Hij wilde het reisje met de boot naar Tobelo meemaken, om den volgenden

dag per prauw naar zijn standplaats terug te keeren. Als oudste der

zendelingen had hij de verplichting, de tractementen en de overige

gelden voor de zendingsposten, die door de boot in één bedrag aan

papier en zilver waren meegenomen, te verdeelen en van hier verder

te verzenden. Voor dit werkje trok hij zich in den salon terug en

weldra vernam ik van daar het geklikklak der ringgits.

Na eenige uren voor Galela op de ree te hebben gelegen, gingen we

weer onder stoom, om tegen den middag voor Tobelo het anker te kunnen

laten vallen.

Intusschen zetten we ons aan den lunch, waar het gesprek onder leiding

van den zendeling met den kapitein en den stuurman, die mede aanzaten,

weldra zeer druk werd. Doch het duurde niet lang of de vrede zou

verstoord worden. De stuurman, die, als zooveel menschen in Indië,

de zending en de zendelingen nu eenmaal niet kon uitstaan, had zich

in den loop van het gesprek schampere opmerkingen over hen in 't

algemeen laten ontvallen, wat door den zendeling niet onbeantwoord was

gebleven. Het kwam nu van het een tot het ander. De brave oude heer,

die zijn menschen niet voldoende scheen te kennen en met zijn eerlijk

hart ook geen diplomaat genoeg was om te zwijgen, ontwikkelde daar de

redenen van zijn rotsvast geloof, waarbij hij met zijn trouwe oogen

den stuurman aankeek alsof hij niet anders verwachtte dan dat deze

man nu toch wel met zijn denkbeelden zou instemmen. Deze echter,

die geen fijngevoeligheid of medelijden kende, maakte hem met zijn

zekere weten voor een zieligen stumper uit. In plaats van te zwijgen

ging de arme man trillend van zenuwen, waar hij op zulk een wijze

in het diepste en heiligste zijner overtuiging werd aangevallen,

voort en verkondigde daar, zooals hij tegenover zijn goeroe's en

zijn christengemeente steeds zonder tegenspraak gewend was, in een

stijgende extase, wat hij voor onomstootelijk waar hield.

Ik hield mijn hart vast, toen ik keek naar het gezicht van den

stuurman, waarop de schamperheid met onmeedoogendheid afwisselde. Daar

was van dezen man een antwoord te verwachten op deze met veel

overtuiging gedane belijdenis, zoo pijnlijk kwetsend als slechts te

vinden was om daarmede zijn tegenstander voor goed den mond te kunnen

snoeren. Het bleef dan ook niet uit, en kort en goed schreeuwde hij

den zendeling, die alles zoo zeker wist en verklaarde, in het gezicht,

dat hij een arrogante en pedante ezel of idioot was; de keuze liet

hij aan hemzelf over.

De arme man was nu inderdaad sprakeloos; hij hijgde naar adem en

trilde over zijn gansche wezen over zulk een beleediging niet hem;

maar zijn overtuiging aangedaan. Ik had deernis met den ouden heer,

die nauwelijks zijn veilige knusse hoekje had verlaten, en in de

eerste aanraking met de groote wereld daarbuiten, op zulk een wijze

zijn hoofd stootte.

Maar iets van eigen schuld aan zulke pijnlijke ervaringen in hun

ontmoeting met de buitenwereld ligt bij de zendelingen zelve, daar zij,

voor een groot deel voortgekomen uit den kleinen burgerstand, waar de

gezichtskring niet bijster groot is, maar al te vaak verbeelden beter

te zijn dan anderen, en alles wat buiten hun wereldje ligt, in hun

geborneerdheid, als één brok zonde vaak liefdeloos verafschuwen. Wie

echter een jaar lang achter de schermen dezer kleine wereld heeft

kunnen kijken, zal eerbied hebben gekregen voor hun beginselvastheid

en voor hun ingetogen levenswijze, maar hij weet tevens, dat hier niet

minder afgunst en niet meer christelijke liefde heerscht dan elders,

terwijl weer andere fouten, die men in de groote wereld niet zoo kent,

in dit wereldje dikwijls leelijk om den hoek komen kijken. En tout

cas le diable ne perd rien.

HOOFDSTUK V.

UIT DE PRILSTE JEUGD EENER CULTUURONDERNEMING.

Terug te Tobelo. Na een landing van menschen en beesten en goederen,

die uren duurde, daar de boot door de tallooze koraalbanken steeds

een paar kilometer uit de kust op de reede moest blijven liggen,

zoodat iedereen en alles per sloep, per prauw of motorboot naar het

land moest worden geroeid of gesleept, was ik dan veilig en wel

te Tobelo weergekeerd en opnieuw ingekwartierd ten huize van den

civiel-gezaghebber. De koelies, die van Ternate waren meegegaan,

bleken reeds een onderdak te kunnen vinden in een der twee groote

loodsen, die men nog bezig was op het terrein te bouwen en waarvan

de daken in de verte op den weg daarheen reeds hadden verteld,

dat de bedrijvigheid alhier tijdens mijn afwezigheid niet geheel

had stilgestaan. Ook was een 9 M. breede weg van de kampong naar het

concessieterrein lijnrecht uitgezet en voor een groot gedeelte reeds

van de boomen en planten, die daar stonden, ontdaan.

Op het terrein zelf aangekomen, wachtte mij echter een groote zorg,

die mij nog eenige weken achtervolgen zou. De eenige kali, die het

terrein doorsneed, was in haar benedenloop meestentijds droog, alleen

na hevige regens stroomde er water in. Zonder water zou het prachtige

terrein, waarvoor we nu stonden, voor cultures zoo goed als waardeloos

zijn. Het werd dus zaak water te zoeken; doch waar? We hadden hoop door

het graven van putten voldoende grondwater te zullen vinden. Er liepen

door dezen poreuzen bodem ondoordringbare leemlagen, die het grondwater

ophielden; doch hoe en waar deze te vinden waren, wist niemand.

Zoo hadden we op goed geluk op verschillende plaatsen putten

laten graven, doch nergens was nog water gevonden. Waar de loodsen

werden gezet, hetgeen we het emplacement gingen noemen, was reeds

een dergelijke put tot een diepte van 10 M. gegraven en nog was

hij droog. Dat zag er leelijk uit en zou ons scheepje kunnen doen

stranden. Dieper graven en overal naar water zoeken was nu het consigne

geworden. Met de mannetjes, die ik tot mijn beschikking had, werden

binnen en buiten de grenzen van het terrein gaten gegraven en na

eenigen tijd bleek het, dat het grondwater in dezen doordringbaren

bodem even hoog stond als het niveau van den zeespiegel. Zelfs bleek

het, dat dit water rees en daalde naar gelang van eb en vloed. De

diepte der putten zou dus afhankelijk moeten zijn van de hoogte van

het terrein boven den zeespiegel, en daar het emplacement 15 M. hoog

bleek te liggen, zou vrij zeker tot deze diepte gegraven moeten worden.

Intusschen leerde ik op mijn dagelijksche tochten ter nadere verkenning

en onderzoek door de kilometerslange rintissen of over moeilijk te

vinden en te volgen voetpaadjes, het oerwoud allengs meer kennen

en geraakte er steeds meer mee vertrouwd. We drongen door tot aan

den voet der bergen en vonden onzen weg door moeilijk doordringbare

glagahbosschen of door bamboestoelen (een groep bamboekokers uit

een zelfden wortelstok), die dank zij de slagen van den parang op

de lange kokers, die in een enkelen forschen slag doormidden waren,

ons voortgaan niet konden beletten.

Onder het zwaarste hout was het doordringen het minst moeilijk; daar

onderschepten de zware kruinen hoog in de lucht het zonlicht totaal,

zoodat een weelderige vegetatie op dien bodem uitgesloten bleef. Wel

stonden er op dien altijd vochtigen boschgrond groote en kleine varens

en trachtte ook het jonge hout naar boven en naar het licht te streven,

doch het halflicht onder het dichte bladerendak dier reuzenstammen

verhinderde een opulenten groei.

Het wemelde in zulk een woud van klein gedierte. Milliarden mieren,

groote en kleine, bruine en zwarte krioelden over den grond en over

omgevallen boomstammen; millioen- en duizendpooten en venijnige

schorpioenen scharrelden er tusschen.

Griezelige spinnen, soms fraai gekleurd, sponnen haar groote

taaie netten met witte kruisen tusschen 't jonge hout, waaronder de

zwaarbehaarde vogelspin, met hare pooten uitgestrekt zoo groot als de

palm eener hand, me altijd een schrik op het lijf joeg. Aantrekkelijker

waren de vlinders, die met hun felle kleuren en in nooit te voren

geziene grootte zweefden door de roerlooze stilte van het woud,

of de tallooze wonderlijke insecten, waaronder allerlei soms bijna

lachwekkende spelingen der natuur. Daaronder waren de wandelende

takken en bladeren als frappante voorbeelden van de neiging der

natuur tot mimicry, waardoor zij natuurlijk uiterst moeilijk te

ontdekken waren. Tallooze hagedissen schoten telkens als weerlichten

weg; leguanen, waarop de inlanders gaarne jacht maakten terwille van

het lekkere vleesch, verdwenen kruipend tegen de hooge stammen in de

donkerte der kruinen. Soms vernam men in het lage hout het gedruisch

van een wild varken, dat op de vlucht sloeg, naast de herten, het

eenige gevaarlooze grootwild dat op Halmaheira te vinden was. Men

was er reeds binnen de grenzen der Australische fauna, waartoe veel

buideldieren, doch geen gevaarlijk wild behoorde. De koeskoes, de

oostersche opossum, een dier onschuldige buideldieren, werd dikwijls,

door de koelies doodgeslagen, uit het bosch meegesleept en boven het

vuur als smakelijk maal geroosterd. In de alang-alang ritselde wel

eens een slang, die daarmede hare tegenwoordigheid verried, wat haar

gewoonlijk het leven kostte. De menschelijke haat tegen deze beesten

was hier al even erg als een halfrond verder, waar de Drentsche boer

elken adder, die op zijn weg komt, met zijn klomp tracht dood te

slaan of met zijn zakmes in stukken tracht te snijden.

Op den vlakken bodem van het woud passeerden we dikwijls hoopen,

uit aarde, bladeren en takken bestaande, die van een tot anderhalven

meter hoog en vele meters in omtrek waren. Deze hoopen werden door

de boschkip opgeworpen voor het bewaren en het uitbroeden harer

eieren. Wanneer men dan dezen vogel zag, die slechts iets grooter

was dan een patrijs en men liet zulk een aardhoop openleggen, dan

vond men daarin een zevental eieren, elk grooter dan een eendenei,

en stond men verbaasd over de ongerijmde energie die door dat beestje

was ontwikkeld en die in geenerlei vergelijking stond met de normen,

waaraan de natuur ons in dat opzicht heeft gewend. Het krijschen

van papegaaien en kakatoes, en soms 't geroep van den jaarvogel,

vergezelden ons op onze tochten langs de soms meters dikke stammen in

de vochtige koelte van het woud. Een voor een zouden die reuzen moeten

vallen en het moeten afleggen tegen die venijnige menschjes, die nu

zoo klein langs hun voeten kropen; met donderend dreunen zouden die

stammen en kronen ter aarde vallen, zoodat men in de kampong Tobelo

aan het rommelen van een aardbeving zou denken.

De gladstammige kanariboomen van ruim 40 M. hoogte, die met hun

breede kruinen loodrecht naar boven streefden, zouden met vele andere

onbekende grootheden, waarvan het hout niet bestand was tegen het

Indische klimaat en het invreten van houtwormen, als waardeloos worden

verbrand en in den drogen tijd als dood hout langzaam wegsmeulend,

geheel tot asch verteren. De betere houtsoorten echter, zooals het

veel gebruikte harde ijzerhout (kajoe besi), lingowa, oetang kanari

en zelfs ebbenhout, zouden worden uitgezocht en bestemd worden voor

den bouw van huizen en loodsen. Ook zouden met dat woud de tallooze

lianen verdwijnen, die in allerlei dikten langs die hooge stammen van

de zware takken dropen, de klimplanten en de parasieten, waaronder de

orchideeën, die zich op de takken met hun kort stelsel van luchtwortels

hadden vastgehecht.

Zoo leerde ik me in die bosschen steeds meer oriënteeren en allerlei

kleine verschillen opmerken, die eerst langzamerhand in het oog

vielen, waar het in den beginne een chaos van takken en bladeren was

geweest. Zoo, met die natuur vertrouwd geworden, was het een genot

soms alleen door de plechtige stilte van zoo'n eeuwenoud roerloos

woud te kunnen gaan.

Herhaaldelijk was ik in de uitvoering van mijn taak genoodzaakt de

hulp van den oudsten der zendelingen in te roepen. Voor zijn grooten

timmerwinkel hadden we steeds bestellingen, van zijn geneeskundige

kennis en het hospitaal moesten we veel en zouden we op den duur,

met meer koelies, zeer veel gebruik moeten maken. Als vraagbaak voor

velerlei kleinigheden stond hij me met zijn kennis van land en volk

steeds bereidwillig ten dienste.

Met leede oogen zag onze civiel-gezaghebber het aan, hoe ik meer

en meer achting voor zijn tegenstander begon te krijgen. Met nauw

verkropte woede moest hij het aanzien, hoe ook ik den zendeling,

waar deze mij zoozeer van dienst was, gaarne van dienst wilde

zijn en somtijds kon zijn. In zijn heerschzucht en zijn groot

gevoel van machthebber zou hij het liefst dezen omgang verboden of

deze samenwerking onmogelijk hebben gemaakt; nu echter was hij wel

gedwongen zich te bepalen tot eenige schimpscheuten en onvriendelijke

opmerkingen.

Het was mij ook reeds op reis herhaaldelijk opgevallen, dat men den

naam van dezen zendeling veel noemde en daarbij dikwijls op minder

vriendelijke wijze. Doch het bleek me bij nadere kennismaking al

spoedig, dat hij voor deze streken een man van beteekenis was,

hetgeen alleen reeds reden genoeg was tot allerlei gepraat.

Menigen avond, als het donker geworden en het werk afgeloopen was,

stapte ik het ruime erf van het zendelingenhuis op en zat met hem en

zijn vrouw onder de voorgalerij der gezellige woning. Daar hoorde ik

dan van hun leven en ontberingen in de eerste jaren van hun verblijf in

deze streken. Het was toen zoo vol ellende geweest, dat van een zestal

kinderen die in hun huwelijk geboren waren, slechts één meisje in het

leven was gebleven, en dit kind hadden ze op negenjarigen leeftijd,

als hun eenigen oogappel, terwille harer opvoeding, naar Batavia

moeten zenden. Doch uit de moeiten en ontberingen van dien eersten

tijd was langzamerhand veel goeds gegroeid, en nu kon hij wijzen op

den gestadigen bloei van 't geen hij in onderscheidene richtingen tot

stand had gebracht. Want naast zijn directen werkkring van zendeling,

had hij, met zijn energie en kijk op practische dingen, nog tijd en

lust gevonden voor allerlei werkzaamheden, waardoor hij tevens den

werklust bij zijn gemeente had aangewakkerd.

In de timmerschool op zijn erf werkten dagelijks van 's morgens tot

het donker werd, onder het toezicht van een Chinees, een dertigtal

inlandsche jongens en aankomende mannen van allerlei stammen uit den

omtrek, zelfs Papoea's van Nieuw Guinea. Zij maakten daar kasten en

stoelen en tafels en bedden, en verder allerlei nuttig gerei, waar hier

steeds veel vraag naar was. Zoo noodig werd ook de bouw van een huis

in den naasten omtrek van hieruit geleid. Zoo was daar die schavende,

beitelende en hamerende troep voor de geheele Residentie Ternate een

unicum van bedrijvigheid. Ook het hospitaal eischte dagelijks door

de vele menschen die om hulp kwamen vragen, veel werk.

Een klapperaanplanting van 10.000 boomen, waarmede reeds jaren

geleden door hem was begonnen, verlangde steeds meer toezicht, nu de

oogsten grooter werden en zeer belangrijk beloofden toe te nemen;

tevens waren proefaanplantingen van hevea, manilla-hennep en cacao

door hem aangelegd.

Zijn kennis van de Tobeloreesche taal had hem in staat gesteld een

uitgebreid woordenboek dier taal samen te stellen en uit te geven;

en zoo werkte zijn veelzijdige bekwaamheid in veelzijdige richting

tot zegen van deze streek.

Een geheel ander man was zijn jongere collega, die iets verder woonde

en die zich uitsluitend tot het geestelijk beroep bepaalde en het

practische, als zijnde niet in de eerste plaats zijn werk en niet

met zijn neiging strookende, liefst afwees. Jaren later gekomen, had

hij ook veel reeds gereed gevonden. Zijn huis, evenals de school,

waarin hij de inlandsche jongens tot goeroe opleidde, was door

zijn collega gebouwd. Zijn leven verliep tusschen die school en

dat huis en de kleine kerk, waarin hij ook geregeld een preekbeurt

vervulde. Hij was een aangenaam man in den omgang, die pratend

en luisterend zijn gezelschap met de belangwekkendste gesprekken

wist bezig te houden. Door de gunstige omstandigheden, die hij hier

van den dag zijner komst af gevonden had, was hij geheel buiten de

gewone moeilijkheden gebleven, waarmee de zendeling anders op deze

verre posten dikwijls te kampen heeft. In zijn huis, in gesprek met

hem en zijn vrouw, met de beschikking over zijn bibliotheek, waarin

de Hollandsche schrijvers voor het jaar '80, goed vertegenwoordigd

waren, waande men zich geheel in Holland terug, in een well-to-do

en zelfgenoegzaam Holland, waarmede de pisangs en de klapperboomen

op het erf en de tropische zon, die buiten de galerij scheen, in

't geheel niet harmonieerden.

Het was tegen het eind van Januari geworden, toen we konden

beginnen met klappernoten te verzamelen, die als zaadnoten op de

eerste kweekbedden zouden worden uitgezet. Onder leiding van een

Ternataanschen opzichter, die als zoodanig door mij was aangenomen,

wijl hij de taal van het volk en ook Hollandsch sprak, was de prauw,

die uit Ternate was meegebracht, met een zestal koelies bemand naar de

naburige eilanden en langs de kust gezonden, om deze eerste noten te

verzamelen. Het zou dagen duren, want de gezondste en zwaarstdragende

boomen die te voren door ons waren uitgezocht en gemerkt, lagen

ver uiteen. Er bleef mij in die dagen niet veel te doen over, dan

af te wachten en het toezicht te houden op het bouwen der loodsen

en het graven van putten. Alleen wanneer de boot zou binnenvallen,

die binnen eenige dagen verwacht mocht worden, zou daaraan spoedig

een einde komen. Dan opeens, als de fluit zou weerklinken, zou het

leven weer beginnen, dat nu langzamerhand uitging, elken dag wat meer,

totdat de eentonigste saaiheid van bijna werkelooze dagen was bereikt.

Zoo brak de dag voor de aankomst der boot aan, doch wij hielden

er rekening mede, dat zij tenminste drie dagen te laat zou

binnenvallen. De dag verliep dan ook in ononderbroken rust, ook de

volgende dag en de dag daarop en de eene dag na den anderen, en ook

de prauw onder leiding van den opzichter kwam niet terug. Hoe keek

ik nu uit naar dien onruststoker uit de groote wereld, wanneer ik na

de paar menschen, die op het emplacement werkten bezocht, en gezien

te hebben, dat zij elken dag hun taak hadden volbracht, doelloos

ronddoolde door het woud. Zoo begon ik in die dagen te lijden aan

ongeduld, verveling en... verlangen, en in mijn dagboek vind ik uit

dien tijd een gedichtje:

Totdat...

Weer komen er verlangens

Smartelijk los,

Terwijl ik wandelend ben

Door 't eenzaam bosch.

Weer dwalen mijn gedachten

Van dit kruis,

Zij gaan, onmerkbaar eerst,

Naar 't ver tehuis.

En peinzend denk ik dan:

"Hoe zal 't daar zijn!"

Ginds, waar mijn lieven leven

Groot en klein.

De kleinen met hun spelen

Hun gevraag,

De groote stil verlangend

Tot het daag.

Tot daag het uur van wederzien,

Tot daag 't geroep, 't gejuich der kleinen,

Tot het verlangen henengaat,

Hereend, vereend weer met de mijnen.

En eenzaam liep ik langs het heete, zwarte strand, turende over den

glimmenden waterplas naar de koraaleilanden voor de kust en over de

wijde toegangen daar tusschendoor naar de heel verre flauwe streep

aan den gezichteinder, of niet een rookwolk de komst van de boot zou

verraden. Of wel ik zocht langs de kusten dier eilanden, of niet de

uitgezonden prauw te ontdekken was, welker terugkomst althans eenig

werk zou verschaffen en eenigen voortgang zou brengen in de dagen,

die nu doelloos voorbij gingen. Doch verlaten, troosteloos verlaten

bleef de zee.

Eenzaam liep ik er, zooals er voor mij duizenden in dit land geloopen

zullen hebben, zooals er na mij duizenden loopen zullen, in machtelooze

afwachting, in werkeloosheid door een groot verlangen overvallen,

dat tijdelijk alle belangstelling doofde. Ik voelde me onder dit volk

en te midden van deze natuur als een vreemdeling, als een indringer,

als een rustverstoorder en in mijn sentimenteele stemming zong ik,

als een dreun die me niet verlaten wou:

Nach der Heimat kehr' ich wieder

Nach dem treuen Vaterland.

Het was Indische maannacht geworden. Donkere silhouetten van

cocospalmen, van pisangs en manggaboomen en van de atappen dakjes der

inlandsche huisjes staken af tegen de lichte lucht, waarin de sterren

verbleekten. Zoo slenterde ik op een avond terug naar huis. Zwarte,

geheimzinnige schaduwen zag ik overal en uit de verte klonk uit de

heidensche kampong het sombere geluid der doffe slagen op de tifa,

waarop de inlanders ter aanvuring van nachtelijke bacchanaliën in

eentonigen cadans hun primitieve muziek uitvoerden.

Gedrukt zette ik mij neer onder het galerijtje van het huis van mijn

gastheer en liet me vertellen van de bevolking en haar vrees voor

den blanke.

Deze heidensche inlanders, met hun animistisch geloof (het geloof in

de macht van de geesten der afgestorvenen hier op deze aarde), hadden

een groot ontzag voor den Hollander. Hoewel zij hem onverschrokken

aanzagen, zouden zij hem toch niet spoedig aanvallen, daar hun geloof

hun leerde, dat zij, die in de kracht van het leven door een ongeluk

omkwamen of die in den krijg sneuvelden, hiernamaals een veel grootere

macht over de levenden bezaten dan zij, die door ouderdom of op het

ziekbed waren gestorven. Nu stond het bij hen vast, dat de Kompanie

een verbazend groot aantal van zulke geesten bezat, die in oorlogen

gesneuveld, nu onder de levenden de Kompanie en hare leden in geval

van een aanval zouden bijstaan.

Met dit beschermende fluïdum der geesten onzer voorouders om

mij heen, gevoelde ik me voor goed rustig en veilig tegenover de

inheemsche bevolking, die overigens ook niets kwaadaardigs had. Kwam

men Tobeloreesche mannen en vrouwen tegen, dan zouden zij steeds

voor den Europeaan uitwijken. De eersten waagden dan gaarne eens een

"Tabé Toewan!" en bleken aangenaam verrast wanneer men hun groet met

een "Tabé!" beantwoordde. De laatsten bleven dikwijls stilstaan en

wachten tot men voorbij was en sloegen daarbij schuchter en zedig de

oogen neer; zelfs gebeurde het dat zij op eenzame plekken op de vlucht

sloegen en in de hooge alang-alang verdwenen. Een kijkje te nemen

bij hun feesten scheen hen volstrekt niet te hinderen. Ongegeneerd

gingen ze dan met zingen en dansen en het uitstooten van kreten en

het maken van grimmassen voort, terwijl ze groote hoeveelheden sago

aten en sagoweer dronken, van welk vocht ze lodderig en halfdronken

werden. Vele mannen en vrouwen zagen er flink gebouwd uit, doch

ondanks het natuurleven van dit natuurvolk was het toch geen sterk

en krachtig ras. Vieze huidziekten, waaronder de framboesia tropica

vooral berucht was, kwamen hier veel voor en kinderen hadden somtijds

booze zweren over hun gansche lichaam verspreid.

Met hun dooden sprongen zij om zooals hun geloof het hun ingaf. In

kleine doodenhuisjes op palen of in half gevulde graven, waarboven een

dakje, werden de lijken vlak in de nabijheid hunner huizen neergelegd,

terwijl blauw gekleurde borden en schalen van aardewerk, waarop

eten, daarnaast werden geplaatst. Ook wapens en huisraad werd daar

in de nabijheid neergelegd ten gebruike der afgestorvenen; want de

macht hunner geesten bleef op aarde groot, en daaraan was hun vrees

evenredig. Zoo trachtten zij die geesten steeds gunstig gestemd te

houden, om het booze af te weren en het goede te ontvangen.

Na een week te zijn weggebleven, kwam ten slotte de prauw met een

volle lading van de mooiste noten aan den wal. De opzichter had voor

zijn lange uitblijven allerlei verontschuldigingen, van tegenwind,

en moeite hier, en moeite daar. Wat daar van waar was zou moeilijk

te controleeren zijn, doch de volle lading deed verder het hare om

den storm, die over zijn hoofd dreigde op te steken, te doen bedaren.

De eerste grobak (ossenkar) met noten hoog opgestapeld, reed door

de kampong en over den breeden weg door de alang-alang velden naar

het emplacement, waar zij spoedig, een voor een en in lange rijen,

op de kweekbedden werden uitgelegd. Nu kon de groei beginnen en bij

steeds grootere en meerdere ladingen, die weldra zouden volgen op

steeds breedere basis.

Wanneer nu de lang verwachte boot verscheen, zou met volle kracht het

werk kunnen worden aangepakt en daarmede de grond worden gelegd voor

een gezond begin. Doch wanneer kwam die boot! Reeds dagenlang was zij

over haar tijd, en de mogelijkheid dat haar een ongeluk was overkomen,

werd steeds grooter.

Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 5 / 12 段