die in dysenterie dreigde te ontaarden--dat, twaalf etmalen te laat,
de boot eindelijk binnenviel. De inlanders liepen van het strand de
kampong binnen en riepen: "Kapal masok! Kapal masok!" (de boot is
binnen). Een tijding, die aan iedereen in de kampong ontspanning en
vreugde zou brengen na de onzekerheid en het lange wachten en die
mij, was ik gezond geweest, in vuur zou hebben gezet. Nu bleef ik
onverschillig en roerloos op mijn veldbedje liggen, verzwakt en mat
door de hevige ziekte.
Weldra bereikte mij de tijding dat Verster met het eerste vijftigtal
koelies uit de Minahassa aan boord was. Berichten uit Holland,
brieven, tijdschriften en couranten zouden binnenkomen. Werk zou
er in overvloed zijn. Na den stilstand was de hartslag van een
bedrijviger leven gekomen, doch dommelend moest ik blijven liggen
waar ik lag, terwijl om mij heen nu alles in de weer kwam. De een
na den ander verliet zijn huis. Christenen in hun witte baadjes,
Chineezen, Arabieren enz. spoedden zich naar de aanlegplaats of
trachtten prauwen en prauwtjes machtig te worden om naar boord te
roeien. Reeds kwamen passagiers, die ontscheept waren, over den weg
de kampong binnenstappen, en weldra zag ik de Minahassers met groote
en kleine bundeltjes op den rug passeeren. Zij maakten een geheel
anderen indruk dan men zich gewoonlijk van een troep koelies maken
zou. In licht gekleurde gestreepte broeken en witte of kleurige
baadjes, met een staand kraagje en een stroohoedje dandy-achtig
boven de gele en veelal nette en nog jonge gezichten, sommigen met
schoenen aan de voeten, zou men ze eerder gehouden hebben voor een
troep studenten eener inlandsche hoogeschool. Nu zou het te Menado
ontvangen en natuurlijk aanstonds verteerde voorschot, van f 40.-
per man, aan die nieuwe baadjes en nieuwe hoedjes wel niet vreemd
zijn geweest. Daarbij doet het uiterlijk van den Minahasser, wat
huidkleur en gelaatstrekken betreft, zeer sterk aan vermenging met
Japansch bloed denken; ja zelfs vindt men er onder, die hierin maar
zeer weinig van den Europeaan verschillen. Ook hebben zij, reeds van
ouder tot ouder Christenen zijnde, van den eersten tijd onzer komst
in Indië onafgebroken onder onzen invloed gestaan en gevoelen zij
zich dan ook veel meer aan ons gelijk dan de doorsnee-inlander. De
meesten hebben goed onderwijs gehad, schrijven vaak keurig en spreken
soms een woord Hollandsch.
Weldra kwam Verster, vertelde in 't kort iets van de ellende, die
hij op deze reis had ondervonden, beklaagde me en verdween spoedig
weer met zijn mannetjes naar het emplacement. Het was me even
opgevallen, dat hij zeer zenuwachtig en neerslachtig was geweest,
doch onverschillig daarover verder dommelend, werd ik spoedig weer
afgeleid door passagiers van de boot, die aan land een kijkje kwamen
nemen en een praatje kwamen maken, mij zeer beklagend, zooals ik
daar lag. De post werd verdeeld en brieven van huis en over zaken
hielden me in spanning, en joegen me met zweepslagen uit den dommel
der zwakte. Den morgen volgende op dien dag, gevoelde ik me zoo slap
als een vaatdoek. Verster opperde toen het denkbeeld om mij, per extra
prauw, over de landengte van Dodinga naar Ternate te laten expedieeren,
opdat ik onder doktershanden zou kunnen beteren. Ik weigerde beslist
en liet de hulp inroepen van den oudsten zendeling, die dadelijk kwam
en mij, met zijn vele practische ervaring der gevaarlijke Indische
ziekten, er binnen eenige dagen met een streng dieet en het geregeld
toedienen van een homoeopathisch middel weer bovenop hielp.
Terwijl ik in die dagen nog met huisarrest onder het galerijtje zat,
kwam op een morgen Verster uit het bosch terug en overviel me met de
mededeeling, dat we hier onmogelijk verder zouden kunnen gaan, daar
het terrein volgens zijn zeggen wegens watergebrek voor cultures niet
deugde; dat we derhalve niets beters konden doen dan aanstonds het werk
te staken en de koelies af te danken en op Java of elders beginnen,
daar alle werk hier tijd en geld verknoeien zou zijn. Er was toen,
door gebrek aan werkvolk, op het terrein nog geen water gevonden doch
overal was de aanwezigheid van grondwater theoretisch vastgesteld.
Het bleek me toen, dat hij in dezen geadviseerd was geworden door den
oudsten zendeling, die op een wandeling het emplacement had bezocht
en daar in een kwartier tijds tot die conclusie was gekomen. Ik
moest hartelijk om deze meening lachen; doch Verster, die nu uiterst
zwaartillend en nerveus was, vatte de zaak heel anders op en vertrok,
om spoedig met den zendeling terug te keeren, die mij persoonlijk
zijn meening zou meedeelen.
Nu had deze man, naast een bezadigde wijze van spreken, de gave
zijn meening helder en met overtuiging voor te kunnen dragen. Door
zijn leven te midden eener omgeving, waarboven hij ver uitstak,
had hij buitendien, daar alle tegenspraak hem vreemd was, een te
groot zelfvertrouwen gekregen, waardoor hij zijn oordeel vaak op te
stellige wijze uitsprak.
Tegenover hem en Verster gezeten, hoorde ik de meening van die beide
autoriteiten hoofdschuddend en eenigzins lachend aan en weerlegde de
bezwaren van den zendeling. Dit bleef niet zonder indruk op hem,--een
half jaar later zou hij zelf voor de zendingsvereeniging een stuk grond
naast het onze voor de klappercultuur in concessie aanvragen,--en hij
vond de zaak bij nader inzien dan ook nog zoo kwaad niet. Ik dankte hem
voor zijn ongevraagd advies en bleef bij het eenmaal genomen plan om op
dit mooie stuk grond met de ontginning voort te gaan. Verster weigerde
echter en bleef koppig weigeren hier voortaan als administrateur op
te treden, hoewel ik hem verlof gaf een rapport over een en ander,
dat ik van mijn kantteekeningen voorzien, naar Holland te zenden,
zoodat hij, van alle verantwoordelijkheid ontslagen was.
De zendeling vertrok en liet mij intusschen, nog zwak en nauwelijks
hersteld, met Verster achter, die, wijl ik zijn meening niet deelde,
woedend was en beweerde, volgens zijn contract alleen verplicht te
zijn op de oorspronkelijke concessie op Morotai te werken, weshalve
hij te Tobelo geen slag meer wenschte uit te voeren. Daar zat ik met
een administrateur, die alle redelijkheid verloren had, voor een taak,
die mijn taak niet was.
Ook den volgenden morgen bleek Verster nog niet voor rede vatbaar te
zijn en weigerde beslist zijn werk weer op te vatten, ik had daar
naast me een man, die van aanleg werkzaam en flink was geweest,
doch wiens gestel door een funest Indisch leven van veel reizen en
zwerven en rooken en drinken en veel te veel praten, geheel ondermijnd
was geworden. Tegen de zorgen en moeiten der laatste maanden was hij
niet meer bestand geweest, terwijl het afkeurend oordeel en allerlei
inblazingen, die zich doen hooren, wanneer men trachten wil iets op
te bouwen, hem den nekslag hadden gegeven. Hij was door die kritiek
op onze, uit den aard der zaak, riskante onderneming gaan twijfelen
aan de uitvoerbaarheid der plannen. Niet intelligent genoeg had hij
de booze wereld en hare goede-raadgevers niet kunnen nemen voor wat
ze zijn. Inderdaad bleek het me later, dat hij op zijn terugreis van
Menado naar Ternate, door toedoen van mijn vroegeren gastheer daar,
met alles behalve goede adviezen van die laatste plaats naar Tobelo
was teruggekeerd, waarvan hij nu het slachtoffer dreigde te worden.
Door de wijze waarop hij zich gedroeg, zou ik genoodzaakt worden hem,
wanneer hij niet bijtijds tot inkeer kwam, zijn ontslag te geven. En
reeds dreigde hij zelf met ontslag nemen, in de meening mij door
zijn onmisbaarheid te kunnen dwingen. Nu begreep ik, dat ik hem nooit
als zelfstandig administrateur zou kunnen achter laten, zoodat zijn
ontslag zelfs wenschelijk werd. Op een laatste scherpe aanmaning om
aanstonds aan het werk te gaan, waarop hij een weigerend antwoord gaf,
volgde dit ontslag.
Na die tragedie was het verblijf met hem onder één dak zeer pijnlijk
geworden en was het me zeer welkom voorloopig mijn intrek bij den
jongsten zendeling te kunnen nemen. Van nu af ging ik elken morgen
bij het krieken van den dag van dit huis naar de loodsen in het bosch,
alwaar begonnen werd het werkvolk onder leiding van den opzichter en
eenige mandoers aan den arbeid te zetten. Dan was er den ganschen dag
volop werk tot 's avonds als het donker werd, waarop ik terugkeerde
om onder de galerij, bij de petroleumlamp, waar ook de zendeling met
zijn vrouw zat, nog menig uurtje aan correspondentie te wijden.
In den put op het emplacement, die door bekwamere werklui sneller
kon worden uitgediept, werd na eenige dagen op 15 M. diepte water
gevonden, terwijl dit op andere gedeelten van het terrein, die lager
waren op geringere diepten eveneens overal werd aangetroffen. Daarmee
was deze cardinale kwestie ook practisch opgelost.
Met de komst der menschen werd het in het bosch weldra bedrijvig en
vroolijk; vrouwen en kinderen, die met den vader waren meegekomen,
zag men den ganschen dag voor de loodsen; kippen liepen er
weldra rond en kakatoes en papegaaien slingerden aan hun stokken;
armzalige gladakkers snuffelden naar alles wat van hun gading was;
vuurtjes werden gestookt voor het klaarmaken van het middagmaal;
de wasch hing aan de drooglijnen uit, en zoo gaf al dat menschelijk
bedrijf aan die stille plek in het bosch een geheel ander aanzien,
dan ik daar tot nu toe gewend was geweest. Een fiets, die hier nog
een hypermodern vervoermiddel was en dan ook in den beginne zeer de
aandacht der bevolking trok, was uit Menado meegekomen en bekortte
me zeer den dagelijks herhaalde malen af te leggen afstand over een
smal voetpaadje, van het huis van den zendeling naar de ontginningen.
Intusschen was ik nog niet geheel van Verster bevrijd. Uit een zeer
menschelijke neiging tot wraak en tot het zoeken van eigen voordeel
zou hij nog zooveel mogelijk trachten mij te dwarsboomen, nu hij in
mij zijn vijand meende te moeten zien. Als administrateur had hij het
beheer der gelden gehad. Na zijn ontslag was hij verplicht de boeken en
de kas, welke laatste altijd nog zwervende was geweest en die zich nu
ten huize van den civiel-gezaghebber bevond, aan mij over te dragen. Op
mijn aanmaning ontving ik een verantwoording, waaruit aanstonds bleek,
dat de man in zijn geëxalteerden toestand de grenzen der eerlijkheid
had overschreden. Aanstonds liet ik door den civiel-gezaghebber beslag
leggen op al het geld dat aanwezig moest zijn; en onder den druk van
zijn geweten en van een zeer begrijpelijke vrees gaf Verster op diens
aanmaning het papiergeld af, waarmede hij reeds in zijn zak liep en
het zilver, dat hij op andere wijze had verstopt. Daarmede was het
geld nu wel uit de handen van Verster gered, doch hiermede had ik
zelf de beschikking over bijna alles verloren en de dichtst bijzijnde
rechtbank voor dergelijke delicate zaken was die te Makasser, welke
plaats eerst na een reis van ruim 14 dagen te bereiken was.
Verster begon, doelloos te Tobelo rondloopende, zich daar steeds
onbehagelijker te gevoelen. Zijn ontslag had tengevolge, dat hij zijn
ruime salaris had verspeeld, terwijl door de inbeslagname der kas het
resteerende bedrag hem voorloopig niet kon worden uitgekeerd. Weldra
zou het hem aan contanten gaan ontbreken. Schaamte en berouw deden
het hunne, en daar de terugkeerende boot naar Ternate nog een drietal
weken zou uitblijven, oordeelde hij het raadzaam na een week per
prauw daarheen terug te keeren. Op een morgen vernam ik, niet zonder
medelijden met hem te gevoelen, dat hij vertrokken was. Met vuur en
ijver was hij een tijdlang voor onze belangen opgekomen; toen hadden
zijn woelige natuur en zijn verbeelding hem parten gespeeld en zijn
kortstondige energie gebroken. Een man als hij zou onder de Europeanen
steeds meer blijken tot de categorie van gelukzoekers en zwervers,
waaraan Indië zoo rijk is, te gaan behooren.
De onderneming begon zich te ontwikkelen en groeide met den dag. De
kweekbedden strekten zich steeds verder uit en voortdurend kwamen
er nieuwe ladingen noten. Reeds deden de eerste spruiten den dikken
vezelbast scheuren en rezen er stengels met zijwaarts gerichte bladeren
uit den grond op. Met donderend geweld ploften de reuzen van het woud
ter aarde, en door de open ruimte, die steeds wijder werd en over
den chaos van omgevallen stammen en kruinen en takken klonken de
bijlslagen den ganschen dag. Een timmerman, die was medegekomen om
de leiding van den bouw van huizen op zich te nemen, had zijn taak
aangevangen en onder een dakje van atap werd gezaagd en gehakt en
geschaafd aan de balken en stijlen voor het eerste huis.
In een der loodsen was een gedeelte gereserveerd voor kantoor,
waar eindelijk de brandkast werd opgesteld, die, na uit Amerika te
zijn gekomen, de reis van Holland uit had meegemaakt en nu, na dien
tocht rondom de wereld, in het oerwoud eindelijk haar bestemming
had bereikt. Een beschuttend dak voor het kantoortje uitgebouwd,
werd weldra mijn galerijtje, waar ik, als mijn werk in het bosch
was afgeloopen en mijn aanwezigheid niet elders werd vereischt, de
administratie en correspondentie verrichtte en waar de Tobeloreezen
en handelaren, die materialen en goederen en zaadnoten leverden,
geduldig op betaling zaten te wachten, wanneer de Toewan Maatschappij
het bosch in was.
De naam van Toewan Maatschappij had men mij te Tobelo spoedig gegeven,
ter onderscheiding van den Toewan Magistraat, den civiel-gezaghebber
en den Toewan Pendita (Geestelijke), den oudsten der zendelingen.
Het was, na een onafgebroken zwerven van meer dan zes maanden, waarin
ik onder allerlei omstandigheden correspondentie en administratie had
moeten verrichten, een heerlijkheid daar een veilig plekje te hebben
gevonden, waar alles netjes bijeen was en elk stuk, uit de groote kist
met schrijf- en kantoorbehoeften uit Holland meegenomen, zijn plaats
had gekregen. Het was er heusch een echt kantoor, met agenda's en
memorandums en briefregistrators, copieerboeken en copieerpers. Nog
behielp ik me met een tafel en stoelen uit bamboe gemaakt, doch
een schrijftafel was bij de timmerschool in de maak. De brandkast
was als de kroon op het geheel; zij werd met haar kantoorboeken en
geheimzinnige geldkastjes, door de menschen uit de wildernis, die soms
eens familiaar kwamen kijken, steeds met ontzag aangekeken en nader
besproken. In dat leven van rondzwerven in het bosch en den geheelen
dag buiten zijn, en--wanneer het werk mij riep voor het primitieve
kantoortje--van hard afwisselend werken van den morgen tot den avond,
voelde ik me wonderwel thuis en gezond. En wanneer niet sterke banden
mij naar het vaderland hadden teruggeroepen dan zou ik mij zelven hier
tot administrateur hebben benoemd. Nu echter moest ik trachten een
opvolger voor Verster te vinden, wat in dezen uithoek der wereld niet
zoo gemakkelijk zou zijn. Met de komst van dien nieuwen functionaris
zou, wanneer hij de rechte man op de rechte plaats bleek te zijn, mijn
taak zijn afgeloopen. In het belang der onderneming zou zoo iemand,
nu de eerste bezwaren en moeilijkheden der vestiging waren overwonnen,
zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid dienen te handelen.
Met de postprauw, die tusschen de aankomst der booten in naar Ternate
vertrok, gaf ik telegrammen mee naar Holland en naar relaties op Java,
om een tweeden administrateur te zenden. Er zouden voor de komst
van den nieuwen titularis ten minste een drietal maanden verloopen,
en zoo was ik in dien tijd mijn eigen baas en kon handelen naar eigen
inzichten en believen.
Elken dag zag me de opkomende zon door de alang-alangvelden fietsen
naar den uitgestrekten woudzoom in het Westen, waarachter de Doekoenoe
en de uitgedoofde vulkaankegel van den Momoja verrezen. Dat eerste
begin van den dag, met de verdwijnende sterren en het verschieten van
het rood aan de wolkenvegen, en het scheren van de eerste zonnestralen
over de aarde, was in de open ruimte tusschen zee en woud een telkens
weerkeerend zalig beleven van den eersten morgenstond.
Na den inspectietocht in den vroegen morgen door het woud verscheen,
tegen 8 uur, Ketjil met den etensdrager, waarin door de goede zorgen
van mijn gastvrouw een smakelijk ontbijt was geborgen. Soms genoot
ik van die versterkende rustpauze voor mijn kantoortje gezeten,
soms ook op een omgevallen boomstam in het woud, waar na een
langdurig zoeken de jongen mij toevallig had gevonden. Zijn anders
altijd goedmoedige gezicht had dan, door het sleepen met dien zwaren
etensdrager over boomstammen en struiken en door een warnet van takken
en ineengestrengelde lianen een grimmigen trek gekregen, doch zijn
goede humeur herstelde spoedig als hij neergehurkt tegenover zijn
etenden baas, geduldig zat te wachten.
Schrijven, regelen, overleggen, een tweede rondgang en soms een derde
volgden, daarna tusschentijds even middageten bij den zendeling aan
huis en zoo keerde ik tegen den avond, als het werk der koelies was
afgeloopen, vermoeid huiswaarts.
Op deze wijze verliep het leven geleidelijk, zonder horten of stooten;
alleen de komst der booten gaf eens in de maand eenige opschudding,
terwijl ook de Zondag eenige verandering bracht, daar het werk dan
moest worden stilgelegd. Daar er bijna uitsluitend met Christenen
werd gewerkt, had men tegenover hen, volgens contract, den Zondag
als vrijen dag moeten erkennen. Op dien dag werd ook door een der
zendelingen in een der loodsen op de onderneming gepreekt, waarbij het
in die primitieve omgeving steeds zeer ernstig toeging. Op planken,
die over kisten en balen waren gelegd, zaten de toehoorders en een
enkele toehoorster in hun Zondagsche plunje aandachtig luisterend op
rijen achter elkaar, terwijl de zendeling achter een tafel van bamboe
staande, in het Maleisch zijn preek hield. Als ouderling en voorzanger
trad steeds de timmerman op, die onder het laatste gezang tevens met
het kerkezakje aan den langen steel rondging. Kakelende en vechtende
kippen en hanen liepen soms, pikkend en verwaand rondkijkend,
tusschen het publiek of onder den geïmproviseerden preekstoel
door. Doch een goed zendeling is voor dergelijke stoornissen niet
in 't minst vervaard; hij heeft geen kerken of kathedralen, noch
plechtige stilte noodig, doch predikt als het zijn moet overal en
onder alle omstandigheden, waarbij de stemming of de indruk niet in
het minst behoeft te lijden. Integendeel, in dien soberen eenvoud is
iets stichtelijks en ontroerends. De oudste zendeling vertelde mij, dat
hij eens onder een boom staande voor slechts één mensch had gepreekt.
Somtijds wandelde ik op zulk een Zondagmorgen met den voorganger mede
en woonde den kerkdienst bij.
Het publiek, dat hier bijeenzat, was misschien meer stil-aandachtig
dan devoot, want eenmaal inziende, hoe geenerlei dwang op hen werd
uitgeoefend bij het ter kerk gaan, had er spoedig een groot verloop
van toehoorders plaats. Toen er weldra meer werkvolk op de onderneming
verscheen en voornamelijk bewoners van de Sangir- en Talaut-eilanden,
bleek het, dat deze in grooter afzondering levende eilandbewoners,
veel trouwer naar de Zondagmorgenpreeken kwamen luisteren dan de meer
geraffineerde Minahassers.
Ten huize van den jongsten zendeling nam ik, indien aanwezig, deel aan
de gewoonten van dit huis. Reeds zeer vroegtijdig, gewoonlijk wanneer
het nog schemerend was, liet de heer des huizes een belletje door het
huis weerklinken, waarop de huisjongen en de jongens der school, die
in de bijgebouwen sliepen, in letterlijken zin hun matjes oprolden,
zich waschten en zich gingen klaarmaken voor den dag. Meestal zat ik,
als dat belletje weerklonk, reeds op de fiets, en in het donker of
halfdonker waren een drietal dier jongens, wier weekbeurt het was,
reeds buiten en in de keuken bezig om het huiswerk te bezorgen. Door de
talrijke reten der gebarsten gedek-wanden van het keukentje flikkerden
reeds de vlammen van een vuurtje, en daar buiten was er een bezig
hout te kloven; zelfs den zendeling ontmoette ik somtijds reeds op
dat vroege morgenuur op het erf, genietend van de koelte en van den
aanblik van het krieken van den dag en het opgaan der zon.
Over het achtererf, langs een smal kronkelend paadje, tusschen
kletsnatte door den dauw bevochte alang-alang, kwam ik dan met de
fiets weldra op den rechten weg, die naar het emplacement leidde. Ten
huize van den zendeling was inmiddels een ieder ontwaakt en vond er
zijn werk. De leerlingen der kweekschool voor goeroes, de Papoeatjes,
de Amboneesjes, de Galelareesjes enz. verdwenen in het schoolgebouw
of in de studeerkamer van den zendeling en repeteerden en schreven
en zeiden lessen op, of kregen in het vroege morgenuur onderricht
in het zingen van kerkelijke liederen. Tegen acht uur was dan
het ontbijt in de achtergalerij klaar gezet, alwaar hij nu met
zijn vrouw plaats nam te midden van alle jongens, die zich langs
de wanden hadden geschaard. In het Maleisch werd door hem uit den
bijbel voorgelezen, waarna in diezelfde taal eenige psalmen werden
gezongen. De morgengodsdienst eindigde met gebed en soms met een
vermaning aan een of meer jongens, die dit hadden verdiend. De
jongens verdwenen nu onder het voorgalerijtje van hun slaaphuis,
waar op eenige lange tafels hun ontbijt was klaar gezet, dat steeds
uit sago en visch bestond.
De middagtafel werd eveneens door bijbellezen en gebed voorafgegaan, de
avondtafel alleen met gebed, en elke maaltijd eindigde met gebed. Bij
de laatste maaltijden schaarden de jongens zich niet om de tafel, doch
's avonds had na afloop van het dagwerk nog een bijeenkomst plaats in
de achtergalerij, waar alle Papoeatjes, Amboneesjes en Galelareesjes
enz. weer langs de wanden stonden, en waar ik in gezelschap van den
heer en vrouw des huizes ook steeds aan deelnam. Er werd dan weer
in het Maleisch uit den bijbel gelezen, er werden psalmen gezongen,
en er werd gebeden.
Het werd me bij die telkens herhaalde godsdienstoefeningen, in dien
tredmolen van bidden en bijbellezen en psalmen zingen met de geheel
onontroerde gezichten dier inlanders voor me, wel eens vreemd te moede,
en ik kon den indruk niet van me afzetten, dat het dagelijksch verkeer
met de hoogste dingen zoo precies op de klok en in het openbaar,
en lukraak door allerlei stemmingen heen, het doel voorbijschoot en
leidde tot een familiariteit en tot een gewoonte, waarbij het gevoel
tot gebaar, het verhevene tot sleur werd.
Wanneer we daar dan 's avonds zaten met al die jongens, geschaard
langs de wanden van de achtergalerij, de zendeling en zijn vrouw
aan het lange, ik aan het korte eind der tafel, waarop steeds het
roode tafelzeil met zijn grillige figuren lag, dan dwaalden onder het
eentonige Maleische gezang mijn gedachten van de krullen en dwarreling
dier figuren, na de herrie van den dag die mij in beslag had genomen,
naar andere dingen, totdat het Amen was uitgesproken, waarop we naar
de voorgalerij gingen voor het laatste werk of het laatste praatje
van den dag, terwijl buiten de Indische nacht was aangebroken en de
insecten om ons heen snorden en gonsden en tegen de petroleumlamp
botsten en tji-tjaks hun geluid deden hooren, roerloos zittend of
zich snel bewegend langs de gaba-gabawanden van het huis.