Met de Duitsche boot vertrok Verster den volgenden dag naar Menado

op Celebes, om te trachten zijn plannen te volvoeren, terwijl de

boot die mij naar Tobelo terug zou brengen, elken dag verwacht

mocht worden. Buiten de vele bagage, die nog steeds te Ternate was

achtergebleven en die uit 18 kisten en 2 koffers bestond, gingen

er verscheiden colli meubelen mee, waaronder de inrichting van het

te bouwen huis van den administrateur, benevens een groote prauw,

die aan dek van de paketboot zou kunnen worden geheschen; verder 20

balen rijst, 25 kisten petroleum en 2 trekossen, terwijl 7 koelies na

veel zoeken te Ternate waren aangeworven, waarmee voorloopig verder

gewerkt zou kunnen worden.

Terwijl ik bij het tolkantoor (de boom zegt men in Indië) bezig was

alles in orde te brengen voor de verscheping van menschen, dieren en

goederen, werd ik door den civiel-gezaghebber van Tidore uitgenoodigd

den volgenden dag een bezoek aan zijn eiland te brengen. Daar alles

voor het vertrek in gereedheid was gebracht, doch de boot uitbleef,

was elk nieuw etmaal, dat zij niet binnenviel, een vrije dag, waarop

genoten kon worden van de weelde om zooveel mogelijk de omgeving te

leeren kennen.

't Was het mooist denkbare weer toen we den volgenden morgen reeds

vroeg met een motorboot Ternate verlieten en op Tidore aanstevenden. De

blauwgrijze zee was zoo glad als een spiegel, massa's kleine vliegende

visschen schoten voor de boot uit en ook andere visschen sprongen

spelenderwijs, of nagejaagd door hun doodsvijanden uit het water. Op

stukken drijfhout zaten zeemeeuwen, doch het meest verrassend

waren een groot aantal vlinders, die over dezen wijden plas van

't eene eiland naar het andere vlogen en die soms in staat bleken

de motorboot in haar vaart bij te houden. Na een goed half uur was

de kust van Tidore genaderd, waarlangs we nu een goed uur te stoomen

hadden om Soa-Sioe te bereiken, den zetel van het Gouvernement, toen

ingenomen door een controleur en een civiel-gezaghebber. Eens was

dit de residentie van het Sultanaat Tidore, welks sultan door ons

gouvernement werd afgezet. Aan zijn oude rechten op het westelijke

deel van Nieuw-Guinea hebben wij het bezit van het grootste deel van

dit grootste aller eilanden te danken.

Het gezicht op de kust, waarlangs we voeren, met haar witte strandlijn,

waarop prauwtjes schilderachtig lagen en waarop menschen stonden

die uit de huisjes kwamen, welke zoo gezellig onder den weelderigen

planten- en boomgroei verborgen lagen, met den zwaarbegroeiden berg

daarboven, waar hier en daar rook opsteeg van vuurtjes door inlanders

gestookt, gaf een vredigen indruk.

Een kleine steiger, die een eind in de zee uitstak, werd in de verte

zichtbaar en spoedig was Soa-Sioe bereikt.

Oud-Indië uit de dagen van de Compagnie kwam ons hier nog meer tegemoet

dan reeds te Ternate het geval was geweest, ja zelfs vond men hier in

den aanleg der plaats overblijfselen van de lang geleden Portugeesche

overheersching. Een breede vervallen weg van cement-plaveisel leidde

van den steiger het land en het plaatsje in. Telkens wanneer de rijzing

van den bodem, die landwaarts-in vrij aanzienlijk was, wat heel steil

werd, ging de weg in breede trappen over, zooals men dat in de landen

van Zuid-Europa vindt. Links en rechts kwamen op dien weg zijwegen uit,

waaraan de huisjes van Soa-Sioe achter witte vervallen muurtjes lagen.

Het eerste huis rechts aan den eersten zijweg was het huis van den

civiel-gezaghebber. Toen ik binnentrad kreeg ik een schrik, want hoewel

reeds aan veel primitieve woningen en inrichtingen gewend, die echter

door reinheid en eenvoud en harmonie met hun omgeving nog dikwijls

knus of gezellig waren geweest, kwam me zulk een armoede en verval

in dit steenen huisje tegemoet, dat ik den civiel-gezaghebber eens

aankeek. "Daar stoppen ze je nu maar in en je moogt nog blij wezen,

dat je zoo'n krot vindt," zei hij op verontwaardigden toon. "Is 't

een wonder dat mijn vrouw ziek van heimwee en ellende werd en naar

Ternate moest?"

Ik keek eens rond onder 't gedrukte voorgalerijtje met zijn blauw

gekalkte wanden en zijn kapotte keuken-vloertegels, ik ging eens in

de sinistere kamertjes, waar overal dat blauw en die tegeltjes als

in een armoedig huisje mij vervolgden. 't Donkere achterhuis deed

aan een vervallen boerendeel denken, 't achtererfje aan een totaal

verwaarloosd stadstuintje en een vuilnisbelt, de W. C. was een kist en

het badkamertje niets dan een wand van gedek. 't Was meer dan droevig

en armoedig, en de ellende, die zij hier moesten hebben geleden,

kwam me aan alle kanten tegemoet.

Waren de civiel-gezaghebber en zijn vrouw nu een meer ontwikkeld

paar menschen geweest, dan--het mag zonderling klinken--hadden zij

zich misschien nog beter kunnen voegen en eenige gezelligheid en

comfort weten aan te brengen. Maar menschen als deze, die een jaar

geleden nog in Amsterdam op vier hoog woonden; die van Indië niet

veel meer hadden geweten, dan dat het er heel warm moest wezen,

zulke menschen hadden veel te hooge illusies van dit land en van het

civiel-gezaghebberschap gehad; terwijl zij buitendien geen weerstand

in zichzelven hadden om zich over teleurstellingen heen te zetten en

geen tact om het zich gezellig te maken.

Zulke ambtenaren op kleine tractementen te benoemen en zoo te

installeeren is een politiek, die haar schaduwkanten moet laten zien.

We gingen verder het plaatsje in en kwamen in de breede hoofdstraat

met de trappen den controleur tegen in gezelschap van een prins van

Tidore en eenige Arabische grootheden. De prins was eenvoudig maar

onberispelijk gekleed, zijn gezicht was fijnbesneden en zijn houding

was sympathiek. Zijn glimlach was vriendelijk en zijn handdruk zacht,

toen ik aan hem werd voorgesteld. Men zag het den intelligenten

Oosterling aan, dat hij zich bewust was zijn afkomst slechts door

een waardig gedrag te kunnen toonen. Dubbel griefde het mij derhalve

hem, door den civiel-gezaghebber van vier hoog, als mindere te zien

behandeld. Met z'n allen wandelden we nu op naar den Kraton of Kedaton,

het vroegere paleis van den sultan, dat behoorlijk door zware muren

versterkt, op een hoogte lag. Dit paleis, dat erg vervallen was en meer

op een deftig landhuis dan op een paleis geleek, was nu gedegradeerd

tot inlandsche school. Toen we de hooge trappen waren opgeklommen en

de voorgalerij waren doorgegaan, zagen we daar in de binnengalerij

de geheele school van bruine kindertjes bijeenzitten onder leiding

van een inlandschen onderwijzer.

Het uitzicht van het hooggelegen bordes beheerschte den ganschen

omtrek. Men overzag Soa-Sioe, voorts de breede straat tusschen Tidore

en Halmaheira en een deel van het eiland Tidore zelve. Een frissche

zeewind streek hier even door de voorgalerij, wat een genot was bij

de haast ondragelijke hitte. Ik heb me toen afgevraagd, waarom men

in Indië de huizen steeds zoo onder en tusschen boomen verstopt, dat

er van een uitzicht en van een afkoelenden wind bijna geen sprake kan

zijn? Het kan toch niet alleen het voordeel van het schaduwgeven der

boomen zijn, waartegenover weer zulke groote nadeelen van vochtigheid,

insectenplaag en gebrek aan afkoeling en uitwaseming des nachts en des

daags staan. Of zou het zijn, dat ook hier de sleur boven het nadenken

gaat en men moeilijk met een oude gewoonte kan breken? De vroegere

Vorst van Tidore had echter anders geweten en wel anders gedaan ook.

Bij den controleur, die het eenige voor Europeanen bewoonbare huis

bezat, kregen we een frisschen morgendronk, waarop we naar Ternate

terugkeerden. De civiel-gezaghebber scheen, na zulk een bezoekje

aan zijn chef, zijn taak weer voor eenige dagen volbracht te hebben,

althans onder de galerij van het hotel te Ternate kon men hem dag in

dag uit met zijn vrouw en kinderen zien zitten, zonder dat hij ooit

iets uitvoerde.

Nog zou ik een anderen vorst leeren kennen, een regeerend sultan,

althans nog in naam. Met een kennis had ik door bemiddeling van den

Gewestelijken Secretaris belet laten vragen bij den Sultan van Ternate,

daar ik nieuwsgierig was zoo'n Oostersch potentaatje eens te ontmoeten,

terwijl daarmede tevens voldaan werd aan den beleefdheidsvorm, nu ik

van plan was mij op zijn grondgebied te vestigen. Het uitblijven van

de boot gaf hiertoe nog de gelegenheid en zoo verscheen dien middag,

nadat ik van Tidore was teruggekeerd, buigend een afgezant van den

Sultan voor het huis van mijn gastheer. Hij was gekleed in een lang

wit gewaad, waarover een lange zwarten kaftan hing, terwijl een soort

tulband zijn hoofd dekte. In hoffelijke woorden deelde hij mede,

dat we den volgenden morgen om tien uur met veel vreugde door zijn

Heer ontvangen zouden worden.

Om tien uur reden we den volgenden dag het fort voorbij, de Arabische

kampong door, waar de groote moskee of missigit stond, naar den

Kedaton, het verblijf van den Vorst. 't Was een vorstelijk verblijf

van den zelfden graad als ik op Tidore had gezien, slecht onderhouden

en niet meer dan een flink landhuis.

Op het hooge bordes van de voorgalerij stond, toen we door de witte

poort reden, die toegang gaf tot zijn erf, de Sultan met den mooien

langen naam van As-soltan Tadjal-mahcoel bi' inajat Allah al Nannan

Siradjal-Melk Amirad-din Iskan dar Mouauwwar ac-Cadiq Mohamad Hadji

Oesman Wahowa min-adilin Sjah. Op de hooge trap zagen we een bediende

met den pajong verschijnen, waarna ook de Sultan op de hoogste trede

verscheen, toen we die trap opgingen. Daar heette ons de kleine bruine

man met zijn korte witte snor en witte baardje op het hartelijkst

welkom en verzocht ons binnen te treden.

In de groote binnengalerij, welke ook hier met geglazuurde

keukenvloertegels was belegd, waarvan de wanden wit waren en met

eenige groote gravures behangen, namen we om een groote ronde tafel

plaats in armstoelen met Weener rieten zitting en dito rugleuning,

waarvan er een vijftigtal langs de muren van de gansche binnengalerij

stonden. De hormat, de eerbewijzen aan den gast bewezen, kon beginnen.

Terwijl de Sultan zich uitputte in beleefdheidsbetuigingen,

waarmee wij ook lang niet zuinig waren, brachten twee bedienden in

Chineesch-porseleinen kopjes de koffie binnen, terwijl twee anderen

met gebak en confituren verschenen, dat op kleine zilveren schaaltjes

werd gepresenteerd. De Vorst zei bij het optillen van zijn kopje

eenige vriendelijkheden, die met een Slamat eindigden, wat we op

gelijke wijze beantwoordden.

Hij zag er in zijn witte broek, zijn mauvekleurig vest met gouden

knoopen, waarop de W met een kroontje, zijn zwarte jasje en witte

overhemd, waarin een drietal groote knoopen waren, die elk een

negental steenen bevatten, vrij dragelijk uit. Doch over zijn heele

wezen en zijn kleeding lag het versletene, het vervallene van een

verongelukt geslacht.

Nadat we zoo een tijdlang hadden gezeten, verzocht hij ons eens met

hem rond te wandelen.

Tot nu toe was er iets vorstelijks geweest in de ontvangst door de

Oostersche aangeboren hoffelijkheid, die den Sultan niet verlaten

zou tot het laatste oogenblik; maar in hetgeen hij ons nu van zijn

bezittingen liet zien was zoo weinig vorstelijks, zelfs weinig

burgerlijks, neen eigenlijk iets armoedigs, dat het heel moeilijk

werd de vereischte complimenten te maken. Doch we hielden ons taai

en bewonderden zooveel we konden.

We waren een donkere achterbinnengalerij doorgegaan, die er uitzag als

een boerenstal en stonden nu in een achtergalerij met een pendoppo,

waaromheen gewone bamboe kamponghuisjes waren opgetrokken.

Begeleid door een bediende die den pajong boven het hoofd van den

Toewan Sultan hield, wiens kruin bedekt was met een zwaren groenen

doek, die, als een worst stijf in elkaar gedraaid, zoo op zijn kalen

knikker was gelegd, begaven we ons naar buiten. Zijne Hoogheid wilde

ons iets van veel belang laten zien, iets wat hij, volgens zijn zeggen,

nog nooit aan een Europeaan had laten zien. Het zou de badplaats zijn

van de dames van zijn huis.

We gingen over het voetpaadje van een kleine weide en daalden toen een

hoogte af, waarop we aan een heel kleinen vijver kwamen, waar aan eene

zijde platte steenen aan den oever lagen. Dit heette de badplaats te

zijn van de dames van dit hof, waarvan op dat oogenblik geen gebruik

werd gemaakt.

In zijn huis teruggekomen liet hij ons, op onze vraag naar

zijn kostbaarheden, zijn schatten zien. Zij werden in de groote

binnengalerij door zijn zoons en hovelingen binnengebracht en

uitgestald. Op lange tafels lag daar al heel spoedig een groote massa

zilveren voorwerpen, als helmen, tamboermajoorstokken, soepterrines,

koffiekannen, heele serviezen, vingerkommen enz.; daarbij geweren in

foudralen met goud gemonteerd en met het Nederlandsche wapen, een krom

Turksch zwaard met gevest en scheede van goud, een klok, horloges enz.

Volgens den Sultan was bijna alles "present van het Gouvernement" en

naar ik vermoed, ook nog heel veel uit de dagen van de Compagnie. Maar

alles wat daar lag, was zoo beduimeld en vuil, dat het zilver op

oud zink geleek en het goud geen goudglans meer vertoonde. Trouwens

dat heele huis, al die menschen, die heele omgeving was beduimeld en

ontbonden geworden door Oostersche indolentie.

En toch trekt deze man nog jaarlijks een bedrag van f 45.000.- uit

de Landschapskas, waarop hij en zijn luie omgeving, uit ruim honderd

menschen bestaande, voortvegeteert [1].

Toen wij eindelijk afscheid namen en verzochten ons respect over te

brengen aan de Toewan Poetri (zijn wettige vrouw), verzocht hij ook

zijn respect aan mijn vrouw in Holland, waarbij hij mij zeer op het

hart drukte, toch vooral daarbij te vermelden hoe ik het bij hem

had gevonden.

Hij stelde zijn rijtuig tot onze beschikking, en na nog veel

vriendelijke woorden en plichtplegingen, waarbij de Sultan ons tot

het rijtuig uitgeleide deed, waren we ten slotte blijde een einde

aan de reeks van hoffelijkheden te kunnen maken.

Zeven dagen over haar tijd kwam na geduldig wachten eindelijk de boot

binnen. Dit te laat komen der booten, dat de laatste jaren steeds was

toegenomen, lag in hoofdzaak aan de beperkte havenruimte te Makassar,

waar de schepen, om te kunnen laden en lossen, soms dagenlang moesten

wachten. Doch ook het groot aantal passagiers en de massa's goederen,

die met deze lijn naar het steeds meer ontwakende Nieuw Guinea worden

vervoerd, was daaraan schuld.

Nieuw Guinea, waarvan we door vroegere rechten van het Sultanaat Tidore

het westelijk gedeelte bezaten, was, sedert Duitschers en Engelschen

van het oostelijk gedeelte bezit hadden genomen, in concurrentie met

deze mogendheden het troetelkind van de Hooge Regeering geworden,

waardoor er verschillende belangrijke militaire posten waren

gevestigd. Buitendien bloeide er in die dagen de paradijsvogeljacht,

die er veel gereed geld in omloop bracht. Zoodoende trokken vele kleine

Chineesche en Arabische handelaren, van heele families vergezeld naar

dit land, om te trachten daar met de primitieve bevolking voordeelige

zaken te doen. Zulk een boot, die naar de Papoea [2] ging, wemelde

dan ook, op het derde en vierde klasse dek, van mannen, vrouwen en

kinderen, kisten, koffers en huisraad, waartusschen allerlei gedierte,

als koeien en geiten, maar vooral kippen en nog eens kippen. Op de

beide dekken, van den boeg tot aan de campagne, welke laatste voor de

eerste klasse was gereserveerd, was dikwijls geen plaatsje onbezet;

daar aten en dronken en sliepen die menschen, want voor de derde en

vierde klasse passagiers waren noch kajuiten, noch hutten aan boord,

ze werden in dit klimaat eenvoudig aan dek meegenomen, waar ze tegen

zon en regen beveiligd overigens geen beschutting behoefden.

Het embarkeeren met de talrijke bagage op die volgepropte boot eischte

veel zorgen en tijd, en in 't bijzonder was de onhandige prauw, die

ten slotte in stroppen aan dek werd geheschen, een voorwerp van veel

moeite en last. De beide trekossen, die door het smijten met kisten

en balen, het ratelen van kettingen en het lawaai van menschen wild

geworden waren, weigerden hardnekkig over de loopplank naar binnen

te stappen. Ook hieraan werd tenslotte door den takel, die de beesten

aan boord heesch, een einde gemaakt.

Ruim 24 uur na haar aankomst vertrok in den nacht de "Camphuysen". De

lichtjes van Ternate verdwenen, de menschen en de plichten van het

leven daar waren vaarwel gezegd en in den verfrisschenden nachtelijken

zeebries, alleen op de campagne staande, keek ik naar den stillen

sterrenhemel en genoot van het alleenzijn na 't gejacht van een

roezigen dag en de herrie van afscheid nemen.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, lagen we stil en zag ik door

de patrijspoort het strand en de huisjes van Wayaboela op Morotai,

waar slechts eens in de twee maanden een boot aanlegt.

We zouden hier den ganschen dag blijven liggen, om te laden en

te lossen, om daarna in den avond naar Galela, een plaatsje aan

de Oostkust van Halmaheira, te gaan, waarna vervolgens Tobelo zou

worden aangedaan.

Met een Chineeschen handelaar van Ternate was ik de eenige passagier

1ste klasse, en deze man, bescheiden als die menschen zijn, kwam geen

praatjes maken of mij op andere wijze hinderen. Het land kon me ook

niet aanlokken; nog versch lagen me in het geheugen de nachten en

de dag die ik hier had doorgebracht, en terwijl ik daar die schamele

hutjes zag liggen onder de palmen aan het strand, waaronder ook het

posthuis, en terugdacht aan die avonden en mijn gezelschap en de

grammophoon en de tingel-tangelliedjes, dankte ik den hemel, niet

gedoemd te zijn daar weer op die wijze te verblijven.

Op de campagne gezeten, met een stapel mail-edities van de

N. Rott. Crt., kwam er een genoegelijke Zondagmorgenstemming over me;

een stemming waarin men gevoelt, dat men eens rusten mag en zich geheel

mag overgeven aan 't genot onzer aangeboren menschelijke inertie.

De kost, dien de courant gaf, was in mijn gemakzucht nu juist wat

ik verlangde. Van allerlei en van den hak op den tak, berichten uit

Holland, correspondenties uit de hoofdsteden van Europa, boek-,

muziek- en schilderijencritieken, alles dwarrelde weldra in mijn

hoofd dooreen. 't Eene interesseerde me erg, 't andere nauwelijks;

er werd van alles even aangeroerd, totdat ik las van menschen die

ik kende. Uit vergeten hoekjes kwamen me dingen van vroeger voor den

geest en peinzend keek ik over het blad, over de verschansing en zag

dan de kronen der palmen in den zachten zeebries wuiven. Ik dacht

weer aan Holland, aan Europa, aan alle cultuurgenietingen, aan het

superieur menschelijke dat men daar vindt en dat men in Indië op elk

gebied moet missen.

Het totaal gemis daarvan geeft aan bijna allen, die hier langen

tijd verblijven, dien nuchteren, platten, zinnelijken kijk op de

dingen, die den Indischman spoedig eigen wordt. Men wordt in Indië

materialist. Als practicus kan men zich in Indië verdienstelijk maken,

als man van de daad vindt men er een uitgestrekt arbeidsveld. Macht en

geld zijn er in aanzien; het wordt er meer geteld en zwaarder gewogen

dan in Europa, waar ook ontwikkeling en gezindheid nog meedoen. Men

kent in zulk een jonge maatschappij van realisten, waar allen zich

met alle zintuigen op de practijk richten, de hoogere waarden nog

niet of wil ze niet kennen--die geestelijk vereenigend en troostend

staan boven den dagelijkschen strijd met de werkelijkheid.

Slechts in Europa, dat genieën voortbracht, is iets van dat superieure

door alle lagen van de maatschappij gedruppeld; tot in alle lagen

is iets van dat hoogere doorgedrongen en dringt er in door en heeft

ongemerkt mildere en betere waardebepalingen gegeven. Het streven

naar geld en macht gaat in Indië onbeschaamder, de bezitters er

van gevoelen zich meer, wijl ze geen hinderpalen ontmoeten en zich

absoluut den meester weten. Er is om zoo te zeggen geen middenstof,

die matigt. Er zijn in kunst en wetenschap geen intelligenties,

die zich meer en hooger voelen dan de rijkaards en de machthebbers;

er zijn geen onafhankelijke sceptici die hen glimlachend in de oogen

durven kijken, er zijn geen philosophen, die hen koelweg passeeren.

In het Indische landschap ontbreken tusschentinten en overgangen, die

het fijn en nobel en gecompliceerd maken, zoo ontbreken in de Indische

maatschappij die overgangen ook, waardoor zij grof en plat en primitief

is. Komt in die maatschappij nu nog het kleurlingenbloed een hartig

woordje meespreken, dan mogen de vormen en de vormelijkheid blijven

bestaan, waaraan deze menschen met een zonderling point-d'honneur

vaak overdreven hechten, maar aan alle gemoedelijkheid, stemmigheid

en mildheid is voor goed een eind gekomen.

Natuurlijk zijn er in Indië velen, die met den geest der massa

worstelen, maar zij verliezen nog en zijn de eenzamen, die hongeren

naar 't geen hun het dierbaarst is.

Het gaat den Hollander, wat Indië betreft, in dit opzicht niet als

met de vreemde landen van het westersche Europa, waarheen hij,

door natuur en cultuur van den eersten dag dat hij er een voet

zette getroffen, gaarne wederkeert in steeds stijgende verrukking en

bewondering en ruimere ontplooiing zijner geestelijke krachten. "In

Indië gaat men achteruit," is in het land zelf een algemeen gezegde,

dat men telkens hoort en ik voelde het aan alles bewaarheid. Noch

de natuur, noch de samenleving schenkt ons het noodige geestelijke

voedsel tot verrijking van onzen geest. Alleen de man van de daad

vindt er expansie en bevrediging voor zijn streven. Slechts om den

waarlijk grootschen en ruimen werkkring, dien de man zich hier op

jeugdigen leeftijd reeds kan scheppen, om die vrije ontplooiing van

mannelijke krachten, om die behoefte aan den wijden practischen blik,

die hier onontgonnen arbeidsvelden vindt op allerlei gebied, zou ik

Indië voor den flinken Hollander willen prijzen en hoogelijk willen

prijzen; doch slechts voor hem, en ook daarom alleen.

Morgen wachtte me weer de daad, morgen zou ik de wouden weer ingaan

en zou ik weer kampen voor het voortbestaan eener cultuuronderneming

in haar prilste jeugd. Ik wist, dat hetgeen we deden in verhouding tot

andere daden in Indië volbracht gering was, doch ik was overtuigd dat

hetgeen we deden voor de toekomst dezer verre streken van de grootste

beteekenis zou kunnen zijn. Het was den eersten steen leggen van een

cultuuronderneming in dit deel van den Archipel, het was het voorbeeld

geven van een kunnen en slagen van het Hollandsch kapitaal op den

vruchtbaren, tot nu toe bijna ongerepten bodem van Halmaheira. Het was

de uitvoering dezer daad, die me hier boeide, die mijn belangstelling

had en waarom ik vrede had met mijn tijdelijk verblijf alhier.

Toen we den volgenden morgen reeds vroeg voor Galela lagen,

verscheen na eenigen tijd een reeds oudachtig heer aan boord. Hij

had de eigenaardig slappe wangen en het vaalgele teint, waaraan men

de weinige oude Hollanders, die men in Indië ziet, herkent. Hij liep

gesteund door een stok, daar een zijner beenen krom en krachteloos

bleek als gevolg eener vroeger opgedane blessuur. Zijn zonnehoed was

van een vreemd model en toonde sporen van een jarenlang gebruik, zijn

mond was bezig tandeloos te worden, maar achter zijn brilleglazen

fonkelden nog een paar zachte, vriendelijke oogen, die eenigszins

verbijsterd in het rond keken, toen hij van de hooge scheepstrap,

die langszij hing, op het dek verscheen. Het was de oudste zendeling

dezer streken, een geleerde, een taalkenner. Men herkende terstond in

hem een goed, eenvoudig mensch, een liefdevol gemoed, een die ondanks

zijn eenzaam leven zijn blijmoedigheid niet had ingeboet. Zoodra

hij mij zag trad hij, hoewel wij elkaar nog niet kenden, op mij toe,

daar hij wel vermoedde wie ik was. Een luidruchtig gesprek begon en

menige schaterlach weerklonk weldra over het dek, waartoe de oude heer

met zijn vroolijke belangstelling telkens aanleiding gaf. Daar ook

Galela slecht eens in de twee maanden door de boot werd aangedaan en

hij ver van elke nederzetting van blanken woonde, had hij in weken

geen Europeaan gesproken. In Duma, een uur landwaarts in aan het

meer van Galela, waar het water meehelpt het landschap te flatteeren,

woonde hij met zijn vrouw en kind, met zijn goeroe's en zijn kleine

christengemeente in een prachtige omgeving, niet geplaagd door het

geroezemoes van een drukke moderne samenleving, in het gelijkmatige

tempo van de steeds weerkeerende plichten van zijn zendelingenhuis

en in het kalme geluk der vreugden van een taalgeleerde.

Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 4 / 12 段