Het kostte den onpartijdigen toeschouwer, die uit den aard der zaak

met beide families veel verkeerde en die met geen van beiden in onmin

wenschte te leven, heel wat zelfbeheersching om tusschen dien strijd

van inzichten, belangen en beuzelingen door te zeilen.

Waar de voorwaarden voor een wrijving tusschen twee uiteenloopende en

zoo dicht bijeen wonende families, in die mate aanwezig waren als hier,

daar had het uitbreken van den strijd slechts op de onbeduidendste

aanleiding gewacht. Het uitblijven van een tegenbezoek, dat de dames

van den civiel-gezaghebber van de vrouw van den zendeling verwachtten,

was indertijd voldoende geweest om een klove te doen ontstaan, die

nu niet meer te overbruggen was.

Hoe dan ook, de conversatie te Tobelo had er dikwijls een minder

aangenaam karakter door gekregen, en zoo was ik dubbel verheugd voor

korten tijd de menschen en hun eindeloos gekibbel vaarwel te kunnen

zeggen en mij ongestoord aan de natuur te kunnen overgeven. Een

lang ontbeerde rust kwam over me, toen ik daar op de brug, naast de

twee rustige inlanders, langzaam voorbij den oever gleed, waar de

huisjes van Tobelo onder het zware groen nauwelijks te ontdekken

waren. Verder varende, zwierf mijn blik over de eindelooze zee,

langs de dichtbegroeide kust en over het onherbergzame, bergachtige

binnenland van Halmaheira.

Morotai had met zijn bergen schemerachtig in de verte gelegen, doch

werd steeds duidelijker, nu we de zeeëngte naderden en de geheel open

zee voor den boeg lag, die met een geweldige branding op de sombere

noordpunt van Halmaheira beukte. De kust werd hier kaler en was

steil en zonder strand. De boomen, die er stonden, waren verwaaid met

afgeknotte kruinen, en beroofd van takken door de felle noordenwinden,

die zoo dikwijls op deze kust stonden.

Het is een bekend feit, dat de kracht der winden en hun richting

in den geheelen Archipel zeer onderhevig zijn aan den invloed van de

verdeeling van land en water. In de zeegaten kan het hard tochten en op

de binnenzeeën kan een volle bries staan, terwijl aan land nauwelijks

wind te bespeuren valt. Zoo ook hier. De Nora, eerst zoo kalm, begon nu

in het ruime sop op en neer te dansen dat het een aard had. Bij zulk

een bries kan men op de Indische wateren toch nacht en dag, desnoods

alleen in pyjama gekleed, aan dek blijven zitten zonder een oogenblik

bevreesd te zijn voor te groote afkoeling. De kostelijke verfrissching,

die men dan in de gelegenheid is op te doen, staalt opnieuw de door

de hitte slap geworden zenuwen en spieren, en door de dunne kleeren

neemt het geheele lichaam aan het opwekkende luchtbad deel.

Het was reeds tegen den avond toen we de beschuttende baai van een der

Loloda-eilanden invoeren en in doodstil water voor anker gingen liggen,

om bij het krieken van den dag de reis voort te kunnen zetten. Toen het

donker werd schitterden lichtjes tusschen de boomen op het strand. Zij

kwamen van een kampement van houthakkers, Sangireezen en Talauters,

die hier met hun korte zware bijlen de dikke harde ebbenhoutboomen

omhakten en kloofden, en gereedmaakten ter verzending naar Europa.

De nachtzang van insecten, die uit de wouden rondom de baai tot ons

doordrong, zong me in slaap en duurde den ganschen nacht door, ja was

nog niet geheel verstomd, toen ik, op mijn kooi in het geriefelijke

dek-kajuitje, reeds werd gewekt door het lawaai der voorbereidende

maatregelen voor ons vertrek.

Reeds, toen het nog volop nacht was, was ik weer aan dek. Nog lagen de

oevers van het eiland in het pikdonker en glom de zee en schitterden

de sterren en straalden de lichten aan boord hun bundels de duisternis

in, doch elk oogenblik kon de dag worden verwacht. 't Vooruitzicht

het zonlicht te zien rijzen op dezen morgen van alleenzijn, zonder

't praten en 't willen van menschen om mij heen, deed me in stijgende

blijdschap de dingen die komen zouden afwachten en meeleven.

Een nauw verbleeken van den donkeren wand aan de oosterkim--en de

ankerkettingen ratelden reeds en de schroef sloeg het stille water

bruisend onder de achterplecht weg. Het schip kwam in beweging,

draaide zijn kop naar den uitgang der baai, den kant naar de zee op.

Daar zag ik het krieken van den morgenstond uit Vondel's Palamedes

voor me; de sterren vluchtten en de Titaan rees.

Het dun gezaeit gestarnt verschiet

Zijn' glans, en gloeit zoo vierigh niet.

De schaduwe is aen 't overleenen.

De morgenstar drijft voor zich heenen

De benden van het hemelsch heir.

De voerman van den grooten Beir,

Op dat hij zijne beurt verwissel',

Vlught heen met omghekeerden dissel.

De gouden Titan rijst alree

Met blaeuwe paerden uit der zee.

Helios, de zonnegod, rees, vierigher dan Vondel hem ooit had mogen

zien rijzen en sneller ook. De kleuren en kleurschakeeringen, van

violet tot goud-geel, in het wazige van de onderlucht en aan de

randen van wolken en wolkjes, wisselden onophoudelijk tot dat één

licht alles overstraalde. Toen losten de nevels, die over het land

en hier en daar over de zee hingen, zich op en rafelden uiteen,

en spoedig schitterde en tintelde en blonk alles zoo van licht,

dat men beschutting moest zoeken tegen den al te fellen gloed.

Aan de steile, hier bijna onbewoonde kust van Halmaheira, die we

steeds aan bakboord hielden, terwijl wij nu naar het Zuiden koersten,

was een zendingspost gevestigd. Na lang zoeken werd het dak van

het eenzame huis gevonden, dat aan een kleine baai gelegen, soms

maandenlang geheel van de buitenwereld was afgesloten. De branding

door de aanhoudende noordenwinden veroorzaakt, stond dan zoo hevig

op de kust, dat geen prauw het waagde haar te naderen, terwijl van de

landzijde de communicatie met het binnenland zoo goed als onmogelijk

was. Voor een zendingspost leek deze plek, die men Doroemé had gedoopt,

wel zeer slecht uitgekozen, doch de zendeling zelf scheen er anders

over te denken.

Na de koffie en het ontbijt zocht ik mijn plaats weer op naast den

kalmen kapitein op de brug. Hij wees me op een groote zeekaart eenige

interessante punten en moeilijke passages, doch van een geregeld

gesprek kon niet veel komen, daar ik het Maleisch, het Volapuk van

den Archipel, nog niet voldoende machtig was.

Goed beveiligd tegen de stralen der zon, nam ik mijn boek en was

spoedig verdiept in Haagsche toestanden en las van menschen, die aan

nevrose leden, die met hun vezel-fijne zenuwen voorbeschikt waren

aan levenssmart en levensweemoed te gronde te gaan. Opziende zag

ik dan de woeste kust van het eiland en voelde me als vaneengereten

door de uitersten die op mij afkwamen, en ik vroeg mij af, of ik wel

goed deed onder deze omstandigheden boeken onzer overbeschaving te

lezen, waarbij ik Holland weer zoo duidelijk voor me zag, en waarbij

verlangens wakker werden, die den geest te zwak maakten tegenover de

woeste natuur en de menschen, die mij omringden.

Zag ik het fijne, wisselende mooi van 't Hollandsche landschap in

gedachten voor me en dan opziende deze omgeving, dan ging er een

siddering van verlangen door mij heen, en weemoed en heimwee overvielen

me. Dacht ik aan den strijd met menschen, die mij in mijn kwetsbare

positie te wachten stond en dien ik voelde komen, dan had ik wel de

neiging om, zoo niet het brute naar buiten te keeren, dan toch in elk

geval het fijnere gevoelsleven niet te zeer te laten spreken. Doch

een neiging tot humor overstemde die vrees, en met een glimlach,

die onwilkeurig opkwam, herstelde ik mijn zelfvertrouwen en durf,

om met die grootere gevoeligheid, te zamen met den breederen kijk,

menschen en dingen onbevreesd tegemoet te gaan.

"Die Menschen fürchtet nur, wer sie nicht kennt". Welaan, kende

ik ze niet en zag ik ze niet aan hun ondeugden en hartstochten,

als harlekijnen aan de touwtjes dansen, gevaarloos zoolang men ze

herkende? Bemerkte ik hun zwakte en hun zwakheden niet?

Tegen den middag naderden wij de vulkanen, die we reeds eenigen tijd in

de verte hadden gezien en passeerden de zuidelijke Loloda-eilanden. Op

een dezer eilanden, met den tongbrekenden naam Kahatollolamo, was,

terwijl we passeerden, een klapperaanplanting te zien, die er weinig

florissant uitzag. De stammen der boomen waren schraal, de kronen dun

en de vruchten ontbraken totaal. De oorzaak was niet ver te zoeken. Op

een rotsachtigen ondergrond, waarop zich slechts een dunne aardlaag

had gevormd, waren deze boomen geplant, de wortels hadden daardoor

geen vat en konden niet voldoende voedsel vinden. Toch was men nog

met ontginnen bezig en waren er op verscheidene plaatsen nog jonge

boompjes te zien. Armoedige inlanders, voor ellendige hutjes staande,

keken de Nora na. Een zeldzaam schouwspel voor hen, daar het vaarwater

hier tusschen de eilanden nooit door groote booten werd bezocht.

Van hier tot bij den vulkaan van Ternate, die in de verte reeds was te

zien, bestond het land uit een opeenvolging van uitgedoofde vulkanen,

waartusschen soms kleine vlakten lagen, die met klapperboomen waren

begroeid.

Om vier uur liet de Nora op de reede van Ternate haar stoomfluit

hooren, waarvan het geluid door de wanden van den vulkaan werd

weerkaatst en aan het gansche plaatsje verkondigde, dat zij van haar

reis was weergekeerd. Ieder wist ook aanstonds, dat het de Nora was

en geen ander schip, want wie hier een korten tijd had gewoond,

had geleerd de verschillende tonen der fluiten van de geregeld

binnenvallende stoomschepen van elkander te onderscheiden.

Mijn plan was weer mijn intrek in het hotel te nemen, waar een

eerwaardige dame, in de wandeling Tante Carolien genoemd, haar

scepter zwaaide en haar gasten tegen goede betaling op een vuile

inrichting en slecht eten onthaalde. Van klachten nam zij niet de

minste notitie, overtuigd als zij was, dat zij uitstekend voor haar

gasten zorgde. Klaagde men herhaaldelijk over vuilheid, onzindelijkheid

enz. dan werd men verzocht het hotel te verlaten en elders een goed

heenkomen te zoeken. Daar het in deze dagen het eenige hotel te Ternate

was, was men wel genoodzaakt alles maar voor lief te nemen. Een der

heeren gasten, die er langen tijd verblijf had moeten houden, had,

om zich te beschermen tegen de aanraking van het altijd vieze voorwerp

in de eenige W.C., die in een onbeschrijfelijken toestand verkeerde,

een grooten houten bril laten maken, die door zijn jongen voor het

dagelijksch bezoek van mijnheer werd vooruitgedragen. Na afloop zag men

den jongen weer, met den bril onder den arm, naar de kamer van mijnheer

stappen, waar deze uitvinding zorgvuldig werd opgeborgen. Steeds nam

een der nieuwe heeren gasten dezen bril dankbaar als geschenk over,

en misschien zal hij er nog zijn nuttig werk verrichten.

Met het prettige vooruitzicht voor tenminste een veertiental dagen de

gast van Tante Carolien te moeten wezen, reed ik in een der horribele

sadotjes langs den strandweg naar het hotel, toen ik een mij bekend

Hollander in de voorgalerij van zijn huis zag staan, die mij in het

voorbijgaan toeriep: "Kom hier logeeren!"

Het aanbod van den jonggezel-zakenman was, in het vooruitzicht van

slechte kost en onzindelijkheid, te verlokkend om het af te slaan,

en zoo liet ik mijn bagage hier brengen en zat spoedig met mijn

gastheer en nog een Hollander, die tijdelijk bij hem inwoonde, onder

de voorgalerij op gemakkelijke rieten stoelen rondom een dito tafeltje

met marmeren blad.

Daarmee was ik aan het Indische jongeluis-leven van de

Buitenbezittingen overgeleverd, dat zich toentertijd in Ternate voor

een groot deel onder die voorgalerij rondom dat tafeltje met het

marmeren blad concentreerde, waarop de sherry met de pait (jenever)

en de whisky-soda, het praten met de kaarten en met de boeken van de

leestrommel afwisselde.

Onze gastheer, die reeds 16 jaren aaneen in Indië verblijf hield,

was wat men noemt verindischt, en voelde zich daarbij bon-vivant

grand-seigneur, en leefde als zoodanig. Zijn levensopvattingen waren

zoo breed geworden, dat alle beperking hem vreemd en hinderlijk

was. Hij leefde naar zijn lusten en geheel zooals het hem inviel. Het

kon zijn, dat hij 's avonds om half tien reeds naar bed ging, doch

het kon ook gebeuren, dat hij tot het opgaan der zon onder zijn

voorgalerij zat. Het middageten, dat om 1 uur heette te beginnen

werd soms, wanneer mijnheer gezellig zijn paitjes dronk en van alles

en nog wat te vertellen had, tot 4 uur uitgesteld. Den eenen dag at

hij bergen rijsttafel, wat hij met veel bier naar binnen spoelde, of

legde over een sneedje brood een halve worst, of wierp er een halven

pot jam over uit, en den volgenden dag at hij bijna niets en walgde

van alles wat eten en drinken was. 't Kon zijn dat hij een of twee,

soms drie dagen niets dronk, maar daarna kon die matigheid tot de meest

toomelooze onmatigheid overslaan, waarbij in gezelschap van bezoekers,

kapiteins en passagiers van binnenvallende stoombooten, karaffen

jenever, flesschen sherry en whisky het moesten ontgelden. Goedmoedig,

en royaal voor zichzelf en anderen, bleef hij dit ook wanneer hij

veel gedronken had.

Daar Ternate, toen nog zonder telegraaf, tusschen de komst der

verschillende booten soms dagenlang van alle berichten van de

buitenwereld verstoken was, had hij, daar hij zakenman was, soms ook

dagenlang niets te doen, of maakte hij het in elk geval zich dan niet

druk. In een paar uurtjes, van 9 tot 12 des morgens, was zijn werk

afgeloopen; de overige uren konden besteed worden aan praten, lezen,

eten, en aan drinken en kaartspelen.

Nu was ik wel het slechte eten en de onzindelijkheid bij Tante

Carolien ontloopen, maar daarvoor werd nu voor een groot gedeelte

beslag op mijn vrijheid gelegd. Des morgens, na het opstaan, in

de binnengalerij aan de schrijftafel van mijn gastheer gezeten om

hoog noodige correspondentie af te doen, duurde het vaak niet lang

of hij en zijn huisgenoot kwamen in bont gekleurde pyjama's uit hun

slaapkamers te voorschijn en drentelden begeerig naar conversatie,

al praatjes makend tot het ontbijt onder 't genot van de morgenkoffie

in de binnengalerij op en neer.

Om twaalf uur thuis komend, was mijn gastheer geen man om zijn

gasten aan het werk te zien, hij vond dit belachelijk, terwijl het

niet strookte met zijn breede opvattingen en met zijn behoefte aan

gezelschap.

In mijn werk gehinderd, in een dagelijksche sfeer van gezellige

vervelendheid en van herhaalde braspartijen, zou het me niet

onaangenaam zijn geweest mijn tijd hier te hebben kunnen bekorten

en naar Tobelo terug te keeren. Doch tijdbesparen en zaken afdoen

was iets, waarvan men in dezen uithoek, ook onder heele en halve

Europeanen, nog niet veel weten wilde. Het leven te Ternate was

overigens in dien tijd niet ongezellig. De soos werd wel, wegens

veeten uit vroegere jaren, door ambtenaren en officieren geboycot,

doch daar stond tegenover dat men de gezelligheid elders zocht. In den

namiddag was er steeds een samenkomst op het tennisveld in het oude

groote fort, waar men de families kon ontmoeten, die door vriendelijke

uitnoodigingen nogal eens afwisseling brachten in de reeks avonden

onder de voorgalerij bij mijn gastheer.

Menige goede herinnering is mij bijgebleven aan avonden daar bij

beschaafde menschen "en famille" doorgebracht, waarbij ik dan eens

weer den weldoenden invloed van een geregelde Hollandsche huishouding

ondervond.

Zoo werd er Kerstfeest gevierd bij den dokter op het fort, waar een

Kerstboompje stond, dat kunstig nagemaakt, heel goed den indruk

van zoo'n sparreboompje weergaf. Er zongen kinderen Kerstliedjes

en er werden geschenken rondgedeeld. Wel was het heel anders dan

het stemmige Kerstfeest, dat ik een jaar te voren in eigen kring

tusschen de Zwitsersche bergen had gevierd. Doch het "Stille Nacht,

Heilige Nacht" en het besneeuwde boompje deden, ondanks de warmte van

den tropischen avond en der geheel tropische omgeving, niet zonder

weemoed de herinnering aan dien tijd weer levendig worden.

Zoo gaf ook de komende Oudejaarsavond aanleiding tot een feest,

dat echter onder leiding van mijn gastheer in geheel andere

stemming gevierd zou worden. Deze, die den laatsten tijd veel

vriendelijkheden van de Europeesche kolonie had ondervonden, wenschte

die te beantwoorden en daarvoor koos hij dien avond uit. Hij wenschte

een feest te geven naar zijn smaak en op zijn breede wijze, dat wil

zeggen, dat er gegeten en gedronken zou worden in hoeveelheden zoo

groot als voor menschelijke magen en vooral voor dorstige kelen maar

mogelijk was.

Het feest zou beginnen met een reusachtigen bowl, daarna champagne,

en voor de liefhebbers whisky, bier en cognac na. Hij zag als in een

droom zijn voorgalerij in een slagveld van menschen en flesschen

herschapen, hij droomde zich een Nero-genoegen, een bacchanaal en

zijn persoon als held te midden daarvan.

Nooit had ik hem nog zoo in de weer gezien als in de dagen die aan dit

feest voorafgingen. De krossi-malas (luie stoel), een zeer gemakkelijke

dekstoel, waarop hij anders heele dagen met zijn corpulente lichaam

lag, was nu herhaaldelijk onbezet. Hij draafde van den een naar den

ander, zette allerlei menschen, leveranciers, kennissen en bedienden

in beweging voor het groote feest, dat komen zou. Ook de dames moesten

meehelpen om voor eenige groote schotels te zorgen, waarvoor hij de

ingrediënten leverde. Zijn stemming was monter en opgewekt in het

vooruitzicht van de geweldige fuif, over welker arrangement hij,

terwijl hij zich van louter verrukking op zijn dikke dijen sloeg,

maar niet uitgepraat was.

De bowl, waarmede dit feest beginnen zou, zou in groote tumblers

geschonken worden, zoodat deze koele drank de meeste gasten als 't

ware als een verkwikking zou overrompelen, opdat de stemming spoedig

bij allen de hoogte zou hebben bereikt, waarop hij zelven zoo graag

verkeerde. De glazen mochten geen oogenblik leeg wezen en hij zou zijn

gasten zoo animeeren, dat er al spoedig geen nuchtere gast meer over

was. De champagne zou bij stroomen vloeien; slechts maakte hij zich

bezorgd, dat er op het kleine Ternate niet voldoende van dezen drank

voor zijn grootsche plannen aanwezig was. De morgen na de fuif zou

dan de zon het geheele gezelschap nog onder zijn voorgalerij bijeen

vinden. De dames hadden hem ook toegezegd zijn jonggezellenwoning te

zullen bezoeken, waarbij hij ook van haar verwachtte, dat zij zich

niet onbetuigd zouden laten.

Terwijl we daar op een namiddag zoo luisterden naar de plannen van

onzen gastheer, hoorden we de fluit van een stoomboot en zagen we de

boot, die van Nieuw Guinea terugkwam (de zgn. Papoeboot), en die dus

gisteren Tobelo had aangedaan, over het spiegelgladde water de reede

van Ternate binnenglijden.

Even daarna, terwijl de boot nauwelijks aan den steiger was gemeerd,

zag ik, tot mijn niet geringe verwondering, Verster met driftigen pas

over den strandweg naderbij komen. Mij ziende, stoof hij de galerij

binnen, om opgewonden te vertellen, dat hij het in Tobelo niet langer

had kunnen uithouden, daar er geen man meer op het werk kwam, waardoor

hij tot stilzitten was gedoemd. Hij wilde nu zelf naar Menado om

koelies te halen, daar hij den koeliewerver, dien we daarheen hadden

gezonden, ook niet meer vertrouwde. Zijn voortvarendheid was in alle

opzichten te billijken, maar deze zou op Ternate weer terstond worden

gestuit, daar hij eerst een bootgelegenheid voor Menado diende af

te wachten. Zoo vermeerderde hij dan het gezelschap voor het nabije

Oudejaarsavondfeest, daar zich voor dien tijd wel niet meer een

gelegenheid voor vertrek zou opdoen. Van den nood een deugd makend,

vergat hij spoedig de stilte van Tobelo en gaf zich geheel over aan

de geneugten van het Indische leven op zoo'n klein plaatsje.

De Oudejaarsavond kwam. Reeds den dag te voren was er door eenige

heeren uit louter voorpret meer genoten dan goed was geweest, en zoo

was ook bij onzen gastheer op den dag zelven het allerergste vuur

reeds gebluscht. Dit verhinderde toch niet, dat er den ganschen dag

hard werd gewerkt aan den bowl en aan 't klaarmaken van schotels,

aan 't verkrijgen van voldoende glaswerk, borden, messen, vorken

enz. en dat het een gedraaf van belang werd, om op tijd met de geheele

voorbereiding van het groote feest klaar te komen.

Maar het was dan 's avonds eindelijk zoover. In de voorgalerij

stonden twee lange rijen stoelen, in het midden waarvan tafeltjes

waren geplaatst, waarop sigaren en sigaretten, aschbakjes en

lucifersdoosjes waren neergezet. In de binnengalerij hadden de

bedienden schotels en glazen klaar gezet, terwijl in het midden de

groote bowl, die herhaaldelijk zou kunnen worden aangevuld en die

met ijs koel werd gehouden, was geplaatst. In de achtergalerij stond

een lange tafel gedekt voor het souper; daar had de champagne in de

ijskist een plaatsje gevonden en zwoegde het buffet onder massaas

glazen en stapels borden; ook brandden daar voor dezen avond twee

groote petroleumlampen, wat vóór dien nog nooit het geval was geweest.

Met ongeduld werden nu de gasten gewacht, alles was gereed om hen

te ontvangen.

Weldra zagen we in het donker de eerste witte gedaanten verschijnen,

waartusschen eenige lichte japonnen, en toen eenmaal de eerste gasten

er waren, was weldra het gansche gezelschap compleet. De resident

had zich wijselijk laten verontschuldigen, zoo ook eenige andere

genoodigden, maar de gastheer kon toch tot zijn vreugde vaststellen,

nooit zooveel Europeanen te Ternate bijeen te hebben gezien. Een boot

van de Nord Deutsche Lloyd, die op den Oudejaarsdag was binnengevallen,

vermeerderde met den kapitein van het schip het aantal gasten nog

met een, en hij bleek een gast te zijn aan wien dergelijke feesten

zeer besteed waren.

De presenteerbladen met volle tumblers gingen rond en ieder

verwonderde zich over zulke groote bowlglazen, die in normale

gevallen voor bier werden gebruikt, maar onze gastheer zeide, dat

het een zeer onschuldig en verfrisschend drankje was, en als bewijs

daarvan dronk hij zijn eersten tumbler in één teug leeg. De kapitein

volgde zijn voorbeeld, en zei dat hij het heel lekker; maar toch wat

een kinderachtig en flauw drankje, vond. Een tweede glas werd weldra

door een ongeteld aantal gevolgd. De stemming rees, de gastheer dronk

zijn gasten herhaaldelijk een prosit en ad fundum toe, waarvan hij

zelf de gevolgen steeds meer ondervond. Na eenige uren zat hij reeds

verslagen op zijn stoel, nu telkens aangewakkerd door den kapitein,

voor wien zulk een bowl werkelijk een onschuldig drankje bleek te

zijn. Als Duitscher verloochende hij den bekenden dorst van zijn ras

niet en toonde zijn meerderheid in het drinken tegenover de aanwezige

Hollanders op verbazingwekkende wijs.

Toen het souper begon en het middernachtelijk uur sloeg, was de

feestvreugde ten top gestegen. Doch weldra gaven eenige verhitte

breinen aanleiding tot een hevig dispuut, dat elk ander gesprek

overstemde en dat zich eenige uren rekte, zooals dat in zulk een

verhit gezelschap meer pleegt voor te komen. Het feest ging nu

als een nachtkaars uit; de dames wilden vertrekken en troonden

hun echtgenooten mee, de gastheer was niet meer in staat tegen dat

weggaan te protesteeren, noch in staat bedankjes in ontvangst te

nemen. Onder de voorgalerij, bij volle tafels en leege stoelen, zat

hij na 't verloopen van het feest met den kapitein en eenige plakkers

wat men noemt na te praten. Dit napraten duurde tot het zonlicht de

laatste gasten verjoeg. Reeds was het volop dag, toen de laatsten

naar bed strompelden.

Den dag daarna, den eersten dag van het Nieuwe Jaar, was een dag

waarin slechts tegen den avond eenige opleving kwam, men was mat en

voelde zich onder den indruk van den doorwaakten nacht. De huishouding

van onzen gastheer was nu zoo in de war, dat eerst 's middags tegen

vier uur het eerste ontbijt werd gebruikt, terwijl er den geheelen

dag geen warm eten op tafel kwam.

Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 3 / 12 段