den koeliewerver, dien we bijna vier maanden geleden van daar hadden
uitgestuurd, in gezelschap van een flinke ploeg werkvolk van de Sangir-
en Talaut-eilanden. We hadden deze werving, daar in den tusschentijd
niets van hem was gehoord, reeds als mislukt beschouwd en tevens als
een belangrijk geldverlies, naardien ons alleen was bericht, dat het
geld dat hiervoor te Menado was gedeponeerd, door een misverstand
in handen van den koeliewerver was gekomen, aan wien we dit niet
hadden toevertrouwd. Deze vermeende mislukking en het gevreesde
geldverlies had Verster zich indertijd zeer sterk aangetrokken en
was voor hem een der teleurstellingen geworden, die zijn vertrouwen
in onze onderneming hadden geschokt. Echter de werver was eerlijker
gebleken dan we dachten, en met niet geringe blijdschap ontwaarde ik
hem met zijn mannetjes aan boord van de binnengevallen boot.
Met volle kracht konden we ons nu aan het ontginnen zetten, te meer
daar de Sangireezen en Talauters uitmuntende werklui moesten zijn.
Tevens kwam met deze boot de inbeslaggenomen kas aan het adres van
den civiel-gezaghebber terug, welke kas door hem aan den resident van
Ternate was toegezonden. Het bleek, dat de civiel-gezaghebber in zijn
functie een dergelijke inbeslagname niet had mogen verrichten, weshalve
de resident er ambtshalve niets mede te maken wilde hebben. Intusschen
was aan Verster, op mijn verzoek, het hem nog toekomende salaris
door den resident uit deze kas te Ternate uitgekeerd geworden,
zoodat ik redelijkheidshalve mocht verwachten weer de beschikking
over het resteerende bedrag terug te krijgen. Dit was echter niet het
geval. De civiel-gezaghebber behield hetgeen hij had, in afwachting
van een advies, dat bij den officier van justitie te Makasser was
aangevraagd. Daar zou men nu op zulk een afstand de ellende van een
proces aan den gang kunnen krijgen met een tegenpartij die geen cent
bezat en om een bedrag, dat de groote onkosten van zulk een proces niet
zou dekken. Ik was allesbehalve over deze bureaucratische oplossing,
die de heeren ambtenaren aan deze zaak wilden geven, gesticht en
begreep, waar van mijne zijde redelijk gehandeld was en ik een proces
vóór alles vermijden wilde, dat ik dit geld uit de handen van den
civiel-gezaghebber terug moest hebben alvorens de justitie zich er
verder mee zou mogen bemoeien. Nu had onze civiel-gezaghebber, naast
een groot gevoel van eigenwaarde ook een groote mate van eigenliefde,
die, wanneer ze gestreeld werd, hem zoo gedwee en lieftallig maakte als
een lam. Doch hij had den laatsten tijd door allerlei kleine voorvallen
steeds meer getoond zijn macht tegenover mij te zullen laten voelen,
daar wegens mijn gemoedelijken en vriendschappelijken omgang met
den oudsten zendeling, dien ik steeds meer had leeren waardeeren,
zijn stemming tegenover mij niet verbeterd was. Hij kon mij deze
sympathie voor zijn tegenstander niet vergeven, doch hij zou ook des
te gevoeliger zijn, wanneer ik mij eens extra onderdanig tegenover
hem betoonde.
Van deze zwakheid der eigenliefde moest ik in deze omstandigheid partij
trekken om mijn doel te bereiken, en zoo gebeurde het op een avond,
nadat er weer een kwestie tusschen ons was gerezen,--kwesties, zooals
hij er zoo dikwijls en met zoo velen had gehad--en die, per brief
behandeld, een zeer scherp karakter dreigde aan te nemen, dat ik naar
zijn huis stapte met het voornemen om, hoe ook, zoowel dit verschil
bij te leggen als te trachten het geld terug te krijgen. Slechts ter
wille der zaken, die ik vertegenwoordigde, kwam ik tot dezen stap;
doch eenmaal besloten, ging ik met het vaste voornemen, hem door mijn
houding en een gemoedelijk praatje in de gewilde stemming te brengen.
Toen ik zijn erfje opliep, zag ik den geweldige met een ernstig en
gewichtig gezicht alleen onder zijn galerijtje zitten. Mij ziende,
scheen hij niet anders te verwachten dan met iemand te moeten praten,
die in de gerezen kwestie zijn opinie eens ronduit kwam zeggen. Ik
hield me echter zoo passief en zoo leuk en schikte me zoo geheel
naar zijn wenschen en regelingen, dat hij niet wist hoe hij het had,
terwijl mijn inschikkelijkheid hem geheel ontwapende en zachtmoedig
stemde. Ik dacht toen zoo voor me heen: "je bent nog zoo'n kwaje kerel
niet, als men maar een beetje met je weet om te springen." Toen ik na
eenigen tijd voorzichtig en terloops in het gesprek de in beslaggenomen
gelden aanroerde en op de teruggave daarvan zinspeelde, weigerde hij
eerst en wilde afwachten; doch tegen een zachten aandrang en eenige
vriendelijkheden aan zijn adres was hij niet meer opgewassen, en ten
slotte gaf hij mij wat hij in zijn gestreelde eigenliefde niet meer
weigeren kon.
Dienzelfden avond nam ik van hem afscheid met de gedachte, die zich
in dit uur steeds meer aan mij had opgedrongen: "Jij bent nog zoo'n
kwaje kerel niet."
Dit zou echter niet lang duren. Eenige dagen later, toen ik zijn huis
wilde passeeren, schoot juist op het oogenblik dat ik den uitgang
van het erf was genaderd, een inlander in snelle vaart uit het hekje,
gevolgd door den civiel-gezaghebber, die een dikken stok in zijn hand
had. De inlander vluchtte niet ver, doch bleef spoedig in gebogen
houding gelaten afwachten wat er komen zou. Daar daalde de stok op
het hoofd van den man neer, totdat deze brak en het bloed hem langs
het gelaat liep. Toen hij mij zag, trachtte hij een verklaring voor
zijn handelwijze te geven en poogde den indruk te verzachten door den
inlander mee naar zijn huis te nemen, waar hij hem eigenhandig verbond.
Wie dezen man een stroobreed in den weg legde moest voor hem wijken
of bukken; ging het niet goedschiks, dan kwaadschiks en met geweld,
en van dat laatste genoot zijn wreede natuur. 's Avonds, wanneer we
onder de lamp zaten en het eene vliegje of kevertje na het ander, door
het licht aangetrokken, zich door het licht verblind in den lichtcirkel
op de tafel zette, was zijn gewone bezigheid, die beestjes een voor een
met duim en wijsvinger zoo ver mogelijk weg te knippen. In zijn leven
trachtte hij met menschen op gelijke wijze te doen, doch hij vergat dat
deze zich zulk een behandeling niet zoo gemakkelijk lieten welgevallen.
Voor zijn uitgebreide taak, waarvoor hij niet de minste opleiding
had gehad,--hij was boekhouder bij de Paketvaart en de Landschapskas
geweest,--en waarvoor hij noch de kennis noch de gaven bezat, was
hij alleen in zijn eigen verbeelding berekend. Hij sloeg dan ook
herhaaldelijk de plank mis en was voor zijn meerderen en voor allen,
die met hem in aanraking kwamen een lastpost of, zooals men in Indië
zoo hartgrondig zeggen kan..... een ellendeling. Zag ik hem door de
kampong stappen, prenta's uitdeelend aan de hoofden, de sangadji,
de kapala kampong en anderen, die hem volgden en, met angst en beven
tegen den willekeurigen Weledelgestrengen opziende, hem toch achter
zijn rug bedrogen en uitlachten, dan moest ik zelf ook lachen, doch
tevens het arme Indië beklagen, dat door zulke in Indië zelf geboren
tirannen moest worden bestuurd. Met zijn waardige collega van Tidore
behoorde ook hij tot de noodhulp-ambtenaren die "op straten en pleinen
waren bijeengezocht."
De voortgang, dien de ontginningen maakten, noopte uit te zien
naar steeds grooteren aanvoer van goede zaadnoten, en zoo was ik
genoodzaakt steeds meer goede vruchtdragende boomen voor de levering
dezer noten op te sporen. Gewoonlijk zond ik den opzichter hierop
uit; somtijds, als het werk het toeliet, ging ik zelf per prauw
en bracht daarbij bezoeken aan de koraaleilanden, die voor de kust
lagen. Al deze eilanden waren bewoond en bezaten meer of minder groote
klapperaanplantingen, door de bevolking aangelegd. Steeds werd ik bij
zulk een bezoek getroffen door den wirwar van planten en struiken
en boomen, waarmede zulke eilandjes, op de zacht glooiende, kale
witte strandjes na, waren begroeid. Slechts in de directe omgeving
der huisjes was soms eenige regelmaat te bespeuren. Daar stonden
soms op de erfjes een drie- of viertal klapperboomen en pisangs op
een rijtje bijeen, doch van een laan of een groep of een eenigszins
regelmatigen aanplant vond men slechts zelden eenige sporen. Vond men
een complex klapperboomen, dan stonden zij kris en kras dooreen, alsof
ze bij toeval geplant waren. Zag men die eilandjes van de zee uit, dan
leeken zij onbewoond en geheel verlaten, en met moeite ontdekte men
van dichtbij hier en daar een bescheiden huisje, bijna geheel onder
dat groen en zijn schaduw verborgen. Door hun kleinheid maakten zij,
van de zee uitgezien, den indruk onbewoonbaar te zijn. Doch wanneer
men eenmaal van het strand landwaarts-in wandelde en weldra niets
meer dan boomen en struiken om zich heen zag, totdat men in het
midden een grootere of kleinere kampong had ontdekt, dan begon men
zich te verwonderen over hun betrekkelijke grootte en over het vele,
dat daar groeide en over de vele menschen die daar leefden op wat,
van de zee uit, niet veel meer dan een verlaten en met wat struiken
en klapperboomen begroeid stukje land had geleken.
De dagen verliepen in onafgebroken werkzaamheid, waarvan de resultaten
dag aan dag duidelijker werden. De open plek in het bosch was
een enorme ruimte geworden, waaruit hier en daar de kapala kajoes
(boomstronken) van de dikste stammen tot 6 M. hoog uitstaken. Een
drietal groote kweekbedden, op verschillende plaatsen aangelegd,
kwamen vol noten te liggen, waaruit overal met Indische groeikracht
de stammetjes en bladeren zich ontwikkelden. Het eerste huis kwam
in aanbouw, het geraamte stond er reeds en het dak kwam er op. Het
terrein in concessie verkregen, werd nauwkeurig afgepaald, een
hooger gelegen, eenigszins geaccidenteerd stuk grond bleek bij nader
onderzoek gemakkelijk uit te schakelen en te ruilen voor een lager en
vlak terrein, en zoo was overal ontwikkeling en groei en verbetering
merkbaar. Met vreugde en trots zag ik in wording en vol beloften voor
de toekomst, hetgeen door voet bij stuk te houden was blijven bestaan.
Inmiddels was er bericht van Java ontvangen, dat men er daar in
geslaagd was een flinken administrateur te engageeren, die, daar
hij de veertig reeds gepasseerd en getrouwd was, zeker de noodige
bezadigdheid voor dezen post zou bezitten. Tegen het eind van Mei
zou ik hem met de boot mogen verwachten, en ik zou dan aan hem het
mooie werk moeten overdragen, wat mij zeer aan het hart ging.
Alvorens de nieuwe titularis kwam wenschte ik nog een bezoek aan onze
bezittingen op de eilandjes Dodola besar en Dodola ketjil te brengen.
Voor deze reis had ik slechts de beschikking over een prauw, en wel
over die van den oudsten zendeling, welke deze mij zeer bereidwillig
voor die reis afstond. Mijn Talauters, die met de zee vertrouwd waren,
waren uitstekende roeiers. Zij konden nu hun krachten eens toonen,
daar ik den tocht in zoo kort mogelijken tijd wilde doen, wijl een
langdurige afwezigheid van de jonge onderneming niet wenschelijk
was. De afstand Tobelo naar de Dodola's was linea recta 42 K.M. over
de zeestraat, welke afstand in twaalf uren moest worden afgelegd. Ik
besloot tegen het vallen van den avond te vertrekken; de zee was
's nachts gewoonlijk kalmer dan des daags en aan de roeiers zou de
koelte van den nacht tijdens het langdurig werk zeer welkom zijn.
In mijn dagboek vind ik dien tocht als volgt beschreven.
19 Mei 1913. 't Wordt avond, 6 uur, en ik maak me klaar om met de prauw
den oversteek te doen naar de eilanden Dodola besar en Dodola ketjil.
Ik kan niet zeggen, dat het me toelacht om twee nachten in een kleine
prauw op zee door te brengen, erg afhankelijk van wind en regen. Maar
ik verlaat het veilige huis en zeg het lekkere ruime bed vaarwel,
om mij aan de ongemakken van zulk een reis over te geven.
't Zal maannacht worden, de lucht is dreigend; 6 u. 10 min. steken
we van wal, vijf minuten later breekt reeds een bui los; de roeiers
worden terstond kletsnat evenals mijn rug, die niet voldoende door
het kleine tentje op de prauw kan beschermd worden.
Met mijn pajong tracht ik me droog te houden. Spoedig scheidt het
met regenen uit, de maan breekt door de wolken, de bui trekt somber
zwart over de zee naar het Noorden af.
De vier roeiers beginnen een eentonig lied te zingen, dat telkens
opnieuw krachtig inzet en dat den moed en de kracht er in zal houden,
om den ganschen nacht zonder ophouden met stevigen pagaaislag door
te roeien.
't Zijn vier contractanten der onderneming, menschen van de
Talaut-eilanden. Deze eilanden vormen met de Sangir-eilanden
twee groepen, die ten noorden van Celebes liggen op weg naar de
Philippijnen.
't Zijn Christenen, trouwhartige menschen, aan wie ik mij volkomen
toevertrouw.
Twee zitten voor, twee achter in de prauw.
Op de maat van den forschen pagaaislag word ik telkens op mijn bankje
naar voren en naar achteren geworpen. Het zware werk, dat vóór hen
ligt, mag ik van hen vorderen; als eilandenbewoners zijn ze aan
dit werk gewend, dat ze, te oordeelen naar hun luidruchtigheid, met
lust verrichten. Alle inlandsche indolentie en inertie is plotseling
geweken.
De bergen van Halmaheira staan donker boven het glinsterende, door
de maan beschenen water. De eilanden voor de kust liggen als zwarte
plekken met fijne contouren van boomgroepen in de verte.
Ik voel me weer als zwerveling verder van honk gaan.
Een flauwe maanregenboog is zichtbaar tegen de verder trekkende bui.
Het kleine vaartuigje met zijn vlerken aan beide zijden, waardoor zulk
een hulkje zoo zeewaardig wordt, volgt al spoedig, nu de eilanden zijn
gepasseerd, elke beweging van de wijde zeedeining. De vlerken ploffen
glijdend en spattend in het water en snijden, nu links dan rechts,
de golven.
En verder en verder gaat het, dansend en met gezang, over de golvende
watervlakte, waarboven het boord van de prauw slechts een enkelen
decimeter uitsteekt.
Uit mijn koffer neem ik de nachtutensiliën: deken en pyjama, trek
schoenen en kousen en jas uit, en over den koffer en de bank, waarop
ik zat, spreid ik mijn veldbedje uit en leg me verder, gekleed,
daarop neer, de opgerolde klamboe als kussen onder 't hoofd.
Wel is het veldbedje te kort om languit te liggen, want het toch
reeds te kleine bedje kan niet geheel worden uitgeslagen; maar ik
vind voldoende ruimte om te slapen, zij het ook dat ik een der voorste
roeiers wel eens met mijn voeten tegen zijn achterdeel schop, of dat
een hunner door de forsche beweging mij raakt.
Had ik te kiezen tusschen een nacht door te brengen in een
comfortabelen slaapwagen van een ratelenden nachttrein of in dit
primitieve prauwtje onder den blooten tropischen nachtelijken hemel,
ik koos het laatste. En zoo, terwijl de temperatuur nu het nacht wordt,
een weinig daalt, val ik onder de deken in slaap.
Van zeeziekte bespeur ik in zoo'n klein dansend prauwtje niets, terwijl
een groote stoomboot mij spoedig onder de eerste slachtoffers telt.
Wel hoor ik in dien nacht telkens het eentonig gezang der roeiers
en voel ik het deinen van het scheepje; dan keer ik mij om en slaap
weer in.
Om vier uur word ik voor goed wakker. Nog altijd roeien die menschen
met denzelfden slag als tien uren geleden. Nog onder den indruk van
zwaar gedroom, dat mij in Holland verplaatste, kijk ik op en zie daar,
ongeveer twintig graden boven de oosterkim, waar straks de zon zal
opkomen, Venus in bijzonder gunstigen stand als een brok licht aan
den duisteren hemel staan. Jaren geleden had ik haar ook eens in de
Zwitsersche bergen, op zulk een wijze boven een bergrug te voorschijn
zien komen. Toen had ik versteld gestaan over de grootte dier planeet;
nu was ik verrast; immers over hetzelfde natuurphenomeen staat een
mensch maar eenmaal versteld.
Aan de Westerkim is de maan aan 't ondergaan. Het eerste ochtendkrieken
ontstaat boven de bergen van het eiland Morotai. 't Is nu op mijn
horloge kwart voor vijf geworden.
Na het eerste gloren ontstaan er teêre tinten in de lucht en de eerste
duidelijke wolkafscheiding steekt af tegen een rossen, dan rooden,
dan goudgelen horizon. Feller, steeds feller worden die kleuren;
om half zes zet ik den zonnehoed op en druk hem in mijn oogen, nu de
zon zelf verblindend boven Morotai te voorschijn komt.
Spoedig denk ik nu mijn doel te zullen bereiken, dat voor de kust
van dat groote eiland ligt. Nauwelijks zijn de eilandjes tegen dien
achtergrond te onderscheiden.
Vooruit! naar die eilandjes, die verder liggen dan ik eerst schatte;
't wordt zes uur, zeven uur, zelfs half acht, alvorens de prauw over
de zeetuinen van koraalgesteenten op het witte strand van Dodola
besar heen kan worden getrokken.
De twee kleine huisjes, waarin de vijf man wonen, die, onder toezicht
van een mandoer, elke maand door een nieuwe ploeg worden afgewisseld,
zijn gesloten. Ik open de deuren en vind ze verlaten. De menschen
doen dus hun plicht en zijn aan 't werk. Na eenig zoeken vind ik
ze bezig met den grond onder de klapperboomen schoon te maken. De
kranige roeiers krijgen vrijaf om den dag te verslapen. Een vind ik
een paar uren later met opgetrokken knieën op een stapel coprazakken,
met den bijbel op zijn borst, in slaap gevallen.
Het spel der fantasie, in mijne jeugd bij 't lezen van Robinson
Crusoë gewekt, is werkelijkheid geworden. De waaiende palmenkruinen
op hun hooge stammen tegen de blauwe zonnelucht, de tropische hitte,
het schelle licht weerkaatsend van het witte zand der stranden,
waartegen de blauwe golven spoelen, het prauwtje daarginds, de huisjes
van gaba-gaba, atap en bamboe, de stilte van de natuur, die in den
ochtend nog overheerlijk is, de eenzaamheid van den blanke tusschen
zijn bruine broeders, het is hier alles in de werkelijkheid rondom mij.
De inspectie over het groote eiland begint, waarbij een mandoer en
twee man volgen. Nu wordt de cultuurman wakker, die met critisch oog
de natuur bekijkt, om te zien welke voordeelen zij hem kan brengen. De
palmen worden naar den leeftijd getaxeerd, de rijpe klappers worden aan
eenige reeds overvloedig dragende boomen geteld, en de oogsten worden
voor de naaste toekomst zooveel mogelijk getaxeerd. Het wordt tegen
den middag ontzettend heet. Als dit werk gedaan is, gaan we terug,
achtervolgd door muskieten. Een geweldige wesp zet zich op mijn wang
en steekt me als met een gloeiende naald. De inlanders maken beenen,
ik hen na, want een gansche zwerm komt opzetten. Op 't heetst van den
dag leg ik me neer onder de klamboe van het veldbedje. Dan wordt het
tweede, veel kleinere eiland geïnspecteerd.
Tegen den avond laat ik mij voor een der huisjes onder de galalaboomen
een veldtafeltje dekken, waaraan ik, op een veldstoeltje gezeten,
eindelijk eens met een flink maal begin.
Door de goede zorgen van mijn gastvrouw te Tobelo is het een
tafeltje-dek-je geworden. Het landschap is met fijne overgangstinten
belicht, het wordt donker, maar reeds komt de volle maan op, die weer
dezen nacht den terugweg zal belichten. Van de bergen van Morotai, over
de zee die ons van dat eiland scheidt, komt de avondwind opzetten. Mijn
roeiers trachten een zeil te maken op de prauw, in de hoop dat het
nachtwerk, dat hen wacht, daardoor verlicht zal worden.
Eindelijk is alles klaar en is de prauw geladen. Eenige mannen komen
nog met groote schelpen aandragen en dan gaan we den tweeden nacht
in. Een nacht van volmaakte windstilte, want nauwelijks is het geheel
donker geworden of de avondwind is ook ter ruste gegaan.
Het eentonig gezang dat den pagaaislag begeleidt, is weer
aangevangen. Voor dertien uren zitten de roeiers weer op hun bankjes,
om onafgebroken te roeien. Na den heeten, vermoeienden dag komt er
op die stille zee een weldadige ontspanning. Alle gedachten aan zaken
en zorgen worden gebannen en de geest zweeft op luchtiger banen door
het onbegrensde, onder den goddelijken indruk van de ontzaggelijke
ruimte om mij heen.
Toen ik 's morgens om vijf uur wakker werd, waren we onder de kust
van Halmaheira aangekomen. Op mijn vraag aan de roeiers of een van
hen ook vermoeid was geworden, klaagde slechts een over een beetje
pijn in zijn rug.
Binnen veertien dagen zou de boot van Java kunnen binnenvallen,
waarmede, volgens de ontvangen berichten, de nieuwe administrateur,
de heer Van der Molen, mocht worden verwacht.
Het huis op de onderneming was intusschen zoo ver klaar gekomen, dat
het hem zou kunnen ontvangen, te meer daar hij zijn vrouw voorloopig
op Java had achtergelaten.
Toen de boot dan ook het anker liet vallen, vernam ik al spoedig van
bekenden, die aan wal stapten, dat de heer Van der Molen zich aan
boord bevond en elk oogenblik met de motorboot aan land kon komen. En
inderdaad, daar legde de motorboot aan de pier van koraalsteenen
aan en aan land sprong een rijzige man in groen kaki, met een klein
deukhoedje op zijn hoofd, een karwats in de hand en gevolgd door
vier blaffende en springende foxterriers, die na de lange reis dol
van vreugde waren weer vasten grond onder zich te hebben.
Het was de heer Van der Molen. Wij maakten kennis, namen elkaar eens
op en de eerste vragen en antwoorden wisselden elkaar af. Ik had
verwacht met een krachtig en joviaal mensch kennis te zullen maken;
maar wat was dit voor een man met zijn smalle gezicht, zijn dwalende
en onrustige oogen, zijn onzekeren blik en met die diepe groeven in
zijn gelaat die van zielelijden spraken? Een neurasthenicus zeker! En
wat moesten die vier honden? Voor Indië zoo iets zeldzaams en vooral
zulke mooie exemplaren. Doch ik diende af te wachten, hoewel de
eerste indruk, waarbij men het type reeds terstond leert kennen,
allerminst gunstig was.
Een boot vol bagage, kisten en koffers, zelfs een veldkeuken volgden
hem en tevens een Javaansche jongen.
We wandelden achter den grobak, met bagage volgeladen, landwaarts. Hij
deed de eene vraag na de andere, en keek me onderwijl half angstig,
half brutaal aan, terwijl hij zeer ongeduldig was om zijn huis op
het emplacement van de onderneming te leeren kennen. Toen we daar
aankwamen, keken de aanwezige contractanten nieuwsgierig naar hun
nieuwen chef, en verbaasd en giechelend naar de vier fox-terriers,
die wild om ons heen stoeiden. Het huis stond hem nogal aan, de
ligging vond hij mooi, hij zou het zich hier eerst eens "senang"
maken, alvorens verder rond te kijken.
Na dit eerste samenzijn had ik dien man voldoende gepeild, om met
een bezwaard hart en met allerlei vragen, waarop nog geen antwoord
te vinden was, dien avond naar huis te gaan. Hoe zou ik ooit aan
zoo iemand mijn werk met vertrouwen kunnen overdragen? Hoe kwam hij
er toe naar deze positie te hebben gedongen? Hoe was het mogelijk,
dat men zulk een man hier heen had gestuurd? Maar hoe werd ik hem
weer kwijt, en hoe moest ik me dan helpen?
Vol innerlijken wrevel na die eerste kennismaking, zat ik dien avond
peinzend bij den zendeling onder de galerij en verlangde, waar ik
in de toekomst mijn werk onder leiding van zoo iemand mislukken zag,
naar Holland terug, weg uit dit akelige Indië met zijn zwervers, zijn
dépravés en zijn ellendelingen, waarmee niets aan te vangen was. Dat
Indië, waarover men in Holland wel kon fantaseeren, doch waarvan men
voor die werkelijkheid staande, met allerlei onverwachte ongunstige
factoren rekening had te houden, welke men den eerlijken strijder,
bij een slechten afloop, niet steeds in zijn voordeel zou boeken.
Dien avond ging ik in een bittere stemming naar bed.
Den volgenden morgen toen de rol werd gehouden, bleef het huis,
waar Van der Molen sliep, gesloten. Eerst tegen 7 uur ging de deur
open en kwam mijnheer, in morgentoilet, met een paar slaperige oogen
eens kijken. Tegen den middag gingen we een eindje het bosch in. De
man was toch administrateur en moest toch wel eenige belangstelling
toonen en van een en ander nota nemen. De eerste dagen liet ik hem
zoo aan zichzelven over, totdat hij zich in zijn huis met behulp
van zijn jongen goed en wel had ingericht. Toen verzocht ik hem
's morgens op de rol te verschijnen en in zijn kwaliteit op te treden.
Mijnheer verscheen echter niet op de rol en hij zag gaarne dat ik
voorloopig de administratie bleef voeren. Voor een wandeling door het
bosch, voor een kijkje hier en een kijkje daar, waarbij zijn vier
honden hem altijd vergezelden en het meest zijn aandacht in beslag
namen, was hij wel te vinden. Voor hetgeen hem echter interesseeren
moest, bleef hij vrij wel doof. Hij was afgetrokken als een man
wiens gedachten steeds door iets anders van het naastliggende worden
afgeleid, als een speculant die voor zijn ondergang staat.