Het was in die dagen--terwijl een hevige ingewandsziekte mij overviel,

die in dysenterie dreigde te ontaarden--dat, twaalf etmalen te laat,

de boot eindelijk binnenviel. De inlanders liepen van het strand de

kampong binnen en riepen: "Kapal masok! Kapal masok!" (de boot is

binnen). Een tijding, die aan iedereen in de kampong ontspanning en

vreugde zou brengen na de onzekerheid en het lange wachten en die

mij, was ik gezond geweest, in vuur zou hebben gezet. Nu bleef ik

onverschillig en roerloos op mijn veldbedje liggen, verzwakt en mat

door de hevige ziekte.

Weldra bereikte mij de tijding dat Verster met het eerste vijftigtal

koelies uit de Minahassa aan boord was. Berichten uit Holland,

brieven, tijdschriften en couranten zouden binnenkomen. Werk zou

er in overvloed zijn. Na den stilstand was de hartslag van een

bedrijviger leven gekomen, doch dommelend moest ik blijven liggen

waar ik lag, terwijl om mij heen nu alles in de weer kwam. De een

na den ander verliet zijn huis. Christenen in hun witte baadjes,

Chineezen, Arabieren enz. spoedden zich naar de aanlegplaats of

trachtten prauwen en prauwtjes machtig te worden om naar boord te

roeien. Reeds kwamen passagiers, die ontscheept waren, over den weg

de kampong binnenstappen, en weldra zag ik de Minahassers met groote

en kleine bundeltjes op den rug passeeren. Zij maakten een geheel

anderen indruk dan men zich gewoonlijk van een troep koelies maken

zou. In licht gekleurde gestreepte broeken en witte of kleurige

baadjes, met een staand kraagje en een stroohoedje dandy-achtig

boven de gele en veelal nette en nog jonge gezichten, sommigen met

schoenen aan de voeten, zou men ze eerder gehouden hebben voor een

troep studenten eener inlandsche hoogeschool. Nu zou het te Menado

ontvangen en natuurlijk aanstonds verteerde voorschot, van f 40.-

per man, aan die nieuwe baadjes en nieuwe hoedjes wel niet vreemd

zijn geweest. Daarbij doet het uiterlijk van den Minahasser, wat

huidkleur en gelaatstrekken betreft, zeer sterk aan vermenging met

Japansch bloed denken; ja zelfs vindt men er onder, die hierin maar

zeer weinig van den Europeaan verschillen. Ook hebben zij, reeds van

ouder tot ouder Christenen zijnde, van den eersten tijd onzer komst

in Indië onafgebroken onder onzen invloed gestaan en gevoelen zij

zich dan ook veel meer aan ons gelijk dan de doorsnee-inlander. De

meesten hebben goed onderwijs gehad, schrijven vaak keurig en spreken

soms een woord Hollandsch.

Weldra kwam Verster, vertelde in 't kort iets van de ellende, die

hij op deze reis had ondervonden, beklaagde me en verdween spoedig

weer met zijn mannetjes naar het emplacement. Het was me even

opgevallen, dat hij zeer zenuwachtig en neerslachtig was geweest,

doch onverschillig daarover verder dommelend, werd ik spoedig weer

afgeleid door passagiers van de boot, die aan land een kijkje kwamen

nemen en een praatje kwamen maken, mij zeer beklagend, zooals ik

daar lag. De post werd verdeeld en brieven van huis en over zaken

hielden me in spanning, en joegen me met zweepslagen uit den dommel

der zwakte. Den morgen volgende op dien dag, gevoelde ik me zoo slap

als een vaatdoek. Verster opperde toen het denkbeeld om mij, per extra

prauw, over de landengte van Dodinga naar Ternate te laten expedieeren,

opdat ik onder doktershanden zou kunnen beteren. Ik weigerde beslist

en liet de hulp inroepen van den oudsten zendeling, die dadelijk kwam

en mij, met zijn vele practische ervaring der gevaarlijke Indische

ziekten, er binnen eenige dagen met een streng dieet en het geregeld

toedienen van een homoeopathisch middel weer bovenop hielp.

Terwijl ik in die dagen nog met huisarrest onder het galerijtje zat,

kwam op een morgen Verster uit het bosch terug en overviel me met de

mededeeling, dat we hier onmogelijk verder zouden kunnen gaan, daar

het terrein volgens zijn zeggen wegens watergebrek voor cultures niet

deugde; dat we derhalve niets beters konden doen dan aanstonds het werk

te staken en de koelies af te danken en op Java of elders beginnen,

daar alle werk hier tijd en geld verknoeien zou zijn. Er was toen,

door gebrek aan werkvolk, op het terrein nog geen water gevonden doch

overal was de aanwezigheid van grondwater theoretisch vastgesteld.

Het bleek me toen, dat hij in dezen geadviseerd was geworden door den

oudsten zendeling, die op een wandeling het emplacement had bezocht

en daar in een kwartier tijds tot die conclusie was gekomen. Ik

moest hartelijk om deze meening lachen; doch Verster, die nu uiterst

zwaartillend en nerveus was, vatte de zaak heel anders op en vertrok,

om spoedig met den zendeling terug te keeren, die mij persoonlijk

zijn meening zou meedeelen.

Nu had deze man, naast een bezadigde wijze van spreken, de gave

zijn meening helder en met overtuiging voor te kunnen dragen. Door

zijn leven te midden eener omgeving, waarboven hij ver uitstak,

had hij buitendien, daar alle tegenspraak hem vreemd was, een te

groot zelfvertrouwen gekregen, waardoor hij zijn oordeel vaak op te

stellige wijze uitsprak.

Tegenover hem en Verster gezeten, hoorde ik de meening van die beide

autoriteiten hoofdschuddend en eenigzins lachend aan en weerlegde de

bezwaren van den zendeling. Dit bleef niet zonder indruk op hem,--een

half jaar later zou hij zelf voor de zendingsvereeniging een stuk grond

naast het onze voor de klappercultuur in concessie aanvragen,--en hij

vond de zaak bij nader inzien dan ook nog zoo kwaad niet. Ik dankte hem

voor zijn ongevraagd advies en bleef bij het eenmaal genomen plan om op

dit mooie stuk grond met de ontginning voort te gaan. Verster weigerde

echter en bleef koppig weigeren hier voortaan als administrateur op

te treden, hoewel ik hem verlof gaf een rapport over een en ander,

dat ik van mijn kantteekeningen voorzien, naar Holland te zenden,

zoodat hij, van alle verantwoordelijkheid ontslagen was.

De zendeling vertrok en liet mij intusschen, nog zwak en nauwelijks

hersteld, met Verster achter, die, wijl ik zijn meening niet deelde,

woedend was en beweerde, volgens zijn contract alleen verplicht te

zijn op de oorspronkelijke concessie op Morotai te werken, weshalve

hij te Tobelo geen slag meer wenschte uit te voeren. Daar zat ik met

een administrateur, die alle redelijkheid verloren had, voor een taak,

die mijn taak niet was.

Ook den volgenden morgen bleek Verster nog niet voor rede vatbaar te

zijn en weigerde beslist zijn werk weer op te vatten, ik had daar

naast me een man, die van aanleg werkzaam en flink was geweest,

doch wiens gestel door een funest Indisch leven van veel reizen en

zwerven en rooken en drinken en veel te veel praten, geheel ondermijnd

was geworden. Tegen de zorgen en moeiten der laatste maanden was hij

niet meer bestand geweest, terwijl het afkeurend oordeel en allerlei

inblazingen, die zich doen hooren, wanneer men trachten wil iets op

te bouwen, hem den nekslag hadden gegeven. Hij was door die kritiek

op onze, uit den aard der zaak, riskante onderneming gaan twijfelen

aan de uitvoerbaarheid der plannen. Niet intelligent genoeg had hij

de booze wereld en hare goede-raadgevers niet kunnen nemen voor wat

ze zijn. Inderdaad bleek het me later, dat hij op zijn terugreis van

Menado naar Ternate, door toedoen van mijn vroegeren gastheer daar,

met alles behalve goede adviezen van die laatste plaats naar Tobelo

was teruggekeerd, waarvan hij nu het slachtoffer dreigde te worden.

Door de wijze waarop hij zich gedroeg, zou ik genoodzaakt worden hem,

wanneer hij niet bijtijds tot inkeer kwam, zijn ontslag te geven. En

reeds dreigde hij zelf met ontslag nemen, in de meening mij door

zijn onmisbaarheid te kunnen dwingen. Nu begreep ik, dat ik hem nooit

als zelfstandig administrateur zou kunnen achter laten, zoodat zijn

ontslag zelfs wenschelijk werd. Op een laatste scherpe aanmaning om

aanstonds aan het werk te gaan, waarop hij een weigerend antwoord gaf,

volgde dit ontslag.

Na die tragedie was het verblijf met hem onder één dak zeer pijnlijk

geworden en was het me zeer welkom voorloopig mijn intrek bij den

jongsten zendeling te kunnen nemen. Van nu af ging ik elken morgen

bij het krieken van den dag van dit huis naar de loodsen in het bosch,

alwaar begonnen werd het werkvolk onder leiding van den opzichter en

eenige mandoers aan den arbeid te zetten. Dan was er den ganschen dag

volop werk tot 's avonds als het donker werd, waarop ik terugkeerde

om onder de galerij, bij de petroleumlamp, waar ook de zendeling met

zijn vrouw zat, nog menig uurtje aan correspondentie te wijden.

In den put op het emplacement, die door bekwamere werklui sneller

kon worden uitgediept, werd na eenige dagen op 15 M. diepte water

gevonden, terwijl dit op andere gedeelten van het terrein, die lager

waren op geringere diepten eveneens overal werd aangetroffen. Daarmee

was deze cardinale kwestie ook practisch opgelost.

Met de komst der menschen werd het in het bosch weldra bedrijvig en

vroolijk; vrouwen en kinderen, die met den vader waren meegekomen,

zag men den ganschen dag voor de loodsen; kippen liepen er

weldra rond en kakatoes en papegaaien slingerden aan hun stokken;

armzalige gladakkers snuffelden naar alles wat van hun gading was;

vuurtjes werden gestookt voor het klaarmaken van het middagmaal;

de wasch hing aan de drooglijnen uit, en zoo gaf al dat menschelijk

bedrijf aan die stille plek in het bosch een geheel ander aanzien,

dan ik daar tot nu toe gewend was geweest. Een fiets, die hier nog

een hypermodern vervoermiddel was en dan ook in den beginne zeer de

aandacht der bevolking trok, was uit Menado meegekomen en bekortte

me zeer den dagelijks herhaalde malen af te leggen afstand over een

smal voetpaadje, van het huis van den zendeling naar de ontginningen.

Intusschen was ik nog niet geheel van Verster bevrijd. Uit een zeer

menschelijke neiging tot wraak en tot het zoeken van eigen voordeel

zou hij nog zooveel mogelijk trachten mij te dwarsboomen, nu hij in

mij zijn vijand meende te moeten zien. Als administrateur had hij het

beheer der gelden gehad. Na zijn ontslag was hij verplicht de boeken en

de kas, welke laatste altijd nog zwervende was geweest en die zich nu

ten huize van den civiel-gezaghebber bevond, aan mij over te dragen. Op

mijn aanmaning ontving ik een verantwoording, waaruit aanstonds bleek,

dat de man in zijn geëxalteerden toestand de grenzen der eerlijkheid

had overschreden. Aanstonds liet ik door den civiel-gezaghebber beslag

leggen op al het geld dat aanwezig moest zijn; en onder den druk van

zijn geweten en van een zeer begrijpelijke vrees gaf Verster op diens

aanmaning het papiergeld af, waarmede hij reeds in zijn zak liep en

het zilver, dat hij op andere wijze had verstopt. Daarmede was het

geld nu wel uit de handen van Verster gered, doch hiermede had ik

zelf de beschikking over bijna alles verloren en de dichtst bijzijnde

rechtbank voor dergelijke delicate zaken was die te Makasser, welke

plaats eerst na een reis van ruim 14 dagen te bereiken was.

Verster begon, doelloos te Tobelo rondloopende, zich daar steeds

onbehagelijker te gevoelen. Zijn ontslag had tengevolge, dat hij zijn

ruime salaris had verspeeld, terwijl door de inbeslagname der kas het

resteerende bedrag hem voorloopig niet kon worden uitgekeerd. Weldra

zou het hem aan contanten gaan ontbreken. Schaamte en berouw deden

het hunne, en daar de terugkeerende boot naar Ternate nog een drietal

weken zou uitblijven, oordeelde hij het raadzaam na een week per

prauw daarheen terug te keeren. Op een morgen vernam ik, niet zonder

medelijden met hem te gevoelen, dat hij vertrokken was. Met vuur en

ijver was hij een tijdlang voor onze belangen opgekomen; toen hadden

zijn woelige natuur en zijn verbeelding hem parten gespeeld en zijn

kortstondige energie gebroken. Een man als hij zou onder de Europeanen

steeds meer blijken tot de categorie van gelukzoekers en zwervers,

waaraan Indië zoo rijk is, te gaan behooren.

De onderneming begon zich te ontwikkelen en groeide met den dag. De

kweekbedden strekten zich steeds verder uit en voortdurend kwamen

er nieuwe ladingen noten. Reeds deden de eerste spruiten den dikken

vezelbast scheuren en rezen er stengels met zijwaarts gerichte bladeren

uit den grond op. Met donderend geweld ploften de reuzen van het woud

ter aarde, en door de open ruimte, die steeds wijder werd en over

den chaos van omgevallen stammen en kruinen en takken klonken de

bijlslagen den ganschen dag. Een timmerman, die was medegekomen om

de leiding van den bouw van huizen op zich te nemen, had zijn taak

aangevangen en onder een dakje van atap werd gezaagd en gehakt en

geschaafd aan de balken en stijlen voor het eerste huis.

In een der loodsen was een gedeelte gereserveerd voor kantoor,

waar eindelijk de brandkast werd opgesteld, die, na uit Amerika te

zijn gekomen, de reis van Holland uit had meegemaakt en nu, na dien

tocht rondom de wereld, in het oerwoud eindelijk haar bestemming

had bereikt. Een beschuttend dak voor het kantoortje uitgebouwd,

werd weldra mijn galerijtje, waar ik, als mijn werk in het bosch

was afgeloopen en mijn aanwezigheid niet elders werd vereischt, de

administratie en correspondentie verrichtte en waar de Tobeloreezen

en handelaren, die materialen en goederen en zaadnoten leverden,

geduldig op betaling zaten te wachten, wanneer de Toewan Maatschappij

het bosch in was.

De naam van Toewan Maatschappij had men mij te Tobelo spoedig gegeven,

ter onderscheiding van den Toewan Magistraat, den civiel-gezaghebber

en den Toewan Pendita (Geestelijke), den oudsten der zendelingen.

Het was, na een onafgebroken zwerven van meer dan zes maanden, waarin

ik onder allerlei omstandigheden correspondentie en administratie had

moeten verrichten, een heerlijkheid daar een veilig plekje te hebben

gevonden, waar alles netjes bijeen was en elk stuk, uit de groote kist

met schrijf- en kantoorbehoeften uit Holland meegenomen, zijn plaats

had gekregen. Het was er heusch een echt kantoor, met agenda's en

memorandums en briefregistrators, copieerboeken en copieerpers. Nog

behielp ik me met een tafel en stoelen uit bamboe gemaakt, doch

een schrijftafel was bij de timmerschool in de maak. De brandkast

was als de kroon op het geheel; zij werd met haar kantoorboeken en

geheimzinnige geldkastjes, door de menschen uit de wildernis, die soms

eens familiaar kwamen kijken, steeds met ontzag aangekeken en nader

besproken. In dat leven van rondzwerven in het bosch en den geheelen

dag buiten zijn, en--wanneer het werk mij riep voor het primitieve

kantoortje--van hard afwisselend werken van den morgen tot den avond,

voelde ik me wonderwel thuis en gezond. En wanneer niet sterke banden

mij naar het vaderland hadden teruggeroepen dan zou ik mij zelven hier

tot administrateur hebben benoemd. Nu echter moest ik trachten een

opvolger voor Verster te vinden, wat in dezen uithoek der wereld niet

zoo gemakkelijk zou zijn. Met de komst van dien nieuwen functionaris

zou, wanneer hij de rechte man op de rechte plaats bleek te zijn, mijn

taak zijn afgeloopen. In het belang der onderneming zou zoo iemand,

nu de eerste bezwaren en moeilijkheden der vestiging waren overwonnen,

zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid dienen te handelen.

Met de postprauw, die tusschen de aankomst der booten in naar Ternate

vertrok, gaf ik telegrammen mee naar Holland en naar relaties op Java,

om een tweeden administrateur te zenden. Er zouden voor de komst

van den nieuwen titularis ten minste een drietal maanden verloopen,

en zoo was ik in dien tijd mijn eigen baas en kon handelen naar eigen

inzichten en believen.

Elken dag zag me de opkomende zon door de alang-alangvelden fietsen

naar den uitgestrekten woudzoom in het Westen, waarachter de Doekoenoe

en de uitgedoofde vulkaankegel van den Momoja verrezen. Dat eerste

begin van den dag, met de verdwijnende sterren en het verschieten van

het rood aan de wolkenvegen, en het scheren van de eerste zonnestralen

over de aarde, was in de open ruimte tusschen zee en woud een telkens

weerkeerend zalig beleven van den eersten morgenstond.

Na den inspectietocht in den vroegen morgen door het woud verscheen,

tegen 8 uur, Ketjil met den etensdrager, waarin door de goede zorgen

van mijn gastvrouw een smakelijk ontbijt was geborgen. Soms genoot

ik van die versterkende rustpauze voor mijn kantoortje gezeten,

soms ook op een omgevallen boomstam in het woud, waar na een

langdurig zoeken de jongen mij toevallig had gevonden. Zijn anders

altijd goedmoedige gezicht had dan, door het sleepen met dien zwaren

etensdrager over boomstammen en struiken en door een warnet van takken

en ineengestrengelde lianen een grimmigen trek gekregen, doch zijn

goede humeur herstelde spoedig als hij neergehurkt tegenover zijn

etenden baas, geduldig zat te wachten.

Schrijven, regelen, overleggen, een tweede rondgang en soms een derde

volgden, daarna tusschentijds even middageten bij den zendeling aan

huis en zoo keerde ik tegen den avond, als het werk der koelies was

afgeloopen, vermoeid huiswaarts.

Op deze wijze verliep het leven geleidelijk, zonder horten of stooten;

alleen de komst der booten gaf eens in de maand eenige opschudding,

terwijl ook de Zondag eenige verandering bracht, daar het werk dan

moest worden stilgelegd. Daar er bijna uitsluitend met Christenen

werd gewerkt, had men tegenover hen, volgens contract, den Zondag

als vrijen dag moeten erkennen. Op dien dag werd ook door een der

zendelingen in een der loodsen op de onderneming gepreekt, waarbij het

in die primitieve omgeving steeds zeer ernstig toeging. Op planken,

die over kisten en balen waren gelegd, zaten de toehoorders en een

enkele toehoorster in hun Zondagsche plunje aandachtig luisterend op

rijen achter elkaar, terwijl de zendeling achter een tafel van bamboe

staande, in het Maleisch zijn preek hield. Als ouderling en voorzanger

trad steeds de timmerman op, die onder het laatste gezang tevens met

het kerkezakje aan den langen steel rondging. Kakelende en vechtende

kippen en hanen liepen soms, pikkend en verwaand rondkijkend,

tusschen het publiek of onder den geïmproviseerden preekstoel

door. Doch een goed zendeling is voor dergelijke stoornissen niet

in 't minst vervaard; hij heeft geen kerken of kathedralen, noch

plechtige stilte noodig, doch predikt als het zijn moet overal en

onder alle omstandigheden, waarbij de stemming of de indruk niet in

het minst behoeft te lijden. Integendeel, in dien soberen eenvoud is

iets stichtelijks en ontroerends. De oudste zendeling vertelde mij, dat

hij eens onder een boom staande voor slechts één mensch had gepreekt.

Somtijds wandelde ik op zulk een Zondagmorgen met den voorganger mede

en woonde den kerkdienst bij.

Het publiek, dat hier bijeenzat, was misschien meer stil-aandachtig

dan devoot, want eenmaal inziende, hoe geenerlei dwang op hen werd

uitgeoefend bij het ter kerk gaan, had er spoedig een groot verloop

van toehoorders plaats. Toen er weldra meer werkvolk op de onderneming

verscheen en voornamelijk bewoners van de Sangir- en Talaut-eilanden,

bleek het, dat deze in grooter afzondering levende eilandbewoners,

veel trouwer naar de Zondagmorgenpreeken kwamen luisteren dan de meer

geraffineerde Minahassers.

Ten huize van den jongsten zendeling nam ik, indien aanwezig, deel aan

de gewoonten van dit huis. Reeds zeer vroegtijdig, gewoonlijk wanneer

het nog schemerend was, liet de heer des huizes een belletje door het

huis weerklinken, waarop de huisjongen en de jongens der school, die

in de bijgebouwen sliepen, in letterlijken zin hun matjes oprolden,

zich waschten en zich gingen klaarmaken voor den dag. Meestal zat ik,

als dat belletje weerklonk, reeds op de fiets, en in het donker of

halfdonker waren een drietal dier jongens, wier weekbeurt het was,

reeds buiten en in de keuken bezig om het huiswerk te bezorgen. Door de

talrijke reten der gebarsten gedek-wanden van het keukentje flikkerden

reeds de vlammen van een vuurtje, en daar buiten was er een bezig

hout te kloven; zelfs den zendeling ontmoette ik somtijds reeds op

dat vroege morgenuur op het erf, genietend van de koelte en van den

aanblik van het krieken van den dag en het opgaan der zon.

Over het achtererf, langs een smal kronkelend paadje, tusschen

kletsnatte door den dauw bevochte alang-alang, kwam ik dan met de

fiets weldra op den rechten weg, die naar het emplacement leidde. Ten

huize van den zendeling was inmiddels een ieder ontwaakt en vond er

zijn werk. De leerlingen der kweekschool voor goeroes, de Papoeatjes,

de Amboneesjes, de Galelareesjes enz. verdwenen in het schoolgebouw

of in de studeerkamer van den zendeling en repeteerden en schreven

en zeiden lessen op, of kregen in het vroege morgenuur onderricht

in het zingen van kerkelijke liederen. Tegen acht uur was dan

het ontbijt in de achtergalerij klaar gezet, alwaar hij nu met

zijn vrouw plaats nam te midden van alle jongens, die zich langs

de wanden hadden geschaard. In het Maleisch werd door hem uit den

bijbel voorgelezen, waarna in diezelfde taal eenige psalmen werden

gezongen. De morgengodsdienst eindigde met gebed en soms met een

vermaning aan een of meer jongens, die dit hadden verdiend. De

jongens verdwenen nu onder het voorgalerijtje van hun slaaphuis,

waar op eenige lange tafels hun ontbijt was klaar gezet, dat steeds

uit sago en visch bestond.

De middagtafel werd eveneens door bijbellezen en gebed voorafgegaan, de

avondtafel alleen met gebed, en elke maaltijd eindigde met gebed. Bij

de laatste maaltijden schaarden de jongens zich niet om de tafel, doch

's avonds had na afloop van het dagwerk nog een bijeenkomst plaats in

de achtergalerij, waar alle Papoeatjes, Amboneesjes en Galelareesjes

enz. weer langs de wanden stonden, en waar ik in gezelschap van den

heer en vrouw des huizes ook steeds aan deelnam. Er werd dan weer

in het Maleisch uit den bijbel gelezen, er werden psalmen gezongen,

en er werd gebeden.

Het werd me bij die telkens herhaalde godsdienstoefeningen, in dien

tredmolen van bidden en bijbellezen en psalmen zingen met de geheel

onontroerde gezichten dier inlanders voor me, wel eens vreemd te moede,

en ik kon den indruk niet van me afzetten, dat het dagelijksch verkeer

met de hoogste dingen zoo precies op de klok en in het openbaar,

en lukraak door allerlei stemmingen heen, het doel voorbijschoot en

leidde tot een familiariteit en tot een gewoonte, waarbij het gevoel

tot gebaar, het verhevene tot sleur werd.

Wanneer we daar dan 's avonds zaten met al die jongens, geschaard

langs de wanden van de achtergalerij, de zendeling en zijn vrouw

aan het lange, ik aan het korte eind der tafel, waarop steeds het

roode tafelzeil met zijn grillige figuren lag, dan dwaalden onder het

eentonige Maleische gezang mijn gedachten van de krullen en dwarreling

dier figuren, na de herrie van den dag die mij in beslag had genomen,

naar andere dingen, totdat het Amen was uitgesproken, waarop we naar

de voorgalerij gingen voor het laatste werk of het laatste praatje

van den dag, terwijl buiten de Indische nacht was aangebroken en de

insecten om ons heen snorden en gonsden en tegen de petroleumlamp

botsten en tji-tjaks hun geluid deden hooren, roerloos zittend of

zich snel bewegend langs de gaba-gabawanden van het huis.

Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 6 / 12 段