa vertrokken, doch hij had zijn huis onder toezicht van den
bestuursambtenaar, voor doortrekkende gasten beschikbaar gesteld. Hoe
innig dankbaar was ik dien gastheer voor zijn royale beschikking en
hoe weldadig deed het mij aan, daar in dat huis een comfort te vinden,
waaraan ik niet meer gewend was, terwijl mij de vrije beschikking over
een bibliotheek werd gegeven, die de vele uren, hier waarschijnlijk
door te brengen, op de aangenaamste wijze zou kunnen vullen.
Met den huisbewaarder, den mandoer van mijn gastheer, en mijn jongen
werd alles voor een tijdelijke huishouding geregeld, zoodat ik me
hier weldra geheel thuis voelde en dankbaar en knus genieten kon van
een der lichtzijden van het Indische leven in de Buiten-bezittingen,
nl. van een onbeperkte gastvrijheid. Een van mijn eerste bezigheden
was, mij aan de schrijftafel van mijn gastheer te zetten om hem een
brief met welgemeenden dank te doen toekomen.
Den volgenden morgen stapte ik in een prauwtje, dat mij naar de
landpunt zou brengen, die naar het Westen aan den uitgang naar zee
te zien was. Langs een strand, waar rijen klapperboomen met wuivende
kruinen en zware vruchtentrossen stonden, werd ik voortgeroeid. De
wind stond in de baai en weer danste ik in een notedop met in het
water kletsende vlerken over hooge blauwe witgekuifde golven voort. De
landpunt, ook met klapperboomen begroeid, werd steeds duidelijker
zichtbaar; een paar wrakken van gestrande schoenertjes teekenden zich
daar tegen den wal af, een dak gluurde tusschen de stammen door,
en toen ik eindelijk, tegen dien wind in, na eenige uren mijn doel
genaderd was en op het strand wilde stappen, verscheen tusschen de
hooge slanke stammen der klapperboomen een jonge man geheel in het
wit, met een zonnehoed op het hoofd--de assistent, dien ik zocht en
die hier met vrouw en kind woonde.
Onder de wuivende kruinen wandelden we samen naar zijn huis, dat dicht
bij de kust iets verder in de schaduw van die boomen lag. Een jonge
vrouw zat onder de galerij van het vriendelijk uitziende witte huisje,
dat we naderden. Verwonderd een haar onbekend heer in gezelschap van
haar man in deze verlatenheid te zien naderen, stond zij, nu verschrikt
over haar ongegeneerd toilet, snel op om dit nog inderhaast eenigszins
in orde te maken, maar reeds te spoedig stapten we het voorgalerijtje
binnen en lachend accepteerde ik gaarne de excuses over haar kleeding,
waar men in Indië en dan in de Buiten-bezittingen niet al te nauw
op dient te letten. Aan bloote voeten en half opgemaakte haren went
men gauw; aan sarong en kabaai, een dracht die de slanke inlandsche
vrouw goed kleedt, went men bij de breeder geheupte Hollandsche
vrouw moeilijker.
Daar zij verrast waren over mijn komst, deelde ik spoedig het doel
van mijn reis mede, en al pratende kwam ik tot de overtuiging hier
een paar jonge menschen voor me te hebben, die met weinig ervaring,
in gelukkigen overmoed van de jeugd naar Indië waren gegaan, droomende
van prachtige vooruitzichten en vertrouwende op beloften, die niet
altijd werden of konden worden vervuld. Zij waren de eersten niet en
zouden ook de laatsten niet zijn, die, bekoord door het zonneland in
de verte, gelukkig hun vleugels in vrijheid ruim uit te kunnen slaan,
hun vaderland hadden verlaten, om daarginds door het Indische lot op
ongelooflijk hardhandige wijze uit hun droom te worden gewekt. Wat
daar onder zulke omstandigheden aan heimwee en teleurstellingen, in 't
bijzonder onder de jonge vrouwtjes geleden wordt, wie zal het precies
zeggen. Doch levens worden er voor altijd geknakt en gaan er te gronde.
Doch deze menschen waren jong en nog niet gebroken; maar zooals ze
daar zaten tusschen inlanders, verlaten van andere blanken, met een
inboedeltje, dat bestond uit een paar rieten stoelen en een tafeltje,
een ijzeren bed, een wiegje, wat portretten en de noodzakelijkste
lijfgoederen en het noodzakelijkste eetgerei, kon toch moeilijk
aan eenige illusie voldoen. Het huisje met het zinken dak onder de
klapperboomen was niet onvriendelijk, maar lag steeds in het halflicht,
met een eentonig uitzicht tusschen de slanke klapperstammen op de
verlaten, soms door een prauwtje bevaren zee. Bij harden wind vielen
de zware noten dikwijls met donderend geraas bij dag en bij nacht op
het zinken dak hunner woning of in de omgeving van het huis, waardoor
het wandelen en het spelen van een kind daar ongeraden werd. Bezoek
kwam er nooit, en slechts zelden mochten ze eens van hier met een
prauw naar Batjan. Dag in dag uit zaten ze daar eenzaam tusschen de
stammen van de klapperboomen op de verlaten zee te turen.
De man had zijn werk met een ploeg contractanten, die in de nabijheid
woonden, zij had haar kind, maar de eene dag was als de andere,
de financiën plaagden en de toekomst gaf weinig vooruitzichten noch
zekerheid, en daarmede groeiden de bezwaren. De royale opvattingen
vóór en tijdens hun komst in Indië en hun groote verwachtingen hadden
voor zuinigheid plaats moeten maken en voor het gespartel met een door
allerlei bezwaard inkomen. Maar, zooals gezegd, ze waren niet gebroken,
en hunne illusies werden nog altijd gesteund door de levenskracht
hunner jeugd en door niet-opgegeven verwachtingen voor de toekomst.
En waarlijk, die jeugdige taaiheid zou misschien niet bedrogen
uitkomen. Het bezoek dien dag zou er reeds iets van kunnen
verwezenlijken. Eerlijke jonge menschen, die kunnen en willen werken
om zich een positie te verschaffen, zijn in deze streken zeldzaam. Aan
hun werklust behoefde ik niet te twijfelen, en zoo kwam ik met mijn
voorstellen voor den dag. Er werd overlegd en gepraat, de gezichten
werden glunder, het jonge vrouwtje zette een kop thee, hij gaf me een
sigaar en in beginsel waren we het spoedig eens geworden. Ik zou zijn
chef te Batjan trachten te spreken te krijgen, om daarna zoo spoedig
mogelijk terug te keeren en hem den uitslag van dit bezoek mededeelen.
Mijn indruk van dit jonge paar menschen, dat Indië reeds van de
hardste zijde had leeren kennen, was zeer gunstig voor de betrekking,
die ik had aan te bieden en tegen den middag ging ik, met den wind
mee, in snelle vaart over de hooge golven terug naar Batjan, met de
zekerheid een paar menschen gelukkig te hebben achtergelaten.
Het was eenige dagen later, dat ik aan boord van de Nora, welk scheepje
tijdelijk hier lag, in gezelschap van den civiel-gezaghebber, die
een inspectiereis naar de naburige eilanden ging doen, opnieuw op
weg was naar het paar aan 't einde van de baai. Met den chef van den
assistent was het tijdstip bepaald, waarop deze laatste zijn ontslag
uit zijn oude betrekking zou kunnen krijgen. Met de noodige papieren
bij mij trok ik er nu weer op af.
Toen de Nora de landpunt naderde, verscheen tusschen de ranke
klapperstammen weer dezelfde gestalte van eenige dagen geleden. Hij had
zeker met verlangen mijn komst tegemoet gezien en zou in ongeduldige
afwachting moeten zijn over den loop der dingen. De Nora stopte. Na
afscheid te hebben genomen, ging ik van boord en liet me naar den
wal roeien, en na eenig wenken en wuiven verdween het witte scheepje
over de donkerblauwe golven om den hoek, op zijn inspectietocht naar
verdere eilanden.
Met den assistent wandelde ik naar zijn huis en daar zaten we weer
onder het galerijtje en sloten de overeenkomst af. Hij zou met de
eerstvolgende boot, die binnen twee weken verwacht werd, naar Tobelo
komen, om daar de administratie der onderneming op zich te nemen. Het
was voor den jongen man een promotie, die in een streek als deze
alleen nog mogelijk was. Met mijn nieuwen jongen administrateur, die al
zijn verwachtingen nog op de toekomst bouwde, was ik zeer ingenomen,
en hoogst gelukkig was ik gestemd, nu ik inzag van de toekomst alles
goeds te mogen verwachten.
Op uitnoodiging van de vrouw des huizes zou ik dien middag daar blijven
rijsttafelen. Daarvoor had zij getracht van Batjan het een en ander
te laten komen, doch bij mijn komst was nog niets gearriveerd en zoo
overkwam daar een gastvrouw het ergste wat haar overkomen kon, een
genooden gast niet eens een behoorlijk maal te kunnen voorzetten. 't
Was het soberste wat Indië schaft--rijst met kip. En daar zij geen
kokkie had en als Hollandsche de geheimen der rijsttafel nog lang niet
machtig was, werd het ook niet anders dan rijst met ongevarieerde kip.
't Zal voor de gastvrouw onpleizierig zijn geweest, en de excuses
en de verklaringen bleven niet uit. Voor mij, die zag hoe weinig zij
hier gewend waren, hoe zij zich hadden leeren schikken, was dit een
bewijs te meer voor hun geschiktheid voor 't nieuwe ambt. Vroolijk en
wel aten we in een klein achtergalerijtje taaie kip en droge rijst
en een pisang na, alle drie overtuigd, dat het spoedig voor ieder
onzer beter zou worden. Zij vertelden mij toen, hoe sober hun leven
was en hoe moeilijk het was geweest daarin de kleinste afwisseling
te brengen en zich van het eenvoudigste te voorzien.
Hun eten bestond altijd uit rijst en kip, doch wilden zij voor de
afwisseling zich eens op visch tracteeren, dan moest de baboe naar
het strand gaan en daar wachten, soms urenlang, tot er een prauwtje
met een visscherman voorbij schoot, die genegen was van zijn vangst
iets te verkoopen.
Voldaan over mijn ondervindingen en met de beste verwachting nam
ik dien middag afscheid, in de hoop hen binnen eenige weken met de
eerstvolgende boot te Ternate te zien arriveeren, waar ik hun komst
zou afwachten om gezamenlijk naar Tobelo door te reizen. Hoe ik vóór
dien tijd van Batjan naar Ternate zou komen, was me nog niet duidelijk,
doch allicht zou er zich de een of andere gelegenheid voordoen.
Voorloopig zat ik nu goed en wel te Batjan ingekwartierd, maakte
er kennis met den sultan, die een graadje flinker bleek dan zijn
Ternataanschen collega en schreef en las, en las en schreef. Met
Shackleton zat ik in sneeuw en ijs, met Stanley in de Afrikaansche
oerwouden, en door de eenzijdige doch ware oogen van Bas Veth bekeek
ik Indië.
Na zoo eenige dagen te hebben doorgebracht, vernam ik dat een klein
stoombootje van de Batjan-maatschappij naar Ternate zou vertrekken,
waarmede ook passagiers vervoerd konden worden.
Het was op zekeren middag tegen 2 uur, dat ik me aan boord van de
Adrienne begaf, in gezelschap van allerlei oosterlingen, waaronder
ook eenige hadji's. Ik installeerde me daar zoo behagelijk mogelijk
voor een reis van een etmaal tusschen de westkust van het zuidelijk
gedeelte van Halmaheira en de eilanden die er voor lagen, totdat
Ternate bereikt zou zijn.